< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Profijtontneming, w.v.v. uit handel in coffeeshop die zich niet aan de gedoogvoorwaarden heeft gehouden. HR: Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat “voldoende aanwijzingen” bestaan dat de betrokkene ook voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode in de hoofdzaak heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waarbij die deelneming kan worden aangemerkt als ander strafbaar feit ex art. 36e.2 Sr en vzv. het gaat om de periode voor 1 juli 2011, als soortgelijk feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. Op de ontnemingsprocedure is art. 6.1 EVRM van toepassing wat meebrengt dat een persoon voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZD0312 en EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het VK). HR herhaalt voorts de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BK3424 over de bewijsrechtelijke regels in de ontnemingsprocedure en de bewijslastverdeling tussen betrokkenen en het OM uit ECLI:NL:HR:2002:AE1182. De in art. 36e.2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” voor een periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan. Het oordeel van het hof is gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld in de bewijsvoering onjuist noch onbegrijpelijk. HR voor het overige: art. 81.1 RO en vermindering van de betalingsverplichting i.v.m. de redelijke termijn. Samenhang met 7 andere zaken.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00794 P

Zitting 16 juni 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 15 februari 2018 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 167.624,48 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. De zaak hangt samen met de aanhangige straf- en/of ontnemingszaken van de medeverdachten. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

Inleiding

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. De betrokkene is bij arrest van 14 juli 2014 (in de hoofdzaak) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens (1) deelneming aan een criminele organisatie die zich heeft beziggehouden met het op grote schaal verkopen en afleveren van softdrugs in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012, (2) het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs en (3) witwassen, meermalen gepleegd. De criminele organisatie bestond vrijwel volledig uit familieleden van de betrokkene en handelde veelal onder de vleugels van coffeeshop [A] , alwaar de betrokkene werkzaam was. Het hof heeft (in de hoofdzaak) vastgesteld dat de coffeeshop zich niet aan de gedoogvoorwaarden heeft gehouden.

5. Ter toelichting op de berekening van het voordeel geef ik hieronder eerst de bewijsmotivering van het hof weer. De schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel steunt tevens op de (22) bewijsmiddelen die in de aanvulling op het arrest zijn opgesomd. Gezien de omvang van de aanvulling volsta ik hier met een verwijzing daarnaar. Na de weergave van de bewijsmotivering bespreek ik (onder verwijzing) nog wel kort de inhoud van die bewijsmiddelen.

6. Het bestreden arrest houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“ De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 14 juli 2014 (parketnummer 21-009372-13) ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde, respectievelijk deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en witwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 167.624,48 (honderdzevenenzestigduizend zeshonderdvierentwintig euro en achtenveertig cent). Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Periode

In het onderzoek naar veroordeelde is bij doorzoekingen in de coffeeshop [A] en in de woningen van de in de coffeeshop werkzame veroordeelden op 27 november 2012 ruim 180 kilo softdrugs aangetroffen, waarvan in de coffeeshop zelf een hoeveelheid van 9.218 gram hasj en 8.668 gram wiet.

De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij aan de coffeeshop wiet leverde, soms één à twee keer per week, met wisselende hoeveelheden van twee tot vijf kilo per keer, dat hij dit vijf jaar had gedaan en dat hij daarover met [medeverdachte 1] contact had.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij 500 gram in de coffeeshop mochten hebben, dat de voorraad buiten de coffeeshop op stashplaatsen werd bewaard, dat als ze wat nodig hadden, dat dat dan werd opgehaald en dat [getuige] al vijf jaar de vaste leverancier was van de wiet bij [A] .

Het hof bepaalt op grond van het voorgaande, dat de periode waarbinnen het wederrechtelijk voordeel wordt berekend, de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2012 beloopt. Weliswaar blijkt uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 1] en de getuige [getuige] dat de gedoogvoorwaarden ruimschoots en structureel werden overtreden, maar het hof kan ten aanzien van veroordeelde niet vaststellen in hoeverre hij daarbij tot en met het kalenderjaar 2010 persoonlijk betrokken is geweest. Voor de jaren 2011 en 2012 (tot en met 27 november) is dit anders. Voor de laatste maanden van 2012 volgt dit reeds uit de veroordeling door dit hof op 14 juli 2014. Aannemelijk is op grond van de bevindingen rondom verzwegen omzet, zoals hierna omschreven, dat de gang van zaken binnen [A] in 2011 en begin 2012 niet anders was dan de gang van zaken in de laatste maanden van 2012 en hij in deze periode kennelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Het hof zal daarom uitgaan van een ontneming berekend over de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2012.

Verzwegen omzet

Gedurende het onderzoek tegen veroordeelde en de medeveroordeelde werd in drie periodes van willekeurige dagen het aantal bezoekers geteld van coffeeshop [A] . In de periode van 22 juni 2011 tot en met 3 juli 2011 werden gemiddeld 1028 bezoekers per dag geteld, in de periode van 23 december 2011 tot en met 11 augustus 2012 974 bezoekers en in de periode van 20 november 2012 tot en met 22 november 2012 1177 bezoekers.

Uit analyse van in beslag genomen beelden van in de coffeeshop aanwezige en op de verkoopbalie gerichte camera’s, met betrekking tot de periode van 19 tot en met 26 november 2012, bleek dat in de coffeeshop sprake was van twee verkooppunten aan de verkoopbalie van de coffeeshop en dat enkel het verkooppunt aan de rechterzijde was aangesloten op een kassa met een registratiesysteem.

Op de beeldopnames van 20 november 2012 en 22 november 2012, zijn de bezoekers van de coffeeshop geteld die een transactie verrichten. In totaal werden bij beide verkooppunten aan de verkoopbalie op 20 november 2012 1228 klanten en op 22 november 2012 1184 klanten geteld.

Voorts werd op deze beelden waargenomen dat er aanzienlijk meer betalingen door deze klanten plaatsvonden aan het linker verkooppunt, zonder kassasysteem. Het wisselgeld voor de klanten werd van onder de balie gepakt, er vond geen zichtbare registratie plaats van betalende klanten aan de linkerzijde van de balie, of als er geld van onder de balie werd weggepakt.

Onderzoek naar de kassabonnen en het kassasysteem van coffeeshop [A] heeft bevestigd dat het aantal klanten dat geregistreerd werd op de hiervoor genoemde dagen vele malen lager lag. Op 20 november 2012 zouden er volgens de kassabonnen slechts 460 klanten zijn geweest en op 22 november 2012 slechts 388 klanten.

Door de politie is gerelateerd dat uit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens blijkt dat de coffeeshop in 2011 als omzet heeft opgegeven een bedrag van € 875.000,- en in 2012 een verwachte omzet van € 1.333.333,-, maar dat gezien de door de politie getelde bezoekersaantallen er een grotere omzet zou moeten zijn geweest ten bedrage van € 3.600.000,-.

Op basis van het voorgaande kan worden uitgegaan van een gemiddeld verzwegen winst van 60%. Over de periode van 2011-2012 bedroeg de niet opgegeven omzet minus de inkoop € 1.830.696,-.

In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is gekozen om het voordeel pondspondsgewijs over veroordeelde en zijn vijf broers te verdelen. Het hof gaat in deze wijze van verdeling niet mee. Door veroordeelde, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geld van de coffeeshop in eigen zak stopten en dit zelf hielden zonder het op enige manier in de boeken te verantwoorden. Het hof ziet dit als een aanwijzing dat er geen afspraak bestond tussen de verdachten om de verzwegen omzet gelijkelijk te verdelen. Aannemelijk is dat het aandeel van veroordeelde in de verzwegen omzet beperkter is dan het resultaat van de pondspondsgewijze berekening waar in het rapport vanuit is gegaan. Daarbij betrekt het hof dat, alleen al gelet op diens rol als (enig) eigenaar van de coffeeshop en gelet op diens vermogenspositie, aan [medeverdachte 5] een groter deel van de verzwegen winst behoort te worden toegerekend, dan aan veroordeelde en zijn andere broers.

Vast staat dat veroordeelde, naast zijn salaris, ook voordeel heeft genoten uit de verzwegen omzet. Gelet op de familieverhoudingen en gelet op de vermogenspositie van de broers gaat het hof ervan uit dat de broers van elkaar accepteerden dat zij allen zich contante bedragen vanuit de verzwegen omzet toe-eigenden, dat de verzwegen omzet zodoende tussen de broers werd verdeeld en dat veroordeelde uit de verzwegen omzet (veel) meer dan de (gestelde) bedragen heeft ontvangen die hij zelf vanuit de kas in eigen zak stopte.

Het hof gaat er voorts van uit dat het ten minste de helft van de verzwegen winst is toegekomen aan [medeverdachte 5] , als (enig) eigenaar van de coffeeshop, en dat de overige broers, waaronder veroordeelde, voor het overige deel hebben meegedeelde in de verzwegen winst, afhankelijk van hun rol en (periode van) betrokkenheid.

Het hof schat met toepassing van lid 7 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht het aandeel van veroordeelde in de verzwegen winst op € 150.000,-.

Salaris

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat het netto-salaris van veroordeelde over de periode 2011-2012 als wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden aangemerkt. Het hof zal per jaar een bedrag van € 15.000,- op het genoten jaarloon in mindering brengen en overweegt daartoe dat veroordeelde in het geval hij niet bij de coffeeshop werkzaam was geweest ook een inkomen had verworven om in zijn levensonderhoud te voorzien. De omvang van dit inkomen begroot het hof op € 15.000,- op jaarbasis. Uitsluitend voor zover veroordeelde meer heeft verdiend dat dit bedrag op jaarbasis, is sprake van voordeel (als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht).

Veroordeelde heeft in de periode 2011-2012 een netto-salaris ontvangen van € 47.624,48. Hierop wordt een bedrag van € 30.000,- (2 x € 15.000,-) in mindering gebracht, hetgeen tot gevolg heeft dat een bedrag van € 17.624,48 als wederrechtelijk verkregen voordeel in de berekening wordt meegenomen.

Conclusie

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende berekening:

- Aandeel in verzwegen winst € 150.000,-

- Netto-salaris € 17.624,48 +

Totaal: € 167.624,48

Draagkracht

(…)”

7. Door kennisneming van de bewijsmiddelen wordt de door het hof verrichte schatting van het verkregen voordeel meer inzichtelijk. Wat de berekening van de omvang van dit voordeel betreft is in elk geval van belang dat in de coffeeshop zowel witte (geregistreerde) als zwarte (ongeregistreerde) omzet werd gegenereerd. Van de twee verkooppunten aan de balie in de coffeeshop was alleen de rechter kassa aangesloten op het registratiesysteem en de linker kassa niet (bewijsmiddel 14).

8. De verhouding tussen witte omzet en zwarte omzet (rechter kassa, respectievelijk linker kassa) is op drie verschillende manieren geschat. Om die verhouding vast te stellen heeft de politie allereerst van twee dagen (20 en 22 november 2012) de beelden bekeken die met de camera’s van [A] waren vastgelegd. Daaruit bleek (berekening door mijzelf) dat op de ene dag 40% van de klanten afrekende bij de rechter (‘witte’) kassa en dat op de andere dag 33% van de klanten bij die kassa betaalde (bewijsmiddel 14).

9. Een tweede manier waarop de verhouding tussen witte en zwarte omzet is geschat betreft de vergelijking tussen (1) het aantal (betalende) klanten dat voor dertien specifieke dagen telkens kan worden opgemaakt uit kassabonnen en/of het kassaregistratiesysteem, en (2) het totale aantal klanten op diezelfde dagen, zoals door de politie vastgesteld door middel van observaties (bewijsmiddelen 11, 12 en 13). Hieruit kwam een gemiddelde van 35% betalende klanten ten opzichte van het totale aantal door de politie getelde klanten (bewijsmiddel 15).

10. Een derde manier waarop die verhouding is geschat betreft de vergelijking van enerzijds de omvang van de door [A] bij de Belastingdienst opgegeven omzet en anderzijds de omzet die door de Belastingdienst is geschat op basis van het aantal door de politie getelde klanten (gemiddeld grofweg 1000 per dag), de geschatte besteding per klant (10 euro) en het aantal dagen per jaar dat de coffeeshop open was (360). Op jaarbasis becijferde de Belastingdienst aldus een omzet van € 3,6 miljoen, terwijl [A] aan de Belastingdienst over 2011 aan omzet € 875.000,- heeft opgegeven en over de eerste negen maanden van 2012: € 1 miljoen. Zie wederom bewijsmiddel 15, waarbij ik “3 maanden” opvat als een kennelijke verschrijving; dat moet ‘negen maanden’ betreffen. Deze bedragen tonen verhoudingen van witte omzet ten opzichte van totale omzet van ongeveer 24% (2011), respectievelijk 37% (geëxtrapoleerd voor het hele jaar 2012).

11. Het hof heeft uit het voorgaande afgeleid dat de witte omzet ten opzichte van de totale omzet ten hoogste 40% heeft bedragen. Kortom, het hof heeft duidelijk rekening gehouden met het voor de betrokkene wat dit betreft meest gunstige percentage. De zwarte omzet van coffeeshop [A] over de jaren 2011 en 2012 is aldus bezien 1,5 keer hoger geweest dan de witte omzet.

12. Ten slotte laat bewijsmiddel 16 zien hoe aan de hand van de geregistreerde omzet over 2011 (€ 877.034) en 2012 (€ 1.464.402) de zwarte omzet over diezelfde jaren is becijferd (namelijk door die bedragen met een factor 1,5 te vermenigvuldigen). Daarna is de aldus becijferde zwarte omzet verminderd met de inkoopkosten (berekend door de geregistreerde inkoopkosten van dat jaar met een factor 1,5 te vermenigvuldigen). Daaruit is een verzwegen brutowinst over 2011 (€ 697.383) en 2012 (€ 1.133.313) afgeleid, over beide jaren samen derhalve € 1.830.696.

De bespreking van de middelen

13. Het eerste middel klaagt over het ontnemen van voordeel dat de betrokkene zou hebben verkregen in een periode die voorafgaat aan de bewezen verklaarde periode. Primair luidt de klacht (een rechtsklacht) dat het hof hiermee de onschuldpresumptie heeft miskend, namelijk door uit te gaan van andere maatstaven dan het criterium of het voordeel is verkregen uit strafbare feiten die ‘buiten gerede twijfel’ zijn vastgesteld. Subsidiair wordt geklaagd over de motivering van het oordeel dat de betrokkene ook financieel voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten dan de bewezenverklaarde feiten, namelijk uit deelneming aan een criminele organisatie voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode.

Het principiële punt: hoe verhoudt de ontnemingsmaatregel zich tot de onschuldpresumptie?

14. De steller van het middel snijdt primair een principieel punt aan. Hij verdedigt dat uit de onschuldpresumptie en met name de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Geerings voortvloeit dat bij oplegging van een ontnemingsmaatregel uitsluitend voordeel kan worden ontnomen ter zake van andere feiten dan de bewezen verklaarde feiten indien en voor zover die andere feiten in de ontnemingsprocedure buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. “If it is not found beyond a reasonable doubt that the person affected has actually committed the crime (…) such a measure can only be based on a presumption of guilt”, aldus citeert de steller van het middel uit de Geeringsuitspraak van het EHRM.Zo’n vaststelling ‘beyond a reasonable doubt’ heeft in deze zaak niet plaatsgehad voor zover de opgelegde maatregel betrekking heeft op het misdrijf van deelneming aan een criminele organisatie gedurende een tijdsbestek dat voorafgaat aan de bewezen verklaarde periode, aldus luidt de klacht.

15. Meer in het algemeen eerst het volgende. De ontnemingsmaatregel kan strekken tot de ontneming van voordeel dat afkomstig is van andere delicten dan de delicten die in de hoofdzaak bewezen zijn verklaard. Artikel 36e lid 2 Sr opent namelijk de weg naar de ontneming van voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten indien daaromtrent “voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan”. Artikel 36e lid 3 Sr vormt de wettelijke basis voor voordeelsontneming in gevallen waarin “aannemelijk” is dat het bewezen verklaarde misdrijf of andere strafbare feiten “op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”

16. Volgens de Nederlandse wettelijke bepalingen zijn in de ontnemingsprocedure de bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv niet van toepassing op het rechterlijk onderzoek naar het begaan van andere feiten dan de bewezen verklaarde feiten. De vaststelling van schuld aan die andere delicten wordt dan ook niet geregeerd door de maatstaf van de ‘rechterlijke overtuiging’ (artikel 338 Sv), maar door die van ‘voldoende aanwijzingen’, dan wel de civielrechtelijke maatstaf van de ‘aannemelijkheid’, terwijl het oordeel van de rechter daaromtrent niet hoeft te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsminimum- en bewijsbeperkingsregels blijven in de ontnemingsprocedure buiten toepassing.,

17. Volgens de onschuldpresumptie wordt eenieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Wat de bewijsvraag betreft vooronderstelt de onschuldpresumptie de toepasselijkheid van een bewijsdrempel c.q. bewijsstandaard, dat wil zeggen: een mate van waarschijnlijkheid waarmee uit het bewijs moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het delict waarvan hij wordt beschuldigd daadwerkelijk heeft begaan. Uitsluitend wanneer de totale bewijswaarde van de verzamelde onderzoeksresultaten die drempel haalt, kan de rechter de schuld van de verdachte vaststellen. Zo niet, dan wordt de verdachte nog immer voor onschuldig gehouden. Die bewijsdrempel moet voldoende hoog liggen. Indien louter vermoedens en speculatie in een strafproces al tot de vaststelling van schuld kunnen leiden, wordt de onschuldpresumptie beroofd van haar betekenis: onschuld is de regel, schuld is de uitzondering die bewezen moet worden. Redelijke twijfel over de schuld van de verdachte impliceert dan ook dat die schuld niet vaststaat. Voor de veroordeling wegens een delict is dus vereist dat de schuld aan dat delict boven redelijke twijfel is verheven.

De onschuldpresumptie omvat niet alleen het hiervoor beschreven bewijsrisico (twijfel valt uit in het voordeel van de verdachte), maar (al ligt dat in haar bewoordingen iets meer verscholen) ook een toedeling van de bewijslast ten gunste van de verdachte. De taak om het vermoeden van onschuld te weerleggen en om voor de beschuldiging bewijs aan te dragen ligt bij de aanklager, niet bij de verdachte.

18. In het spectrum van opvattingen over de problematische verhouding tussen enerzijds de regeling van de ontnemingsmaatregel en anderzijds de onschuldpresumptie staan de volgende twee benaderingen aan weerszijden.

19. Benadering I wijst op de nationaalrechtelijke systematiek waarin de ontnemingsprocedure is ingebed en verklaart de onschuldpresumptie in dat verband buiten toepassing. In deze benadering wordt benadrukt dat het bij de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet gaat om het bepalen van de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging. De ontnemingsprocedure behelst geen nieuwe criminal charge. De ontnemingsprocedure is slechts een vervolg (een ‘sequeel’) van een strafzaak (de ‘hoofdzaak’) die al heeft geresulteerd in een veroordeling. De maatregel maakt onderdeel uit van het sanctiearsenaal ter zake van delicten die – met inachtneming van de bewijsvoorschriften van de artikelen 338 e.v. Sv – bewezen zijn verklaard. Op de sanctieoplegging is de onschuldpresumptie in beginsel niet van toepassing; de schuld aan het delict is immers in de hoofdzaak al vastgesteld. Met de bewezenverklaring eindigt het vermoeden van onschuld.

Daaraan doet niet af dat de ontnemingsprocedure een afgescheiden procedure betreft, noch dat bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel voordeel in aanmerking kan worden genomen dat afkomstig is van strafbare feiten die niet in de tenlastelegging zijn vermeld. De ontneming van voordeel strekt namelijk slechts tot de reparatie van een onrechtmatige toestand, een ongerechtvaardigde verrijking, en niet tot bestraffing.

20. Benadering II legt daarentegen de nadruk op aspecten van mensenrechtelijke aard die met de ontnemingsprocedure zijn gemoeid. Deze benadering verklaart de onschuldpresumptie van toepassing op de procedure wanneer de ontnemingsmaatregel mede is gegrond op andere feiten dan de bewezen verklaarde feiten. In dat geval wordt de strafvervolging in de van de hoofdzaak afgesplitste ontnemingsprocedure – ter zake van die andere feiten – namelijk niet slechts voortgezet, maar ingezet. De beschuldiging van andere dan de bewezen verklaarde delicten dient in de ontnemingsprocedure op haar gegrondheid te worden onderzocht. Bovendien is rechtens aanvaard dat de ontnemingsmaatregel niet alleen is gericht op het tenietdoen van een onrechtmatige toestand, maar – in de autonome betekenis van artikel 7 lid 1 EVRM – (tevens) het karakter draagt van een straf. Daardoor wordt met het instellen van een ontnemingsprocedure ter zake van die andere feiten een (nieuwe) criminal charge als bedoeld in lid 1 en lid 2 van artikel 6 EVRM uitgebracht., De procedure waarop deze criminal charge betrekking heeft, en dus ook het onderzoek naar de feitelijke grondslag van die charge, worden in dat geval genormeerd door de bewijsmaatstaf en de bewijslasttoedeling die in de onschuldpresumptie liggen besloten. Het vaststellen van andere delicten dan de bewezen verklaarde delicten met het oog op de ontneming van voordeel dat daardoor is verkregen, vergt dus dat die delicten buiten redelijke twijfel zijn begaan en dat de betrokkene niet hoeft aan te tonen dat hij aan die andere delicten onschuldig is.

21. De vraag rijst welke keuzes op dit vlak zijn gemaakt bij de totstandkoming van de wettelijke regeling van de ontnemingsmaatregel, en welke standpunten de hoogste rechterlijke colleges hierover tot nu toe innamen.

22. Bij de totstandkoming van de ontnemingswetgeving die op 1 maart 1993 in werking trad werd deze problematiek onder ogen gezien. De minister van Justitie wees in dat verband op een uitspraak van het EHRM uit 1988, Salabiaku/Frankrijk. Daaruit leidde de minister af dat ontneming op grond van artikel 36e lid 3 Sr “verenigbaar” is met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM.

23. Hoe lagen de feiten in die uitspraak van het EHRM? Salabiaku had op het vliegveld van Parijs een koffer opgehaald die voor hem zou zijn bestemd. Nadat hij met die koffer de douane was gepasseerd, werd de koffer alsnog bij een gerichte douanecontrole geopend en onderzocht. Daarin bleek zich onder meer tien kilogram hasj te bevinden. Salabiaku ontkende daarvan te hebben geweten. Hij werd in hoger beroep vrijgesproken van de hem tenlastegelegde opzettelijke invoer van verdovende middelen, maar werd wel veroordeeld tot een geldboete (van 100.000 Franse francs) wegens de overtreding van een douanebepaling die de bezitter van goederen die niet bij de douane zijn aangegeven wettelijk aansprakelijk houdt, tenzij hij of zij overmacht kan aantonen. Naar aanleiding van een in Straatsburg ingediende klacht oordeelde het EHRM dat artikel 6 lid 2 EVRM in beginsel niet in de weg staat aan de toepassing van feitelijke of wettelijke bewijsvermoedens, indien verdragsstaten daarbij redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging worden gerespecteerd.

24. Zoals gezegd beriep de minister van Justitie zich in de wetsgeschiedenis op deze uitspraak. Hij wees er in dat verband op (ik ben volledig):

“dat het derde lid van art. 36e Sr niet zo ver gaat dat gesproken kan worden van een weerlegbare risico-aansprakelijkheid en dus van een omkering van de bewijslast. Het «aannemelijkheidscriterium» gaat niet verder dan het toelaten van een zekere bewijslastverdeling tussen openbaar ministerie en veroordeelde, waarna de rechter op basis van een «balancing of probabilities» oordeelt.”

25. Niet lang na de inwerkingtreding van de ontnemingswetgeving op 1 maart 1993 werd de kwestie aan de Hoge Raad voorgelegd in de zaak die leidde tot HR 5 december 1995, E:ZD0312. De Hoge Raad overwoog daarin:

“6.3.1. Het in het tweede lid van art. 6 EVRM onderscheidenlijk van art. 14 IVBP geformuleerde beginsel, dat een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen, houdt voor zover te dezen van belang in dat degene tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden om zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld waarbij hem de gelegenheid is geboden om zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken. De genoemde verdragsbepalingen houden voor wat betreft de bewijsvoering in dat deze moet voldoen aan de dienaangaande in de desbetreffende Staat bestaande regelen.

6.3.2.

De enkele omstandigheid dat in het verband van de regeling met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als wettig vereiste voor het bewezen zijn van soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr geldt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat die feiten door de betrokkene zijn begaan, en voor het bewezen zijn van andere feiten als bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr geldt dat die feiten aannemelijk zijn – zodat de in art. 338 tot en met art 344a Sv vervatte bewijsvoorschriften daarop niet van toepassing zijn – brengt niet mee dat toepassing van die regeling onverenigbaar is met het in de evengemelde verdragsbepalingen neergelegde beginsel. Ook de aangevoerde omstandigheid dat, indien de officier van justitie het genoten voordeel aannemelijk heeft gemaakt, het aan de verdachte (veroordeelde) is, die vordering gemotiveerd te bestrijden, brengt dat niet mee. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat in de onderhavige zaak het evenbedoelde beginsel toch is geschonden (…) faalt de eerste klacht van het middel.”

26. De Hoge Raad oordeelde dat de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM onverkort van toepassing is op de procedure die is gericht op voordeelsontneming door middel van een maatregel ex artikel 36e Sr. Vervolgens heeft de Hoge Raad op twee gronden geoordeeld dat de wijze waarop deze procedure in de wet vorm en inhoud heeft gekregen niet onverenigbaar is met de onschuldpresumptie. Aan het vereiste dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld ‘according to law’ is vastgesteld, is volgens de Hoge Raad “wat betreft de bewijsvoering” voldaan indien (i) daarbij de nationale regeling in acht is genomen, terwijl (ii) de betrokkene in rechte de gelegenheid is geboden om zich te verdedigen.

27. Het onder (i) opgevoerde argument is vrij opmerkelijk. Ter effectuering van de garanties die artikel 6 EVRM beoogt te bieden, moet die verdragsbepaling volgens het EHRM in beginsel ‘autonoom’ worden uitgelegd. Daarmee valt niet te rijmen dat aan die verdragsbepaling is voldaan zolang de nationale regeling maar wordt nageleefd, ongeacht wat die nationale regeling inhoudt. Dienovereenkomstig overwoog het EHRM in Salabiaku/Frankrijk dat artikel 6 lid 2 EVRM niet zodanig mag worden uitgelegd dat met de woorden ‘according to law’ uitsluitend de nationale wetgeving wordt bedoeld. Wellicht heeft voortschrijdend inzicht de Hoge Raad ertoe gebracht dit onder (i) bedoelde argument nadien in zijn rechtspraak niet te herhalen.

28. De Hoge Raad is in zijn meer recente jurisprudentie blijven vasthouden aan de toepasselijkheid van de onschuldpresumptie op de ontnemingsprocedure. Dat die twee elkaar verdragen baseert de Hoge Raad thans uitsluitend nog op het onder (ii) genoemde argument. Aan de onschuldpresumptie is voldaan indien de betrokkene zich in rechte heeft kunnen verdedigen, waartoe mede behoort dat hem de gelegenheid wordt geboden om aan te voeren dat en waarom de voorwaarden van artikel 36e lid 2 of lid 3 Sr niet zijn vervuld, aldus de Hoge Raad.

29. Toegegeven zij dat er een sterk verband bestaat tussen enerzijds de onschuldpresumptie en anderzijds de overige, procedurele eisen van een eerlijk proces. Daar waar de onschuldpresumptie verlangt dat de eventuele schuld van de – in aanvang voor onschuldig gehouden – verdachte in rechte wordt vastgesteld, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat hiertoe genoegen mag worden genomen met een oneerlijk proces. Uiteraard is het (dus) ter waarborging van de onschuldpresumptie noodzakelijk dat de (eventuele) schuld van de verdachte wordt vastgesteld in een proces waarin de verdachte zichzelf heeft kunnen verdedigen. Maar is dat ook voldoende? Komt dan geen enkele zelfstandige betekenis toe aan de materiële eisen die liggen besloten in de onschuldpresumptie, te weten (a) dat de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel wordt vastgesteld, en (b) dat de bewijslast rust bij de aanklager?

30. Ik laat het vooralsnog bij het opwerpen van deze vraagpunten. Samengevat kiest de Hoge Raad in deze kwestie dus voor benadering II: de onschuldpresumptie is van toepassing op de ontnemingsprocedure, met dien verstande dat de Hoge Raad de betekenis van de onschuldpresumptie heeft toegesneden op de wettelijke regeling van de ontnemingsprocedure. De Hoge Raad gaat ervan uit dat de onschuldpresumptie aan deze procedure geen hogere of andere eisen stelt dan dat de betrokkene de mogelijkheid krijgt om te bestrijden dat aan de maatstaven van artikel 36e lid 2 en/of lid 3 Sr is voldaan. Kortom, zolang de ontnemingsprocedure op zichzelf eerlijk verloopt, wordt de onschuldpresumptie naar het oordeel van de Hoge Raad automatisch nageleefd.

31. In de rechtspraak van het EHRM is in dit verband zijn uitspraak in de zaak Phillips/Verenigd Koninkrijk richtinggevend. Phillips was in Engeland veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor de invoer van een omvangrijke – in beslag genomen – hoeveelheid cannabishars in november 1995. Bij een daaropvolgend financieel onderzoek met het oog op de confiscatie van drugswinsten werd vastgesteld dat Phillips beschikte over aanzienlijke vermogensbestanddelen waarvan hij de eigendom had getracht te versluieren. Bovendien werden grote uitgaven door hem contant betaald. Geconcludeerd werd dat Phillips had geprofiteerd van drugshandel voor een bedrag van meer dan 100.000 Britse ponden. In de rechterlijke procedure bestreed Phillips die conclusie en betoogde hij dat de vermogensbestanddelen hetzij niet van hem waren, hetzij waren verworven met legaal verkregen financiële middelen. De condities waaronder conform de Engelse Drug Trafficking Act 1994 confiscatie van drugswinsten kan plaatsvinden vertonen sterke overeenkomsten met de toepassingsvoorwaarden van het Nederlandse artikel 36e derde lid Sr in de redactie die geldt sedert 1 juli 2011, dus met inbegrip van de daarin opgenomen wettelijke vermoedens (‘statutory assumptions’). De overwegingen waarmee de Britse rechter zijn confiscation order onderbouwde, zijn dan ook verwant aan die waarmee ontnemingsrechters in Nederland de oplegging van een maatregel plegen te motiveren. Over deze confiscation order werd in Straatsburg geklaagd. Phillips nam het standpunt in dat de hierboven gepresenteerde benadering II de juiste is. De Britse regering verdedigde benadering I.

32. Wat betreft de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM oordeelde het EHRM dat deze niet van toepassing is op de confiscation proceedings, met name omdat deze procedure geen criminal charge behelst als bedoeld in die bepaling. De uitkomst van deze procedure houdt namelijk geen veroordeling (of vrijspraak) in voor andere dan de ten laste gelegde feiten. Het gaat in confiscation proceedings (slechts) om het vaststellen van feiten en omstandigheden die van betekenis zijn voor de hoogte van de confiscation order, gelijk wanneer het gaat om feiten en omstandigheden die invloed hebben op de strafoplegging voor reeds bewezen geachte delicten, aldus versta ik het EHRM (paragraaf 34). De onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM bestrijkt het onderzoek naar de gegrondheid van de beschuldiging, en (in beginsel) niet de oplegging van een sanctie die volgt op de vaststelling dat een beschuldiging gegrond is.

33. Onder bijzondere omstandigheden is nochtans niet uitgesloten dat de onschuldpresumptie van lid 2 van toepassing is op de ontnemingsprocedure, met name ingeval in de ontnemingsprocedure in effect een nieuwe criminal charge wordt uitgebracht in de autonome betekenis van artikel 6 lid 2 EVRM (paragraaf 35). Het enkele feit dat bij het bepalen van de hoogte van de confiscation order misdrijven in aanmerking worden genomen waarop de veroordeling zelf geen betrekking heeft, is in de ogen van het EHRM klaarblijkelijk niet zo’n bijzondere omstandigheid.

34. Niettemin acht het EHRM artikel 6 lid 1 EVRM wél van toepassing op de gehele procedure met inbegrip van de strafoplegging (en dus ook de confiscatie). Van de meer omvattende ‘general notion of a fair trial’ maakt de onschuldpresumptie deel uit, aldus oordeelt het EHRM. Over de band van lid 1 van artikel 6 EVRM is de onschuldpresumptie dus van toepassing bij het vaststellen van de hoogte van de ontnemingsmaatregel (paragraaf 40).

35. Tegen deze achtergrond toetste het EHRM in Phillips/Verenigd Koninkrijk of de wijze waarop de Britse rechter in concreto bewijsvermoedens had toegepast zich verdroeg met de eisen van een eerlijk proces. Wat daarbij hielp was dat de rechter zijn overwegingen stap voor stap en helder had uiteengezet. Het EHRM overwoog:

“Overall, therefore, the Court finds that the application to the applicant of the relevant provisions of the Drug Trafficking Act 1994 was confined within reasonable limits given the importance of what was at stake and that the rights of the defence were fully respected. It follows that the Court does not find that the operation of the statutory assumption deprived the applicant of a fair hearing in the confiscation procedure. In conclusion, there has been no violation of Article 6 § 1 of the Convention.”

36. Het EHRM kiest dus – wat betreft artikel 6 lid 2 EVRM – in beginsel voor benadering I. De onschuldpresumptie van lid 2 is niet van toepassing op de sanctionering van een delict waarvan de schuld reeds is vastgesteld; de ontnemingsprocedure betreft in beginsel geen (nieuwe) criminal charge, ook niet als de betrokkene daarbij in verband wordt gebracht met andere delicten dan waaraan hij eerder schuldig is bevonden. Via artikel 6 lid 1 EVRM acht het EHRM de onschuldpresumptie echter wel toepasselijk op de gehele ontnemingsprocedure, met inbegrip van de oplegging van de maatregel. Dit onderscheid acht ik opmerkelijk, want waarom zouden de betekenis en reikwijdte van de onschuldpresumptie afhankelijk worden gesteld van het anker waarvoor ze ligt?

37. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik dit een bijzondere, althans niet onmiddellijk voor de hand liggende constructie vind. Hoe dan ook, het EHRM verschaft zich door deze rechtspraak in elk geval meer ruimte om te verifiëren of de ontnemingsprocedure op zichzelf door de Straatsburgse beugel kan. Mijn indruk is dat het EHRM met zijn toets langs de lat van lid 1 weinig tot geen aandacht heeft voor het aspect van de (wettelijke) bewijsstandaard die in ontnemingsprocedures wordt toegepast, maar wel voor het aspect van de bewijslasttoedeling. De vraag is dan of de ontnemingsrechter in een concrete zaak het gebruik van bewijsvermoedens binnen zodanige perken houdt dat niet op de beklaagde in effect de last komt te rusten van het aantonen van zijn onschuld.

38. In de zaak Van Offeren/Nederland was Van Offeren veroordeeld voor enkele drugstransporten en het bezit van onder meer 640 gram cocaïne. In de ontnemingsprocedure nam de rechter aan dat Van Offeren voordeel had verkregen uit handel in verdovende middelen. Ter bepaling van de hoogte van het aldus verkregen voordeel werd toepassing gegeven aan de schattingsmethode van vermogensvergelijking, waarbij een veel langere periode in aanmerking werd genomen dan de periode waarop de bewezenverklaring betrekking had. De klacht dat artikel 6 lid 2 EVRM was geschonden achtte het EHRM ‘klaarblijkelijk ongegrond’. De ontnemingsprocedure behelsde volgens het EHRM in dit geval geen nieuwe criminal charge.

39. Dat lag anders in de zaak Geerings/Nederland, waarin het EHRM een schending van artikel 6 lid 2 EVRM aannam. Mogelijk speelde hierbij een rol dat het wederrechtelijk voordeel in de zaken Phillips en Van Offeren was berekend met behulp van een abstracte schattingsmethode (waarin géén oorzakelijk verband wordt gelegd tussen het voordeel en concrete strafbare feiten), terwijl het voordeel in de zaak Geerings voor ieder delict afzonderlijk op transactiebasis was berekend. Daardoor kwam in de ontnemingsuitspraak bloot te liggen dat de ontnemingsrechter voordeel in aanmerking had genomen dat voortvloeide uit delicten waarvoor Geerings in de hoofdzaak was vrijgesproken. In deze zaak beoordeelde het EHRM of er ‘bijzondere omstandigheden’ waren als hierboven in paragraaf 27 bedoeld. Het EHRM ontwaarde in de ontnemingsprocedure een nieuwe criminal charge. Hierop toetste het EHRM de ontnemingsuitspraak aan de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM en constateerde een schending daarvan.

40. De motivering van het arrest Geerings/Nederland vertoont mijns inziens de trekken van een cirkelredenering. De voorvraag naar de toepasselijkheid van artikel 6 lid 2 EVRM beantwoordde het EHRM namelijk met verwijzingen naar de schending van artikel 6 lid 2 EVRM. Dat de ontnemingsmaatregel mede zijn grondslag vond in delicten waarvoor de betrokkene in de hoofdzaak was vrijgesproken, betrof één zo’n schending (paragraaf 48-50). Omtrent de andere schending overwoog het EHRM:

“45. The present case has additional features which distinguish it from Phillips and Van Offeren.

46. Firstly, the Court of Appeal found that the applicant had obtained unlawful benefit from the crimes in question although in the present case he was never shown to be in possession of any assets for whose provenance he could not give an adequate explanation. The Court of Appeal reached this finding by accepting a conjectural extrapolation based on a mixture of fact and estimate contained in a police report.

47. The Court considers that “confiscation” following on from a conviction – or, to use the same expression as the Netherlands Criminal Code, “deprivation of illegally obtained advantage” – is a measure (maatregel) inappropriate to assets which are not known to have been in the possession of the person affected, the more so if the measure concerned relates to a criminal act of which the person affected has not actually been found guilty. If it is not found beyond a reasonable doubt that the person affected has actually committed the crime, and if it cannot be established as fact that any advantage, illegal or otherwise, was actually obtained, such a measure can only be based on a presumption of guilt. This can hardly be considered compatible with Article 6 § 2 (compare, mutatis mutandis, Salabiaku v. France, judgment of 7 October 1988, Series A no. 141‑A, pp. 15-16, § 28).”

41. In deze lastig toegankelijke passage valt volgens mij niet te lezen dat het EHRM afwijkt van zijn rechtspraak in de zaken van Phillips/Verenigd Koninkrijk en Van Offeren. Integendeel, het betreft hier uitdrukkelijk een uitzonderingsgeval ten opzichte van de twee eerdergenoemde uitspraken. Vanwege ‘bijzondere omstandigheden’ ziet het EHRM reden voor toepasselijkheid van artikel 6 lid 2 EVRM, terwijl het EHRM die bepaling in Phillips/Verenigd Koninkrijk en Van Offeren juist niet toepasselijk achtte. Het EHRM maakt niet alleen een uitzondering vanwege het feit dat met de gewraakte maatregel in deze zaak voordeel werd ontnomen dat was behaald met delicten waarvoor de betrokkene in de hoofdzaak was vrijgesproken. Kennelijk had het EHRM ook grote moeite met de ‘speculatieve’ en ‘gissende’ wijze waarop de ontnemingsrechter volgens het EHRM de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel had gemotiveerd.

42. Nadien volgde nog een uitspraak van het EHRM in de zaak Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk, die kort gezegd weer in de lijn lag van de uitspraken inzake Phillips/Verenigd Koninkrijk en Van Offeren/Nederland. Omtrent zijn toets of was voldaan aan de maatstaven van artikel 6 lid 1 EVRM overwoog het EHRM:

“The Court’s task, in a case involving the procedure for the imposition of a confiscation order under the 1994 Act, is to determine whether the way in which the statutory assumptions were applied in the particular proceedings offended the basic principles of a fair procedure inherent in Article 6 § 1 (Phillips, § 41). It is not, however, within the province of the European Court to substitute its own assessment of the facts for that of the domestic courts and, as a general rule, it is for these courts to assess the evidence before them. The Court’s task is to ascertain whether the proceedings in their entirety, including the way in which evidence was taken, were fair (Edwards v. the United Kingdom, judgment of 6 December 1992, Series A no. 247-B, § 34).”

43. Tijd om de balans op te maken. Hoewel het EHRM en de Hoge Raad de hier besproken problematiek benaderen vanuit verschillende invalshoeken, valt wat betreft het eindresultaat vooral de concordantie op. De Hoge Raad beklemtoont dat de betrokkene in de ontnemingsprocedure de gelegenheid moet hebben gehad om te bestrijden dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e lid 2 of 3 Sr is voldaan; dit aspect is zonder meer onderdeel van de toets die het EHRM aanlegt. Het EHRM ligt immers voor het anker van artikel 6 lid 1 EVRM.

De Hoge Raad toetst in cassatie zo nodig de begrijpelijkheid van het (feitelijke) oordeel van de ontnemingsrechter dat in de voorgelegde zaak aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e lid 2 of lid 3 Sr is voldaan. Het EHRM is terughoudend waar het de beoordeling van de feiten aangaat. Evenals de Hoge Raad beschouwt het EHRM zich geen hoogste feitenrechter; de bewijsvraag gaat hem in beginsel niet aan. Het EHRM heeft evenwel oog voor de vraag of de ontnemingsrechter niet te zeer terugvalt op speculaties en gissingen, en of het verweer van de betrokkene voldoende serieus is onderzocht.

Aan de – door de steller van het middel opgeworpen – vraag of de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e lid 2 en 3 Sr verenigbaar zijn met de materiële eisen die liggen besloten in de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM, hecht noch het EHRM, noch de Hoge Raad aantoonbaar belang.

44. Kortom, op enkele nuances na zijn het EHRM en de Hoge Raad eensgezind. En dat al sinds 2008/2009. Na de laatste ingrijpende wijziging van de ontnemingswetgeving met ingang van 1 juli 2011 bevindt het ontnemingsrecht zich dan ook in betrekkelijk rustig vaarwater, waarin het EHRM en de Hoge Raad samen opstomen. Dat komt de rechtszekerheid ten goede. In de kern genomen wenst de steller van het middel met zijn primaire betoog terug te keren naar een reeds lang gepasseerd station. Er zijn momenteel geen ontwikkelingen die daartoe aanleiding geven. Dat zal mij hieronder brengen tot het oordeel dat de primaire, principiële klacht van het middel faalt.

Een kanttekening mijnerzijds

45. Niettemin veroorloof ik mij een kanttekening. De principiële klacht van het middel vind ik invoelbaar. Hoewel de congruerende rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad over de verhouding tussen de onschuldpresumptie en de wettelijke ontnemingsregeling inmiddels ‘gevestigd’ mag worden genoemd, acht ik de onderliggende motivering van deze eensluidende, gezaghebbende oordelen weinig bevredigend. Hierboven wierp ik her en der reeds enkele (retorisch bedoelde) vragen op. Daarnaast vind ik slecht te voorspellen onder welke ‘bijzondere omstandigheden’ nu precies het EHRM de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM van toepassing acht op de sentencing process. Die vraag rijst met name in die gevallen waarin de betrokkene wordt afgerekend op delicten die niet in de aanklacht waren opgenomen. Die onduidelijkheid gaat ten koste van de rechtsbescherming die van artikel 6 lid 2 EVRM behoort uit te gaan.

46. Verder wijs ik op de volgende ongerijmdheid. Met het oog op de onschuldpresumptie mag de strafrechter bij het bepalen van de straf voor de bewezen verklaarde delicten en ‘de omstandigheden waaronder zij zijn begaan’, alleen nog rekening houden met delicten waarvoor de verdachte – blijkens zijn justitiële documentatie – onherroepelijk is veroordeeld alsmede met delicten die ad informandum zijn gevoegd en door de verdachte zijn erkend. De ontnemingsrechter mag daarentegen bij het bepalen van de hoogte van de ontnemingsmaatregel rekening houden met delicten die niet onherroepelijk in rechte zijn vastgesteld, die door de betrokkene worden betwist en waarvoor onvoldoende bewijs is om een bewezenverklaring te dragen, zolang voor die andere feiten maar “voldoende aanwijzingen” bestaan of zolang “aannemelijk” is dat het bewezen verklaarde misdrijf of andere strafbare feiten “op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.” Dat verschil wringt, temeer nu de ontnemingsmaatregel – naar het oordeel van zowel het EHRM als de Hoge Raad – in autonome verdragsrechtelijke zin als een straf wordt aangemerkt.

47. Ik vind benadering II vanuit principieel oogpunt dan ook veruit te prefereren boven benadering I en boven andere (minder consequente) tussengelegen varianten. Mag van de aanklager in een ontnemingszaak niet worden verlangd dat hij ter staving van zijn ontnemingsvordering – wat de vraag naar het bewijs van andere feiten betreft – ten minste een prima facie case opbouwt? Dat is een bewijsconstructie die op het eerste gezicht voldoet en die buiten gerede twijfel stelt dat andere dan de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, zulks met het uitdrukkelijke voorbehoud dat de beklaagde nog wel in de gelegenheid wordt gesteld om verweer te voeren en tegenbewijs te leveren, dat wil zeggen: bewijs waarmee alsnog gerede twijfel ontstaat. Zodoende wordt naar mijn inzicht tegemoetgekomen aan de twee hierboven beschreven (materiële) eisen die in de onschuldpresumptie liggen besloten. De aanklager presenteert immers bewijsmateriaal dat het begaan van andere dan de bewezen verklaarde delicten (op het eerste gezicht) boven gerede twijfel stelt, terwijl het alleen onder die omstandigheden aan de beklaagde is om het bewijs tegen hem te ontzenuwen.

48. De onschuldpresumptie dwingt er niet toe dat de nationale bewijsvoorschriften, zoals die van de artikelen 338 tot en met 344a Sv, op de bewijsvoering in ontnemingszaken van toepassing zijn. Het is de aanklager toegestaan zich te bedienen van gevolgtrekkingen, algemene ervaringsregels, (abstracte) schattingsmethoden, extrapolaties en dergelijke., De onschuldpresumptie dicteert immers niet hoe het bewijs moet worden geleverd.

Indien eenmaal met inachtneming van de onschuldpresumptie is vastgesteld dat de betrokkene andere (dan de bewezen verklaarde) delicten heeft begaan, bestrijkt de onschuldpresumptie bovendien niet het onderzoek naar de (financiële) gevolgen van die delicten: hebben deze delicten de betrokkene vermogensvoordeel opgeleverd, en zo ja in welke omvang?

49. Deze benadering lijkt mij allerminst de doodsteek voor de ontnemingsmaatregel. In de staande praktijk maakt de motivering van de oplegging van een ontnemingsmaatregel veelal duidelijk dat het openbaar ministerie inderdaad zo’n prima facie case heeft opgebouwd en dat de betrokkene er niet in is geslaagd om die te ontzenuwen. Mijn indruk is dat ontnemingsrechters in de praktijk secuur werken en zelden tot niet overgaan tot de ontneming van voordeel indien zij betwijfelen of de betrokkene daadwerkelijk van misdrijven heeft geprofiteerd, ook al bewijst de ontnemingsrechter in zijn uitspraak lippendienst aan (bijvoorbeeld) de civielrechtelijke aannemelijkheidsmaatstaf.

50. Samengevat, in deze (door mij geprefereerde) benadering is de onschuldpresumptie onverkort van toepassing op de ontnemingsprocedure, doch uitsluitend indien en voor zover de rechter de betrokkene bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel in verband brengt met andere delicten dan de bewezen verklaarde feiten. Als het openbaar ministerie en de ontnemingsrechter hun werk nauwlettend doen, hoeft dat (ook in het vigerende regime) niet gepaard te gaan met een schending van de onschuldpresumptie. Het is in de opvatting van de Hoge Raad de taak van iedere (feiten)rechter om zich ervan te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ongeacht het dictaat van de nationale regeling.

Slotsom over de primaire klacht

51. Wat er van deze kanttekening ook zij, mijn oordeel over het middel wordt in deze zaak niet anders. De primaire, principiële rechtsklacht faalt. De bewijsmotivering van het hof moet in cassatie op haar begrijpelijkheid worden getoetst aan de wettelijke maatstaven van (in dit geval) artikel 36e lid 2 Sr. De rechtszekerheid is met deze uitkomst gediend, terwijl een nauwgezette cassatietoets evidente schendingen van de onschuldpresumptie zal weten te voorkomen.

De (subsidiaire) motiveringsklachten

52. Thans de subsidiaire klachten. Ter bespreking daarvan wijs ik eerst op het volgende. Zoals gezegd is de betrokkene in de hoofdzaak bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens onder meer deelneming aan een criminele organisatie over de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012. In die periode had deze organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten (volgens de bewezenverklaring) “het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (grote hoeveelheden) hennep en/of hasjiesj (steeds meer dan 30 gram) als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet onder B en C”. De bewezenverklaring en vaststellingen in de hoofdzaak dienen in de ontnemingszaak (onbetwist) tot uitgangspunt. Dit betekent dus dat – terwijl de gedoogvoorwaarden daarbij werden overtreden – de coffeeshop in die periode dagelijks softdrugs verkocht aan veel klanten.

53. Uit de volgende bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk opgemaakt dat de periode waarop de bewezenverklaring betrekking heeft representatief is geweest voor de daaraan voorafgaande periode. Ook in die voorafgaande periode overtrad de criminele organisatie rond coffeeshop [A] (oftewel: het samenwerkingsverband van de gebroeders [...] ) grootschalig en stelselmatig de gedoogvoorwaarden, aldus luidt de gevolgtrekking van het hof.

54. Die bewijsmiddelen zijn:

- de verklaring van [getuige] (bewijsmiddel 9), te weten dat hij al vijf jaar twee á vijf kilogram wiet leverde aan [A] , doch “ook niet elke week”, waaruit het hof kennelijk heeft opgemaakt dat [getuige] bijna elke week ongeveer die hoeveelheid leverde;

- de verklaring van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 10), die de verklaring van [getuige] dat hij al vijf jaar wiet levert aan [A] voor “1000%” onderschrijft;

- de observaties en tellingen van het aantal klanten dat de coffeeshop heeft betreden op negen dagen in juni/juli 2011 (bewijsmiddel 11) en twee dagen in december 2011 en januari 2012 (bewijsmiddel 12), waarvan de resultaten niet substantieel afwijken van de resultaten van de tellingen van het aantal klanten op twee dagen in juli en augustus 2012 (eveneens bewijsmiddel 12) en drie dagen in november 2012 (bewijsmiddel 13).

55. Hieruit heeft het hof naar mijn inzicht kunnen afleiden dat de criminele organisatie van coffeeshop [A] met de misdrijven waarop het oogmerk van die organisatie was gericht niet alleen gedurende de bewezen verklaarde periode wederrechtelijk voordeel heeft gegenereerd, maar ook gedurende de periode van 1 januari 2007 tot 19 juli 2012 die voorafging aan de periode waarop de bewezenverklaring betrekking heeft. Er heeft zich omstreeks 19 juli 2012 geen wijziging van omstandigheden voorgedaan waaruit moet worden opgemaakt dat de gang van zaken in de coffeeshop gedurende de bewezen verklaarde periode afweek van de gang van zaken gedurende de daaraan voorafgaande periode.

56. Als ik het goed zie vormt een gewichtig punt in de toelichting op het middel de klacht dat in de motivering van het hof geen bewijs is opgenomen voor de overtreding van de gedoogvoorwaarde “dat geen handelsvoorraad groter dan 500 gram aan verdovende middelen in de coffeeshop en op het verkoop-oppervlak, aanwezig mocht zijn.”

57. Naar mijn inzicht ligt aan die klacht een onjuiste veronderstelling ten grondslag. Ook het aanhouden van een stash ten behoeve van het bevoorraden van de coffeeshop kan leiden tot het overtreden van de gedoogvoorwaarden. Het gaat dus niet alleen om de voorraad die ‘op de vloer’ van de coffeeshop zelf aanwezig is, maar eveneens om exploitatievoorraden elders dan in de coffeeshop. Jurisprudentie hierover citeer ik in een voetnoot. Ook in zoverre faalt de klacht dus.

58. Het hof heeft evenwel in zijn motivering aanzienlijk minder (wellicht zelfs te weinig) aandacht besteed aan het aandeel van de betrokkene in de criminele organisatie rond coffeeshop [A] . Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de bewezen verklaarde periode niet alleen representatief was voor de gang van zaken in coffeeshop [A] in het algemeen, maar eveneens voor de bijdrage van de betrokkene. Met andere woorden, het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de handelwijze van de betrokkene gedurende de bewezen verklaarde periode niet wezenlijk verschilde van diens handelwijze gedurende de daaraan voorafgaande ‘onderzochte’ periode.

59. Over de begrijpelijkheid van dit oordeel het volgende. In de eerste plaats staat in deze ontnemingsprocedure zoals gezegd afdoende vast dat de coffeeshop in de onderzochte periode vanaf 1 januari 2011 op gelijke wijze als in de bewezen verklaarde periode functioneerde. Terwijl de gedoogvoorwaarden daarbij werden overtreden, verkocht de coffeeshop dagelijks softdrugs aan veel klanten. In die periode was de betrokkene werkzaam in de coffeeshop en ontving hij ook salaris, zo blijkt uit bewijsmiddel 22 en de daarbij behorende bijlage A. Hij ontving in diezelfde periode (netto) evenveel salaris als zijn broers [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , en stond overigens al – zo blijkt – vanaf januari 2006 op de loonlijst van de coffeeshop.

60. De bewezenverklaring in de hoofdzaak is richtinggevend in de ontnemingszaak. In de periode waarop de bewezenverklaring betrekking heeft beschikte de betrokkene dus (buiten twijfel) over het voor die bewezenverklaring vereiste opzet. In de ontnemingszaak mag dus worden aangenomen dat de betrokkene gedurende de bewezen verklaarde periode in zijn algemeenheid wist (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat het samenwerkingsverband van [A] tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Van alle concrete misdrijven die door die organisatie werden beoogd, hoeft de betrokkene geen wetenschap te hebben gehad. Doordat de betrokkene met die wetenschap bijdroeg aan de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband rond [A] , heeft hij – in die periode – deelgenomen aan een criminele organisatie.

61. Dat de betrokkene niet alleen heeft bijgedragen aan deze criminele organisatie maar ook over het voor deelneming vereiste opzet beschikte in de periode vanaf 1 januari 2011 die aan de bewezen verklaarde periode voorafging, heeft het hof kennelijk afgeleid uit de omstandigheid dat, zoals gezegd, de coffeeshop in de onderzochte periode vanaf 1 januari 2011 op gelijke wijze als in de bewezen verklaarde periode functioneerde, en dat de betrokkene al vanaf januari 2006 op de loonlijst stond.

62. Andere overwegingen dan hiervoor (in mijn woorden) weergegeven heeft het hof in elk geval niet tot uitdrukking gebracht. “Aannemelijk is op grond van de bevindingen rondom verzwegen omzet, zoals hierna omschreven, dat de gang van zaken binnen [A] in 2011 en begin 2012 niet anders was dan de gang van zaken in de laatste maanden van 2012 en hij [de betrokkene, D.A.] in deze periode kennelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie”, aldus citeer ik het hof wederom. Behoudens bewijsmiddel 22 en bijlage A (de eerdergenoemde loonlijst), hebben de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in de aanvulling op het bestreden arrest omtrent de bijdrage en wetenschap van de betrokkene geen meerwaarde. Ik was bovendien zo vrij om een blik te werpen in het arrest in de hoofdzaak en de aanvulling daarop (waarover Uw Raad beschikt), maar ook daarvoor geldt in essentie hetzelfde.

63. Na enig peinzen meen ik dat het oordeel van het hof de toets in cassatie kan doorstaan. Zijn oordeel dat het (zeer) waarschijnlijk is dat de omstandigheden rond coffeeshop [A] in de bewezen verklaarde periode in alle opzichten representatief waren voor die in de periode van 1 januari 2011 tot 19 juli 2012 acht ik al met al niet onbegrijpelijk, en dat geldt dus ook voor ’s hofs oordeel over de bijdrage aan het criminele samenwerkingsverband die de betrokkene in datzelfde tijdsbestek welbewust moet hebben geleverd. De reden voor mijn standpunt hierover is dat zich op of omstreeks 19 juli 2012 (aanvang periode bewezenverklaring) géén substantiële wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, zodanig dat het hof daaruit had moeten opmaken dat de betrokkene vanaf dát moment pas, en niet eerder, wist hoe de vork in de steel zat. Dat is ook niet aangevoerd. Er is simpelweg geen enkele reden om te vermoeden dat het allemaal anders zou zijn gegaan gedurende de anderhalf jaar vóór de periode waarop de bewezenverklaring het oog heeft dan tijdens die periode. Het aantal klanten en de (verzwegen) omzet duidt daarop allerminst. Het had dan op de weg van de betrokkene gelegen om met plausibele argumenten uiteen te zetten dat en waarom dit uitgangspunt voor hem niet opgaat.

64. Nog een nadere opmerking over het principiële betoog van de steller van het middel. Ik ben blijkens mijn hierboven weergegeven ‘kanttekening’ beslist gevoelig voor zijn stelling dat – ook – de ‘andere’ dan de (in de hoofdzaak) bewezen verklaarde feiten buiten gerede twijfel moeten komen vast te staan voordat het de ontnemingsrechter vrijstaat om (mede) op die andere feiten een ontnemingsmaatregel te gronden. Het lijkt er echter enigszins op dat de steller van het middel voor bewijs dat boven gerede twijfel is verheven uitsluitend zogeheten ‘rechtstreeks’ bewijsmateriaal geschikt acht. Dat is mijns inziens onjuist. De onschuldpresumptie schrijft niet voor hoe het bewijs moet worden geleverd, alleen dat het moet worden geleverd. Ook het gebruik van zogeheten ‘indirect’ bewijsmateriaal of circumstantial evidence is toegelaten. De rechter mag redeneren over bewijs, en gevolgtrekkingen verbinden aan feiten en omstandigheden die op zichzelf vaststaan. Met enige aarzeling vind ik dat de bewijsredenering van het hof in dit opzicht door de beugel kan.

65. Mijn conclusie is dus dat het hof niet-onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene eveneens in de periode van 1 januari 2011 tot 19 juli 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van het opzettelijk aanwezig hebben, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (grote hoeveelheden) hennep en/of hasjiesj tot oogmerk had. Het voordeel dat hem daardoor is toegevallen kan hem dus worden ontnomen. Dat heeft het hof toereikend uiteengezet.

66. Hierop stuiten alle motiveringsklachten af. Het middel faalt.

67. Het tweede middel behelst in het bijzonder de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de betrokkene geld van de coffeeshop in eigen zak heeft gestopt en dit zelf heeft gehouden zonder het op enige manier in de boeken te verantwoorden.

68. Krachtens artikel 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge artikel 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel artikel 359 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit artikel 359 lid 3 Sv voortvloeiende verplichting voldaan.

69. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof voor zijn oordeel dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit de verzwegen omzet de verklaring van de betrokkene afgelegd bij de rechter-commissaris, inhoudende dat hij geld van de coffeeshop in eigen zak heeft gestopt en dit zelf heeft gehouden zonder het op enige manier in de boeken te verantwoorden, redengevend heeft geacht. Daarmee heeft het hof de feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn overwegingen weergegeven onder vermelding van de vindplaats. Of het hof bij het vermelden van die vindplaats voldoende nauwkeurig is geweest, kan worden betwijfeld. Het hof heeft immers in de overwegingen nagelaten te vermelden welke verklaring bij de rechter-commissaris het betreft. In de aanvulling op het bestreden arrest is het bedoelde bewijsmiddel (de RC-verklaring(en) van de betrokkene) in elk geval niet te vinden, zo merkt de steller van het middel met juistheid op.

70. Uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 7 januari 2016 kan echter in deze zaak worden afgeleid dat het (onder meer) de verklaringen bij de rechter-commissaris afgelegd op 15 en 16 oktober 2013 betreft. Mijn opvatting dat de betrokkene geen rechtens te respecteren belang heeft bij het slagen van deze klacht wordt nog eens versterkt bij kennisneming van de aanvullingen op de verkorte arresten in de zaken tegen bijvoorbeeld [medeverdachte 1] (18/00790, bewijsmiddelen 20 en 21), [medeverdachte 4] (18/00795, bewijsmiddelen 20 en 21), [medeverdachte 3] (18/00791, bewijsmiddelen 20 en 21) en [medeverdachte 2] (18/00914, bewijsmiddelen 19 en 20), want daarin zijn de RC-verklaringen van de betrokkene ( [verdachte] ) d.d. 19 maart 2015 en 16 oktober 2013 telkens wél weergegeven: “Ik heb zelf ook wel eens geld gehouden”, respectievelijk: “Ik stopte wel eens geld in mijn zak. Ik stopte wel eens wat voor mijzelf weg. Dat gebeurde al een hele poos.” Het oordeel van het hof dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit de verzwegen omzet acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

71. Het tweede middel faalt.

72. Het derde middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht luidt dat het oordeel van het hof ten aanzien van de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene wat betreft het aandeel van de betrokkene in de verzwegen winst onbegrijpelijk is. De tweede deelklacht luidt dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in de vorm van een alternatieve berekening van het door de betrokkene genoten voordeel.

73. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2018 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Uit deze pleitnota volgt dat de raadsman onder meer het volgende heeft betoogd:

“Er is naar de mening van de verdediging geen reden om aan de verklaring van cliënt te twijfelen dat hij - in zijn positie van baliemedewerker - nu en dan kleine bedragen uit de kassa pakte om bijv. boodschappen mee te financieren. De verdediging verzoekt u dan ook om deze verklaring als uitgangspunt te nemen. We hebben het dan over € 25-50 per dag, aldus cliënt.

Een alternatieve berekening komt dan neer op het volgende: cliënt werkte 32 uur per week; derhalve 4 dagen per week. Het bedrag dat hij dan op wekelijkse basis uit de kassa haalde betrof dus ongeveer (4 x 37,50) € 150 per week; x 47 werkweken = € 7.050 per jaar x 2 + € 14.100,00 over de periode 2011-2012. Dit is een schatting die meer recht doet aan het daadwerkelijk verkregen voordeel.”

74. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De ontnemingsmaatregel strekt ertoe de betrokkene het wederrechtelijk voordeel te ontnemen dat hijzelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Toerekening van voordeel aan de betrokkene zonder dat wordt vastgesteld dat het desbetreffende bedrag in zijn vermogen is gevloeid, verdraagt zich daarom moeizaam met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Ook ingeval meer daders het delict hebben begaan, staat de rechter voor de taak om vast te stellen wat de omvang is van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft genoten. Niet altijd is aanstonds duidelijk wat de omvang is van het voordeel dat door ieder van de daders afzonderlijk is verkregen. De rechter zal bij onduidelijkheid daaromtrent op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld, het aantreffen van voordeel bij één of meer van hen en de procesopstelling van de betrokkene, moeten vaststellen welk deel van het totale bedrag aan de betrokkene moet worden toegerekend. Bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor een andere verdeling, dan kan dat aanleiding zijn om tot een pondspondsgewijze toerekening te komen.

75. Het voorgaande brengt niet mee dat een pondspondsgewijze toerekening, ingeval het hof tot een verdeling komt, op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn daarbij beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene en hetgeen door of namens de betrokkene naar voren is gebracht.

76. Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het hof ten aanzien van de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, onbegrijpelijk is, faalt het. In het licht van hetgeen hiervoor is vooropgesteld, acht ik het oordeel van het hof dat het voordeel dat de betrokkene heeft genoten uit de verzwegen omzet € 150.000,- bedraagt, niet onbegrijpelijk. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof bij de vaststelling van de omvang van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft genoten, in het bijzonder rekening heeft gehouden met de rol die de betrokkene en zijn mededaders hebben gespeeld in de criminele organisatie alsmede met de vermogensposities van zijn mededaders. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

77. Voor zover het middel de klacht behelst dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de betrokkene een aanzienlijk lager bedrag uit de verzwegen omzet heeft ontvangen, faalt het eveneens. Voor zover hetgeen de raadsman heeft aangevoerd al kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, heeft de raadsman zijn ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de betrokkene slechts nu en dan kleine bedragen uit de kassa pakte, op geen enkele wijze onderbouwd. De steller van het middel verlangt kennelijk dat het hof uitgebreid reageert op niet nader onderbouwde stellingen van de verdediging. Meer dan de overweging dat het hof ervan uitgaat "dat veroordeelde uit de verzwegen omzet (veel) meer dan de (gestelde) bedragen heeft ontvangen die hij zelf vanuit de kas in eigen zak stopte" kan in dit geval niet van het hof worden geëist.

78. Het derde middel faalt.

79. Het vierde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

80. Namens de verdachte is op 20 februari 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 januari 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Ik wijs er voorts ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

81. Het eerste middel faalt. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het vierde middel is terecht voorgesteld. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

82. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad kan het te betalen bedrag verder verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Met inbegrip van de voorliggende zaak betreft dit de zaken met de rolnummers: 18/01230 P, 18/00790 P, 18/00791 P, 18/00792, 18/00793, 18/00794 P, 18/00795 P en 18/00914 P.

Bij arrest van 15 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:408) heeft de Hoge Raad het door de betrokkene ingestelde cassatieberoep verworpen, zodat het arrest van het hof in de strafzaak onherroepelijk is geworden. Rolnummer 14/04142.

Op de gevel van de coffeeshop stond vermeld: ‘ [A] ’, met een ‘ [A] ’ dus. Niettemin houd ik hier de schrijfwijze aan die in het strafdossier het meest wordt gebruikt.

Zie de aanvulling bewijsmiddelen d.d. 1 oktober 2018 bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15 februari 2018.

Voetnoot D.A. Kennelijk heeft het hof bedoeld te overwegen: “Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen, namelijk deelname aan criminele organisatie en andere strafbare feiten – namelijk het ook voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode deelnemen aan een criminele organisatie – financieel voordeel heeft genoten.” (onderstreping mijnerzijds, citaat uit een zaak van een medebetrokkene).

EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349 m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).

Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90; HR 13 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1173, NJ 1999/483; HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648, NJ 2008/406 m.nt. Borgers, over de vraag of een anonieme brief die bij de CID was binnengekomen aan het dossier moest worden toegevoegd.

Zie voor dit laatste: HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805, NJ 2002/545 met een kritische noot van J.M. Reijntjes; HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4724, NJ 2007/265.

De vaststelling van het begaan van andere delicten (dan de bewezen verklaarde delicten) moet worden onderscheiden van de schatting van de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezen verklaarde delicten en/of de andere delicten. Volgens art. 511f Sv dient die schatting namelijk wél te zijn gebaseerd op de wettige bewijsmiddelen die zijn opgesomd in art. 339 Sv, zij het dat ook dan de bewijsminimumregels en de bewijsstandaard van artikel 338 Sv niet van toepassing zijn. Zie met name HR 26 maart 2013, ECLI:NL:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers.

Het hiervoor bedoelde onderscheid tussen (1) de vaststelling van de delicten die aan de ontnemingsmaatregel ten grondslag liggen, en (2) de omvang van het door die delicten verkregen voordeel, is in geval van een abstracte voordeelberekening lastig te maken. Het begaan/bestaan van andere strafbare feiten wordt in dat geval namelijk afgeleid uit de vaststelling van voordeel met een illegale herkomst.

Bij een (korte) bespreking van de onschuldpresumptie mag sinds 2018 ten minste één verwijzing naar Bemelmans niet meer ontbreken. Alvast bij deze: J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018.

Dat in de onschuldpresumptie ook een zekere bewijsstandaard (of ‘bewijsdrempel’) ligt besloten, namelijk de eis dat de schuld boven redelijke twijfel kan worden vastgesteld, volgt onder meer uit EHRM 6 december 1988, 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje). Ik citeer uit par. 77:

“Paragraph 2 (art. 6-2) embodies the principle of the presumption of innocence. It requires, inter alia, that when carrying out their duties, the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged; the burden of proof is on the prosecution, and any doubt should benefit the accused. It also follows that it is for the prosecution to inform the accused of the case that will be made against him, so that he may prepare and present his defence accordingly, and to adduce evidence sufficient to convict him.”

Zie tevens art. 6 lid 2 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, PbEU L 65/1, waaruit ik citeer: “De lidstaten waarborgen dat iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werkt, ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken.”

Ik neem hierbij aan dat in de termen ‘iedere twijfel’ c.q. ‘any doubt’ niet ook onredelijke twijfel ligt besloten. Zie hierover verder: Bemelmans a.w., p. 76-89.

Zie opnieuw EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje), par. 77 (in een voetnoot hierboven aangehaald. Zie verder Bemelmans, a.w. p. 80 e.v. en p. 99 e.v.

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 38-39, en p. 60-61, met dien verstande dat de minister artikel 6 lid 1 EVRM (op goede gronden) van toepassing acht op de gehele ontnemingsprocedure, en omtrent de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM slechts opmerkt dat ontneming op grond van artikel 36e lid 3 Sr “verenigbaar” is met de onschuldpresumptie. De minister laat zich strikt genomen niet uit over de vraag of de onschuldpresumptie na de bewezenverklaring überhaupt nog van toepassing is. Ik kom hierop in de hoofdtekst terug.

Althans in de “bewijsdimensie” ervan. Het woord ontleen ik aan Bemelmans, a.w.

Als ik het goed zie verdedigde Borgers, enigszins tegen de stroom in, deze benadering. Zie M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgeverij 2001, met name p. 325-330. Met een promotie op 22 juni 2001 kon Borgers in zijn werk uiteraard geen rekening houden met de uitspraak van het EHRM in de zaak Phillips/Verenigd Koninkrijk van nog geen twee weken nadien. Zie met name ook: M.J. Borgers, ‘Ontneming van misdaadgeld en de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM’, Delikt en Delinkwent 2001, afl. 9, p. 1007-1024.

In EHRM 9 februari 1995, nr. 177440/90 (Welch/Verenigd Koninkrijk) oordeelde het EHRM dat een confiscation order (inderdaad) als een ‘penalty’ in de autonome betekenis van art. 7 lid 1 EVRM moet worden aangemerkt.

Strikt genomen verwijst lid 1 naar “In the determination of (…) any criminal charge against him, …” en lid 2 naar “Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proven guilty according to law.” Met enerzijds ‘criminal charge’ en anderzijds ‘(being) charged with a criminal offence’ wordt hetzelfde geval aangeduid, aldus EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988/938 m.nt. Alkema (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland), paragraaf 52.

Het ligt voor de hand om de vordering tot ontneming in zo’n geval als een charge aan te merken, maar dat hoeft niet. Ook als de officier van justitie uitsluitend ontneming vordert van voordeel dat is verkregen door middel van de bewezen verklaarde feiten, kan de ontnemingsrechter hierin aanleiding vinden voor de ontneming van voordeel op de grondslag van andere feiten dan de bewezen verklaarde feiten. Wat is in dát geval dan de charge?

Zie hierover ook: W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast. Een onderzoek naar de rechtspositie van de betrokkene in de procedure tot oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (diss. Utrecht), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 33-36.

EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991/351 m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk). Ik citeer paragraaf 28 van die uitspraak:

“This shift from the idea of accountability in criminal law to the notion of guilt shows the very relative nature of such a distinction. It raises a question with regard to Article 6 para. 2 (art. 6-2) of the Convention.

Presumptions of fact or of law operate in every legal system. Clearly, the Convention does not prohibit such presumptions in principle. It does, however, require the Contracting States to remain within certain limits in this respect as regards criminal law. If, as the Commission would appear to consider (paragraph 64 of the report), paragraph 2 of Article 6 (art. 6-2) merely laid down a guarantee to be respected by the courts in the conduct of legal proceedings, its requirements would in practice overlap with the duty of impartiality imposed in paragraph 1 (art. 6-1). Above all, the national legislature would be free to strip the trial court of any genuine power of assessment and deprive the presumption of innocence of its substance, if the words "according to law" were construed exclusively with reference to domestic law. Such a situation could not be reconciled with the object and purpose of Article 6 (art. 6), which, by protecting the right to a fair trial and in particular the right to be presumed innocent, is intended to enshrine the fundamental principle of the rule of law (see, inter alia, the Sunday Times judgment of 26 April 1979, Series A no. 30, p. 34, para. 55).

Article 6 para. 2 (art. 6-2) does not therefore regard presumptions of fact or of law provided for in the criminal law with indifference. It requires States to confine them within reasonable limits which take into account the importance of what is at stake and maintain the rights of the defence. The Court proposes to consider whether such limits were exceeded to the detriment of Mr Salabiaku.” Volgt unanieme verwerping van de klacht.

Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 63. Over de verhouding tussen onschuldpresumptie en de voorgestelde wettelijke regeling werd vervolgens nog wel (door een Kamerlid van D66) een kritische vraag gesteld (Kamerstukken II 1990/91, 21 504, nr. 4, p. 10), maar de minister ging daarop niet meer in. De onschuldpresumptie kwam nadien ter sprake in de nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II 1991/92, 21 504, nr. 8, p. 13-14), maar alleen met betrekking tot de vraag (van D66) of de mogelijkheid van conservatoir beslag niet in strijd kwam met die verdragsbepaling. De minister oordeelde van niet.

Volledig: HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, NJ 1996/411 m.nt. Schalken. Art. 36e Sr was indertijd niet geheel gelijkluidend aan de vigerende redactie. Waar het in de kern om gaat is dat ook indertijd voordeel kon worden ontnomen dat was gegenereerd door andere (bijvoorbeeld ‘soortgelijke’) delicten dan de bewezen verklaarde delicten.

Zie het slot van overweging onder 6.1 in deze uitspraak: “De procedure naar aanleiding van een vordering als bedoeld in art. 36e, eerste en/of derde lid, Sr moet blijkens het bepaalde in art. 311, eerste lid, voorlaatste volzin, Sv worden opgevat als een afzonderlijk onderdeel dan wel voortzetting van dezelfde vervolging die kan leiden tot veroordeling tot straf. Bovendien heeft – indien de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat is opgelegd aan een natuurlijk persoon – de rechter ingevolge art. 24d Sr te bevelen dat, bij gebreke van volledige betaling of verhaal van het verschuldigde bedrag, vervangende hechtenis van ten hoogste zes jaren zal worden toegepast. Het middel gaat derhalve terecht van uit dat op de evenbedoelde procedure het eerste en ook het tweede lid van art. 6 EVRM alsmede van art. 14 IVBPR van toepassing zijn.”

Zie EHRM 8 juni 1976, nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978/223 m.nt. onder NJ 1978/224 van Meuwissen (Engel e.a./Nederland) par. 81. En zie: J. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, Cambridge: Cambridge University Press 2019, p. 67 e.v.

EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991/351 m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk), paragraaf 28, geciteerd in een voetnoot hierboven.

Zie voor die rechtspraak de volgende voetnoot (pre-Geerings) en de daaropvolgende voetnoot (post-Geerings).

Pre-Geerings-uitspraken betreffen naast het in de hoofdtekst reeds genoemde arrest HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, NJ 1996/411:

HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1763, NJ 2001/575 (OM-cassatie): “3.3. Aan de beslissing van het Hof ligt aldus de opvatting ten grondslag dat ontneming van voordeel op de voet van art. 36e, tweede en derde lid, Sr, ter zake van feiten waarvoor de betrokkene niet is veroordeeld ontoelaatbaar is omdat: (i) dit in strijd is met de in art. 6, tweede lid, EVRM en art. 14, tweede lid, IVBPR besloten liggende onschuldpresumptie;

(ii) de ontnemingsmaatregel het karakter heeft van een strafrechtelijke sanctie en derhalve met een vrijspraak onverenigbaar is.

3.4.1. De in art. 36e Sr en in titel IIIb van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreft de oplegging van een maatregel, te weten de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Het gaat hier niet om een straf, maar om een maatregel die strekt tot het ongedaan maken van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat de oplegging van die maatregel een plaats heeft gekregen in een strafrechtelijke procedure doet aan het bijzondere karakter van die maatregel niet af.

3.4.2. Dat bijzondere karakter komt ook tot uitdrukking in de eisen die aan de oplegging ervan worden gesteld. Die eisen zijn minder streng dan de eisen die bij strafoplegging moeten zijn vervuld. Zo zijn de in strafzaken geldende bewijsvoorschriften niet in volle omvang van toepassing. Dat heeft tot gevolg dat in een tenlastelegging opgenomen feiten die tot een vrijspraak hebben geleid, toch ten grondslag kunnen worden gelegd aan oplegging van zo'n maatregel. De rechter dient ook in een dergelijk geval vast te stellen ofwel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan, ofwel dat aannemelijk is dat de in art. 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen (vgl. HR 14 september 1999, NJ 2000, 55). Aan een dergelijke vaststelling gaat de in de art. 511b e.v. Sv geregelde procedure vooraf. Daarmee is gewaarborgd dat de rechter die over een tot ontneming strekkende vordering van het openbaar ministerie heeft te beslissen, dit niet doet dan nadat hij heeft onderzocht of en heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden, dus onder meer of er aanwijzingen in de zin van het tweede lid zijn dan wel er aannemelijkheid in de zin van het derde lid is, zijn vervuld.

3.5. Het vorenstaande brengt mee dat de omstandigheid dat de verdachte van bepaalde feiten is vrijgesproken er niet zonder meer aan in de weg staat dat die feiten in het kader van de ontnemingsprocedure als "soortgelijke feiten" of "feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd" als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr in aanmerking worden genomen (vgl. HR 13 april 1999, NJ 1999, 483). Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist.

3.6. Voor wat de toepassing van art. 36e, derde lid, Sr betreft heeft het Hof miskend dat de wetgever in die bepaling heeft voorzien in de mogelijkheid aan hem die wegens misdrijf is veroordeeld ook voordeel te ontnemen dat hij heeft verkregen uit niet door hemzelf begane strafbare feiten. Aan de oplegging van die sanctie hoeft in die gevallen dus niet het vermoeden ten grondslag te liggen dat de verdachte die feiten heeft begaan. In zoverre kan de oplegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zelfs wanneer de verdachte ter zake van die feiten is vrijgesproken, niet in strijd komen met het vermoeden van onschuld waarop art. 6, tweede lid, EVRM en art. 14, tweede lid, IVBPR, iedere verdachte aanspraak geven.

3.7. De middelen zijn terecht voorgesteld.”

HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4146, NJ 2003/497 m.nt. Schalken (Geerings), waaruit ik citeer: “De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat een en ander niet onverenigbaar is met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b e.v. Sv geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan, ofwel niet aannemelijk is dat de in art. 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat de procedure naar aanleiding van een vordering als bedoeld in art. 36e, eerste en/of derde lid, Sr blijkens art. 311, eerste lid, laatste volzin, Sv moet worden opgevat als een afzonderlijk onderdeel dan wel voortzetting van dezelfde vervolging die kan leiden tot veroordeling tot straf (vgl. HR 5 december 1995, NJ 1996, 411), noopt niet tot een ander oordeel.”

Zie ook HR 7 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9473, NJ 2004/573 m.nt. Schalken, onder verwijzing naar de hiervoor geciteerde passage.

Naar aanleiding van de veroordeling van Nederland in de zaak Geerings, EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349 (Geerings/Nederland), die een vervolg is op HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4146, NJ 2003/497, heeft de Hoge Raad zijn oordeel slechts in beperkte mate herzien. Ook in post-Geerings-uitspraken heeft de Hoge Raad vastgehouden aan de hiervoor geciteerde opvatting, met dien verstande dat de Hoge Raad thans oordeelt dat de ontneming van voordeel dat afkomstig is van delicten waarvoor de verdachte in de hoofdzaak is vrijgesproken zich niet verdraagt met de onschuldpresumptie.

HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2319, NJ 2008/128: “3.2. Anders dan in het middel wordt betoogd, is het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door soortgelijke feiten, niet in strijd met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b Sv e.v. geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan. Voor zover het middel een beroep doet op het arrest Geerings tegen Nederland (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349) kan dat niet slagen nu de betrokkene bij het arrest van het Hof van 23 mei 2006 niet is vrijgesproken van enig soortgelijk feit waarvoor thans voordeel wordt ontnomen.”

HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008/497: “4.4. Anders dan in het middel wordt betoogd is het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door feiten waarvoor de betrokkene weliswaar niet is vervolgd, maar die soortgelijk zijn aan het feit waarvoor hij is veroordeeld, niet in strijd met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b Sv e.v. geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan (vgl. HR 19 februari 2008, LJN BC2319). De klacht sub (a) faalt derhalve.

4.5. De verdachte is in de hoofdzaak vrijgesproken van het onder 2 sub e tenlastegelegde feit. Gelet daarop heeft het Hof bij het ontnemingsbedrag ten onrechte het in de bestreden uitspraak aan dat feit gerelateerde voordeel van f 28.229,72 (€ 12.841,85) betrokken (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007, 349). De omstandigheid dat het hier kennelijk gaat om een zogenoemde technische vrijspraak, leidt niet tot een ander oordeel.”

En zie HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3342, NJ 2009/189 (geen Geerings-geval bij een nietigverklaring van de dagvaarding), en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4270, NJ 2009/208. Nadien volgden nog arresten die betrekking hadden op specifiek de Geerings-problematiek, waarbij het aankomt op de vraag of de rechter in de ontnemingszaak alsnog de schuld van de betrokkene heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken.

EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk).

Daarmee houdt het EHRM vast aan de lijn van de zaak Engel/Nederland, EHRM 8 juni 1976, nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978/223 m.nt. (onder NJ 1978/224) van Meuwissen (Engel e.a./Nederland), uit welke uitspraak ik citeer: “As its [de onschuldpresumptie, D.A.] wording shows, it deals only with the proof of guilt and not with the kind or level of punishment.”

Zie verder: EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04 (Matijašević/Servië), par. 46; EHRM 16 juni 2015, nr. 48621/07 (Dìcle en Sadak/Turkije), par. 53. Zie hierover Borgers, a.w., p. 326-327, en Bemelmans, a.w., p. 206-207.

Herhaald in EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349 m.nt. Borgers (Geerings/Nederland), par. 43: “However, whilst it is clear that Article 6 § 2 governs criminal proceedings in their entirety, and not solely the examination of the merits of the charge, the right to be presumed innocent under Article 6 § 2 arises only in connection with the particular offence with which a person has been “charged”. Once an accused has properly been proved guilty of that offence, Article 6 § 2 can have no application in relation to allegations made about the accused's character and conduct as part of the sentencing process, unless such accusations are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new “charge” within the autonomous Convention meaning referred to in paragraph 32 above (see Phillips v. the United Kingdom, no. 41087/98, § 35, ECHR 2001‑VII).”

EHRM 5 juli 2005, nr. 19581/04 (Van Offeren/Nederland).

EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349 m.nt. Borgers (Geerings/Nederland), par. 44. Ik wijs nogmaals op de noot van Borgers onder dit arrest. Zie verder: De Zanger, a.w., p. 71-83.

Zelfs over deze samenvatting valt nog wel te discussiëren, en dat zegt ook iets over het arrest. Ik denk alleen niet dat het nodig is om hierop dieper in te gaan.

Zo ook Borgers in zijn nauwgezette en kritische exegese van deze uitspraak in zijn noot onder dat arrest, gepubliceerd in NJ 2007/349.

EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/05 en 15085/06 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk).

Die terughoudendheid van het EHRM is niet zonder reden. Het EHRM slaat in zijn uitleg van het EVRM acht op wat ik noem ‘de grootste gemene deler’ in de rechtstelsels van de lidstaten bij het EVRM. Als een substantieel aantal lidstaten wetgeving heeft geïntroduceerd die het mogelijk maakt om – met toepassing van meer civielrechtelijk georiënteerde bewijsmaatstaven – de opbrengsten te confisqueren van (ook) andere delicten dan die waarvoor de betrokkene in een strafzaak is veroordeeld, zal het EHRM niet snel dwars gaan liggen.

EHRM 19 juni 2012, nr. 36937/06 (Hajnal/Servië), par. 131: “The Court considers, in this connection, that only a formal finding of a prior crime, i.e. one’s final conviction, may be taken as an aggravating circumstance in future sentencing. Accepting the mere fact that there are other, separate and still pending, criminal proceedings against the person concerned as an aggravating circumstance, would unavoidably imply his or her guilt in those very proceedings. This is exactly what happened in the present case where the Municipal Court implicitly breached the applicant’s right to be presumed innocent in the said six separate proceedings pending concurrently.” Het EHRM nam een schending aan van artikel 6 lid 2 EVRM.

Zie bovendien EHRM 20 februari 2020, nr. 68556/13 (Krebs/Duitsland), waarin het Duitse gerechtshof bij de vraag of de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf (voorwaardelijk) niet ten uitvoer behoefde te worden gelegd in aanmerking nam dat de verdachte ná zijn veroordeling in eerste aanleg (blijkens ter zitting in hoger beroep gepresenteerd bewijsmateriaal) in herhaling was vervallen. Het EHRM constateerde een schending van art. 6 lid 2 EVRM. Neem daarbij in ogenschouw dat het EHRM zoals gezegd de ontnemingsmaatregel – gelijk aan de strafoplegging – beschouwt als een onderdeel van de sentencing process (zie bijvoorbeeld Phillips/Verenigd Koninkrijk).

Wat betreft de jurisprudentie van de Hoge Raad heb ik het oog op HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, NJ 2017/400 m.nt. Reijntjes. Zie verder HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:112, NJ 2019/76, en HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, alsook de beschouwingen van mijn voormalige ambtgenoot Knigge die aan de laatstgenoemde uitspraak voorafgaan.

Zie EHRM 9 februari 1995, nr. 177440/90 (Welch/Verenigd Koninkrijk), waarin het EHRM oordeelde dat een confiscation order als een ‘penalty’ in de autonome betekenis van art. 7 lid 1 EVRM moet worden aangemerkt. Zoals gezegd is ook de Hoge Raad dat oordeel toegedaan, zie HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, NJ 1996/411 m.nt. Schalken, rov. 6.1, die ik in een voetnoot hierboven heb geciteerd.

Ik voel mij in deze kanttekening gesteund door de Borgers van 2001, hopend dat de actuele Borgers intussen niet van zijn geloof is gevallen. Zie wederom M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgeverij 2001, met name p. 325-330, en nogmaals M.J. Borgers, ‘Ontneming van misdaadgeld en de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM’, Delikt en Delinkwent 2001, afl. 9, p. 1007-1024. Zie hierover ook Bemelmans, a.w., p. 431-445.

De toepassing van weerlegbare bewijsvermoedens is op zichzelf niet in strijd met de onschuldpresumptie. Ik citeer het EHRM in EHRM 10 november 2009, nr. 7618/07 (Minhas/Verenigd Koninkrijk): “In Phillips, the Court emphasised that the right to the presumption of innocence is not absolute, since presumptions of fact or of law operate in every criminal law system (...). Accordingly, the Convention does not prohibit presumptions of fact or law that may operate against an accused, but any such presumptions must be confined within reasonable limits which take into account the importance of what is at stake and maintain the rights of the defence.” Zie ook EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/05 en 15085/06 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk), par. 40; EHRM 6 mei 2014, nr. 38759/12 (Young/Verenigd Koninkrijk).

Ik maak hier ook melding van ‘(abstracte) schattingsmethoden’ en ‘extrapolaties’. Ik bepleit daarmee niet dat steeds ook de omvang van het wederrechtelijk voordeel buiten gerede twijfel moet kunnen worden vastgesteld. Met (abstracte) schattingsmethoden en extrapolaties kan evenwel (in gevallen als in art. 36e lid 3 Sr bedoeld) uit het bestaan van wederrechtelijk voordeel worden afgeleid dát de betrokkene heeft geprofiteerd van misdrijven die door hem of door anderen zijn begaan.

Zie wat betreft het oproepen van getuigen: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 (overzichtsarrest oproepen getuigen II), rov. 3.9.

Het punt kwam onder meer aan de orde in HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:25, een OM-cassatie. In die zaak had het gerechtshof het OM niet-ontvankelijk verklaard en daartoe onder meer overwogen:

“Daarmee komt voor de beoordeling van de beslissing om ter zake van het tenlastegelegde tot vervolging over te gaan de vraag aan de orde of het buiten de verkoopruimte van de coffeeshop in stand houden van een voorraad hennep ter aanvulling van de tot 500 gram gemaximeerde verkoopvoorraad in die verkoopruimte (hierna ook: stash) een met de exploitatie van de gedoogde coffeeshop gepaard gaand strafbaar feit is. Gelet op de aan het antwoord op die vraag te verbinden betekenis voor de vervolgbaarheid van het daarin op zichzelf gelegen strafbaar handelen komt die vraag in feite neer op de vraag of een stash noodzakelijk is voor de exploitatie van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop.

Vaststaat dat de onderhavige coffeeshop over 2010 een jaaromzet bereikte van omstreeks € 900.000,-. Voorts staat vast dat het lokaal bestuur in Leiden het aanhouden van een stash beschouwt als inherent aan de exploitatie van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop. Tot slot heeft de advocaat-generaal ter zitting van het hof het standpunt ingenomen dat het verdachte is die zelf heeft verkozen om een bestuurlijk gedoogde coffeeshop te exploiteren en zich daarmee zelf in de situatie heeft gebracht dat hij (kennelijk) is aangewezen op het ter aanvulling van zijn verkoopvoorraad onderhouden van een stash. Bij die stand van zaken beschouwt het hof de onderhavige stash als in 2010 kennelijk noodzakelijk voor de exploitatie van de bestuurlijk gedoogde coffeeshop 't Groenewoud.”

De Hoge Raad overwoog:

“De niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van het tenlastegelegde berust in de kern op het kennelijke oordeel dat de verdachte aan de Aanwijzing "het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen" dat hij niet zou worden vervolgd ter zake van - kort gezegd - het in stand houden van een handelsvoorraad van 7465,70 gram hennep ten behoeve van de exploitatie van zijn coffeeshop. Dat oordeel is, in het bijzonder gelet op hetgeen in de Aanwijzing is bepaald omtrent het verbod tot het in stand houden van een handelsvoorraad van meer dan 500 gram, niet begrijpelijk.”

Zie ook de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (ECLI:NL:PHR:2017:1501), onder 5.8:

“Met de steller van het middel ben ik het eens dat deze passages uit de Aanwijzing Opiumwet bezwaarlijk anders kunnen worden uitgelegd dan dat strafrechtelijk kan worden opgetreden indien de handelsvoorraad van een gedoogde coffeeshop de 500 gram te boven gaat. Daarom kan het oordeel van het hof, dat erop is gebaseerd dat de verdachte aan de Aanwijzing Opiumwet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij voor het in 2010 aanhouden van een stash niet zou worden vervolgd, geen stand houden. De onder 5.7. aangehaalde passages uit de Aanwijzing Opiumwet staan eraan in de weg dat een handelsvoorraad die 500 gram te boven gaat – of deze nu in de coffeeshop of in een buiten de coffeeshop gelegen stash wordt bewaard – als inherent aan de exploitatie van de coffeeshop en daarmee als geaccepteerd strafbaar handelen moet worden beschouwd, zoals het hof in de kern heeft overwogen.”

In een andere zaak, HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, NJ 2016/129 m.nt. Reijntjes, komt deze kwestie ook aan de orde. Eveneens een OM-cassatie. Daarin overwoog de Hoge Raad onder meer:

“3.2. Het gaat in cassatie, kort samengevat, om het volgende. De verdachte exploiteerde coffeeshops, te weten Stop 'n Goa in Leiden en Happy Days in Lisse. De gemeenten hadden exploitatievergunningen (Lisse) en verlofbeschikkingen (Leiden) verstrekt, die telkens werden verlengd. De verdachte streefde ernaar aan alle gedoogvoorwaarden, waaronder de zogenoemde AHOJG-criteria, te voldoen door de gedoogde voorraad in de coffeeshop van ten hoogste 500 gram hennepproducten niet te overstijgen. De coffeeshops genereerden hoge omzetten, hetgeen meebracht dat de voorraad van 500 gram meermalen per dag moest worden aangevuld. Daartoe beschikte de verdachte over voorraden op verschillende locaties buiten de coffeeshops. De omzet van de coffeeshops was aan de overheid (belastingdienst) bekend; de belasting werd betaald. Aan de verdachte was in het overleg tussen gemeente, politie, GGD en coffeeshophouders te kennen gegeven dat niet actief op "de achterdeur" zou worden gecontroleerd. De politie had de coffeeshophouders laten weten dat zij zich 'mak' moesten houden en niet met al te veel voorraad over straat moesten gaan. (…)

3.4.2. De overwegingen van het Hof houden niet in dat van de zijde van het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, concrete toezeggingen zijn gedaan aan de verdachte van niet-vervolging ter zake van overtreding van de gedoogcriteria, meer in het bijzonder met betrekking tot het buiten de coffeeshops houden van exploitatievoorraden van (ruimschoots) meer dan 500 gram. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte, die wist dat het plaatselijke gezag bekend was met het bestaan van die exploitatievoorraden, aan het uitblijven van strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die situatie het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij te dier zake niet zou worden vervolgd. Daarmee heeft het Hof evenwel miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden in zijn algemeenheid niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging als hiervoor in 3.3 bedoeld. Als zodanig kunnen evenmin worden aangemerkt opmerkingen van de zijde van de politie dat niet actief op 'de achterdeur' zou worden gecontroleerd en dat de coffeeshophouders zich 'mak' moesten houden en niet met al te veel voorraad over straat moesten gaan. Dit alles wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid werd besproken, ook het openbaar ministerie was vertegenwoordigd.”

Zie ook de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:2510.

HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336 m.nt. Schalken.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2014, nummer 21/009372-13. De zaak is bij de Hoge Raad bekend onder rolnummer 14/04142.

Zie 26 maart 2013, ECLI:NL:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers

Vgl. p. 4 van het vonnis.

Zie o.a. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 m.nt. Reijntjes, en HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63.

Vgl. in dit verband de (restrictieve) rechtspraak van de Hoge Raad over de mogelijkheid een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele ontnemingsbedrag op te leggen, o.a. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5729, NJ 2009/264; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:873; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326 m.nt. Reijntjes, en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:783.

Zie o.a. HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63; HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19; HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5729, NJ 2009/264; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:881, en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118.

HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature