E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2020:621
Parket bij de Hoge Raad, 20/00058

Inhoudsindicatie:

A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de toepassing van de aftrekuitsluiting van art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001. Kan een ondernemer een jaarvergoeding van € 1.500 voor werkzaamheden van zijn partner in de onderneming ten laste van de winst brengen? Is de wettelijke aftrekuitsluiting discriminatoir?

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Diens echtgenote verricht enkele uren per week of per maand werkzaamheden voor de onderneming, waarvoor belanghebbende jaarlijks een vergoeding van € 1.500 toekent. Belanghebbende wenst dat bedrag als vergoeding voor vrijwilligerswerk ten laste van het resultaat van de eenmanszaak te brengen. De Inspecteur wijst dit af onder verwijzing naar art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001. Zowel de Rechtbank als het Hof verklaren het beroep respectievelijk hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelt beroep in cassatie in.

Hij klaagt dat het uitsluiten van de mogelijkheid voor iemand om vrijwilligerswerkzaamheden in de onderneming van diens partner te verrichten, discriminerend is en het recht op gelijkwaardigheid ontkent. De A-G onderscheidt twee aspecten in deze klacht. Het eerste betreft de vraag of de echtgenote als meewerkende partner wordt gediscrimineerd door niet onder toepassing van de vrijwilligersregeling voor de onderneming van de ondernemende partner te kunnen werken.

De A-G betoogt, er – pour besoin de la cause – vanuit gaande dat belanghebbende zou kunnen klagen over discriminatie van een andere belastingplichtige, dat niet kan worden gezegd dat de echtgenote in de belastingwet ongunstiger wordt behandeld dan een vrijwilliger. In beide situaties wordt een vrijstelling genoten voor de ontvangen vergoeding. In zoverre faalt de klacht.

De tweede vraag is of de aftrekbeperking van art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001 discriminerend is voor de ondernemende partner (belanghebbende). In dat kader onderzoekt de A-G of de bepaling een ongelijke behandeling inhoudt die in strijd is het met verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Met de regel van art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001 wordt bewerkstelligd dat een vergoeding van door de partner verrichte arbeid door de ondernemer niet als bedrijfslast in aanmerking mag worden genomen indien deze lager is dan € 5.000; voor vergoedingen aan elke andere persoon geldt dit niet. Daarmee is sprake van een ongelijke behandeling wegens de persoonlijke relatie van de ondernemer met zijn partner.

Van een evenwichtige regeling zou volgens de A-G gesproken kunnen worden wanneer het nadeel voor de ene partner in de regel grotendeels wordt ondervangen door het voordeel voor de andere. Door toepassing van art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001 kan echter een progressienadeel optreden. De mogelijkheid bestaat immers dat de ondernemer in een hoge tariefschijf wordt belast, terwijl de meewerkende partner een gering inkomen heeft en dus tegen een laag tarief wordt belast. Dit nadeel zal bewegen tussen nihil en € 2.600.

De omstandigheid dat het aftrekverbod discussies tussen fiscus en belanghebbende vermijdt, is volgens de A-G geen objectieve en redelijke grond voor een rechtvaardiging van de ongelijke behandeling. Het nadeel wordt deels weggenomen door de vrijstelling aan de zijde van de meewerkende partner, echter een potentieel niet verwaarloosbaar progressienadeel resteert.

Voorts betoogt de A-G dat daar het gaat om een ongelijke behandeling naar gelang de martiale status, een ‘narrow margin of appreciation’ geldt. Alhoewel doelmatigheid als rechtvaardigingsgrond kan gelden, moet het gewicht daarvan in concreto worden afgewogen tegen andere omstandigheden. Het schrappen van het recht op aftrek van bedrijfslasten weegt niet op tegen het belang van gehuwden om fiscaal gelijk te worden behandeld met andere belastingplichtigen. Bovendien maakt het doelmatigheidsargument uitsluiting dan wel de beperking van aftrek niet noodzakelijk.

De slotsom is dat art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001 een ontoelaatbare ongelijke behandeling van gehuwde belastingplichtigen met zich meebrengt in de optiek van de A-G. De Hoge Raad kan rechtsherstel bieden door het fiscale nadeel dat de partners per saldo ondervinden van de aftrekuitsluiting, te redresseren door het in minder te brengen op de aanslag IB/PVV voor de belanghebbende. Voor de becijfering is verwijzing nodig. Derhalve slaagt deze klacht en is het gelijk aan belanghebbende.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat de zaak wordt verwezen naar een gerechtshof.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie