< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Verplichting tot afleggen van rekening en verantwoording (naar ongeschreven recht)?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01616

Zitting 4 juni 2021

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

Stichting ADP

tegen

Stichting Chuminisan

Deze kortgedingzaak draait om de vraag, kort gezegd, of Stichting Chuminisan gehouden is rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van geldbedragen die [betrokkene 1] haar bij leven heeft geschonken aan diens enige erfgenaam, Stichting ADP (een en ander vanaf diens overlijden). De voorzieningenrechter en het hof hebben deze vraag respectievelijk bevestigend en ontkennend beantwoord. M.i. kan het arrest niet in stand blijven.

1 Feiten

Het gerechtshof Amsterdam neemt, blijkens rov. 2 van zijn bestreden arrest (hierna: het arrest), in hoger beroep als uitgangspunt de feiten zoals beschreven in rov. 2.1-2.7 van het vonnis in eerste aanleg van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: het vonnis). Deze feiten komen, blijkens rov. 2 onder (i) t/m (v) van het arrest, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan (als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist), neer op het volgende.

1.1

Stichting ADP (hierna: ADP) is opgericht op 12 juli 2012. Een van haar doelstellingen is het financieel ondersteunen van onderzoek naar de oorzaak van ernstige ziekten en/of de genezing daarvan, in het bijzonder kanker. ADP is de enige erfgenaam van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), die is overleden op 9 september 2016.

1.2

Stichting Chuminisan (hierna: Chuminisan) heeft ten doel om met behulp van een daartoe bestemd vermogen natuurlijke personen en rechtspersonen financieel te ondersteunen in het kader van het algemeen belang, en meer in het bijzonder van medische, sociale, culturele en kerkelijke belangen. Vanaf de oprichting van Chuminisan tot aan zijn overlijden was [betrokkene 1] bestuurslid van Chuminisan. Op grond van een schenkingsovereenkomst heeft hij in de jaren 1983 t/m 1987 jaarlijks fl. 300.000,--, derhalve in totaal fl. 1.500.000,--, aan Chuminisan geschonken.

1.3

Bij e-mail van 28 januari 2018 heeft ADP Chuminisan verzocht inzage te geven in de stand van haar vermogen, de wijze waarop haar vermogen is gebruikt en de activiteiten die zijn en worden ondernomen.

1.4

Bij e-mail van 12 februari 2018 heeft Chuminisan ADP geschreven dat zij geen recht heeft op inzage in het vermogen van Chuminisan. Wel heeft Chuminisan uiteengezet dat zij per 31 december 2017 € 380.000,-- aan geldmiddelen en € 185.000,-- aan niet verhandelbare aandelen heeft, dat zij al enige jaren geen activiteiten heeft ondernomen, maar dat het voornemen is dat wel weer te gaan doen. Het geld zal geschonken worden aan goede doelen. Daarna zal Chuminisan worden opgeheven.

1.5

ADP heeft Chuminisan bij brief van 3 juli 2018 verzocht om rekening en verantwoording af te leggen van het door haar gevoerde beleid, welk verzoek Chuminisan bij brief van 9 juli 2018 heeft afgewezen.

2 Procesverloop

In eerste aanleg 2.1

Op 17 september 2018 heeft ADP Chuminisan in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en, kort gezegd, gevorderd Chuminisan op straffe van dwangsommen te veroordelen tot aflegging van rekening en verantwoording aan ADP over het door Chuminisan gevoerde beleid, binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis, door aan de hand van bewijsstukken inzicht te verschaffen in haar inkomsten en uitgaven, waaronder de schenkingen die zij heeft gedaan en de keuzes die hieraan ten grondslag hebben gelegen, in het bijzonder aan de hand van bestuursbesluiten, jaarrekeningen, jaarverslagen, winst- en verliesrekeningen en bankafschriften.

ADP heeft hiertoe gesteld, kort gezegd, dat zij enig erfgenaam van [betrokkene 1] is, dat zij als rechtsopvolger onder algemene titel alle rechten kan uitoefenen die [betrokkene 1] bij leven had, dat bij het overlijden van [betrokkene 1] Chuminisan nog een aanzienlijk vermogen bezat welke haar is geschonken door [betrokkene 1] en ADP inzicht wenst te verkrijgen in de besteding daarvan, dat de weigering om inzicht te geven bij ADP de zorg gewekt heeft dat de gelden niet conform de statutaire doelstelling van Chuminisan (dus aan goede doelen) zijn besteed, dat Chuminisan kennelijk iets te verbergen heeft, en dat Chuminisan jegens ADP gehouden is rekening en verantwoording af te leggen nu Chuminisan door [betrokkene 1] in het leven is geroepen met het doel een gedeelte van zijn vermogen te verdelen onder diverse goede doelen.

Ter zitting van 26 september 2018 heeft ADP haar vordering beperkt, in die zin dat slechts rekening en verantwoording hoeft te worden afgelegd over de periode vanaf het overlijden van [betrokkene 1] tot heden. Bij de vordering bestaat naar ADP meent spoedeisend belang, omdat de vrees bij haar bestaat dat de geschonken gelden niet in lijn met het doel van Chuminisan worden besteed.

Chuminisan heeft tijdens de genoemde zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de door ADP gevorderde voorzieningen.

Daartoe heeft Chuminisan, kort gezegd, aangevoerd dat zij een zelfstandige rechtspersoon is met een afgescheiden vermogen, dat het gegeven dat haar vermogen gevormd is op basis van schenkingen geen rechtsgrond vormt voor het afleggen van rekening en verantwoording, dat ook op grond van het ongeschreven recht geen plicht bestaat tot het afleggen van rekening en verantwoording, dat geen sprake is van belangenbehartiging, vermogensbeheer voor een ander, opdracht of zaakwaarneming, en dat tussen Chuminisan en ADP in het geheel geen rechtsverhouding aanwezig is.

Beide partijen hebben ten slotte een pleitnota in het geding gebracht.

2.2

Bij vonnis van 10 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter, samengevat weergegeven, Chuminisan veroordeeld: (i) om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis rekening en verantwoording aan ADP af te leggen over het door Chuminisan vanaf de datum van overlijden van [betrokkene 1] tot op heden gevoerde beleid, door aan de hand van bewijsstukken inzicht te verschaffen in de inkomsten en uitgaven en bestedingen van Chuminisan, waaronder de schenkingen die zij heeft gedaan, en in de keuzes die hieraan te grondslag hebben gelegen, in het bijzonder aan de hand van bestuursbesluiten, jaarrekeningen en jaarverslagen, winst- en verliesrekeningen en bankafschriften; en (ii) om aan ADP een dwangsom te betalen van € 500,- voor elke dag dat zij niet aan voornoemde veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt.

Daartoe heeft de voorzieningenrechter allereerst rov. 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014 vooropgesteld en als uitgangspunt genomen (rov. 4.1 vonnis):

“4.1 Uitgangspunt in dit kort geding is het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1089). In r.o. 3.6 van dit arrest staat het volgende: Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ1995 548 en HR 8 december 1995, ECLl:NL:HR:1995.ZC1911, NJ 1996,274). Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (Ui) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.”

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen (rov. 4.2-4.3 vonnis):

“4.2 In de kern komt het verweer van Stichting Chuminisan erop neer dat zij rechthebbende is op haar eigen vermogen en dat er om die reden geen rechtsgrond bestaat voor het afleggen van rekening en verantwoording aan derden over de besteding van dat vermogen. Met dit verweer miskent Stichting Chuminisan echter dat de enkele omstandigheid dat haar vermogen aan haar door [betrokkene 1] is geschonken, niet meebrengt dat zij over de besteding daarvan geen rekening en verantwoording aan de schenker of diens erfgenaam is verschuldigd. [betrokkene 1] was een vermogend man die ervoor heeft gekozen zijn vermogen aan te wenden voor goede doelen, met name op het gebied van onderzoek naar het ontstaan van kanker en de mogelijkheden van genezing daarvan. Daarbij past dat hij heeft gekozen voor schenking aan Stichting Chuminisan, die op zijn instigatie is opgericht met het enkele doel - kort gezegd - het ondersteunen van goede doelen. De aldus tussen partijen vaststaande omstandigheid dat deze schenking door [betrokkene 1] is gedaan, en door Stichting Chuminisan is aanvaard, met als strekking de besteding van de geschonken gelden aan door Stichting Chuminisan te selecteren goede doelen, brengt mee dat tussen partijen bij de schenkingsovereenkomst tevens een overeenkomst van opdracht, althans een daarmee op één lijn te stellen rechtsverhouding is ontstaan, die meebrengt dat Stichting Chuminisan verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden tegenover [betrokkene 1] of diens rechtsopvolger, Stichting ADP (zie artikel 7:403 lid 2 BW).

4.3 Met het vorenstaande strookt dat [betrokkene 1] tot aan zijn overlijden bestuurslid is geweest van Stichting Chuminisan, hetgeen impliceert dat hij toezicht wilde behouden op de wijze waarop de van hem afkomstige gelden werden aangewend.”

Verder heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, nog overwogen: dat op het verder tussen partijen gevoerde debat niet behoeft te worden ingegaan (rov. 4.4, eerste zin vonnis); ten overvloede dat, indien de bestuurders van Chuminisan ervoor zouden kiezen niet te voldoen aan het door de voorzieningenrechter uit te spreken bevel, zij rekening moeten houden met de mogelijkheid dat zij daarmee onrechtmatig handelen tegenover ADP, met hun persoonlijke aansprakelijkheid als mogelijke consequentie (rov. 4.4, tweede zin vonnis); dat de vordering van ADP dus wordt toegewezen (rov. 4.5, eerste zin vonnis); dat ADP bij de vordering een spoedeisend belang heeft, omdat niet kan worden uitgesloten dat Chuminisan de geschonken gelden aanwendt voor doelen die niet stroken met haar statutaire doelomschrijving (rov. 4.5, tweede zin vonnis); en dat Chuminisan in de proceskosten zal worden veroordeeld. (rov. 4.6 vonnis).

In hoger beroep

2.3

Bij dagvaarding van 26 oktober 2018 is Chuminisan in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter. Bij memorie van grieven heeft zij, onder aanvoering van zeven grieven, geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en de vordering van ADP alsnog zal afwijzen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van ADP in de kosten van beide instanties, vermeerderd met rente en nakosten, en tot terugbetaling van de proceskosten die Chuminisan op basis van het bestreden vonnis aan ADP heeft betaald, vermeerderd met rente.

ADP heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten.

Op 2 april 2019 heeft Chuminisan een akte genomen, waarop ADP op 30 april 2019 bij antwoordakte heeft gereageerd.

2.4

Bij arrest van 24 maart 2020: oordeelt het hof dat de grieven 1-4 slagen; vernietigt het hof het vonnis; wijst het hof de vorderingen van ADP af; en veroordeelt het hof ADP, uitvoerbaar bij voorraad, tot terugbetaling aan Chuminisan van € 2.037,33 aan proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente, en in de kosten van het geding in beide instanties vermeerderd met de nakosten en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten. Daartoe oordeelt het hof als volgt onder 3, na onder 2 de feiten te hebben uiteengezet en de procedure in eerste aanleg, inclusief het vonnis, te hebben samengevat:

“3.1. Chuminisan stelt - en ADP erkent - dat zij inmiddels aan de veroordeling door de voorzieningenrechter heeft voldaan. Niettemin komt Chuminisan met haar grieven op tegen de beslissing van de voorzieningenrechter en de motivering daarvan. Zij stelt dat zij niet alleen belang heeft bij vernietiging van het vonnis waarvan beroep omdat zij is veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, maar ook omdat ADP heeft aangekondigd dat zij voortaan jaarlijks van Chuminisan rekening en verantwoording ter zake van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid zal vorderen.

3.2 Door middel van haar zesde grief stelt Chuminisan dat de voorzieningenrechter de vordering van ADP had moeten afwijzen bij gebrek aan spoedeisend belang. Deze grief faalt omdat ADP het spoedeisende belang bij haar vordering heeft gemotiveerd door de vrees dat Chuminisan haar beschikbare vermogen in strijd met haar statutaire doel zal aanwenden. Het spoedeisende belang bij een voorlopige voorziening kan op zichzelf op een dergelijke omstandigheid worden gebaseerd.

3.3. De grieven 1-4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ze vallen vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de voorzieningenrechter aan dat Chuminisan ten opzichte van ADP gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen ter zake van de besteding van het bedrag dat [betrokkene 1] aan haar heeft geschonken. Volgens Chuminisan leveren de schenkingen als zodanig geen grond op voor het afleggen van rekening en verantwoording. De statuten van Chuminisan voorzien in rekening en verantwoording aan de bestuursleden gezamenlijk en niet aan [betrokkene 1] in privé of diens erfgenamen. Bij of door de schenkingsovereenkomst tussen Chuminisan en [betrokkene 1] is niet tevens een overeenkomst van opdracht of daarmee op een lijn te stellen rechtsverhouding ontstaan waarin een verplichting voor Chuminisan besloten ligt om zich tegenover [betrokkene 1] of diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden en die verplichting kan evenmin worden gebaseerd op HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089 of op het feit dat [betrokkene 1] tot aan zijn overlijden bestuurslid van Chuminisan is geweest.

3.4. De grieven slagen. Het bedrag dat [betrokkene 1] aan Chuminisan heeft geschonken, behoort toe aan Chuminisan. Uitgangspunt is daarom dat het tot de autonomie van Chuminisan behoort om over de besteding van dit bedrag te beslissen. ADP heeft niet aannemelijk gemaakt dat [betrokkene 1] zijn schenkingen heeft gedaan onder een voorwaarde, last of beding op grond waarvan Chuminisan gehouden is aan hem rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de schenkingen die hij aan Chuminisan heeft gedaan. Ook ADP zelf stelt, onder verwijzing naar HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, dat in dit geval met name het ongeschreven recht van belang is, en zij beroept zich op de verwantschap van de rechtsverhouding tussen Chuminisan en [betrokkene 1] met gemeenschap, zaakwaarneming en - in het bijzonder - de overeenkomst van opdracht.

Het hof is voorshands evenwel van oordeel dat noch het feit dat [betrokkene 1] feitelijk nauw bij de oprichting en doelstelling van Chuminisan betrokken is geweest noch het feit dat [betrokkene 1] tot zijn overlijden deel heeft uitgemaakt van het bestuur van Chuminisan noch ook het feit dat Chuminisan ingevolge haar doelstelling gehouden is tot een bepaalde besteding van haar vermogen, de gevolgtrekking kan rechtvaardigen dat krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds met of naast de schenkingsovereenkomst een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht om zich jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Ook als [betrokkene 1] door zijn lidmaatschap van het bestuur van Chuminisan heeft uitgedragen dat hij wilde weten wat Chuminisan met het door hem geschonken vermogen deed, impliceert dat niet dat Chuminisan verplicht is om aan [betrokkene 1] in privé rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. ADP noemt geen andere relevante omstandigheden waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien - als zodanige omstandigheid geldt niet dat ADP vindt dat zij redenen heeft om Chuminisan ervan te verdenken dat zij geen behoorlijk vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.

Naar voorlopig oordeel van het hof is de voorlopige voorziening die ADP heeft gevorderd dan ook niet toewijsbaar.

3.5. Bij een bespreking van grief 5, die zich tegen een overweging ten overvloede richt, heeft Chuminisan geen belang. Grief 7 heeft geen zelfstandige betekenis.

3.6. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en de vordering van ADP alsnog moet worden afgewezen. ADP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.”

In cassatie

2.5

ADP heeft tegen het arrest van het hof tijdigcassatieberoep ingesteld. Chuminisan heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep in cassatie en zelf voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. ADP heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Chuminisan. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk toegelicht, waarna ADP nog heeft gerepliceerd en Chuminisan heeft gedupliceerd.

3 Bespreking van het principale cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van ADP bestaat uit vijf onderdelen, waarvan de eerste vier gericht zijn tegen rov. 3.4 van het arrest en de vijfde een voortbouwklacht betreft.

Onderdeel 1

3.2

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.4 van het arrest, dat niet krachtens ongeschreven recht een rechtsverhouding ontstaan is die Chuminisan verplicht zich jegens (ADP als rechtsopvolger van) [betrokkene 1] te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid, onjuist is.Het hof miskent dat aan een oordeel dat krachtens ongeschreven recht zo’n rechtsverhouding ontstaan is, “kan bijdragen” dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting neergelegd is, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. In deze zaak vertoont de rechtsverhouding verwantschap met de overeenkomst van opdracht, zoals ADP heeft gesteld, en de voorzieningenrechter geoordeeld heeft. Het hof heeft niet geoordeeld dat deze verwantschap er niet zou zijn en heeft eraan voorbijgezien dat deze verwantschap kan meebrengen of eraan kan bijdragen dat krachtens ongeschreven recht op Chuminisan de verplichting rust zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid (art. 7:403 lid 2 BW).

3.3

Het subonderdeel faalt, nu dit uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Uit rov. 3.4 van het arrest blijkt dat het hof (mede) beoordeelt of krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht om jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers (dus in privé) omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Uit rov. 3.4 blijkt ook dat het hof daarbij betrekt of de rechtsverhouding tussen Chuminisan en [betrokkene 1] de verwantschap vertoont met gemeenschap, zaakwaarneming en de overeenkomst van opdracht zoals aangevoerd door ADP (zie rov. 3.4, eerste alinea, slotzin), maar deze vraag ontkennend beantwoordt (zie reeds rov. 3.4, tweede alinea, eerste zin (“evenwel”, etc.)), dus oordeelt dat deze verwantschap er niet is (waarbij het hof overigens niet uit het oog verliest dat door ADP (ook) is aangevoerd, kort gezegd, dat zij als enig erfgenaam van [betrokkene 1] en diens rechtsopvolgster onder algemene titel alle rechten van [betrokkene 1] kan uitoefenen en dat Chuminisan door [betrokkene 1] in het leven is geroepen met het doel een gedeelte van zijn vermogen te verdelen onder diverse goede doelen (zie rov. 2, tweede alinea, tweede en derde zin, wat doorwerkt in rov. 3.4), en waarbij voorts opmerking verdient dat het hof nadrukkelijk ook tot uitgangspunt neemt de in rov. 2.1 t/m 2.7 van het vonnis beschreven feiten (zie rov. 2, eerste en tweede zin in verbinding met rov. 2 onder (i) t/m (v), wat doorwerkt in rov. 3.4), alsmede dat [betrokkene 1] de onderhavige bedragen aan Chuminisan heeft geschonken en deze bedragen toebehoren aan Chuminisan, reden waarom het in beginsel tot haar autonomie behoort te beslissen over de besteding daarvan (zie rov. 3.4, tweede en derde zin, wat doorwerkt in het vervolg van rov. 3.4)). Hierop stuit het subonderdeel af.

3.4

Subonderdeel 1.2 klaagt dat althans het in subonderdeel 1.1 vooropgestelde oordeel van het hof in rov. 3.4 van het arrest onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom naar ’s hofs oordeel deze verwantschap met de overeenkomst van opdracht in casu niet zou meebrengen dat Chuminisan die verplichting heeft. Het hof heeft nagelaten voldoende inzichtelijk te maken waarom ‘dus’ niet juist zou zijn wat de voorzieningenrechter geoordeeld heeft in rov. 4.2-4.3 van het vonnis.

3.5

Het subonderdeel faalt, nu dit uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof oordeelt in rov. 3.4 van het arrest niet dat de bedoelde verwantschap met de overeenkomst van opdracht in casu niet meebrengt dat Chuminisan die verplichting heeft, noch laat het daar het daarop gedane beroep van ADP buiten beschouwing. Onderdeel van diens oordeel aldaar is juist dat (ook) deze verwantschap - waarop ADP zich heeft beroepen - er niet is, zie onder 3.3 hiervoor. Hierop stuit het subonderdeel af.

3.6

Subonderdeel 1.3 klaagt, kort gezegd, dat bovendien het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op ADP’s essentiële en op basis van de omstandigheden van dit geval uitgewerkte stelling, waarover het subonderdeel verder uitweidt, dat de rechtsverhouding tussen Chuminisan en (ADP als rechtsopvolgster van) [betrokkene 1] nauwe verwantschap vertoont met (opdracht en) zaakwaarneming. Indien het hof als zijn oordeel tot uiting gebracht heeft dat het niet op die stelling zou hebben hoeven responderen, om de reden dat die slechts in eerste aanleg betrokken is, heeft het hof de positieve devolutieve werking miskend.

3.7

Het subonderdeel faalt, nu dit uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Zoals volgt uit de behandeling van subonderdeel 1.1, onder 3.3 hiervoor, beoordeelt het hof in rov. 3.4 van het arrest of krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht om jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Zoals daaruit ook volgt, laat rov. 3.4 tevens zien dat het hof daarbij betrekt of de rechtsverhouding tussen Chuminisan en [betrokkene 1] de verwantschap vertoont met gemeenschap, zaakwaarneming en de overeenkomst van opdracht zoals aangevoerd door ADP (zie rov. 3.4, eerste alinea, slotzin). Daaraan doet niet af ’s hofs verwijzing naar “en - in het bijzonder - de overeenkomst van opdracht”, wat insluit dat het hof ook betrekt of de rechtsverhouding tussen Chuminisan en [betrokkene 1] de verwantschap vertoont met zaakwaarneming zoals aangevoerd door ADP, waarbij zij aangetekend dat ADP in hoger beroep inderdaad, zoals het hof signaleert, meer de nadruk is gaan leggen op de overeenkomst van opdracht (dit in het licht van het vonnis, waarin de voorzieningenrechter daarop het accent heeft gelegd). Zoals daaruit verder volgt, ziet het hof daarbij niet voorbij aan hetgeen waarmee ADP die stelling heeft onderbouwd zoals bedoeld in het subonderdeel: met de daar door het hof genoemde en samengevat weergegeven feiten en omstandigheden, zoals aangevoerd door ADP, heeft het hof (ook) daarop het oog. Hierop stuit het subonderdeel af.

Onderdeel 2

3.8

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof met zijn (door onderdeel 1) bestreden oordeel ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te miskennen dat bij dat oordeel als omstandigheden ook “een rol kunnen spelen” (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende en (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen gebruikelijk was. Met het oordeel in rov. 3.4 van het arrest dat de drie daarin vermelde “noch, noch en noch ook”-feiten niet de gevolgtrekking “zouden kùnnen rechtvaardigen” dat zo’n rechtsverhouding ontstaan is, ziet het hof eraan voorbij dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014 nu juist volgt dat deze feiten deze gevolgtrekking “wèl kunnen rechtvaardigen”. Het subonderdeel doelt op de feiten: (a) dat [betrokkene 1] feitelijk nauw betrokken is geweest bij de oprichting en doelstelling van Chuminisan; (b) dat [betrokkene 1] vanaf de oprichting van Chuminisan tot zijn dood deel uitgemaakt heeft van het bestuur van Chuminisan; en (c) dat Chuminisan ingevolge haar doelstelling gehouden is tot een bepaalde besteding van haar vermogen (dus: bij welke doelstelling [betrokkene 1] nauw betrokken is geweest), welke feiten zich niet anders laten verstaan, zoals de voorzieningenrechter in rov. 4.2-4.3 van het vonnis heeft geoordeeld, dan:

- dat de verhouding tussen [betrokkene 1] en Chuminisan erdoor gekenmerkt wordt dat [betrokkene 1] een vermogend man was die ervoor gekozen heeft om zijn vermogen aan te wenden voor goede doelen, waarbij past dat hij gekozen heeft voor schenking aan de op zijn instigatie en met het enkele doel om goede doelen te ondersteunen opgerichte Stichting Chuminisan;

- dat deze verhouding het waarom is van het door Chuminisan gevoerde beheer over de bedragen die [betrokkene 1] aan haar geschonken had; en

- dat met deze verhouding en het op grond daarvan gevoerde beheer strookt dat [betrokkene 1] tot aan zijn overlijden bestuurslid was van Chuminisan om de reden dat aldus geïmpliceerd is dat hij toezicht wilde behouden op de wijze waarop de van hem afkomstige gelden aangewend werden, wat inkleuring geeft aan hetgeen in de relatie tussen partijen gebruikelijk was.

3.9

Het subonderdeel faalt, nu dit uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, oordeelt het hof in rov. 3.4 van het arrest niet dat de door het subonderdeel bedoelde feiten geen rol kunnen spelen in het kader van de daar voorliggende beoordeling en daaraan in dat kader dus (op voorhand) geen relevantie toekomt (niet de gevolgtrekking “zouden kùnnen rechtvaardigen”, etc.), maar betrekt het hof deze feiten en komt het tot het oordeel dat de aangevoerde omstandigheden, gelet op hetgeen het hof overigens in aanmerking neemt (zie met name de vooropstellingen in rov. 3.4, tweede en derde zin, alsook onder 3.3 hiervoor), onvoldoende zijn om aan te nemen dat krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds met of naast de schenkingsovereenkomst een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht zich jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Het enkele woordgebruik “kan rechtvaardigen” in rov. 3.4, eerste zin doet daaraan niet af, zoals ook wordt onderstreept door de overweging van het hof in rov. 3.4, derde zin dat ADP “geen andere relevante omstandigheden [noemt] waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien”, waaruit ook blijkt dat het hof niet oordeelt dat de door het subonderdeel bedoelde feiten geen rol kunnen spelen in het kader van de daar voorliggende beoordeling en daaraan in dat kader dus (op voorhand) geen relevantie toekomt. Hierop stuit het subonderdeel af.

3.10

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het door subonderdeel 2.1 bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom “deze feiten” niet de gevolgtrekking zouden rechtvaardigen dat krachtens ongeschreven recht een rechtsverhouding ontstaan is die Chuminisan verplicht zich jegens (de rechtsopvolgers van) [betrokkene 1] te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. Per saldo is het hof in rov. 3.4 van het arrest niet verder gekomen dan een blote ontkenning van de relevantie van de daarin vermelde feiten. Het hof is blijven steken in een ‘kale’ opsomming van deze feiten. Bij deze opsomming gaat het niet om een inhoudelijke, laat staan te volgen, redenering waarom (een weging van) deze feiten, niet, ook niet in onderling verband en samenhang beschouwd, (zou) zouden meebrengen dat krachtens ongeschreven recht een rechtsverhouding ontstaan is die Chuminisan verplicht zich jegens (de rechtsopvolgers van) [betrokkene 1] te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijk beleid. Deze blote ontkenning respectievelijk ‘kale’ opsomming voldoet niet aan de minimummotiveringseis van het Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig gemotiveerd moet worden, dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor zowel partijen als de Hoge Raad controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

3.11

Het subonderdeel slaagt, gelet op het volgende. Rov. 3.4 van het arrest is als volgt opgebouwd.

1) “De grieven slagen. Het bedrag dat [betrokkene 1] aan Chuminisan heeft geschonken, behoort toe aan Chuminisan. Uitgangspunt is daarom dat het tot de autonomie van Chuminisan behoort om over de besteding van dit bedrag te beslissen. ADP heeft niet aannemelijk gemaakt dat [betrokkene 1] zijn schenkingen heeft gedaan onder een voorwaarde, last of beding op grond waarvan Chuminisan gehouden is aan hem rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de schenkingen die hij aan Chuminisan heeft gedaan. Ook ADP zelf stelt, onder verwijzing naar HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, dat in dit geval met name het ongeschreven recht van belang is, en zij beroept zich op de verwantschap van de rechtsverhouding tussen Chuminisan en [betrokkene 1] met gemeenschap, zaakwaarneming en - in het bijzonder - de overeenkomst van opdracht.” (rov. 3.4, eerste alinea)

2) “Het hof is voorshands evenwel van oordeel dat noch het feit dat [betrokkene 1] feitelijk nauw bij de oprichting en doelstelling van Chuminisan betrokken is geweest noch het feit dat [betrokkene 1] tot zijn overlijden deel heeft uitgemaakt van het bestuur van Chuminisan noch ook het feit dat Chuminisan ingevolge haar doelstelling gehouden is tot een bepaalde besteding van haar vermogen, de gevolgtrekking kan rechtvaardigen dat krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds met of naast de schenkingsovereenkomst een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht om zich jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Ook als [betrokkene 1] door zijn lidmaatschap van het bestuur van Chuminisan heeft uitgedragen dat hij wilde weten wat Chuminisan met het door hem geschonken vermogen deed, impliceert dat niet dat Chuminisan verplicht is om aan [betrokkene 1] in privé rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. ADP noemt geen andere relevante omstandigheden waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien - als zodanige omstandigheid geldt niet dat ADP vindt dat zij redenen heeft om Chuminisan ervan te verdenken dat zij geen behoorlijk vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.” (rov. 3.4, tweede alinea)

3) “Naar voorlopig oordeel van het hof is de voorlopige voorziening die ADP heeft gevorderd dan ook niet toewijsbaar.” (rov. 3.4, derde alinea)

Onder 2) beoordeelt het hof of, naar aanleiding van het door ADP aangevoerde zoals mede weergegeven door het hof in de slotzin onder 1), krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds met of naast de schenkingsovereenkomst een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht om zich jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers (dus in privé) omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Het hof beantwoordt die vraag integraal ontkennend, zoals ook blijkt uit de slotzin onder 2). Op de keper beschouwd, beperkt het hof zich onder 2 kortweg ertoe te overwegen dat de daar bedoelde omstandigheden onvoldoende zijn om zo’n verplichting aan te nemen, zonder toe te lichten waarom dat naar zijn oordeel in dit geval dan zo is. Onder 3) vermeldt het hof niet meer dan de slotsom, die contrair luidt aan de slotsom in eerste aanleg (zie rov. 4.5 van het vonnis). De eerste zin onder 1) (“De grieven slagen”) bevat geen redengeving voor die ontkennende beantwoording. Hetzelfde geldt voor de vierde zin onder 1) (waaruit volgt dat er geen rechtshandeling is waaruit volgt dat Chuminisan gehouden is aan [betrokkene 1] rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de schenkingen die hij aan Chuminisan heeft gedaan: zo’n verplichting kan ook voortvloeien uit ongeschreven recht) en de slotzin onder 1) (waarover hiervoor). Dan resteren de tweede en derde zin onder 1), maar ook die bevatten geen redengeving voor die ontkennende beantwoording. Daaruit volgt weliswaar dat de bedragen die [betrokkene 1] aan Chuminisan heeft geschonken aan haar toebehoren (tweede zin), dus niet aan [betrokkene 1] zelf, en dat daarom uitgangspunt is dat het tot haar autonomie behoort over de besteding daarvan te beslissen (derde zin), niet die van [betrokkene 1] zelf, maar het door ADP aangevoerde zoals bedoeld in de slotzin onder 1) is niet (ook) erop gebaseerd dat de door [betrokkene 1] aan Chuminisan geschonken bedragen aan hem zelf zouden toebehoren of dat het aan hem zelf zou zijn over de besteding daarvan te beslissen. Het blijft voor anderen dan het hof zo gissen naar dat waarom en daarmee naar de grond van het gegeven oordeel, dat zich aldus niet (afdoende) laat achterhalen en, a fortiori, beoordelen. M.i. voldoet het arrest aldus niet aan de naar vaste rechtspraak minimaal te stellen motiveringseis dat de rechterlijke beslissing ten minste zodanig gemotiveerd wordt dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken, welke eis ook in kort geding geldt.

Het is wellicht een wat atypische bron, nu het een publicatie van de voorzieningenrechter in kwestie zelf over het onderhavige arrest betreft, die met inachtneming van dat feit beoordeeld moet worden, maar het volgende wil ik niet onvermeld laten: “Met de mij passende terughoudendheid merk ik op dat m.i. de kerntaak van de feitenrechter is om zijn beslissing recht te doen aan alle omstandigheden van het geval. Het oordeel van het hof is echter uitsluitend gemotiveerd door een verwijzing naar het autonomiebeginsel. Zijn verdere overwegingen zijn immers negatief (aan de schenking is geen voorwaarde, last of beding om verantwoording af te leggen verbonden, en de feiten rechtvaardigen niet aanvaarding van een daartoe strekkende rechtsverhouding op grond van het ongeschreven recht). Deze wijze van rechtsvinding en motivering is moeilijk te rijmen met het geciteerde arrest van de Hoge Raad [het in noot 5 hiervoor genoemde arrest, A-G], een toepassing van het standaardarrest Quint/Te Poel, dat noopt tot inpassing van de beslissing in het systeem van het recht, rekening houdend met - inderdaad - alle omstandigheden van het geval. (…) Omdat het arrest niets laat zien van enige belangenafweging of feitelijke waardering, die natuurlijk wel heeft plaatsgevonden, is het voor de buitenstaander gissen wat de grond is voor het daarin gegeven oordeel. (…) De lezer die vindt dat een motivering die bestaat uit een abstractie en twee negativa smal en ondiep is, vraagt zich dus af wat hier precies aan de hand is” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G].

Daarbij betrek ik verder dat hetgeen het hof vooropstelt in de tweede en derde (en vierde) zin onder 1) niet op voorhand prohibitief is voor een bevestigende beantwoording van voornoemde vraag, waarbij geldt dat de aard van de rechtsverhouding en de overige feiten en omstandigheden van het geval telkens sturend zijn bij de bepaling of in een concreet geval sprake is van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording, en dat, naar het mij voorkomt, niet op voorhand valt uit te sluiten dat hetgeen ter zake door ADP aan feiten en omstandigheden is aangevoerd in dit hybride geval (kort gezegd: er is sprake van schenking, en dus strikt genomen niet van gevoerd beheer voor een ander, maar ook van een bepaald specifieke context) tot zo’n bevestigende beantwoording kan leiden.

Onderdeel 3

3.12

Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.4 van het arrest dat ADP geen andere relevante omstandigheden noemt waaruit voortvloeit dat Chuminisan zich moet verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op ADP’s essentiële stellingen: (a) dat Chuminisan een goededoelenstichting is, en dat er een groeiende maatschappelijke behoefte is aan instrumenten waarmee de integriteit van dergelijke stichtingen getoetst kan worden, hetgeen pleit voor een ruime toepassing van de maatstaven van het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014; en (b) dat dit eens temeer geldt indien het gaat om stichtingen die, zoals Chuminisan, gelijkgesteld moeten worden aan stichtingen met een zogeheten - maar ten tijde van de oprichting van Chuminisan in 1983 nog niet bestaande - ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling), op welke stichtingen reeds een wettelijke verantwoordingsplicht rust. Deze stellingen laten zich namelijk niet anders verstaan dan dat de hoedanigheid van Chuminisan als goededoelenstichting een omstandigheid is die (alleen of samen met andere omstandigheden, zoals de drie in rov. 3.4 vermelde feiten) meebrengt of kan meebrengen dat op haar de plicht rust om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid.

3.13

Het onderdeel faalt. Bestudering van de gedingstukken leert, dat tot de stellingen/omstandigheden die ADP in eerste aanleg en hoger beroep kenbaar ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog, kort gezegd, dat (op grond van ongeschreven recht) op Chuminisan een verplichting rust rekening en verantwoording af te leggen aan (de rechtsopvolger van) [betrokkene 1] , niet (ook) behoren de stellingen/omstandigheid waarop het subonderdeel doelt. Die stellingen/omstandigheid zijn naar voren gebracht in een andere context (in het kader van een betoog over publicatieplicht bij rechtspersonen in algemene zin/stichtingen), en door Chuminisan ook niet begrepen als betrekking hebbend op de grondslag van dat betoog. ’s Hofs uitleg van de gedingstukken, voor zover hier relevant inhoudend dat voornoemde stellingen/omstandigheid niet behoren tot voor de in rov. 3.4, tweede alinea van het arrest voorliggende beoordeling relevante omstandigheden zoals genoemd door ADP, is daarmee geenszins onbegrijpelijk. Hierop stuit het onderdeel af.

Onderdeel 4

3.14

Onderdeel 4 klaagt dat het voorlopige oordeel van het hof in rov. 3.4 van het arrest dat de door ADP geëiste voorlopige voorziening niet toewijsbaar is ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet beslist heeft op de subsidiaire eis van ADP, die (dus) strekt tot het in goede justitie treffen van een maatregel. Wat het hof geoordeeld heeft in rov. 3.4 komt per saldo slechts erop neer dat niet krachtens ongeschreven recht een rechtsverhouding ontstaan is die Chuminisan verplicht om zich tegenover (de rechtsopvolgers van) [betrokkene 1] te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid, en dat Chuminisan aan ADP, als enig erfgename van [betrokkene 1] in privé, geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. Daarmee heeft het hof niet, ook niet impliciet, beslist op de subsidiaire eis van ADP tot het treffen van een maatregel die de voorzieningenrechter in goede justitie geboden acht, waarbij toewijzing (bijvoorbeeld) kan bestaan in de veroordeling van Chuminisan die niet inhoudt dat Chuminisan aan ADP rekening en verantwoording aflegt over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid, maar wel, bijvoorbeeld, dat Chuminisan daarin op hoofdlijnen inzicht geeft. Indien het hof als zijn oordeel tot uiting heeft gebracht dat het niet op deze subsidiaire eis hoefde te responderen omdat die opgenomen is in de inleidende dagvaarding, dan heeft het hof de positieve zijde van de devolutieve werking miskend.

3.15

Het onderdeel slaagt. Het hof bereikt in rov. 3.4, derde alinea van het arrest het voorlopige oordeel dat “de voorlopige voorziening die ADP heeft gevorderd dan ook niet toewijsbaar [is]”. Dragend daarvoor is het daaraan voorafgaande oordeel in rov. 3.4, dat zich m.i. niet anders laat verstaan dan dat volgens het hof, kort gezegd, geen grond bestaat om aan te nemen dat Chuminisan verplicht is om aan [betrokkene 1] althans diens rechtsopvolgers rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid, waarop het hof zich daar ook richt (zie ook rov. 3.3). Daarmee doelt het hof klaarblijkelijk op de eis van ADP zoals weergegeven in rov. 2, tweede alinea, dus:

“dat Chuminisan op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door haar gevoerde beleid vanaf het overlijden van [betrokkene 1] tot heden, door aan de hand van bewijsstukken inzicht te verschaffen in haar inkomsten en uitgaven, waaronder de schenkingen die zij heeft gedaan en de keuzes die hieraan ten grondslag hebben gelegen, in het bijzonder aan de hand van bestuursbesluiten, jaarrekeningen, jaarverslagen, winst- en verliesrekeningen en bankafschriften.”

Dit betreft de primaire eis (na eiswijziging) van ADP, waarover ook rov. 3.1-3.2 van het vonnis. Dat het hof (volgend op het geslaagd achten van de grieven 1 t/m 4 van Chuminisan) ook de te onderscheiden subsidiaire eis van ADP onder ogen heeft gezien (die daarmee m.i. nog niet van iedere betekenis was ontbloot), en daarop ook heeft beslist, kan ik in het arrest niet lezen. Dat laat het hof dan ten onrechte na. Gelet ook op het slagen van subonderdeel 2.2, kan na verwijzing, afhankelijk van de herbeoordeling van grieven 1 t/m 4 van Chuminisan, die subsidiaire eis nog aan bod komen.

Onderdeel 5

3.16

Onderdeel 5 betreft, kort gezegd, een voortbouwklacht.

3.17

Het onderdeel slaagt. Gelet op het voorgaande, waaronder het slagen van subonderdeel 2.2, kunnen in het bijzonder rov. 3.4, slotalinea, rov. 3.6 en het dictum van het arrest niet in stand blijven.

4 Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel

4.1

Chuminisan heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde, kort gezegd, dat een of meer van de klachten van het principale cassatieberoep slagen. Nu aan deze voorwaarde is voldaan, behoeft het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep behandeling.

Onderdeel 1

4.2

Het cassatiemiddel van Chuminisan bestaat uit een onderdeel dat is gericht tegen rov. 3.4 van het arrest. De klacht komt erop neer dat het hof in het geheel niet had kunnen toekomen aan toetsing aan de hand van het Hoge Raad-arrest van 9 mei 2014, nu er sprake is van een schenking zonder voorwaarden, dus van een volle eigendomsoverdracht. Er kan dan naar de aard geen sprake zijn van een rechtsverhouding die lijkt op één waarbij er een verplichting is tot het afleggen van rekening en verantwoording. Er is immers geen beheer: alles is in één hand. Een schenker die zonder voorwaarden schenkt, raakt daarvan de eigendom en dus ook de zeggenschap daarover kwijt. Er is geen enkele rechtsgrond voor beheer of rekening en verantwoording, laat staan dat de volle (verwerving van) eigendom op welke wijze dan ook lijkt op een rechtsverhouding waar wél sprake is van beheer en die dus lijkt op één waarbij er een verplichting is om rekening en verantwoording af te leggen.

4.3

Het onderdeel faalt, omdat het, kort gezegd, berust op een (te rigide en daarmee) onjuiste rechtsopvatting. Dat sprake is van een schenking zonder voorwaarden zoals bedoeld in het onderdeel is, zonder meer, niet prohibitief voor een toetsing aan het genoemde Hoge Raad-arrest en het kunnen aannemen van een verplichting om rekening en verantwoording af te leggen in een concreet geval, met inachtneming van de feiten en omstandigheden van dat concrete geval. Ik kan volstaan met te verwijzen naar 3.11 hiervoor.,Hierop stuit het onderdeel af.

5 Slotsom

5.1

De slotsom luidt dat het principale cassatieberoep doel treft, dat het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep doel mist en dat het arrest niet in stand kan blijven. Gelet ook op het feitelijke karakter van de te verrichten beoordeling ligt verwijzing in de rede.

6 Conclusie

De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing en in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Hof Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:930.

Rb. Amsterdam 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7062.

Uit rov. 2.2 van het vonnis blijkt dat Chuminisan, welke naam wordt gevormd door de eerste letters van de namen van de kinderen van [betrokkene 1] , is opgericht op 21 december 1983. Overigens wordt in de inleiding van de procesinleiding door ADP erop gewezen dat de naam ‘Chuminisan’ bestaat uit de eerste letters van de namen van [betrokkene 1] ’s kinderen ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) gevolgd door de Japanse aanspreektitel ‘san’ en dat de naam van ADP is afgeleid van de naam [betrokkene 1] .

Uit rov. 2.2 van het vonnis blijkt dat de schenkingsovereenkomst dateert van 22 december 1983.

HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, rov. 3.6.

De procesinleiding is bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen op 19 mei 2020.

Door de cassatiedagvaarding “klachten” genoemd.

Geciteerd uit het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Het hof onderkent daar ook de verwijzing zijdens ADP naar het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Wederom verwijzend naar het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Zie met name de memorie van antwoord, nr. 44.

Voor de goede orde: het hof overweegt ook nergens alleen gekeken te hebben naar relevante stellingen van partijen in hoger beroep. Dat ligt wat betreft ADP temeer niet voor de hand, nu zij in de memorie van antwoord kenbaar mede heeft voortgebouwd op (ook onder verwijzing naar) de in eerste aanleg ingenomen stellingen (waaronder nr. 48 van de kortgedingdagvaarding, waarop ADP wijst in nr. 52 van de memorie van antwoord in het kader van grief 3, dat het hof dus ook behandelt in rov. 3.4).

Dus: dat niet krachtens ongeschreven recht een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht zich jegens ADP als rechtsopvolger van [betrokkene 1] te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid.

Zie het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Waarbij het hof blijkens rov. 3.4, eerste alinea, slotzin ook onderkent de verwijzing door ADP naar het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Vgl. ook noot 22 van de procesinleiding, waarover ook noot 19 hierna.

Daaraan toevoegend: “(…) - als zodanige omstandigheid geldt niet dat ADP vindt dat zij redenen heeft om Chuminisan ervan te verdenken dat zij geen behoorlijk vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd”. Van de daarvoor in rov. 3.4 genoemde omstandigheden overweegt het hof dat niet, wat ook strookt met het voorgaande.

Dus die genoemd in subonderdeel 2.1. Ik begrijp dit aldus dat ADP daarmee ook het oog heeft op de met het feit dat [betrokkene 1] tot aan zijn overlijden bestuurslid was van Chuminisan verband houdende implicatie “dat hij toezicht wilde behouden op de wijze waarop de van hem afkomstige gelden aangewend werden” (zie p. 7 van de procesinleiding), wat aansluit op ’s hofs verwijzing in rov. 3.4, tweede alinea, tweede zin naar het door [betrokkene 1] door zijn lidmaatschap van het bestuur van Chuminisan uitgedragen zijn dat hij wilde weten wat Chuminisan met het door hem geschonken vermogen deed. Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens Chuminisan, nrs. 3.25, 3.30, waar wat betreft de omstandigheden die ADP noemt in deze klacht aangesloten wordt bij de weergave op p. 7 van de procesinleiding (samengevat als: “dat [betrokkene 1] een vermogend man was die geld voor goede doelen wilde aanwenden en daarom Chuminisan geld geschonken heeft terwijl hij in het bestuur van Chuminisan plaatsnam”) en verder mede wordt opgemerkt dat “[i]ndien [betrokkene 1] had gewild dat er ook naast de verantwoording aan het bestuur zoals neergelegd in art. 10 van de statuten en na zijn overlijden nog toezicht zou zijn op de wijze waarop aan het doel van Chuminisan invulling wordt gegeven, [betrokkene 1] , als degene die de oprichting heeft geïnitieerd, hierover [had] kunnen laten bepalen in de statuten.” Zie ook de dupliek zijdens Chuminisan, nr. 5: “Ook als, zoals ADP in haar cassatiemiddel aanvoert, [betrokkene 1] door zijn lidmaatschap van het bestuur van Chuminisan heeft uitgedragen dat hij wilde weten wat Chuminisan met het vermogen deed, (…).”

In noot 22 bij het subonderdeel wordt opgemerkt dat het in rov. 3.4, tweede alinea, eerste zin door het hof gebruikte woordje “kan” (“kan rechtvaardigen”) alleen van belang is voor subonderdeel 2.1 (“Voor deze motiveringsklacht is het woordje ‘kan’ resp. ‘kunnen’ daarom weggelaten”).

HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659.

Althans een te onderscheiden, lichtere verplichting tot het verschaffen van bepaalde informatie. Zie o.a. de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:180) voor HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, onder 3.4.1-3.5: “De formulering dat een partij verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen, omvat ook het geval dat iemand voor een ander beheer heeft gevoerd, zoals in eerdere rechtspraak wel werd gezegd, maar brengt directer tot uitdrukking dat sprake is van (reken- en) verantwoordingsplicht, ofwel een plicht tot rechtvaardiging van het beleid. (…) Wat deze plicht precies inhoudt, wordt telkens bepaald door de aard van de rechtsverhouding welke verplicht tot het zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen, en de omstandigheden van het gegeven geval. (…) Bedacht moet worden dat er in sommige rechtsverhoudingen geen verplichting bestaat tot het doen van rekening en verantwoording , maar er wel bepaalde informatieplichten bestaan”, bij dit laatste verwijzend naar HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338, HR 25 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5918, NJ 1977/448 en HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 [zonder verwijzingen in het origineel, A-G].

Zie in het bijzonder nrs. 3, 44-45, 55-56 van de memorie van antwoord en nrs. 30-33, 48, 52 van de kortgedingdagvaarding (op welk nr. 48 ADP ook heeft gewezen in nr. 52 van de memorie van antwoord).

De uiteenzetting in rov. 3.3 van grieven 1 t/m 4 (ook negatief geformuleerd) neemt die lacune niet weg, net zo min als het vonnis van de voorzieningenrechter, het partijdebat of de cursivering in rov. 3.4 van het arrest (“verplicht” en “ [betrokkene 1] in privé”).

Zie o.a. HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, alsmede de volgende noot.

Zie o.a. Asser Procesrecht/R.J.B. Boonekamp, Het kort geding (6), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 154, onder meer opmerkend: “Welke eisen in een concreet geval aan de motivering moeten worden gesteld, valt niet in zijn algemeenheid te zeggen. Van geval tot geval zal moeten worden bepaald of een bepaalde beslissing voldoende is gemotiveerd. In zijn algemeenheid valt slechts te zeggen dat een goede motivering daardoor wordt gekenmerkt dat overtuigend wordt beargumenteerd waarom in de gegeven omstandigheden zo wordt beslist en niet anders. Voor het kort geding is dat niet anders dan in een bodemprocedure”. Uitgangspunt en uiteindelijke toetssteen is dat de rechter voldoende inzicht zal moeten geven in zijn gedachtegang, aldus dat deze, gegeven de omstandigheden van het concrete geval, met een redelijke mate van zekerheid is vast te stellen. Zie o.a. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 25 augustus 2019), art. 30 Rv, aant. 1-4, met verwijzingen.

F.B. Bakels, ‘Er is leven na de Hoge Raad’, IER 2020/31, p. 245.

Uit de centrale maatstaf die wordt vooropgesteld in HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, rov. 3.6 volgt dat niet: “Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274)” (het vervolg van die rov. 3.6 dient ook te worden bezien tegen de achtergrond van de daar voorliggende zaak). Zo schrijft A-G Wissink in zijn conclusie voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2014:180), onder 3.4.1, dat de formulering dat een partij verplicht is zich over de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen mede omvat het geval dat “de een voor de ander beheer heeft gevoerd” (voor en ten behoeve van die ander), dus daartoe niet beperkt is, verwijzend naar de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2007:AZ2656) voor HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2656, RvdW 2007/362 (art. 81 RO), onder 10. Zie bijv. ook M.J.P. Schipper, ‘Ik zag twee beren, broodjes smeren, oh dat was een wonder…’, AdvoTip 2020-14, tweede alinea (onder de kop “De criteria van de Hoge Raad”); J.M. Tempelaar, ‘Hoe de opdracht de zaak waarneemt van de volmacht’, TOR 2014/6, nr. 4; L.L.M. Prinsen, Rekenplicht en aansprakelijkheid (diss.), Zwolle: Tjeenk Willink 1995, p. 12, 27, 30; W.H. Heemskerk in alinea 3-4 van zijn annotatie bij HR 25 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5918, NJ 1977/448. Voor de goede orde: niet is vereist dat sprake is van gemeenschap, zaakwaarneming of een overeenkomst van opdracht. Een in het licht van alle feiten en omstandigheden van het geval te beziene verwantschap met zo’n rechtsfiguur kan wel relevant zijn, mede in het licht van voornoemde maatstaf (waarbij nog zij opgemerkt dat, gelet ook op die grote betekenis van de feiten en omstandigheden van het geval, een voor doeleinden van die maatstaf relevante verwantschap niet is uitgesloten enkel omdat, strikt genomen, geen sprake is van ‘beheer voor een ander’). Zie ook noot 21 hiervoor.

Zie o.a. HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274, rov. 3.9 en de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:180) voor HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, onder 3.7.1.

Zie ook noot 22 hiervoor.

Zie verder ook noot 21 hiervoor in verbinding met de subsidiaire vordering van ADP (p. 18 van de kortgedingdagvaarding).

Het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Zie met name noot 22 hiervoor.

Kortgedingdagvaarding, nrs. 36-39, memorie van antwoord, nrs. 30-31.

Zie de pleitnotities in eerste aanleg zijdens Chuminisan, nr. 32 (kennelijk responderend op nr. 48 van de kortgedingdagvaarding) en de akte d.d. 2 april 2019 zijdens Chuminisan waarin niet wordt ingegaan op nrs. 30-31 van de memorie van antwoord.

Die ook niet tot uitdrukking komen in rov. 3.2 van het vonnis.

Zie aldus ook de schriftelijke toelichting zijdens Chuminisan, nr. 4.1, alsmede de schriftelijke toelichting zijdens ADP, nr. 4: “De klacht houdt in dat het hof miskend zou hebben dat bij een schenking zonder voorwaarden geen sprake zou kùnnen zijn van een rechtsverhouding die verplicht tot verantwoording over de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid.”

Het in noot 5 hiervoor genoemde arrest.

Het in nr. 1.5 van het onderdeel opgemerkte (herhaald in de schriftelijke toelichting zijdens Chuminisan, nr. 4.2), te weten dat dan “alle goede doelen en charitatieve instellingen die schenkingen en donaties krijgen opeens over vele jaren verantwoording moeten gaan afleggen in het kader van fishing expeditions van rechtsopvolgers onder algemene titel”, heeft m.i. geen noemenswaardig realiteitsgehalte. In de schriftelijke toelichting zijdens ADP, nr. 6 (waar dat opgemerkte wordt gekenschetst als een “nogal dystopisch vergezicht”) wordt, naar ik meen, terecht opgemerkt dat of zulke instellingen dat moeten doen niet los gezien kan worden van de feiten en omstandigheden van het concrete geval afgezet tegen de voorliggende (rechts)verhoudingen, waarbij zij aangetekend dat de drempel in het algemeen niet laag ligt en dat casus zoals de onderhavige niet frequent aan de orde zullen komen.

Voor zover het onderdeel nog zou klagen dat het hof in grief 6 van Chuminisan meer had moeten lezen dan het doet in rov. 3.2 (zie nr. 1.8 van het onderdeel), te weten dat Chuminisan door middel van die grief stelt dat de voorzieningenrechter de vordering van ADP had moeten afwijzen bij gebrek aan spoedeisend belang, loopt deze erop vast dat die uitleg door het hof van die grief geenszins onbegrijpelijk is, gelet op nrs. 59-61 van de memorie van grieven inzake die grief (wat draait om die kwestie van spoedeisend belang) en de wijze waarop die grief is begrepen door ADP (zie de memorie van antwoord, nrs. 59-63), waarbij zij zich ook richt op die kwestie (daar herleidt zij haar verweer ook weer toe in nr. 63). Ik wijs erop dat ADP dit, blijkens haar schriftelijke toelichting en repliek, daarin niet heeft gelezen, en dat Chuminisan in haar schriftelijke toelichting ter zake niet (ook) rept van een klacht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature