< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om wraking van raadsheren van de belastingkamer en rolraadsheer. Opmerkingen ten overvloede met betrekking tot de figuur van een pro-formaberoepschrift, enkele bijzonderheden met betrekking tot de werkwijze na ontvangst van een beroepschrift in cassatie en nadere bijzonderheden in toeslagzaken. Die opmerkingen bevatten onder meer de suggestie aan het adres van de belastingkamer van de Hoge Raad om de inrichting van het verkorte traject met betrekking tot beroepen die zijn ingesteld tegen een uitspraak die niet de toepassing is van een wet die een cassatiebepaling bevat, opnieuw te overwegen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04294

Zitting 28 januari 2022

CONCLUSIE

W.L. Valk

Met betrekking tot het verzoek tot wraking van

[verzoekster] (hierna: verzoekster)

1 Inleiding en samenvatting

1.1

De zaak betreft een verzoek om wraking. De hoofdzaak is bij de belastingkamer van de Hoge Raad aanhangig en betreft een beslissing op verzet in een zaak met betrekking tot zorgtoeslag. Verzoekster heeft in haar beroepschrift gevraagd om een termijn voor aanvulling of uitwerking van de gronden van haar beroep. Op 7 oktober 2021 is aan partijen bericht dat de Hoge Raad op vrijdag 15 oktober 2021 uitspraak zou doen. Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster de raadsheren van de belastingkamer die de zaak behandelen gewraakt, alsook de rolraadsheer.

1.2

Met betrekking tot de rolraadsheer kan verzoekster in haar verzoek om wraking niet worden ontvangen omdat de rolraadsheer de zaak niet behandelt (hierna 4.9).

1.3

Met betrekking tot de raadsheren die de zaak behandelen, bestaat voor wraking onvoldoende grond. Een rechterlijke beslissing is als zodanig geen grond voor wraking (hierna 4.6 en 4.7) en op de inhoud van een nog niet gedane uitspraak kan al helemaal niet worden vooruitgelopen (hierna 4.8, 4.13 en 4.14).

1.4

Deze conclusie bevat opmerkingen ten overvloede met betrekking tot de figuur van een pro-formaberoepschrift (hierna 4.17 e.v.), enkele bijzonderheden met betrekking tot de werkwijze na ontvangst van een beroepschrift in cassatie (hierna 4.25 e.v.) en nadere bijzonderheden in toeslagzaken (hierna 4.34 e.v.). Die opmerkingen bevatten onder meer de suggestie aan het adres van de belastingkamer van de Hoge Raad om de inrichting van het verkorte traject met betrekking tot beroepen die zijn ingesteld tegen een uitspraak die niet de toepassing is van een wet die een cassatiebepaling bevat, opnieuw te overwegen (hierna 4.32-4.33 en 4.38-4.39).

2 De feiten en het procesverloop in de hoofdzaak

2.1

Wat betreft de hoofdzaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

(a) Met dagtekening 19 juli 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht op zorgtoeslag van verzoekster definitief vastgesteld. Daarbij is een bedrag dat aan zorgtoeslag aan verzoekster was uitgekeerd, teruggevorderd. Op 29 augustus 2019, bij de Belastingdienst/Toeslagen ingekomen op 30 augustus 2019, heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 19 juli 2019. In het bezwaarschrift is onder meer vermeld:

‘I suppose that in determining the amount of toeslag for 2017 the Belastingdienst relied upon the tax assessment made in the decision kenmerk [0001] . However, that decision has been objected to and it is the Belastingdienst that failed to conclude it within six weeks, but instead the Belastingdienst extended the time to reply to the objection. The payment request with the above mention number therefore has no basis.

I further note that apparently the requested amount includes added extra costs, despite the matter has not been raised earlier and there is no final decision on the underlying tax assessment. Again, no calculations or explanations have been provided. This is not a proper way to deal with the matter. I also reiterate the points made in the objection to the decision on the tax assessment for 2017 and other relevant communications.’

(b) Bij beslissing op bezwaar van 4 november 2019 is het bezwaar van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard. De toelichting op die beslissing luidt als volgt:

‘Wij komen niet aan uw bezwaar tegemoet. De terugvordering is ontstaan omdat bij de voorlopige toekenning met beschikkingsnummer [0002] is uitgegaan van een geschat inkomen van 7.096,00 terwijl bij de definitieve toekenning het inkomen door de inspecteur inkomstenbelasting vastgesteld van 24.388,00 is gehanteerd. Wij mogen niet zelfstandig het inkomen veranderen. Er (…) is door u bij de inspecteur een bezwaar ingediend tegen het vastgestelde inkomen. Op het moment dat de inspecteur besluit uw inkomen aan te passen zullen wij automatisch volgen.’

2.2

Verzoekster heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Haar beroepschrift houdt onder meer in:

‘The [Belastingdienst] does not provide valid reasons to declare kennelijk ongegrond my objection against reduction of the toeslag for 2017 and for failing to consider objections about making deductions from my bank account. According to the decision letter of 4th November 2019, the toeslag was reduced on the basis of the assessment of my income for 2017 by the inspector which has been objected to and the toeslag will be readjusted automatically once the decision on the objection will be taken. (…) It is unreasonable and unfair to reduce the toeslag and start deductions before the objection against the underlying tax assessment of the relevant is concluded, and, since it cannot be ruled out that the objection will be granted, the hardship caused by the deductions is unnecessary.’

2.3

Op 15 juli 2020 heeft de rechtbank overeenkomstig art. 8:54 Awb uitspraak zonder zitting gedaan. Het beroep van verzoekster is daarbij niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat verzoekster heeft geweigerd een vertaling van het beroepschrift binnen de door de rechtbank gestelde termijn over te leggen. Onder de ondertekening van de uitspraak is vermeld dat binnen zes weken na verzending bij de rechtbank verzet kan worden gedaan op grond van art. 8:55 Awb.

2.4

Verzoekster heeft op 25 augustus 2020 een (in het Nederlands gesteld) pro-formaverzetschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Bij uitspraak van 8 juni 2021 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Onder de ondertekening van de uitspraak is vermeld dat geen rechtsmiddel openstaat.

2.5

Verzoekster heeft op 20 juli 2021 – gelet op art. 29f lid 1 AWR in verband met art. 6:7 Awb mijns inziens tijdig – een beroepschrift in cassatie ingediend tegen de uitspraak op verzet van 8 juni 2021. Het beroepschrift houdt in:

‘Hereby I submit cassation pro-forma with regard to the enclosed decision of the Rechtsbank Den Haag. I asked several times to send me a process-verbaal from the hearing, but up to now it have not been provided. I would appreciate if it can also be requested by Hoge Raad and forward it to me well before any deadlines. The judgment does not correctly reflect what was discussed at the hearing; and the submissions further to the discussion at the hearing, which the judge told he would wait for, are not mentioned and, based on the text of the judgment, were not looked at. I also submitted an application to the Rechtsbank to review the judgment and would appreciate if no deadlines will be set before the outcome of this application.’

2.6

De zaak is ingeschreven onder nummer 21/03064 (de hoofdzaak). Bij brief van 27 juli 2021 heeft de griffie van de belastingkamer verzoekster een afschrift doen toekomen van een in het digitale dossier van de hoofdzaak geplaatst bericht, waarin is vermeld:

‘Hierbij deel ik u mee dat het door u ingediende beroepschrift in cassatie gericht tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag, gedateerd 8 juni 2021, met kenmerk SGR 20/93 V op 20 juli 2021 is ontvangen.

Wellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat de Hoge Raad nog niet beschikt over de processtukken. Deze stukken, alsmede het proces-verbaal, zullen worden opgevraagd bij de rechtbank.

Over het verdere verloop van de procedure zult u nader door mij worden geïnformeerd.’

Uit het dossier van de hoofdzaak blijkt verder dat de griffie op dezelfde datum de processtukken heeft opgevraagd (afschrift van de uitspraak, van het proces-verbaal van de zitting en de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken) bij de rechtbank Den Haag.

2.7

Op 7 oktober 2021 is aan partijen bericht dat de Hoge Raad op vrijdag 15 oktober 2021 uitspraak zou doen, met de vermelding dat de beslissing zou worden genomen door mrs. R.J. Koopman, P.A.G.M. Cools, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren.

3 Het procesverloop in de wrakingszaak

3.1

Naar aanleiding van het onder 2.7 vermelde bericht heeft verzoekster op 14 oktober 2021 een verzoek om wraking ingediend. Dat verzoek om wraking betreft de raadsheren van de belastingkamer mrs. R.J. Koopman, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, alsook van mr. H. Wattendorff in haar hoedanigheid van rolraadsheer.

3.2

De tekst van het verzoek luidt als volgt:

‘Hereby I wraak the panel in charge of consideration of my case and the judge who is supposed to announce the decision. I have just learned that the verdict is to be pronoun[c]ed, despite the only previous correspondence that I received was the acknowledgement of the pro forma appeal. So far, no deadline was set for the grounds and there were no communications regarding griffierecht or anything else. The approach taken by the panel violates Article 6, as well as provisions of the national legislation. The panel's assertion that I must be at fault appears to be entirely based on my name. Reliance of the assumption and failure to give me an opportunity to respond/comment give an illustration of bias and lack of open-mindedness. Since essential information is currently missing, further grounds are to be provided after the receipt of the information and a copy of the file. I would like the request to be heard at the hearing.

Apparently, there was also other staff involved with the violation, e.g. the griffier who was handling the file. I therefore ask to register a complaint and bring this instance to the attention of the procurer-generaal.’

3.3

Het wrakingsverzoek is ingeschreven onder nummer 21/04294. Het onderzoek ter zitting door de vierde kamer van de Hoge Raad, in mijn aanwezigheid als advocaat-generaal, heeft op 13 december 2021 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt onder meer:

‘De dochter van verzoekster licht de wrakingsgronden toe. Zij stelt dat de beslissing in de [hoofdzaak] al genomen was voordat verzoekster haar gronden kenbaar heeft kunnen maken. Verzoekster had in cassatie namelijk alleen een pro forma beroepschrift ingediend en kreeg vervolgens een aankondiging van de openbare uitspraak toegestuurd, terwijl de Hoge Raad haar eerst in de gelegenheid had moeten stellen haar cassatieberoep te motiveren. In de [hoofdzaak] is ook geen griffierecht geheven.

Verzoekster vult aan dat zij en haar dochter vlak voor de zitting inzage hadden in het dossier van de [hoofdzaak], en dat dit dossier niet compleet is. Verzoekster stelt vergelijkbare problemen te hebben gehad in de eerdere behandeling van hetzelfde geschil voor de rechtbank. Zo heeft zij in weerwil van een toezegging niet de kans gehad nadere stukken in te dienen.’

4 Bespreking van het verzoek tot wraking

Inleidende opmerkingen met betrekking tot het middel van wraking 4.1

Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.

4.2

Met betrekking tot het geval dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, is in de literatuur gangbaar te onderscheiden tussen, kort gezegd, een gebrek in de subjectieve respectievelijk de objectieve onpartijdigheid van de rechter. Een vergelijkbaar onderscheid is aan te wijzen in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot art. 6 EVRM (fair trial, eerlijk proces). Hoewel fiscale verplichtingen geen ‘civil rights and obligations’ in de zin van art. 6 EVRM zijn, kan ook in fiscale procedures aan de rechtspraak van het EHRM wel betekenis worden toegekend, in de zin dat voor de uitleg van art. 8:15 Awb aan die rechtspraak aanknopingspunten worden ontleend. Hierna verwijs ik daarom, behalve naar de rechtspraak van de Hoge Raad, ook naar (voorbeelden uit de overvloedige) rechtspraak van het EHRM.

4.3

Een gebrek in de subjectieve onpartijdigheid van de rechter komt erop neer dat de rechter ten opzichte van een partij een vooringenomenheid koestert. Zonder duidelijke aanwijzingen daarvoor behoort een gebrek in de subjectieve onpartijdigheid niet te worden aangenomen. Een rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn tot het tegendeel komt vast te staan. Schijn van partijdigheid in de ogen van een procespartij is in dit verband dus bepaald onvoldoende.

4.4

Een gebrek in de objectieve onpartijdigheid van de rechter veronderstelt dat vanuit het perspectief van de externe waarnemer (the external observer) twijfels over de onpartijdigheid van de rechter bestaan, welke twijfels objectief te rechtvaardigen moeten zijn op grond van vaststelbare feiten. Zulke feiten kunnen bijvoorbeeld zien op een gebrek in de onafhankelijkheid van de rechter ten opzichte van de uitvoerende macht of ten opzichte van een procespartij. Ook gedragingen van de rechter kunnen in dit verband in aanmerking worden genomen.

4.5

In het verband van een toets van de objectieve onpartijdigheid is voor wraking schijn van partijdigheid juist wél voldoende. Althans, een overeenkomstige toepassing van de rechtspraak van het EHRM op de maatstaf van art. 8:15 Awb zou dit meebrengen. Zoals die rechtspraak zegt, staat bij kwestie van objectieve onpartijdigheid op het spel het vertrouwen dat het publiek in een democratische samenleving in de rechter moet kunnen hebben; in dat verband geldt: ‘Justice must not only be done, it must also be seen to be done.’

4.6

Een rechterlijke beslissing kan als zodanig geen grond vormen voor wraking. Dat geldt zowel voor beslissingen in de hoofdzaak als voor daarmee verband houdende beslissingen van andere aard. De zaak te beslissen en zo nodig voorafgaand tussenbeslissingen te nemen, is eenvoudig datgene wat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling móét doen.

4.7

Ik zei: een rechterlijke beslissing is als zodanig geen grond voor wraking. Uiteraard is niet bij voorbaat onmogelijk dat de inhoud van een beslissing zodanig is dat daaruit alsnog een vooringenomenheid van de rechter of (naar objectieve maatstaven) de schijn van partijdigheid kan worden afgeleid. In geval van een tussenbeslissing wordt dan alsnog wraking mogelijk . In geval van een eindbeslissing is wraking niet meer mogelijk, en kan het gebrek in de beslissing alleen door het instellen van een rechtsmiddel (in het bijzonder hoger beroep of cassatie) worden geredresseerd. Is de beslissing in hoogste instantie genomen en staat geen rechtsmiddel open, dan is dat niet anders: Lites finiri oportent, de rechtsstrijd moet ooit worden beëindigd. Uiteraard heeft de hoogste rechter, zo mogelijk nog meer dan iedere andere rechter, wel de zeer ernstig te nemen verantwoordelijkheid om zijn werkwijze zodanig in te richten dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat beslissingen worden genomen waarvan de inhoud aanleiding zou kunnen geven tot twijfels over de onpartijdigheid van de rechters die de beslissing namen.

4.8

Kan een rechterlijke beslissing als zodanig geen grond voor wraking vormen, nog minder kan een wrakingsverzoek met succes worden gedaan op de grond dat een door de rechter nog te nemen beslissing een bepaalde inhoud zou hebben. Zolang een beslissing nog niet is genomen, staat niet vast wat zij inhoudt. Voor speculatie over de inhoud van een nog te nemen beslissing is geen plaats. Nogmaals: beslissen is eenvoudig datgene wat aan de rechter is toevertrouwd en waarin hij uit hoofde van zijn aanstelling ook behoort te worden vertrouwd. Dit geldt ook indien een partij die om wraking verzoekt, meent de inhoud van de te nemen beslissing te kunnen voorspellen. Kritiek, ook fundamentele kritiek, op constante rechtspraak van een rechterlijk college, vormt voor wraking geen grond.

De gronden van het verzoek om wraking

4.9

Voor zover het verzoek om wraking ziet op de rolraadsheer, mr. Wattendorff, kan verzoekster in haar verzoek niet worden ontvangen. Zoals uit de tekst van art. 8:15 Awb volgt, kan een verzoek om wraking slechts betrekking hebben op de rechters die de zaak behandelen. Een rolraadsheer heeft met de behandeling van de zaak geen bemoeienis. Hieruit volgt dat een verzoek om wraking van de rolraadsheer niet mogelijk is.

4.10

Uit het bericht van 7 oktober 2021 (hiervoor 2.7) volgt dat de andere gewraakte raadsheren wél de hoofdzaak behandelen. Met betrekking tot hen is verzoekster dus wel ontvankelijk.

4.11

Hetgeen verzoekster aan haar verzoek om wraking ten grondslag heeft gelegd, ziet zowel op de subjectieve als op de objectieve onpartijdigheid van de gewraakte raadsheren. Als zij zegt dat zij uitsluitend op haar naam moeten zijn afgegaan (vijfde alinea van het verzoek om wraking), komt dat neer op een door haar veronderstelde persoonlijke vooringenomenheid van de gewraakte raadsheren. Als zij aanvoert dat de beslissing in de hoofdzaak al genomen was voordat zij haar gronden kenbaar heeft kunnen maken, laat dit zich opvatten als een beroep op een gebrek in de objectieve onpartijdigheid van de gewraakte raadsheren.

4.12

Ieder aanknopingspunt voor de door verzoekster veronderstelde persoonlijke vooringenomenheid ontbreekt. Dat geldt ook indien en voor zover verzoekster het oog zou hebben op zaken die eerder bij de belastingkamer van de Hoge Raad aanhangig geweest zijn en waarin zij partij was. Ook als een rechter de naam van een procespartij uit eerdere door hem behandelde zaken herkent, mag van de rechter een onbevooroordeelde beoordeling van de (nieuwe) zaak worden verwacht. Uit hoofde van hun aanstelling moet worden vermoed dat ook de gewraakte raadsheren zich dienovereenkomstig kunnen, willen en zullen gedragen.

4.13

Aan de vooraankondiging van een uitspraak kan verzoekster evenmin grond ontlenen om de objectieve onpartijdigheid van de behandelende raadsheren in twijfel te trekken. De inhoud van die beslissing staat nog niet vast en voor speculatie over de inhoud ervan is geen plaats. Het stond ten tijde van het wrakingsverzoek niet eens vast dat inderdaad op 15 oktober 2021 een uitspraak zou volgen. De behandelende raadsheren zouden zich immers ook nog hebben kunnen bedenken.

4.14

In dit verband merk ik op dat een uitspraak veelal wordt voorbereid door medewerkers van de juridische ondersteuning van een gerecht. Ook bij de Hoge Raad is dit zo. De rechters – die uiteraard voor de inhoud van een uitspraak verantwoordelijk zijn, ook indien zij die inhoud niet zelf hebben voorbereid – dienen de inhoud van de uitspraak vóór ondertekening te controleren. Daarbij kan alsnog blijken dat die inhoud onjuist is en dat kan, behalve tot aanpassing van de uitspraak, ook ertoe leiden dat alsnog aan partijen wordt bericht dat vooralsnog geen uitspraak zal worden gedaan. Indien verzoekster naar aanleiding van de aankondiging van een uitspraak meende dat sprake is van een fout omdat zij de gronden van haar beroep nog niet (ten volle) kenbaar heeft kunnen maken, had zij de behandelende raadsheren daar met een brief of ander bericht op kunnen wijzen. Een grond voor wraking is een vermeende fout niet.

4.15

Hiermee is gezegd wat mijns inziens het lot van het verzoek om wraking van verzoekster behoort te zijn. Hiervoor 4.7 zei ik dat de hoogste rechter, zo mogelijk nog meer dan iedere andere rechter, de zeer ernstig te nemen verantwoordelijkheid heeft om zijn werkwijze zodanig in te richten dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat beslissingen worden genomen waarvan de inhoud aanleiding zou kunnen geven tot twijfel over de onpartijdigheid van de rechters die de beslissing namen. Deze verantwoordelijkheid is voor mij aanleiding voor enkele opmerkingen ten overvloede naar aanleiding van (1) de figuur van een pro-formaberoepschrift, (2) enkele bijzonderheden met betrekking tot de werkwijze na ontvangst van een beroepschrift in cassatie en (3) nadere bijzonderheden in toeslagzaken.

4.16

Hierna zal ik nog diverse malen aan de hoofdzaak refereren. Ook verzoekster leest immers de opmerkingen die ik ten overvloede maak en het is daarom gepast dat ik voor haar verantwoord in hoeverre die opmerkingen ook in haar zaak van toepassing zijn.

De figuur van een pro-formaberoepschrift (ten overvloede 1)

4.17

Op grond van art. 6:5 lid 1 aanhef en onder d Awb moet een beroepschrift onder meer de gronden van het beroep bevatten. Niet-ontvankelijkverklaring volgt op grond van art. 6:6 Awb echter niet dan nadat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een beroep in cassatie (art. 6:24 Awb).

4.18

In de praktijk is in het bestuursrecht zeer gangbaar dat beroep met een ‘pro-formaberoepschrift’ wordt ingesteld, dat wil zeggen met een beroepschrift dat nog niet de gronden bevat, maar in beginsel wel aan de overige in art. 6:5 lid 1 BW gestelde vereisten voldoet, waaronder een omschrijving van het besluit waartegen het beroep zich richt (in de onderhavige zaak de uitspraak van de rechtbank) en zo mogelijk overlegging van een afschrift daarvan. Nadat de bestuursrechter overeenkomstig art. 6:6 Awb de belanghebbende daartoe een termijn heeft gegund, formuleert de belanghebbende alsnog beroepsgronden. Dat het pro-formaberoepschrift een zeer gangbare figuur is, geldt ook in belastingzaken.

4.19

Het betreft een gevestigde praktijk. Weliswaar vermeldt het procesreglement van de Hoge Raad de mogelijkheid van een pro-formaberoepschrift niet (volgens art. 5.1.3.4 onder e voegt de indiener bij het beroepschrift in cassatie de motivering van het beroep), maar de handreiking van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ‘In beroep bij de Hoge Raad in belastingzaken’ uit 2006, waarnaar op de website van de Hoge Raad nog wordt verwezen maar die ik op internet niet meer kon terugvinden, deed dat uitdrukkelijk wel. De brochure vermeldde voor het geval in het beroepschrift niet de gronden van beroep zijn vermeld:

‘Van de griffier van de Hoge Raad krijgt u dan bericht over een nadere termijn voor het insturen van een aanvulling. Die termijn bedraagt zes weken na de dagtekening van dat bericht. De Hoge Raad geeft geen verdere verlenging van de termijn voor het insturen van de aanvulling; als u de aanvulling te laat inzendt, wordt het beroep in cassatie over het algemeen niet-ontvankelijk verklaard (dat betekent dat de Hoge Raad het beroep in cassatie niet inhoudelijk behandelt).’

4.20

De ‘Toelichting op procedure belastingzaak of bestuursrechtelijke zaak bij de Hoge Raad’, waarnaar de website van de Hoge Raad óók verwijst, zegt het thans wat anders:

‘Heeft u meer dan zes weken nodig om uit te leggen waarom u het oneens bent met de rechterlijke uitspraak? Zorg dan dat u het beroepschrift tijdig indient en vraag in het beroepschrift om uitstel voor het geven van die uitleg. Dan verleent de griffie van de Hoge Raad u eenmalig een termijn voor het geven van die uitleg. Neemt u deze termijn niet in acht? Dan kan de Hoge Raad beslissen het beroepschrift niet inhoudelijk te behandelen.’

4.21

Wordt alleen op deze toelichting afgegaan, dan zou men kunnen denken dat steeds essentieel is dat in het beroepschrift om uitstel voor het formuleren van gronden wordt verzocht. Gelet op de duidelijke bepaling van art. 6:6 Awb (zie hiervoor) is die gedachte echter niet juist: indien een beroepschrift in het geheel geen gronden bevat, wordt een termijn voor het alsnog formuleren van de gronden van het beroep ook ambtshalve gegeven. Bevat het beroepschrift wel gronden maar bestaat bij de belanghebbende de wens om het beroep met andere gronden aan te vullen, dan wel de in het beroepschrift vermelde gronden nader uit te werken, dan zal daar uiteraard wel om moeten worden gevraagd. Anders is voor de rechter immers niet duidelijk dat de belanghebbende de gronden van zijn beroep nog niet volledig heeft geformuleerd. Navraag binnen de organisatie van de Hoge Raad leert mij dat ook een zodanige aanvulling of uitwerking van de gronden van het beroep op verzoek, staande praktijk is.

4.22

In de hoofdzaak ligt in de tekst van het beroepschrift besloten dat verzoekster om een termijn voor het formuleren van nadere beroepsgronden vroeg (ook al staat het er niet met zoveel woorden). Verzoekster spreekt immers van het instellen van ‘cassation pro-forma’ en refereert aan het door haar vergeefs opvragen van een proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank Den Haag. In verband met het laatste verzoekt zij de Hoge Raad om zelf dat proces-verbaal op te vragen en haar dat toe te zenden ‘well before any deadlines’. Gelet op een en ander is mijns inziens alleszins duidelijk dat verzoekster bedoelde te vragen om een termijn om de in haar beroepschrift vermelde gronden naar aanleiding van het proces-verbaal eventueel met andere gronden aan te mogen vullen, dan wel de door haar reeds vermelde gronden nader te mogen uitwerken.

4.23

Zoals hiervoor bleek berust de mogelijkheid van aanvulling van een pro-formaberoepschrift op art. 6:6 Awb. Die bepaling ziet naar zijn aard niet op vormverzuimen die zich niet voor herstel lenen. Indien bijvoorbeeld het beroep te laat is ingesteld, is herstel naar zijn aard niet mogelijk. Aan te nemen is dat hetzelfde geldt als beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een uitspraak waartegen in cassatie niet kan worden opgekomen, omdat de bestreden uitspraak niet een toepassing betreft van een wet die een cassatiebepaling bevat. Volgens art. 78 lid 4 RO neemt de Hoge Raad immers slechts kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter ‘voorzover dit bij wet is bepaald’.

4.24

Ik vermeld nog dat art. 6:6 Awb de gelegenheid tot herstel van het verzuim alleen voorschrijft voorafgaand aan een eventuele niet-ontvankelijkverklaring. Op het geval dat de rechter een beroep aanstonds ontvankelijk acht, ziet art. 6:6 Awb dus niet. Met betrekking tot de gronden van het beroep ligt de situatie in verband met de hiervoor bedoelde gevestigde praktijk intussen genuanceerder. Zijn in een beroepschrift een of meer gronden vermeld, maar is tegelijk om een termijn verzocht om het beroepschrift met nadere gronden te mogen aanvullen dan wel de reeds in het beroepschrift vermelde gronden uit te werken, dan moet worden aangenomen dat de rechter in beginsel verplicht is om zo’n termijn inderdaad te gunnen, ook al is het beroep reeds ontvankelijk uit hoofde van de in het beroepschrift vermelde gronden.

Enkele bijzonderheden met betrekking tot de werkwijze na ontvangst van een beroepschrift in cassatie (ten overvloede 2)

4.25

Wanneer een beroepschrift in cassatie is ingediend, verricht de griffier van de Hoge Raad vervolgens een aantal naar buiten blijkende formele handelingen, waaronder het sturen van een ontvangstbevestiging van het beroepschrift in cassatie (art. 6:14 lid 1 Awb) en het in kennis stellen van de wederpartij van het ingestelde beroep (art. 6:14 lid 2 Awb).

4.26

De binnenkomst van een beroepschrift in cassatie is ook het beginpunt voor een interne beoordeling van de zaak met het oog op de vraag op welke wijze de zaak behoort te worden behandeld. In voorkomende gevallen wordt een zaak geselecteerd om haar in een verkort traject als niet-ontvankelijk af te doen. Dit kan zowel zien op een niet-ontvankelijkverklaring op een formele grond, als op een niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a RO. Hoewel in beide gevallen het dictum dus gelijkluidend is (niet-ontvankelijk), is in feite sprake van beslissingen van wezenlijk andere aard. Een niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a RO veronderstelt een summiere inhoudelijke beoordeling van de zaak (met als slotsom dat ‘de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden’). Is daarentegen sprake van een formele grond voor niet-ontvankelijkheid, dan wordt aan de inhoud niet toegekomen.

4.27

Van de zojuist bedoelde interne beoordeling binnen de organisatie van de Hoge Raad is door Feteris in zijn bekende monografie uit 2014 als volgt verslag gedaan:

‘a. Zaken waarin het cassatieberoep op formele grond niet-ontvankelijk is worden op korte termijn afgedaan, veelal zonder dat eerst nog gelegenheid tot verweer wordt geboden aan de wederpartij. Of sprake is van zo’n zaak wordt in eerste instantie beoordeeld door medewerkers van de griffie. De conceptbeslissing wordt opgesteld door een gerechtssecretaris, doorgaans op basis van een modeltekst, en daarna beoordeeld en zo nodig aangepast door drie raadsheren die de zaak behandelen. Als regel blijft hun inbreng beperkt tot een korte schriftelijke reactie op het concept, die ook kan bestaan uit een enkele akkoordverklaring. Deze zaken worden niet in raadkamer besproken, tenzij er verschil van inzicht bestaat tussen de raadsheren of anderszins bij een of meer van hen behoefte bestaat aan bespreking van de zaak of van de problematiek die daarin speelt.

b. Na ontvangst van het verweerschrift en nadat het griffierecht is betaald, beoordeelt een medewerker van het Wetenschappelijk Bureau of de zaak zo kansloos is dat zij zich naar diens oordeel leent voor afdoening met toepassing van art. 80a Wet RO. Als dat het geval is wordt door een gerechtssecretaris op basis van een standaardformulering een concept gemaakt voor een arrest waarbij het beroep in cassatie met toepassing van dat art. 80a Wet RO versneld en vereenvoudigd wordt afgedaan. Ook voor deze zaken geldt dat de conceptbeslissing wordt beoordeeld en zo nodig wordt aangepast door drie raadsheren die de zaak behandelen, en dat hun inbreng als regel beperkt blijft tot een korte schriftelijke reactie op het concept. Ook deze zaken worden als regel niet besproken in het wekelijkse raadkameroverleg.’

Navraag binnen de organisatie van de Hoge Raad leert mij dat de werkwijze ook thans nog zo is.

4.28

Verzoekster heeft zowel in haar verzoek om wraking als bij gelegenheid van het onderzoek ter zitting van dat verzoek vermeld dat zij geen mededeling heeft ontvangen over verschuldigd griffierecht. Een praktijk volgens welke soms een cassatieberoep ook zonder het heffen van griffierecht wordt afgedaan, wordt in de monografie van Feteris niet besproken. Navraag binnen de interne organisatie van de Hoge Raad heeft mij echter geleerd dat die praktijk wel degelijk bestaat. Die praktijk betreft beroepen die zijn ingesteld tegen een uitspraak die niet de toepassing is van een wet die een cassatiebepaling bevat (vergelijk hiervoor 4.23). Te vermoeden is dat zulke afdoening zonder het heffen van griffierecht goed bedoeld is als in feite een tegemoetkoming in de richting van een burger die bij het ‘verkeerde loket’ aanklopte; die vergissing wordt hem niet in rekening gebracht. In deze variant van een verkort traject pleegt in het geval van een pro-formaberoepschrift aan de verzoekster ook niet de anderszins gebruikelijke termijn voor aanvulling te worden gegund.

4.29

Dit laatste is mijns inziens niet onproblematisch. In iedere gerechtelijke procedure geldt het fundamentele beginsel dat de procespartijen in de gelegenheid dienen te worden gesteld om hun standpunt naar voren te brengen en toe te lichten, en de opmerkingen te maken die zij voor hun zaak relevant achten. Toegang tot een rechter zonder dat men bij die rechter ook gehoor vindt, is een ongerijmdheid. Dit geldt ook indien een rechter eigen redenen meent te hebben om te denken dat de zaak voor de partij kansloos is. In de woorden van een recente uitspraak van het EHRM:

‘59. The Court has previously held that judges themselves must respect the principle of adversarial proceedings, in particular when they reject an appeal or decide on a claim on the basis of a matter raised by the court of its own motion. In this connection, it is important for those who bring their claims to court to rely on the proper functioning of the justice system: that reliance is based, among other things, on the certainty that a party to a dispute will be heard in respect of all items in the case. In other words, it is legitimate for the parties to a dispute to expect to be consulted as to whether a specific document, or argument as may be the case, calls for their comments (see Duraliyski v. Bulgaria, no. 45519/06, §§ 31-32, 4 March 2014, with further references).’

4.30

Uit de rechtspraak van EHRM volgt intussen ook dat de plicht van de rechter om aan een partij gehoor te verlenen niet onbegrensd is, omdat de rechter (uiteraard) ook de relevantie van stellingen mag en moet beoordelen. Daarbij behoren we dan wel te bedenken dat het hiervoor bedoelde verkorte traject in het geval van een pro-formaberoepschrift neerkomt op het afbreken van het horen van de belanghebbende bij de ingang van de cassatieinstantie. Als een rechterlijke beoordeling op relevantie voor de te nemen beslissing in reeds die fase op zichzelf al toelaatbaar is, zal dit mijns inziens beperkt moeten blijven tot gevallen waarin alles wat een partij nog zou kúnnen aanvoeren, voor de te nemen beslissing evident irrelevant is.

4.31

Maakt het in dit verband nog uit dat we over beroep in cassatie spreken? Het EHRM beschouwt nationale procesregels, waaronder ontvankelijkheidsregels en (beperkingen van het recht van) toegang tot de cassatierechter als een zaak van de lidstaten, maar grijpt intussen in als deze nationale procesregels extreem formalistisch worden toegepast op een wijze waardoor belanghebbenden in hun belang worden geschaad. Ook moeten ontvankelijkheidseisen en formele termijnvereisten voorzienbaar worden toegepast en mogen zij geen drempel vormen voor een effectieve toegang tot de rechter. Een voor de belanghebbende niet te voorziene afwijking van de praktijk zoals die ook bij de Hoge Raad bestaat, volgens welke hij op zijn verzoek in de gelegenheid wordt gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen of reeds geformuleerde gronden nader uit te werken, bevindt zich mijns inziens dus wel degelijk in de ‘gevarenzone’.

4.32

Ik geef de belastingkamer van de Hoge Raad in overweging om de inrichting van het verkorte traject met betrekking tot beroepen die zijn ingesteld tegen een uitspraak die niet de toepassing is van een wet die een cassatiebepaling bevat, opnieuw te overwegen. Zoals gezegd, dat traject is klaarblijkelijk bedoeld als een tegemoetkoming in de richting van een burger die bij het ‘verkeerde loket’ aanklopte: deze burger weet zo snel mogelijk waar hij aan toe is en griffierecht wordt niet in rekening gebracht. De praktijk van niet heffen van griffierecht lijkt me niet onlosmakelijk verbonden met de praktijk om de belanghebbende die zich van een pro-formaberoepschrift heeft bediend, niet de gelegenheid te bieden om alsnog gronden te formuleren (of in het geval het beroepschrift reeds gronden bevat: die gronden aan te vullen dan wel uit te werken). De burger die bij het ‘verkeerde loket’ aanklopte kan ook worden bediend met een brief van de griffier waarin dit voorlopig wordt uiteengezet, maar waarbij tegelijk aan de belanghebbende, voor het geval deze dit niettemin wenst, toch de termijn wordt geboden die hij voor aanvulling respectievelijk uitwerking van het beroepschrift verwachtte. Uiteraard zal de belanghebbende bij die gelegenheid eventueel ook kunnen uiteenzetten waarom hij meent dat beroep in cassatie wél openstaat. Vervolgens kan alsnog de uitspraak volgen, maar nu zonder dat aanleiding bestaat voor twijfel of de belanghebbende in zijn recht op rechterlijk gehoor tekort is gekomen.

4.33

Indien de belastingkamer aan haar huidige werkwijze zou vasthouden, is mijns inziens het minste wat dient te gebeuren dat in openbare informatie wordt gewezen op de mogelijkheid dat een beroep volgens het bedoelde verkorte traject wordt afgedaan. Op grond van de huidige op de website van de Hoge Raad vermelde informatie denkt een belanghebbende die verzoekt om een termijn om zijn beroepschrift te mogen aanvullen respectievelijk uitwerken, nu niet iets anders te mogen verwachten dan tot zodanige aanvulling en uitwerking in staat te zullen worden gesteld. Als in plaats daarvan een uitspraak in de zaak wordt aangekondigd, wordt dit niet begrepen, wat twijfels over een zorgvuldige behandeling van de zaak in de hand werkt. In zoverre behoren we voor verzoekster ook begrip op te brengen, ook al had zij voor een verzoek om wraking geen grond.

Nadere bijzonderheden in toeslagzaken (ten overvloede 3)

4.34

In de onderhavige zaak heeft de verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in art. 8:55 lid 7 Awb (uitspraak op verzet). Op grond van art. 8:104 lid 2 aanhef en onder c Awb kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak op verzet. In belastingzaken staat tegen een dergelijke uitspraak echter wel cassatie open op grond van art. 28 lid 2 AWR, mits de uitspraak op verzet strekt tot niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring. Welke zaken als belastingzaken zijn aan te merken, wordt bepaald door de plaatsing van art. 28 in Hoofdstuk V van de AWR (met het opschrift Bezwaar en beroep). Die plaatsing brengt mee dat een cassatieberoep alleen kan worden gericht tegen uitspraken van een rechtbank of hof naar aanleiding van een (hoger) beroep waarop de bepalingen van dit hoofdstuk van de AWR van toepassing zijn. Gelet op art. 26 AWR moet het gaan om zaken waarin het beroep ziet op: (a) een belastingaanslag, (b) een ingevolge de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking, of (c) de voldoening of afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van een bedrag als belasting.

4.35

De beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen van 19 juli 2019 (hiervoor 2.1 onder a) waartegen door verzoekster bezwaar is gemaakt, berust op de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Voor het toetsingsinkomen zoals dit volgens deze wet voor de toekenning van onder meer de zorgtoeslag bepalend is, is volgens art. 8 lid 1 Awir het op een berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven bepalend. Art. 2 onder o Awir verwijst voor het begrip ‘inkomensgegeven’ naar art. 21 onder e AWR. Hoewel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in toeslagzaken in beginsel bevoegd is, volgt uit een nu te bespreken arrest van de Hoge Raad uit 2014 dat dit wat betreft het bedoelde inkomensgegeven anders is.

4.36

De zaak betrof een verzoekster die een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV ontving. In haar aangifte inkomstenbelasting 2009 gaf zij een verzamelinkomen aan van € 20.224. De Belastingdienst/Toeslagen had de aan de verzoekster toekomende zorgtoeslag bij beschikking vastgesteld, welke beschikking was gebaseerd op het toetsingsinkomen van € 20.224. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking zorgtoeslag, maar niet tegen de (later opgelegde) aanslag inkomstenbelasting 2009, waarin wederom is uitgegaan van het aangegeven verzamelinkomen van € 20.224. Het bezwaar tegen de beschikking zorgtoeslag is ongegrond verklaard, evenals het tegen de uitspraak op bezwaar gerichte beroep. Het hof verklaarde zich naar aanleiding van het door de verzoekster ingestelde hoger beroep onbevoegd, omdat het beroep van de verzoekster geen besluit zou betreffen dat onder de reikwijdte van art. 26 AWR valt.

4.37

De Hoge Raad heeft, daarbij de conclusie van A-G Wattel volgend, het arrest van het hof vernietigd. De relevante overwegingen van het arrest luiden als volgt:

‘2.2.1. Het hiervoor in 2.1.5 vermelde bezwaarschrift van verzoekster tegen de beschikking inzake zorgtoeslag betrof klaarblijkelijk het gehanteerde toetsingsinkomen, dat op grond van artikel 8, lid 1, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen gelijk is aan het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Op grond van artikel 21j, lid 2, AWR dient dit geschrift van verzoekster daarom mede te worden aangemerkt als een verzoek aan de Inspecteur om het inkomensgegeven ambtshalve te verminderen. De andere mogelijkheid die artikel 21j, lid 2, AWR noemt, namelijk dat het geschrift wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen een vaststelling van het inkomensgegeven, komt hier niet voor toepassing in aanmerking. De stukken van het geding bevatten immers geen aanwijzing dat de Inspecteur het inkomensgegeven tevoren had vastgesteld bij een beschikking waartegen ten tijde van de indiening van dit geschrift nog tijdig bezwaar had kunnen worden gemaakt.

2.2.2.

De hiervoor in 2.1.7 bedoelde beslissing van de Inspecteur dient te worden aangemerkt als een beschikking waarbij afwijzend is beslist op het in 2.2.1 bedoelde (fictieve) verzoek om het inkomensgegeven ambtshalve te verminderen.

2.2.3.

Deze afwijzende beschikking is op grond van artikel 21k, lid 2, AWR voor bezwaar vatbaar. Daaraan kan niet afdoen dat verzoekster – naderhand - ook bezwaar had kunnen maken tegen de vaststelling van het verzamelinkomen door de Inspecteur ter gelegenheid van het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2009, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

2.2.4.

Aangezien de zojuist bedoelde beschikking strekt tot bepaling van een inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, letter e, onder 1 °, AWR, volgt uit artikel 21c, lid 1, AWR dat de regels die gelden bij de heffing van inkomstenbelasting met betrekking tot deze voor bezwaar vatbare beschikking van overeenkomstige toepassing zijn. Zoals ook blijkt uit de parlementaire toelichting, weergegeven in de onderdelen 4.6, 4.11, 4.14 en 4.15 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, komt de bevoegdheid tot het berechten van geschillen over dergelijke beschikkingen daarom toe aan de rechter in belastingzaken, in hoger beroep dus aan (de belastingkamer van) het Gerechtshof.’

4.38

Omdat voor zover een belanghebbende tegen het gehanteerde toetsingsinkomen opkomt, in toeslagzaken wel degelijk beroep in cassatie openstaat, dunkt mij de gevolgtrekking onontkoombaar dat toeslagzaken zich niet voor afdoening in een verkort traject lenen, althans niet in een verkort traject waarin de belanghebbende niet voorafgaand aan de beslissing ten volle in de gelegenheid is om zich over de gronden van het cassatieberoep te laten horen. In toeslagzaken zal immers altijd een zekere inhoudelijke beoordeling moeten plaatsvinden om vast te stellen of het inkomensgegeven al dan niet door de belanghebbende wordt bestreden, omdat indien dit het geval is, de zaak (mede) als een belastingzaak is aan te merken. Bij die beoordeling kan ook niet zomaar worden afgegaan op hetgeen in de beslissing waarvan beroep is vermeld, noch op de inhoud van het opgevraagde procesdossier. Het is immers niet onmogelijk dat de belanghebbende zal willen betogen dat het dossier onvolledig is, dat het proces-verbaal van de behandeling in de vorige instantie het verhandelde onvolkomen weergeeft, dat de behandeling in de vorige instantie fundamentele gebreken vertoonde, et cetera. Heeft de belanghebbende bij het beroepschrift verzocht om de gronden van zijn beroep te mogen aanvullen of reeds aangevoerde gronden nader uit te werken, dan behoort hem de gelegenheid daartoe steeds te worden gegeven.

4.39

Bij een heroverweging door de belastingkamer van het verkorte traject met betrekking tot beroepen die zijn ingesteld tegen een uitspraak die niet de toepassing is van een wet die een cassatiebepaling bevat (hiervoor 4.32 en 4.33), verdienen toeslagzaken dus afzonderlijk aandacht.

4.40

Terzijde naar aanleiding van de hoofdzaak nog kort het volgende. In verband met de tekst van het bezwaar- respectievelijk beroepschrift van verzoekster (hiervoor 2.1 onder a en b), kan ik mij niet onttrekken aan de indruk dat verzoekster opkomt tegen het in de zorgtoeslagbeschikking gehanteerde toetsingsinkomen. Als de hoofdzaak inderdaad een belastingzaak is, wordt dit ook niet anders doordat de procedure bij de rechtbank niet over de inhoud is gegaan, maar alleen over de kwestie van de door de rechtbank in verband met art. 6:5 lid 3 Awb verlangde vertaling van het beroepschrift in het Nederlands. Kortom, als ik het goed zie, bestaat ook volgens de tot op heden gebruikelijke werkwijze in de hoofdzaak geen grond voor afdoening in een verkort traject (anders dan eventueel met toepassing van art. 80a RO en dus na voltooiing van hoor en wederhoor).

5 Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar verzoek om wraking met betrekking tot mr. Wattendorff en tot afwijzing van haar verzoek om wraking met betrekking tot mrs. R.J. Koopman, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Rechtbank Den Haag 15 juli 2020, nr. SGR 20/93, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Rechtbank Den Haag 8 juni 2021, nr. SGR 20/93 V, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Kort gezegd komt het erop neer dat in de verzetszaak is geoordeeld dat de termijn voor het indienen van een vertaling aan verzoekster op juiste wijze is bekendgemaakt en dat zij binnen de gestelde termijn geen vertaling van haar beroepschrift heeft ingediend en dat daarom de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen.

De uitspraak in de hoofdzaak is na binnenkomst van het wrakingsverzoek aangehouden, hetgeen aan partijen te kennen is gegeven op 15 oktober 2021.

Het proces-verbaal spreekt op deze plaats van een ‘belastingzaak’. Mijns inziens is niet vanzelfsprekend dat de hoofdzaak een belastingzaak is. Vergelijk hierna 4.35 e.v.

Vergelijk: P. Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Handboeken nr. 6), 2020/4.88; E.B. Pechler, Belastingprocesrecht (Fiscale Monografieën nr. 107), 2009/1.3.3.1; Stein/Rueb e.a., Compendium burgerlijk procesrecht 2021/2.6.

EHRM 12 juli 2001 (grote kamer), 44759/98, BNB 2005/222 m.nt. Ch.J. Langereis (Ferrazzini/Italië), onder 25.

Vergelijk: HR 29 juni 1993 (strafkamer), ECLI:NL:HR:1993:AD1909, NJ 1993/692 m.nt. A.C. ’t Hart, onder 5.3; HR 16 november 1999 (stafkamer), ECLI:NL:HR:1999:ZD1502, NJ 2000, 335 m.nt. A.C. ’t Hart, onder 3.5; HR 2 december 2005 (belastingkamer)), ECLI:NL:HR:2005:AU7352, BNB 2006/96, onder 3.3; EHRM (grote kamer) 23 juni 1981, 6878/75 en 7238/76 (Le Compte e.a./België), onder 58; EHRM 15 oktober 2009 (grote kamer), 17056/06, NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema (Micallef/Malta), onder 94.

Onder meer EHRM 6 november 2018 (grote kamer), 55391/13, 57728/13 en 74041/13 (Ramos Nunes de Carvalho e.a./Portugal), onder 146.

Onder meer EHRM 15 oktober 2009 (grote kamer), 17056/06 NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema (Micallef/Malta), onder 96.

Bijvoorbeeld EHRM 25 september 2018 (grote kamer), 76639/11 (Denisov/Ukraine), onder 68 e.v.

Bijvoorbeeld EHRM (grote kamer) 15 december 2005, 73797/01, EHRC 2006/21 m.nt. A.M.L. Jansen (Kyprianou/Cyprus), onder 121 en HR 25 maart 2008 (strafkamer), ECLI:NL:HR:2008:BC3785, NJ 2008/211.

Vergelijk EHRM 6 november 2018 (grote kamer), 55391/13, 57728/13 en 74041/13 (Ramos Nunes de Carvalho e.a./Portugal), onder 145.

EHRM 15 oktober 2009 (grote kamer), 17056/06, NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema (Micallef/Malta), onder 98: ‘In this respect even appearances may be of a certain importance…’ En verderop in dezelfde alinea: ‘Thus, any judge in respect of whom there is a legitimate reason to fear a lack of impartiality must withdraw.’

Zie nogmaals EHRM 15 oktober 2009 (grote kamer), 17056/06 NJ 2010/180 m.nt. E.A. Alkema (Micallef/‌Malta), onder 98. Het EHRM verwijst intussen in veel meer beslissingen naar het adagium.

HR 30 januari 2020 (vierde kamer), ECLI:NL:HR:2020:155, JBPr 2020/38 m.nt. A. Hammerstein, onder 3.3; HR 25 september 2018 (strafkamer), ECLI:NL:HR:2018:1413, NJ 2019/428 m.nt. T. Kooijmans, onder 3.3; CRvB 14 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3155, onder 3.2; ABRvS 17 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:‌1922, onder 3.

Vergelijk P. Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Handboeken nr. 6), 2020/4.8.8.

Opnieuw HR 30 januari 2020 (vierde kamer), ECLI:NL:HR:2020:155, JBPr 2020/38 m.nt. A. Hammerstein, onder 3.3.

CRvB 6 december 1996, JB 1997/13. Vergelijk ook HR 12 mei 2006 (vierde kamer), ECLI:NL:HR:2006:‌AX2303, BNB 2006/‌268.

HR 20 december 2019 (vierde kamer), ECLI:NL:HR:2019:2038, BNB 2020/44 m.nt. P.G.H. Albert, onder 2.4.

Vergelijk hierna 4.27 (citaat uit de monografie van Feteris).

Hetzelfde geldt in de voorafgaande bezwaarfase. Zie eveneens art. 6:5 lid 1 BW.

In beginsel, want ook met betrekking tot de overige vereisten geldt de herstelmogelijkheid van art. 6:6 Awb.

Vergelijk: M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), 2014/‌6.3.2.3; R.E.C.M. Niessen & C.M. Bergman, Cassatie in belastingzaken (FED fiscale brochures), 2006/‌3.2.4.

https://www.hogeraad.nl/over-ons/kamers-hoge-raad/cassatierechtspraak/procedure-belasting/

Citaat bij R.E.C.M. Niessen & C.M. Bergman, Cassatie in belastingzaken (FED fiscale brochures), 2006/‌3.2.4.

Met een link, zie: https://www.hogeraad.nl/over-ons/kamers-hoge-raad/‌cassatierechtspraak/‌‌‌procedure-belasting/

Zie MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 123. Vergelijk M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), 2014/6.3.2.2.

In beginsel, want behoudens het geval dat de belanghebbende reeds op andere wijze dan door aanvulling van het beroepschrift ten volle aan zijn trekken komt. Vergelijk voetnoot 29.

Dit laat zich mede afleiden uit HR 17 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2698, BNB 1999/179 m.nt. W.J.N.M. Snoijink. Onder 3.1 verwijst het arrest naar de conclusie van A-G Moltmaker, ECLI:NL:PHR:1999:AA2698. Volgens die conclusie onder 5.5 en 5.6 kon de verzoekster in de zaak zich er niet over beklagen dat het hof haar niet tot aanvulling van de beroepsgronden had toegelaten op grond van een optelsom van twee omstandigheden: (1) het hof heeft het beroep ontvankelijk geacht én (2) verzoekster was in de gelegenheid haar beroep alsnog nader door middel van een conclusie van repliek te motiveren en was daarom door de gang van zaken niet in haar belang geschaad.

De aanduiding ‘griffier’ komt onder meer in de Awb en de AWR veelvuldig voor als een aanduiding van de functionaris die verantwoordelijk is voor tal van administratieve handelingen binnen de organisatie van een gerecht. Binnen de huidige organisatie van de Hoge Raad is die functionaris meestal een medewerker van het gerechtssecretariaat fiscaal of van de sectoradministratie fiscaal.

Vergelijk M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), 2014/7.3.

Vergelijk met betrekking tot het onderscheid tussen niet-ontvankelijkverklaring in formele zin en niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a RO de conclusie van A-G Niessen (ECLI:NL:PHR:2017:198) voor HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1609, BNB 2017/211 m.nt. A.J.H. van Suilen, onder 6.1 e.v.

M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), 2014/13.2.1.

Wel wordt daar een andere bijzonderheid van het versnelde traject vermeld en besproken, namelijk dat ook niet aan de wederpartij gelegenheid tot verweer wordt geboden: M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), 2014/11.3 en 8.2 (laatste alinea). In het citaat zoals in de hoofdtekst geciteerd is de praktijk eventueel wel a contrario te lezen in de eerste zin onder b met betrekking tot het 80a-traject (‘nadat het griffierecht is betaald).

Aldus wordt het geval van het ‘verkeerde loket’ in financiële zin gelijk behandeld met dat van de partij die niet binnen de voorgeschreven termijn van vier weken het haar meegedeelde griffierecht heeft betaald (vergelijk art. 8:41 leden 4, 5 en 6 Awb). In beide gevallen is het resultaat een niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep zonder dat betaling van griffierecht heeft plaatsgevonden.

Daaronder begrepen een beroepschrift dat wel reeds een of meer gronden bevat maar met het verzoek om een termijn voor aanvulling/uitwerking (hiervoor 4.21).

In het bestuursrecht en het Unierecht spreekt men van het ‘verdedigingsbeginsel. Daarbuiten wordt het recht op rechterlijk gehoor meestal niet afzonderlijk benoemd, maar is het begrepen in het beginsel van hoor en wederhoor. Vergelijk met betrekking tot het civiele procesrecht Asser Procesrecht/Giesen I 2015/‌310, met betrekking tot het strafprocesrecht Corstens/‌Borgers & Kooijmans 2021/III.2 (p. 54-55), met betrekking tot het bestuursprocesrecht B.W.N. de Waard, Leerstukken van bestuursprocesrecht, 2015/2.3 (p. 43, ‘verdedigingsbeginsel’) en met betrekking tot het belastingrecht P. Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Handboeken nr. 6), 2020/1.10.4 en met betrekking tot het Unierecht (zeer uitvoerig) A.E. Keulemans, Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, diss. Leiden, Deventer: Wolters Kluwer 2021.

EHRM 23 april 2019, 42447/10 (Elisei-Uzun en Andonie/Roemenië).

En in het verlengde daarvan de plicht om een partij gelegenheid te bieden om bewijs bij te brengen.

EHRM 15 maart 2016, nr. 39966/09, NTFR 2016/1291 m.nt. A.E.H. Van der Voort Maarschalk (Gillissen/‌‌‌Nederland), onder 50: ‘Article 6 § 1 places the “tribunal” under a duty to conduct a proper examination of the submissions, arguments and evidence adduced by the parties, without prejudice to its assessment of whether they are relevant to its decision.’

Bijv. EHRM 26 mei 2020, 48297/15 (Gil Sanjuan/Spanje), onder 30-31.

Bijv. EHRM 16 juli 2019, 35949/11 en 58282/12 (Zhdanov e.a./Rusland), onder 93-97.

Als het verzet gegrond is verklaard, is geen cassatie mogelijk. Zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:‌363, BNB 2019/76 m.nt. F.J.P.M. Haas.

Vergelijk M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), 2014/‌4.1.1.

HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2684, BNB 2015/10 m.nt. P.J. van Amersfoort.

ECLI:NL:PHR:2014:481.

Vergelijk met betrekking tot het vergen van een vertaling in het Nederlands in belastingzaken de conclusie van A-G IJzerman, ECLI:NL:PHR:2021:291.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature