< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie plv-AG. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de zitting in het openbaar heeft plaatsgevonden. Het daarop betrekking hebbende middel slaagt. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05118

Zitting 18 mei 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1.1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” en “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.

1.2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/05023. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

1.3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. S.W.M. Stevens, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat het aldaar gehouden onderzoek in het openbaar is geschied, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het onderzoek niet openbaar is geweest. Daardoor zijn het onderzoek op de terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig.

2.2.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6 lid 1 EVRM als in art. 121 GW neergelegd en verder is het nog opgenomen in art. 4 lid 1 RO en art. 269 lid 1 Sv, welke laatste bepaling krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is. Uit dit samenstel van regels blijkt dat uitzonderingen op de openbaarheid mogelijk zijn, dat die uitzonderingen bij wet zijn bepaald en dat de gewichtige redenen om af te wijken van het uitgangspunt in het proces-verbaal van de terechtzitting moeten worden vermeld.

2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bevat de volgende passage:

“Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Proces-verbaal

Tegenwoordig zijn:

[…]

De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] […]

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.N. Hoek, advocaat te ‘s-Gravenhage namens zijn kantoorgenoot mr. C.P. Zwaanswijk. Hij deelt mede door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsman verlaat de zittingszaal.”

2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de zaak op een openbare terechtzitting is behandeld en het maakt ook geen melding van gewichtige redenen die tot het sluiten van de deuren hebben geleid. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de hiervoor onder 2.2. vermelde voorschriften niet in acht zijn genomen.

2.5.

Overigens heb ik sterk de indruk dat hier gaat om een misslag in de verbalisering. Normaliter wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting na het kopje “Proces-verbaal” immers direct vermeld waarop dat stuk betrekking heeft. Dat is hier niet het geval. Uit de inhoud van het stuk blijkt echter evident dat het gaat om het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak tegen verzoeker. Wanneer die zitting heeft plaatsgevonden en – belangrijker – of die zitting in het openbaar heeft plaats gevonden, vermeldt het stuk evenwel niet. Ik houd het op een evidente misser, te meer omdat in het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte, in welke zaak ik vandaag ook concludeer, na het kopje “proces-verbaal” keurig staat vermeld “van de op 17 oktober 2019 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof”. Daar komt nog bij dat het dossier van verzoeker ook geen enkel aanknopingspunt bevat op grond waarvan de zaak van verzoeker met gesloten deuren zou moeten worden behandeld – welke uitzondering op de regel dan in het zittingsproces-verbaal had moeten worden opgenomen (quod non). Vandaar dat ik het sterke vermoeden heb dat de zitting in werkelijkheid wel degelijk in het openbaar heeft plaatsgevonden.

2.6.

Daarmee is niet gezegd dat het middel niet zou slagen. De Hoge Raad houdt immers strikt de hand aan het vereiste dat de terechtzitting in de voorgeschreven gevallen in het openbaar plaatsvindt en dat als dit niet expliciet uit het zittingsproces-verbaal blijkt, het ervoor moet worden gehouden dat de zitting niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.

2.7.

Gelet op het fundamentele karakter van het openbaarheidsvereiste kan niet gezegd worden dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie omdat hij zelf niet ter terechtzitting is verschenen en evenmin zijn raadsman bepaaldelijk heeft gemachtigd opdat deze bezwaar kon maken tegen een behandeling met gesloten deuren.

2.8.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Het tweede en derde middel

3.1.

Nu mijn conclusie is dat het eerste middel slaagt, behoeven het tweede en derde middel geen bespreking meer. Mocht de Hoge Raad een ander oordeel zijn toegedaan, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

4 Slotsom

4.1.

Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel kunnen buiten bespreking blijven.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

Vgl. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ‘t Hart, HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1311.

Vgl. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ‘t Hart, rov. 3.9 en HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230, rov. 2.4.

Vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230, rov. 2.4 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2016:276), die concludeerde tot toepassing van art. 80a RO wegens het ontbreken van voldoende belang in cassatie. Vgl. ook mijn ambtgenoot Harteveld in zijn conclusie van 30 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:558, onder 4.5.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature