E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2020:717
Parket bij de Hoge Raad, 20/00081

Inhoudsindicatie:

Overdrachtsbelasting; verkrijging aandelen in opslagruimteverhuur- en dienstenbedrijf. Onroerende-zaaklichaam? Zijn de onroerende zaken hoofdzakelijk dienstbaar aan vastgoedexploitatie (art. 4(1) Wet BvR)? Bedrijfsmodel; vergelijkbaar met hotel, camping of data center?

Feiten: de belanghebbende is een internationaal concern dat opslagruimte verhuurt (self storage). In 2015 verwierf zij alle aandelen in een belangrijke concurrent op de Nederlandse self storage markt ([B]). [B] levert naast terbeschikkingstelling van opslagruimte ook diensten zoals verkoop van sloten en opslagmateriaal, assistentie bij de opslag, verzekering van de opgeslagen spullen, terbeschikkingstelling van steekkarretjes, verhuur van aanhangwagens, etc. Daarnaast bestaat de bedrijfsvoering van [B] uit onder meer intensief management en actieve marketing.

In geschil is of [B] voldoet aan het dienstbaarheidscriterium in art. 4(1)(a) Wet BvR: waren [B]’s onroerende zaken, als geheel genomen, geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan vastgoedexploitatie?), waardoor [B] zou kwalificeren als onroerende-zaakrechtspersoon (OZR) en belanghebbende overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn over de waarde van [B]’s onroerende zaken.

Volgens de Rechtbank Den Haag houdt [B] zich bezig met verhuur van (delen van) onroerende zaken voor opslag en zijn haar overige diensten daaraan ondergeschikt, zodat is voldaan aan het dienstbaarheidscriterium en overdrachtsbelasting is verschuldigd.

Het Hof Den Haag daarentegen acht [B] gespecialiseerd in geavanceerde goederenopslag; zij verhuurt niet slechts opslageenheden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een hotelbedrijf niet voldoet aan het dienstbaarheidscriterium. [B]’s bedrijf lijkt op een ‘goederenhotel’, gegeven de omvang van haar velerlei andere diensten en het relatief grote aantal kortlopende contracten, zodat het dienstbaarheidscriterium niet is vervuld.

De Staatssecretaris stelt drie middelen voor: (i) dat een groot aantal contracten kortlopend zou zijn, is door de inspecteur weersproken; ‘s Hofs feitelijke oordeel daaromtrent is echter ongemotiveerd; (ii) het Hof gaat ten onrechte uit van alleen het antimisbruikkarakter van art. 4 Wet BvR; de wetgever stond ook ‘economische gelijkstelling’ voor ogen, en de criteria van art. 4 Wet BvR zijn objectief; (iii) het Hof heeft het dienstbaarheidscriterium verkeerde uitgelegd of onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd toegepast; [B]’s geval is onvergelijkbaar met HR BNB 2009/91 (toeristische camping met faciliteiten) en HR BNB 2015/14 (data centers).

Volgens A-G Wattel volgt uit de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak een kwantitatieve en een kwalitatieve benadering van ‘dienstbaarheid’ aan vastgoedexploitatie: kwantitatief moet minstens 70% van het vastgoed (dat minstens 50% van de totale activa moet uitmaken) als zodanig worden geëxploiteerd. De meer kwalitatieve invulling kijkt naar het bedrijfsmodel: is [B]s bedrijfsmodel, objectief bezien, (overwegend) exploitatie van opslagruimte of (overwegend) beheer of bewaring van andermans spullen, althans niet overwegend vastgoedexploitatie? Die vraag is feitelijk en ‘s Hofs antwoord is in cassatie onaantastbaar als zijn maatstaf rechtskundig correct is en zijn oordeel voldoende gemotiveerd. Dat is volgens de A-G echter niet het geval.

De criteria van art. 4(1)(a) Wet BvR zijn door de wetgever geobjectiveerd. ’s Hofs r.o. 5.1 over marktstrategische overwegingen en niet-gebleken ontgaansbedoelingen acht de A-G daarom voor het dienstbaarheidscriterium niet relevant. Middel (ii) leidt desondanks niet tot cassatie, nu het Hof in r.o. 5.2 en 5.3 alsnog (ook) toetst aan de objectieve wettelijke criteria, en geen doel treft de stelling van de Staatssecretaris dat de wetgever verkrijging van vastgoed met en zonder tussenkomst van een rechtspersoon steeds hetzelfde wilde belasten. Bij zijn opmerking dat art. 4 Wet BvR ook (economische) gelijktrekking dient, heeft de wetgever expliciet verklaard de heffingsgrondslag niet te willen verruimen. Art. 4 Wet BvR belast directe en indirecte verkrijging alleen gelijk als is voldaan aan diens objectieve criteria. Diens beperkte strekking blijkt ook uit de doorkijkarresten.

Middel (iii) daarentegen acht de A-G gegrond voor zover het zich bij de uitleg van het dienstbaarheidscriterium verzet tegen ’s Hofs kennelijke opvatting dat actief management, marketingstrategie en -inspanning, bedrijfsconceptontwikkeling, IT-systemen, relatiebeheer, klantpresentatie en -screening, mediacontact, beveiliging en standaardcontractontwikkeling niet dienstbaar (kunnen) zijn aan vastgoedexploitatie. Voor zover de omvang van deze overhead relevant is (de wet vraagt alleen naar de dienstbaarheid van het vastgoed), moet zijns inziens worden vastgesteld in hoeverre hij toerekenbaar is aan terbeschikkingstelling van opslagruimte (dat deel is dienstbaar aan vastgoedexploitatie) en in hoeverre aan dienstverlening die losstaat van terbeschikkingstelling van opslagruimte.

Ook dit hoeft niet tot cassatie te leiden als ’s Hofs (overige) motivering de conclusie kan dragen dat [B]’s bedrijfsmodel niet overwegend is de exploitatie van opslagruimte. Dat is volgens de A-G echter niet het geval:

‘s Hofs r.o. 5.1 is, zoals opgemerkt, niet relevant voor de te beantwoorden vraag, en bovendien deels onbegrijpelijk nu het Hof zich baseert op de vastgestelde totale waarde van de onroerende zaken, maar die waarde is juist niet vastgesteld, maar in geschil, en het hof is aan dat waardegeschil voorbijgegaan. R.o. 5.2 houdt slechts in dat (i) de karakterisering van [B]’s bedrijf door de Rechtbank ‘ernstig tekort doet’ aan dier bedrijfsvoering en (ii) [B] ‘aanzienlijk meer activiteiten verricht dan de enkele verhuur van onroerende zaken’. Deze stellingen zijn echter niet gemotiveerd of gekwantificeerd en er volgt niet uit dat die ‘aanzienlijk-meer’-activiteiten [B]’s bedrijfsmodel zijn en de terbeschikkingstelling van opslagruimte daaraan ondergeschikt is.

’s Hofs r.o. 5.3 ten slotte, is een conclusie (‘goederenhotel’) die eerdere overwegingen herhaalt in termen van ‘in belangrijke mate’, ‘diverse voorzieningen’ en ‘velerlei dienstbetoon’, zonder specificatie, kwantificering of motivering dat ‘exploitatie van een geavanceerd opslagbedrijf’ niet overwegend vastgoedexploitatie is, of dat het voor dat opslagbedrijf gebruikte vastgoed voor meer dan 30% niet dienstbaar is aan de exploitatie van opslagruimte. Voor ’s Hofs oordeel dat het om doorgaans kortstondige opslag gaat, bestaat volgens de A-G geen feitelijke grondslag, en hij betwijfelt of de gemiddelde huurduur relevant is. Anders dan klanten van campings en hotels, verblijven [B]’s klanten niet in de gehuurde ruimte, en opgeslagen spullen zijn geen (kortstondig) vakantievierende of congresserende mensen die in de watten gelegd kunnen worden. Bij een meer voor de hand liggende vergelijking met de servers in de data centers van HR BNB 2015/14, lijkt hem dat de uitkomst in die zaak niet anders zou zijn geweest als de servers van de klanten gemiddeld slechts een half jaar of korter op de data floor zouden hebben gestaan. Daarmee treft volgens de A-G (ook) middel (i) doel.

Conclusie: Middel (i) en (iii) gegrond; vernietigen en verwijzen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie