< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG in strafzaak over SNS Property Finance (SNS PF). Groep personen die was ingehuurd door SNS PF sprak onderling af dat zij de uurvergoeding die ze ontvingen deels doorbetaalden aan de personen die hen hadden aangebracht bij SNS PF, zonder dat te melden aan SNS. In hoger beroep is verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Middelen klagen o.m. over het oordeel van het hof dat de door verdachte ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig zijn. De AG adviseert de Hoge Raad de bestreden uitspraak op dat punt te vernietigen en voor het overige het cassatieberoep te verwerpen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/03558

Zitting 21 januari 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 6 juni 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 4. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 5. “gewoontewitwassen” en 6. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis.

De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 8] (18/04339), [medeverdachte 4] (18/04967), [medeverdachte 5] (18/04968) en [medeverdachte 7] (18/04972) en de straf- en ontnemingszaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 2] (18/04341 en 18/04342), [medeverdachte 3] (18/04344 en 18/04345) en [medeverdachte 6] (18/04974 en 18/04 971), waarin ik vandaag ook concludeer.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. De zaak tegen de verdachte vloeit voort uit een onderzoek naar strafbare feiten in verband met werkzaamheden voor SNS Property Finance (hierna: SNS PF), de vastgoedtak van SNS Bank. Het betreft een groep verdachten die werkzaamheden verrichtten voor SNS PF en onderling betaalafspraken maakten, terwijl anderen binnen de SNS Bank van die afspraken niet op de hoogte waren. Verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen waren bij de zaak betrokken. Met het oog op de leesbaarheid van de conclusie schets ik hierna kort de rollen van de betrokken verdachten, zoals die blijken uit de vaststellingen van het hof in de arresten tegen de verschillende verdachten.

5. [betrokkene 1] – die geen beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof in zijn zaak – was door SNS PF aangetrokken en liet zich door externen betalen die (mede) door hem werden ingehuurd. [medeverdachte 8] en [verdachte] brachten externen bij SNS PF aan en lieten zich daar eveneens voor betalen. Deze externen, onder wie [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , worden “de Groningers” genoemd. [betrokkene 1] contracteerde deze externen om werkzaamheden te verrichten voor SNS PF. Daarbij werd afgesproken dat een gedeelte van het uurtarief dat de Groningers bij SNS PF in rekening brachten, zou worden afgedragen. Het ging om zogenoemde ‘bemiddelingsfees’, of ‘kickbackbetalingen’. Daarbij gaat het om vergoedingen die worden betaald aan bepaalde personen binnen een organisatie in ruil voor een voordeel. In dit geval betrof het vergoedingen die de Groningers betaalden omdat zij door tussenkomst van [betrokkene 1] , [medeverdachte 8] en [verdachte] door SNS waren gecontracteerd om bepaalde werkzaamheden te verrichten. Zo werd met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de afspraak gemaakt dat zij een uurtarief van € 225,- ontvingen en € 75,- daarvan afdroegen aan [verdachte] . Dit bedrag van € 75,- werd verdeeld tussen [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte 8] . [medeverdachte 4] droeg op zijn beurt [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan om werkzaamheden te verrichten. Ook met hen werden afspraken gemaakt om een deel van hun uurtarief af te dragen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] deelden in deze opbrengst, omdat [medeverdachte 4] [betrokkene 3] en [betrokkene 2] had aangedragen. Binnen SNS PF waren deze ‘bemiddelingsfees’ / ‘kickbackbetalingen’ niet bekend. Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep aangevoerd dat SNS PF geen verplichtingen zou zijn aangegaan als het op de hoogte was geweest van deze ‘kickbackbetalingen’.

6. De werkzaamheden en de facturering daarvan verliepen via de verschillende bv’s van de verdachten. [medeverdachte 5] voerde zijn werkzaamheden uit vanuit [A] en factureerde via [medeverdachte 6] . [medeverdachte 4] maakte gebruik van [medeverdachte 7] , van welke bv hij enig aandeelhouder en bestuurder was. [medeverdachte 8] is enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 3] , welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte 2] . Ook tegen verschillende van deze bv’s is een strafrechtelijke vervolging ingesteld. Het hof heeft bewezen verklaard dat in het kader van de betaalstromen werd gebruikgemaakt van valse facturen.

7. Het hof maakt in zijn uitspraken onderscheid tussen ‘niveau 1’ en ‘niveau 2’. In niveau 1 staat [betrokkene 1] centraal. Daarbij gaat het om betalingen aan (bv’s van) [betrokkene 1] door externen die [betrokkene 1] bij SNS PF heeft aangedragen. In het kader van niveau 2 spelen betalingen via (bv’s van) [medeverdachte 8] een hoofdrol.

8. De verdachte in deze zaak was niet werkzaam voor SNS PF. Wel heeft hij externen via de medeverdachte [medeverdachte 8] bij SNS PF aangebracht en zich daarvoor via [medeverdachte 8] laten betalen.

Bespreking van de cassatiemiddelen

9. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 4) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.

10. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:

“4 (niveau 2):

hij in de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 in Nederland, zestien (16) facturen van [S] gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 187.429,64 (exclusief btw)

(te weten: D-0431 en D-0204 en D-1160 en D-1161 en D-1162 en D-1163 en D-1164 en D-1165 en D-1166 en D-1167 en D-1168 en D-0465 en D-0466 en D-0467 en D-0468 en D-0469),

en

twaalf (12), facturen van [S] gericht aan [medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 137.497,51 (exclusief btw)

(te weten: D-0470 en D-0471 en D-0434 en D-0472 en D-0473 en D-0474 en D-0475 en D-0476 en D-0477 en D-0478 en D-0479 en D-0432)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op die facturen vermeld dat door hem, verdachte en/of [S] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisory and consultancy services") zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, door hem, verdachte, en/of [S] zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2]

en telkens

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;”

11. Het hof heeft daarover in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“6.3 Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

6.3.1 Bewijsmiddelen

[medeverdachte 8]

is sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 3] , welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [medeverdachte 2] , beide gevestigd te Haren (hierna respectievelijk: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ).

[F] (hierna: [F] ) is op verzoek van [medeverdachte 8] opgericht eind 2010/begin 2011. [F] is gevestigd te Curaçao en [medeverdachte 8] is gemachtigd tot de bankrekeningen van [F] .

[medeverdachte 8] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF.

(...)

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in het vierde kwartaal van 2010 wist dat [medeverdachte 8] afspraken had gemaakt met andere externen en betalingen van hen ontving. Ook vond er een aantal verrekeningen plaats met andere mensen, waaronder [verdachte] .

(...)

[verdachte]

[S] (hierna: [S] ) is het bedrijf van de dochter van [verdachte] , waarvan hij feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is. [S] is gevestigd te Praag, Tsjechië.

[verdachte] heeft verklaard dat een aantal mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. Toen [medeverdachte 8] hem vroeg of hij nog mensen kende, heeft [verdachte] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aanbevolen. [medeverdachte 8] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei dat [verdachte] er ook aan kon verdienen. Via [medeverdachte 4] heeft [verdachte] cv ’s doorgestuurd van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Ook [betrokkene 4] heeft hij aanbevolen. [verdachte] stuurde de cv ’s door naar [medeverdachte 8] voor een introductie bij SNSPF. [verdachte] kreeg een vergoeding voor het aanbrengen van deze externen, een bedrag per door de jongens gewerkt uur. Bij [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 4] was dat € 25,- per uur, bij [betrokkene 3] en [betrokkene 2] was dat bedrag wat lager. De betalingen liepen via [medeverdachte 8] . De verdeling van de betaling van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] met [medeverdachte 4] heeft hij besproken met [medeverdachte 8] . [verdachte] heeft niet met [medeverdachte 8] besproken of SNS van de afspraken wist. [medeverdachte 8] heeft verklaard dat er personen door bemiddeling van [verdachte] bij SNSPF zijn gekomen. Met deze personen is door [verdachte] een bemiddelingsfee afgesproken, die verdeeld werd onder hem, [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] . [medeverdachte 8] heeft met [verdachte] afspraken gemaakt over het aabrengen van mensen. [verdachte] zou een deel van het tarief krijgen dat de aangenomen mensen zouden betalen. [medeverdachte 8] gaf aan [verdachte] door wat gefactureerd kon worden. [verdachte] stuurde dan een factuur vanuit [S] in Tsjechië naar [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] . [verdachte] kreeg een deel van de bemiddelingsfee van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , en [betrokkene 4] . [medeverdachte 8] heeft hierover, buiten [betrokkene 1] , niemand binnen SNSPF ingelicht.

Voor het ontvangen van de betalingen maakte [verdachte] maandelijks een factuur op op naam van [S] . [medeverdachte 8] gaf aan hem door hoeveel hij kon factureren. De factuur verzond [verdachte] naar [medeverdachte 8] . [verdachte] heeft alle facturen zelf opgemaakt vanuit huis (de rechtbank begrijpt: te [plaats] ). De omschrijving op de facturen heeft hij zelf bedacht. Fysiek heeft hij geen werkzaamheden verricht voor [I] . Hij heeft het format van de facturen aangepast zodat deze opgenomen konden worden in de administratie van [S] . De gefactureerde bedragen heeft hij ontvangen, deels op de rekening van [S] en deels op zijn eigen rekening.

In de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 is door [S] een totaalbedrag van € 324.927,15 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Deze facturen zijn in de periode van 22 november 2010 tot en met 8 februari 2013 voldaan, te weten een bedrag van € 187.429,64 door [medeverdachte 3] en een bedrag van € 137.497,51 door [medeverdachte 2] .

6.3.2 Valsheid in geschrifte

De rechtbank heeft met betrekking tot de valsheid in geschrift in het bijzonder het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit:

De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, (door het hof als bijlage 3 bij dit arrest gevoegd) valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen volgens de verdachten betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

Ook ten tijde van het opmaken van de facturen door [verdachte] had hij wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen betrekking hadden en hij had daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard.

Daarbij komt dat door de manier van factureren de suggestie wordt gewekt van een niet bestaande rechtsverhouding. Immers, gefactureerd is tussen de vennootschappen van [verdachte] en [medeverdachte 8] terwijl de betalingsafspraak is gemaakt tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [verdachte] . Ook wat betreft deze valsheid had [verdachte] wetenschap en ten minste voorwaardelijk opzet.

Bewijsbestemming als waren de facturen echt en onvervalst

De verdediging heeft ook betoogd dat geen sprake is geweest van een oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn wel gebruikt, maar de ontvanger is hierdoor niet misleid aangezien het zowel voor de opsteller als de geadresseerde duidelijk was waar de facturen op zagen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het oogmerk van de verdachte moet zijn gericht op het gebruik van het valse of vervalste geschift als echt en onvervalst. Dit impliceert een gerichtheid op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik van het geschrift hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, nu facturen naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben. Bovendien zijn de facturen in dit geval ook nog opgenomen in de bedrijfsadministratie(s) waarmee temeer vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden - anderen dan de geadresseerden- als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en/of accountants (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212). De rechtbank acht dan ook bewezen dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Ook hebben de betalers deze door anderen opgemaakte valse facturen voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften een zodanige bewijsbestemming hadden.

Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen.

Het hof vindt daartoe aansluiting in het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012 waarin is overwogen:

"Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [A] doordat het door hem begane strafbare feit tevens aan die rechtspersoon kan worden toegerekend op de grond dat hij als "feitelijk bestuurder" van [A] moet worden aangemerkt. Aldus heeft het Hof miskend dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. "

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en het opmaken van valse facturen nu door de facturerende vennootschap geen adviesdiensten zijn verricht ten behoeve van de geadresseerde vennootschap.”

12. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte facturen valselijk heeft opgemaakt door daarop telkens te vermelden dat zij betrekking hadden op “advisory and consultancy services” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Daartoe voert hij aan dat de verdachte daadwerkelijk heeft geadviseerd en bemiddeld bij het aantrekken van gekwalificeerd personeel en de facturen zagen op een (marktconforme) vergoeding voor deze adviserende en bemiddelende werkzaamheden.

13. Art. 225, eerste lid, Sr luidt als volgt:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

14. In het kader van art. 225 Sr zijn twee vormen van valsheid te onderscheiden. Bij de zogenaamde materiële valsheid bestaat de valsheid in het doen voorkomen alsof het geschrift afkomstig is van een ander dan de werkelijke schrijver. Wanneer de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid is sprake van intellectuele valsheid. In de parlementaire geschiedenis is van deze laatste vorm onder meer als voorbeeld opgenomen de “on ware opgave in koopmansboeken; de koopman die valsch boekt, schept zich zoo een titel, een bewijs.”

15. Het hof heeft vastgesteld dat door de verdachte met de personen die hij heeft aangebracht voor een functie bij SNSPF een ‘bemiddelingsfee’ is afgesproken. De ‘bemiddelingsfee’ werd verdeeld tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] . Door [medeverdachte 8] werd aan de verdachte doorgegeven welk bedrag gefactureerd kon worden. De verdachte stuurde vervolgens een factuur vanuit de Tsjechische vennootschap van de verdachte naar [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] , de vennootschappen van [medeverdachte 8] . SNSPF is daarover nooit ingelicht.

16. Het hof heeft overwogen dat de facturen betrekking hadden op betalingen voor onderling gemaakte afspraken en dat met de facturen geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening werden gebracht. Voorts heeft het hof overwogen dat uit de omschrijving op de facturen niet kan worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen betrekking hadden. De facturen zijn volgens het hof bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van de betaalstroom verhuld. Daarbij komt dat met het factureren tussen vennootschappen ‘van’ [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] , terwijl de betalingsafspraak was gemaakt tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] , de suggestie werd gewekt van een niet bestaande rechtsverhouding.

17. Het hof heeft met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat in de facturen een onjuiste voorstelling van zaken is voorgespiegeld en dat deze daarmee de werkelijkheid geweld aandoen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de inhoud van de geschriften in strijd is met de waarheid en dus ‘vals’. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor weergegeven vaststellingen niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vastgesteld dat in werkelijkheid, anders dan volgens de omschrijving op de facturen, geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening zijn gebracht. In dit verband heeft het hof niet alleen belang gehecht aan de omschrijving op de facturen, maar ook aan de partijen waartussen de facturen zijn uitgewisseld. Door het gebruik van verschillende vennootschappen van [medeverdachte 8] en [verdachte] , terwijl de betalingsafspraken waren gemaakt tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [verdachte] , is volgens het hof - en in cassatie onbestreden - de suggestie gewekt van een niet bestaande rechtsverhouding.

18. De steller van het middel merkt terecht op dat de vaststelling van het hof dat de facturen zijn opgemaakt ten behoeve van een verzwegen omkoping geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Tot cassatie kan zulks niet leiden. Nu de verdachte is vrijgesproken van actieve, niet-ambtelijke omkoping, moet worden aangenomen dat het hof met deze ongelukkig gekozen woorden heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het in wezen ging om ‘kickbackbetalingen’ die niet aan SNS PF bekend zijn gemaakt.

19. Het middel bevat tot slot de klacht dat ook het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans dat de bewezenverklaring in zoverre niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

20. Het volgende kan worden vooropgesteld. Het in art. 225, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk ziet slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op de valsheid zelf. Voor de bewezenverklaring van het oogmerk het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken. In een Caribische zaak oordeelde de Hoge Raad dat voor het bewijs van het oogmerk tot gebruik het niet erop aankomt dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Voldoende is dat de bedoeling bestond tot gebruik van het geschrift dat in het maatschappelijk verkeer misleidend is doordat het vals is. Hetzelfde geldt in het kader van art. 225 Sr. Ik wijs er daarbij op dat de Hoge Raad in een Nederlandse zaak overwoog dat voor het gebruikmaken van valselijk opgemaakte facturen (art. 225, tweede lid, Sr) niet is vereist dat de derden tegenover wie de facturen worden gebezigd niet met de valsheid van die facturen bekend zijn.

21. Tegen deze achtergrond kan ook deze deelklacht niet slagen. Het hof heeft vastgesteld dat de facturen naar hun aard in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben en dat zij zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie(s), waarmee temeer vaststaat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden – anders dan de geadresseerden – als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en / of accountants. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

22. Het middel faalt.

23. Het tweede middel betreft het onder 5 bewezen verklaarde witwassen en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte de in die bewezenverklaring genoemde geldbedragen heeft witgewassen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is, aangezien die bedragen niet (onmiddellijk of middellijk) uit enig misdrijf afkomstig waren.

24. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezen verklaard dat:

“5 (niveau 2):

hij in de periode van 22 november 2010 tot en met 30 oktober 2015 in Nederland, en/of Tsjechië, (van) voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 324.927,15 (zonder btw) bestaande uit

circa Euro 187.429,64 (zonder btw) (ontvangen van [medeverdachte 8] op basis van de factu(u)r(en) D-0431 en D-0204 en D-1160 en D-1161 en D-1162 en D-1163 en D- 1164 en D-1165 en D-1166 en D-1167 en D-1168 en D-0465 en D-0466 en D-0467 en D-0468 en D-0469)

en

circa Euro 137.497,51 (zonder btw) (ontvangen (van [medeverdachte 8] ) op basis van de factu(u)r(en) D-0470 en D-0471 en D-0434 en D-0472 en D-0473 en D-0474 en D-0475 en D-0476 en D-0477 en D-0478 en D-0479 en D-0432),

in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

die geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en [van] die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, telkens wist dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt;”

Het hof heeft daarover in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“6.3.3. Gewoontewitwassen

Aan verdachte is onder feit 5 ten laste gelegd dat hij geldbedragen heeft witgewassen door - kort weergegeven):

a. de werkelijke aard en/of herkomst van die gelden te verbergen of te verhullen en

b. die geldbedragen te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen of gebruik te maken van die geldbedragen.

De advocaat-generaal acht de beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

De verdediging heeft betoogd dat noch van een gronddelict noch van verhullen sprake is geweest, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

6.3.3.1 Oordeel hof

Het hof acht bewezen dat verdachte geldbedragen heeft witgewassen doordat hij deze geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Ad a.

Het hof stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Het hof stelt vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode geldbedragen van circa € 324.927,15 (exclusief btw) heeft ontvangen, waarvan € 244.555,- op de bankrekening van [S] (een Tsjechische vennootschap van zijn dochter) is ontvangen en € 120.372,- op en bankrekening van verdachte is ontvangen. Verdachte heeft deze bedragen door middel van valsheid in geschrift verkregen. Het hof is daarbij van oordeel dat het opmaken en versturen van de valse facturen om de geldbedragen te verkrijgen het gronddelict is en die facturen zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen en merkt het opmaken en versturen van die facturen niet aan als verhullende handeling zoals bedoeld in artikel 420 bis van het Wetboek van Strafrecht.

Ad b.

Verdachte heeft verklaard dat hij een rekening-courant verhouding heeft met [S] en circa € 70.000,- à 80.000,- in rekening courant heeft opgenomen. De overige geldbedragen die bij [S] zijn binnengekomen zijn grotendeels geïnvesteerd. Ten aanzien van de geldbedragen die verdachte op zijn bankrekening heeft ontvangen, heeft hij verklaard dat een gedeelte van deze geldbedragen is geïnvesteerd in zijn activiteiten als financieel adviseur en dat hij voor het overige van die bedragen leefde.

Naar het oordeel van het hof is het in rekening courant opgenomen bedrag - middellijk - afkomstig van het door verdachte gepleegde valsheid in geschrift. Immers zijn de geldbedragen op de rekening van [S] binnengekomen en daarna overgemaakt op de rekening courant van verdachte. Dit brengt met zich mee dat er geen grond is de hierboven bedoelde rechtsregels toe te passen, nu het automatisme dat deze rechtsregels beogen tegen te gaan, zich in dit geval niet voordoet, zodat deze gedraging van verdachte met betrekking tot genoemde geldbedragen als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Verdachte heeft de overige gelden die bij [S] zijn binnengekomen geïnvesteerd. Verder heeft hij de geldbedragen die op zijn bankrekening zijn binnengekomen deels geïnvesteerd in zijn activiteiten als financieel adviseur en voor het overige heeft hij er van geleefd. Het op de rekening van [S] en verdachte binnengekomen geld is zodoende gebruikt en is daarmee in het financiële en economische verkeer gebracht.

Pleegperiode en gewoonte

Witwassen moet worden beschouwd als een voortdurend delict. Dit brengt mee dat de pleegperiode doorloopt zolang de verdachten ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds witwashandelingen verrichten (ECLI:NL:HR:2014:956). Dat deze handelingen nog altijd voortduren of worden verricht kan echter aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Het specifieke moment waarop zij - bijvoorbeeld door gebruik - niet meer over de geldbedragen konden beschikken, is niet vast te stellen aan de hand van het dossier. Als eindpunt van de periode gaat het hof uit van de datum van de dagvaarding in eerste aanleg. Het hof is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezen verklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Anders dan de rechtbank acht het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012 het medeplegen met de vennootschap niet wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.”

26. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, voor zover hier van belang, als volgt:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…)

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.”

27. Art. 420ter Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

28. Ik stel voorop dat voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat het desbetreffende voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.

29. Het enkele feit dat voorafgaand aan de witwashandeling een misdrijf is begaan, maakt nog niet dat het voorwerp ook afkomstig is uit dat misdrijf. In dat kader is relevant dat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ op één lijn lijkt te worden gesteld met opbrengsten uit enig misdrijf. Zo houdt de memorie van toelichting onder meer het volgende in:

"Voor de strafwaardigheid van het witwassen maakt het niet uit of de witwasser eigen crimineel voordeel witwast dan wel de opbrengst van andermans misdrijf. In beide gevallen is sprake van een schending van de door de strafbaarstelling van witwassen beschermde rechtsgoederen (namelijk aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde), die op zichzelf voldoende grond is voor bestraffing. In veel gevallen zal het de drugshandelaar of fraudeur zèlf zijn die (een deel van de) witwashandelingen pleegt, namelijk om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. In andere gevallen gaat het om de meer georganiseerde vormen van criminaliteit, waarbij vele personen zijn betrokken en waarbij uiteenlopende criminele handelingen (zowel gronddelicten als witwashandelingen) worden gepleegd. In zo'n geval is minder relevant wie precies de witwassers zijn en wie de plegers van de gronddelicten en zou een verdachte mijns inziens bijvoorbeeld voor medeplegen aan witwassen moeten kunnen worden vervolgd ook al is niet uitgesloten dat hij zich, als lid van de criminele organisatie, mede schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan het gronddelict (in zo'n geval kan overigens ook artikel 140 Sr worden telastegelegd, zie HR 14 september 1999, NJ 2000/23). Ook de internationale witwasovereenkomsten maken geen onderscheid tussen het witwassen van opbrengsten van eigen of het witwassen van opbrengsten van andermans misdrijven.

(…)

Afkomstig uit enig misdrijf

Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. Gaat het bijvoorbeeld om handelingen van verdachte Y ten aanzien van een bankrekening waarop hij en zijn compaan opbrengsten van hun verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) plachten te storten, maar is niet duidelijk uit welke van die activiteiten de betrokken gelden afkomstig waren (wellicht uit allemaal), dan kan niettemin bewezen worden geacht dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.

Zowel het openbaar ministerie als de politie (bij monde van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen) hebben er in hun commentaren op het eerdere ontwerp voor gepleit de strafbaarstelling van het witwassen uit te doen strekken tot opbrengsten uit ieder strafbaar feit, dus niet alleen uit misdrijven maar ook uit overtredingen. Daarbij denken zij met name aan bepaalde lucratieve milieudelicten, die strafbaar zijn gesteld op grond van de WED. Deze delicten vormen een misdrijf als zij opzettelijk zijn begaan en anders een overtreding. Vooralsnog zie ik geen aanleiding om de strafbaarstelling van het witwassen uit te breiden tot opbrengsten uit overtredingen. Zeker bij de meer grootschalige witwasactiviteiten zal al snel kunnen worden aangenomen dat de daaraan ten grondslag liggende gronddelicten opzettelijk zijn begaan, zodat sprake is van een misdrijf. In die gevallen zal ook de strafbaarstelling van een criminele organisatie (artikel 140 Sr) in beeld kunnen komen."

30. Uit het voorafgaande volgt dat niet alleen sprake moet zijn van een temporeel verband tussen het eerdere misdrijf en het voorwerp, maar ook van causaal verband tussen het misdrijf en het voorwerp.

31. In deze zaak ziet het bewezen verklaarde witwassen op de geldbedragen van in totaal € 324.927,15 die de verdachte via [medeverdachte 8] heeft ontvangen op de bankrekening van de Tsjechische vennootschap [S] en zijn eigen bankrekening in verband met het aanbrengen van de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] bij SNS Property Finance. Het hof heeft overwogen dat de verdachte deze bedragen door middel van valsheid in geschrift heeft verkregen en heeft daarbij als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het opmaken en versturen van de valse facturen om de geldbedragen te verkrijgen het gronddelict is en die facturen zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen.

32. Ten aanzien van het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift – waarmee het hof kennelijk het oog heeft gehad op het onder 4 bewezen verklaarde –, geldt het volgende. In dit verband heeft het hof bewijsoverwegingen van de rechtbank overgenomen. Deze houden in dat de verdachte in niveau 2 geldbedragen heeft ontvangen en dat sprake is geweest van valse facturen die “zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. Vervolgens houden de bewijsoverwegingen in dat met de opgenomen valse omschrijvingen de werkelijke aard van deze betaalstroom is verhuld. Gelet op deze overwegingen over de werkelijke aard van de geldstroom, is het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift niet begrijpelijk. Het hof heeft immers juist vastgesteld dat de geldbedragen samenhingen met de onderling gemaakte afspraken in verband met het aanbrengen van de eerdergenoemde personen bij SNS PF. Door de valsheid in geschrift is de werkelijke aard van de titel van de betalingen verhuld. Niet valt in te zien dat de desbetreffende geldbedragen daarmee afkomstig zijn uit die valsheid in geschrift. In het licht daarvan acht ik het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig waren uit valsheid in geschrift niet begrijpelijk. Dat betekent dat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

33. Nu de eerste deelklacht naar mijn mening terecht is voorgesteld, behoeven de overige deelklachten geen bespreking.

34. Het middel slaagt in zoverre.

35. Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 6) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.

36. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezen verklaard dat:

“6 (niveau 2):

hij in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 4 maart 2013 in Nederland opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 8] en [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [Q] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [S] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht);”

37. Het hof heeft daarover in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“6.3.4 deelnemen aan een criminele organisatie. (feit 6)

De rechtbank heeft met betrekking tot het deelnemen aan een criminele organisatie in het bijzonder het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit:

Criminele organisatie

De rechtbank overweegt allereerst dat met een criminele organisatie ex artikel 140 Sr wordt bedoeld een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met als oogmerk het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de betrokkenen bekend zijn met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Verdachten moeten een aandeel hebben in het samenwerkingsverband, dan wel de gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor opzettelijke deelneming is voldoende dat verdachten in algemene zin weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook rechtspersonen kunnen deelnemen aan een criminele organisatie.

Deelneming niveau 2

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 2 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, opgericht en geleid door [betrokkene 1] en [medeverdachte 8] . Het oogmerk van de organisatie was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [verdachte] heeft niet alleen wetenschap gehad van het oogmerk van de organisatie maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot verwezenlijking hiervan.

[verdachte] heeft een substantieel aandeel gehad in en ondersteuning gegeven aan gedragingen strekkende tot uitvoering van het oogmerk van de organisatie. Hij was samen met [medeverdachte 8] betrokken bij de aanstelling van andere verdachten bij SNSPF. [verdachte] zorgde voor de introductie bij [medeverdachte 8] , [medeverdachte 8] zorgde voor de introductie bij SNSPF. Hiervoor is door de medeverdachten een fee betaald die werd verdeeld tussen (onder meer) [verdachte] en [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] heeft alle gelden geïnd en verdeeld. [verdachte] heeft hiertoe een grote hoeveelheid facturen opgemaakt. Daarnaast is een vergelijkbare constructie opgezet met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en gingen zij meedelen toen [medeverdachte 4] ook twee mensen aanbracht. Ook had [verdachte] wetenschap van de betrokkenheid en het verrichte aandeel van de door hem en door anderen gebruikte vennootschappen bij de organisatie en haar oogmerk. Niemand heeft de betaalstromen gemeld bij SNS(PF). Het samenwerkingsverband heeft hierdoor onafgebroken en gedurende een langere periode kunnen bestaan, terwijl het aantal medewerkers van SNSPF dat bij de betalingen betrokken raakte toenam.

Conclusie

Het hof concludeert dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit de in de bewezenverklaring nader te noemen verdachten en hun vennootschappen.”

38. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Met de eerste deelklacht wordt geklaagd dat de in de bewezenverklaring genoemde deelnemers [betrokkene 6] , [Q] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging niet voorkomen.

39. De steller van het middel wijst daarop terecht. De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Bij gebrek aan belang hoeft dit niet tot cassatie te leiden. Indien de namen van de genoemde deelnemers uit de bewezenverklaring worden geschrapt, kan niet worden gezegd dat daarmee aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan.

40. Het middel bevat voorts de klacht dat in de nadere bewijsoverweging van het hof wordt benadrukt dat het oogmerk van de criminele organisatie onder meer was ‘de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen’, terwijl niet is bewezen verklaard dat de criminele organisatie tot oogmerk had het plegen van actieve en/of passieve niet ambtelijke omkoping.

41. De steller van het middel legt ook in dit verband de vinger op de zere plek. In het licht van het wegstrepen van deze feiten uit de bewezenverklaring van het onder 6 ten laste gelegde, kan worden aangenomen dat het hof als gevolg van een kennelijke vergissing in het bestreden arrest heeft overwogen dat de criminele organisatie ook tot oogmerk had het plegen van – kort gezegd – omkoping. De Hoge Raad kan de beslissing van het hof in zoverre verbeterd lezen. Daardoor wordt aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde niet wezenlijk afbreuk gedaan. Met de verbeterde lezing, komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen.

42. Tot slot bevat het middel de klacht dat het hof zijn oordeel dat de criminele organisatie tot oogmerk had het plegen van de misdrijven ‘valsheid in geschrift’ en ‘gewoontewitwassen’ onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe wordt in de kern aangevoerd dat de bewezenverklaring van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen ten laste van de verdachte nog niet meebrengt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die juist het plegen van die feiten tot oogmerk had.

43. Art. 140, eerste lid, Sr luidt:

“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

44. Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat het bestanddeel dat de criminele organisatie ‘tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ door de Hoge Raad ruim wordt uitgelegd. In zijn arrest van 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008, 559 overwoog de Hoge Raad over het bewijs van het oogmerk het volgende:

“Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat de organisatie het plegen van meer misdrijven tot oogmerk dient te hebben. Dat oogmerk — waartoe ook het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend (vgl. HR 8 mei 1978, LJN AC0341, NJ 1978, 314; HR 6 oktober 1992, LJN AB9524, NJ 1993, 100) — behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (vgl. HR 13 oktober 1987, LJN AC3222, NJ 1988, 425, rov. 5.4).

Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”

45. De bewezenverklaring onder 6 houdt – kort gezegd – in dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van de misdrijven valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en gewoontewitwassen.

46.Het hof heeft in zijn bewijsoverweging aandacht besteed aan het meer duurzaam en gestructureerde karakter van de samenwerking tussen – in ieder geval – verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 8] . Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte zorgde voor de introductie van personen bij de medeverdachte [medeverdachte 8] , terwijl [medeverdachte 8] vervolgens zorgde voor hun introductie bij SNS Property Finance. De ‘fees’ die daarvoor door de andere (aangedragen) medeverdachten werden betaald, werden door de medeverdachte [medeverdachte 8] geïnd en vervolgens verdeeld tussen (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 8] en de verdachte. Om dat te bewerkstelligen heeft de verdachte een grote hoeveelheid (valse) facturen opgemaakt. Het doel van die facturen was om aan de betalingen een titel te verschaffen en om de werkelijke aard van de betaalstromen te verhullen. [medeverdachte 8] gaf aan [verdachte] door wat gefactureerd kon worden. Voorts is een vergelijkbare constructie opgezet met de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De betaalstromen zijn niet gemeld bij SNS PF. Gelet op het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof dat het oogmerk van de organisatie was gericht op (in elk geval) valsheid in geschrift niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

47. Ten slotte merk ik nog op dat het middel niet kan slagen voor zover het de klacht bevat dat de vrijspraak van de verdachte van het ‘medeplegen’ van valsheid in geschrift en witwassen in de weg staat aan de bewezenverklaring van het oogmerk. Het gaat er immers niet om of de verdachte de desbetreffende, afzonderlijk ten laste gelegde misdrijven heeft begaan, maar of hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

48. Het middel faalt.

49. Het vierde middel behelst de klacht dat de strafoplegging, voor zover deze de oplegging van een geldboete van € 100.000,- betreft, ontoereikend is gemotiveerd, omdat de geldboete ertoe strekt wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen terwijl het hof de ontnemingsvordering heeft afgewezen, er in eerste aanleg geen geldboete was opgelegd, de advocaat-generaal geen geldboete had gevorderd en de verdediging – mede naar aanleiding van de ontnemingsvordering – uitdrukkelijk een draagkrachtverweer had gevoerd.

50. Nu het tweede middel doel treft, kan het vierde middel onbesproken worden gelaten.

51. Het tweede middel slaagt. Het eerste en het derde middel falen. In elk geval het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het vierde middel kan buiten bespreking blijven.

52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

53. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De akte cassatie houdt in dat beperkt beroep in cassatie is ingesteld. Het beroep in cassatie is beperkt tot die feiten waarin het hof tot een bewezenverklaring en een veroordeling is gekomen, te weten de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5081.

Met weglating van voeten.

Hofstee in Noyon/Langemeijer & Remmelink, aant. 4.3 bij art. 225 Sr (actueel t/m 14 januari 2017). Zie ook Smidt II, p. 253.

Smidt II, p. 253.

De bewijsmiddelen houden in dat [S] (hierna: [S] ) het bedrijf is van de dochter van verdachte en dat de verdachte ten aanzien van dat bedrijf feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is.

Vgl. E.J. Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4.3 bij art. 225 (actueel t/m 14 januari 2017).

Zie HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008,70 en HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004,165.

Ik wijs in dit verband ook op de strafmotivering, waarin het hof overweegt dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld in de criminele organisatie, die zich bezighield met zogenoemde ‘kickbackbetalingen’ en valsheid in geschrift.

Vgl. HR 12 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1083, NJ 1998/694. Zie ook H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem 1881, Tweede Deel, p. 253-255.

HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7960, rov. 4.6.

De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar de in art. 225 Sr opgenomen strafbaarstelling en rechtspraak daarover.

HR 14 september 1992, NJ 1993/99.

Vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354, de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2016:436) voor HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1021 (art. 81 RO) en de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2018:638, eerste middel) voor HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1674 (art. 81 RO).

Met weglating van voeten.

Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers, rov. 2.4, en HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35, NJ 2018/424, m.nt. Wolswijk, rov. 3.3.2.

Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1879, onder 20) voor HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers.

Kamerstukken II 1999-2000, 27159, nr. 3, p. 6-16. Zie ook F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2016, p. 84-87.

Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1879, onder 22) voor HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers, de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2017:1448, onder 10) voor HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35, NJ 2018/424, en de noot van Wolswijk onder dat arrest (onder 3).

De verdachte heeft € 244.555,- ontvangen op de bankrekening van [S] en € 120.372,- op zijn eigen bankrekening.

HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, rov. 2.5.2.

A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Deventer: Kluwer 2015, p. 196.

HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008, 559, rov. 3.4.

HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008, 559, rov. 3.5.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature