< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG. Tezamen en in vereniging met een in failliete rechtspersoon medeplegen van eenvoudige bankbreuk, art. 340, aanhef en onder 3, (oud) Sr. Middel over het bewijs van het medeplegen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 18/04239.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04429

Zitting 7 april 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 24 september 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 3 meer subsidiair “medeplegen van eenvoudige bankbreuk” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft daarnaast de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

De zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] met nummer 18/04239. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 3 ten aanzien van het medeplegen op onjuiste gronden berust, althans ontoereikend is gemotiveerd.

5. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“ [C] BV in de periode van 6 mei 2014 tot en met 5 februari 2015 te Hazeldonk en/of [plaats] , terwijl [C] BV bij vonnis van 6 mei 2014 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats [plaats] , in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met verdachte, de boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers waarmee [C] BV ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een administratie heeft gevoerd en de boeken en /of bescheiden en/of andere gegevensdragers die [C] BV ingevolge dat artikel heeft bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft gebracht. ”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 januari 2015 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangever B.M. König:

Ondergetekende,

Bavo Mwamba König

[a-straat 1]

[postcode] [plaats]

is bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] d.d. 06-05-2014 benoemd tot curator in het faillissement van:

naam: [C] B.V.

adres: [b-straat 1]

postcode: [postcode]

plaats: [plaats]

inschrijvingsnr. KvK: [001]

Deze aangifte richt zich onder andere tegen [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, en [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

Hierbij doe ik aangifte terzake van vermoedelijke overtreding van artikel 340, 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter toelichting van de aangifte dient het volgende:

[betrokkene 4] was ten tijde van het faillissement de bestuurder en tevens enig aandeelhouder. Op 6 mei 2014 ben ik naar het woonadres van [betrokkene 4] te [plaats] gegaan. Daar heb ik met [betrokkene 4] gesproken en die heeft mij verteld dat hij via [verdachte] uiteindelijk de eigenaar en bestuurder is geworden van [C] B.V. (nader te noemen [C] ) terwijl dit volgens hem niet de bedoeling was.

[betrokkene 4] vertelde mij dat hij problemen had met wat internetbedrijfjes en dat hij via diverse personen bij [verdachte] terecht is gekomen en die zou die problemen kunnen oplossen. [verdachte] had aangegeven de aandelen te kopen van die bedrijfjes. Toen zijn ze naar notaris [betrokkene 5] gegaan in Arnhem. Notaris [betrokkene 5] is later als notaris geschrapt. Het resultaat was dat [verdachte] niet de aandelen van de internetbedrijfjes had overgenomen maar dat [betrokkene 4] de aandelen van [A] B.V. had gekregen en daarmee tevens eigenaar van [C] is geworden.

Ik heb aan [betrokkene 4] aangegeven dat hij als bestuurder verantwoordelijk is voor de administratie en hem gevraagd om deze aan mij af te staan. [betrokkene 4] gaf aan niets te hebben en ook geen administratie gevoerd te hebben nu hij niet eens wist dat hij eigenaar en bestuurder was van [C] . Ik heb getracht om [verdachte] te pakken te krijgen. Dit is ook in mei 2014 geweest maar helaas nooit gelukt. Hierop heb ik contact gehad met de politie en met de Belastingdienst en men zou later bij mij terug komen inzake het dossier [C] . Ik heb vanaf mei 2014 tot heden geen handelingen meer verricht inzake [C] .

Ik heb als curator de navolgende administratie nodig want ik moet de rechten en verplichtingen kunnen herleiden. Ik moet een bijgewerkte debiteuren en crediteuren administratie hebben aangevuld met de bankafschriften zodat ik het verloop kan zien.

Bij voorkeur ook een grootboek administratie. De administratieplicht staat vermeld in artikel 2:10 BW .

Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat [verdachte] dan wel [medeverdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan eenvoudige bankbreuk omdat bovengenoemde personen niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van [C] niet heb kunnen vaststellen, zodat rechten van de schuldeisers kunnen zijn/worden verkort.

Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat de bestuurder/commissaris van de rechtspersoon zich heeft schuldig gemaakt aan eenvoudige bankbreuk, omdat aan hem/haar te wijten is dat niet is voldaan aan de verplichting krachtens wettelijke bepalingen tot het voeren en/of bewaren van een administratie en/of tot het In ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten In dit faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van [C] niet heb kunnen vaststellen, zodat de rechten van de schuldeisers kunnen zijn/worden verkort. Dat dit te wijten is aan [verdachte] dan wel [medeverdachte] blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] en het reeds gedane onderzoek door de politie.

2. Het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (…) voor zover inhoudende:

insolventienummer: C/05/14/463 F uitspraakdatum: 6 mei 2014

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart in staat van faillissement:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] BV,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [001] ,

statutair gevestigd [plaats] ,

vestigingsadres: [postcode] [plaats] , [b-straat 1] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. P.F.A. Bierbooms,

en tot curator mr. B.M. König, [postcode] [plaats] , Postbus [003] .

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 12 februari 2015 (pg. 01 101- 01 105, met bijlagen, van het proces-verbaal zaak [C] , onderzoek Irtok, proces-verbaalnummer 14154- 0206, map 1), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [betrokkene 4]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

In 2013 besloot ik met een kameraad, [betrokkene 6] , een internetbedrijf nieuw leven in te blazen. Dit bedrijf had de naam [D] . Ik zou de directeur van dit bedrijf worden.

(...) Na ongeveer 2 maanden kwamen de eerste rekeningen binnen van oude schulden van het bedrijf [D] . Dit waren rekeningen van 2010 van de Kvk over opstartgelden, bekeuringen van CJIB van snelheidsovertredingen van personenauto's die op naam stonden van het bedrijf [D] . Toen ik [betrokkene 6] hierop aansprak waar hij mij in had meegesleept, bracht [betrokkene 6] mij in contact met [verdachte] . [verdachte] stelde voor om het bedrijf [D] onder te brengen in [A] BV, die op naam van [verdachte] stond. Ik zou dan van alle kopzorgen af zijn. (...) Ik ben naar een notaris gegaan en daar zou [D] dus op naam van [A] B.V worden gezet. [verdachte] had aangegeven dat we naar de notaris zouden en dat ik daar van alle kopzorgen zou worden verlost. De notaris heeft een korte beschrijving van wat er zou gaan gebeuren, ik weet niet meer wat de notaris allemaal heeft verteld. Het was een kantoor in Arnhem. Ik kwam er pas later achter dat [A] en [C] op mijn naam stonden. Dat was omdat mijn vader zei dat ik in de krant stond vanwege die diefstallen met die trailers. Toen ben ik er pas achter gekomen. Niet eerder.

V: Op welke datum, heb je [A] op naam gekregen?

A: Dat weet ik niet meer, [verdachte] had alle papieren meegenomen. Hij zou een kopie maken en die aan mij geven maar die heb ik nooit gekregen.

V: wat heb je moeten betalen voor de overname?

A: Niet, [verdachte] heeft alles betaald.

V: Hoe bent u op deze locatie gekomen?

A: Ik ben zelfstandig daar naar toe gegaan, ik ben niet met [verdachte] daar naar toe gegaan.

V: Heb jij nog een vergoeding gekregen voor het op naam zetten?

A: Nee. want ik zou dus van die schuldenlast afraken, dat was ruim 10.000 euro, daar was ik dus blij mee dat het van mijn naam zou gaan. Ik heb verder niets gekregen bij de notaris.

V: Heeft u nog contact gehad met deze personen na de overdracht?

A: Ik heb helemaal geen contact meer gehad met [verdachte] of de notaris.

V: Welke werkzaamheden heeft u voor [C] B.V of [A] verricht?

A: Ik heb nooit werkzaamheden verricht.

(...)

V: Kunt u de personen omschrijven die betrokken zijn bij [C] B.V of [A] B.V?

A: Nee, alleen [verdachte] , dat is de enige met wie ik in contact ben gekomen.

(...)

V: Met wie heeft u nog contact gehad na het faillissement van [C] B.V in relatie tot deze onderneming?

A: Nee, helemaal niet, ik heb een vonnis gekregen van de rechtbank, dat is het faillissement vonnis. Dat heb ik gekregen van de curator.

V : Heeft u contact gehad met de curator?

A: Ja die is bij me thuis geweest.

V: Heeft de curator nog stukken aan u gevraagd?

A: Ja, ik heb alle papieren van [C] bij hem afgegeven.

V: U heeft documenten aan hem gegeven maar heeft de curator ook aan u stukken gevraagd?

A: Ja, maar ik heb alles gegeven wat ik thuis had.

V: Was u in het bezit van de boekhouding van [A] en [C] ?

A: Nee. die had ik niet.

V: Weet u waar die administratie is of was?

A: Nee, ik kreeg wel iets binnen per post maar die bewaarde ik. Toen kwam de curator en die heb ik alles meegegeven. (...)

A: [verdachte] heeft mij nooit verteld dat ik [A] op naam zou krijgen. Ik heb daar maar 5 minuten binnen gezeten, nog niet eens.

V: Heeft de notaris gezegd dat u [A] op naam zou krijgen?

A: Nee, dat heb ik niet van hem begrepen, dat heeft hij niet gezegd.

4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 5 november 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik ben zelfstandig naar de notaris gegaan. Ik heb [verdachte] daar ontmoet voor het eerst. U raadsman houdt mij voor dat in de akte staat dat de hele administratie door de verkoper is overgedragen. Dat is niet aan mij voorgelezen. Ik heb niet getekend voor overname van de administratie. Ik heb geen geld betaald voor de overname van mijn bedrijven. Ik heb ook geen geld gekregen.

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Ik heb een nader onderzoek ingesteld naar de gegevens van de onderstaande twee rechtspersonen:

1. [C] B.V. (KvK nummer [001] )

2. [A] B.V. (KvK nummer [002] )

Ik heb via de website van de Kamer van Koophandel alle beschikbare gegevens omtrent de voormelde twee rechtspersonen opgevraagd en bekeken.

[C] B.V. heeft van 29 juli 2009 tot heden als aandeelhouder [A] B.V. gehad.

Uit de handelsregisterhistorie blijkt dat de vennootschap vanaf juni 1999 de volgende bestuurders heeft gehad:

van

tot

Bestuurder

15 juni 1999

29 juli 2009

[betrokkene 1]

29 juli 2009

01 januari 2012

[A] B.V.

15 januari 2010

01 januari 2013

[medeverdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962

01 januari 2013

01 januari 2013

[B] B.V.

01 januari 2013

Heden

[A] B.V.

De rechtspersoon is met ingang van 06 mei 2014 in staat van faillissement verklaard. Uit de handelsregisterhistorie blijkt dat [A] B.V. vanaf juni 2002 de volgende aandeelhouders heeft gehad:

van

tot

Bestuurder

17 juni 2002

onbekend

[betrokkene 2]

23 januari 2008

onbekend

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962

11 oktober 2013

heden

[betrokkene 3], geboreen te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975

Uit de handelsregisterhistorie blijkt dat [A] B.V. vanaf juni 2002 de volgende bestuurders heeft gehad:

van

tot

Bestuurder

17 juni 2002

23 januari 2008

[betrokkene 2]

23 januari 2008

26 september 2013

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962

26 september 2013

11 oktober 2013

[betrokkene 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965

11 oktober 2013

heden

[betrokkene 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975

6. De notariële akte van aandelenoverdracht ( [A] B.V.) d.d. 11 oktober 2013 (…), voor zover inhoudende

De akte vermeldt dat de verkoper, medeverdachte [verdachte] , in hoedanigheid van enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] BV, de aandelen in deze vennootschap heeft overgedragen aan de koper, [betrokkene 4] . Op pagina 6 onder het kopje “BALANS GARANTIES DOOR DE VERKOPER AAN DE KOPER TEN AANZIEN VAN DEN VENNOOTSCHAP” onder 1 staat vermeld, dat de gehele administratie waaronder de gehele financiële administratie en overeenkomsten) van de vennootschap door de verkoper aan de koper per heden (rb. lees: 11 oktober 2013) is overgedragen. Op pagina 7 staat onder het kopje EEN DEELNEMING vermeld dat tot het vermogen van de vennootschap behoort en blijft behoren alle aandelen in [C] BV.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]:

Op 6 september 2013 wordt er een indeplaatsstellingsovereenkomst getekend betreffende de huur van een bedrijfspand aan Hazeldonk 6051 te Breda. Deze huurovereenkomst is aangegaan door [C] B.V. en de opvolgende huurder is [E] BV. [medeverdachte] tekent deze indeplaatsstellingsovereenkomst namens zowel [C] als [E]. Van [C] was hij op dat moment geen bestuurder en beschikte hij volgens de Kamer van Koophandel ook niet over een volmacht.

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [medeverdachte] van 15 januari 2010 tot en met 1 januari 2013 bestuurder is geweest van [C] , hierna is het bedrijf [B] BV bestuurder geweest van 1 januari 2013 tot en met 1 juni 2013. Het bedrijf [B] BV is failliet verklaard. Tezamen met [B] BV was [A] B.V. bestuurder vanaf 1 januari 2013 tot en met het faillissement. [medeverdachte] is ook gevolmachtigde geweest van [C] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 februari 2013.8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 maart 2015 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [betrokkene 7]:

V: Vraag verbalisant A: Antwoord getuige

V: Wat kunt u vertellen over [C] .

A: Ik heb [C] gekocht samen met een Italiaan en deze Italiaan zou het op naam zetten. Wij namen het over van [verdachte] . Eigenlijk namen we [A] over waar [C] weer aan hing. Later bleek dat er schulden aan hingen en dat er vrachtauto's niet in de BV zaten die er wel in zouden moeten zitten.

Het hele zaakje was afkomstig van [medeverdachte] maar [verdachte] regelde de hele overdracht.

V: Van wie was het bedrijf [C] ?

A: Feitelijk leiding geven deed volgens mij [medeverdachte] want die deed de planning. [verdachte] deed de boekhouding maar wist wel meer van het bedrijf.

V: Hoe is de overdacht in zijn werk gegaan?

A: [verdachte] regelde alles bij notaris [betrokkene 5] in Arnhem. Volgens mij is die [betrokkene 5] ook geen notaris meer. Ik betaalde er 10.000 euro voor. Deze heb ik contant betaald aan [verdachte]. Eerst ongeveer 6000 euro contant in een hotel in Arnhem en de rest zou betaald worden als de vrachtauto's er waren. Die kwamen niet dus uiteindelijk is deze deal weer terug gedraaid.

V : Waar is/was het hoofdkantoor van [C] gevestigd?

A: De bedrijvigheid vond plaats op Hazeldonk, bedrijventerrein in Breda van [medeverdachte] . Er was een nep kantoor in Papendrecht, soort postadres.

V: Wie deed de administratie van [C] ?

A: [verdachte] , dat werd ook steeds zo gezegd door hem en [medeverdachte] . Als ik in Hazeldonk op het bedrijf van [medeverdachte] was, was [verdachte] er ook meestal. Eigenlijk deed [verdachte] de financiën en [medeverdachte] zorgde voor het vervoer.

V: Heeft u ooit iets van administratie van [C] en/of [A] ontvangen?

A: Nee, want binnen een week was het helemaal teruggedraaid.

9. Het proces-verbaal van verhoor door de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 6 augustus 2015 (pg. 1 965- 1 972 van het Ie aanvullend proces-verbaal algemeen dossier, zaak Irtok, proces-verbaalnummer 14154-0873), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte]:

V: Vraag verbalisant ,

A: Antwoord verdachte

V: Wat kunt u ons vertellen over [C] en [A] ?

A: Van [C] ben ik directeur geweest. [C] hing onder [A] . Ik stuurde de auto's aan en [verdachte] deed er de boekhouding. Op zeker moment was er een probleem met betalingen voor leveringen. Op zeker moment liet [verdachte] weten dat hij [A] en [C] zou verkopen aan [betrokkene 7]. Ik heb hem dat afgeraden. Uiteindelijk is de overdracht aan [betrokkene 7] doorgegaan, maar terug ingetrokken. (...) Er zijn na de intrekking van het akkoord met [betrokkene 7] blijkbaar nog onderhandelingen geweest en er is een zekere [betrokkene 4] naar boven gekomen, die heeft de zaak overgenomen.

(...) Na de overdracht aan [betrokkene 4] heb ik nog kunnen beschikken over de rekeningen. (...) Van de rekeningen van [C] liepen er nog betalingen voor personeel, de lease van de vrachtwagens, telefoonkosten en andere normale dingen.

10. Het proces-verbaal van verhoor door de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 14 september 2015 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte]:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

V: Vanaf wanneer tot wanneer was u directeur van [C] ?

A: Dat weet ik niet meer. [verdachte] heeft mij directeur gemaakt. Dat is later weer veranderd.

V: Van wie was het bedrijf [C] in die periode?

A: Van [verdachte] maar ik draaide ermee. Tot aan de verkoop waren wij beiden de baas. Maar ik had de overhand. [verdachte] deed de administratie en ik deed alles praktisch. Als ik bijv. een nieuwe printer wilde hebben dan kocht ik die. Ook grotere zaken, zoals vrachtwagens aanschaffen, deed ik. Aansturen en aannemen van mensen deed ik. Huren van een locatie deed ik, maar [verdachte] ook wel eens. Hazeldonk heb ik gedaan.

V: Waar lag de administratie van [C] toen u de eigenaar was?

A: Op Hazeldonk. [verdachte] had misschien iets liggen maar echt het grote deel lag op Hazeldonk.

V: Wie konden er allemaal bij deze administratie?

A: Iedereen, stond gewoon in een kast op Hazeldonk.

V: Wie deed deze administratie?

A: Dat was [verdachte] . [verdachte] deed alles met de administratie. Ik deed niks. Ik schreef wel eens een factuur op een kladje, maar verder niets.

V: Toen [C] voor de eerste keer werd overgedragen aan [betrokkene 7], waar was de administratie toen?

A: Dat stond allemaal op Hazeldonk.

V: Wie heeft de administratie meegenomen?

A: Dat heeft [verdachte] gedaan.

V: Waar was de administratie toen deze werd overgedragen aan [betrokkene 4] ?

A: Die was dus bij [verdachte] . [C] werd overgedragen aan [betrokkene 7], het werd daarna overgedragen aan [betrokkene 4] .

V: Waar is de administratie nu?

A: Dat weet ik niet. Weet ik echt niet.

V: Wanneer hoorde u dat [C] failliet was verklaard?

A: Dat hoorde ik van [verdachte]. Wanneer dat was, weet ik niet. De curator heeft ook een keer naar [verdachte] gebeld en toen heeft [verdachte] of de telefoon niet opgenomen of gezegd dat hij het maar kon bekijken. [verdachte] heeft verder niets met de curator gedaan. V: Heeft u contact gehad met de curator?

A: Nee, helemaal niet.

V: Wat is de reden geweest dat u geen contact heeft gehad met de curator?

A: Waarom moet ik die man bellen? Ik heb geen idee.

V: Toen u [C] voor de eerste keer verkocht aan [betrokkene 7], wat kunt u vertellen over de financiële situatie van [C] op dat moment?

A: Naar mijn mening goed, als het gewoon zo was blijven lopen dan had het nu nog wel gedraaid.

V: Toen u [C] voor de tweede verkocht maar dan aan [betrokkene 4] , wat kunt u vertellen over de financiële situatie op dat moment?

A: Hetzelfde

11. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 oktober 2015 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte]:

V: Kan je ons nogmaals aangeven waarom [verdachte] [C] ook wilde verkopen en niet los wilde maken van [A] ? In [A] zaten toch de problemen?

A: Hij kon het toen goed verkopen, hij zou eerst € 10.000 krijgen en uiteindelijk heeft ie € 5.000 gekregen van [betrokkene 7]. Het werk was allemaal minder in die periode en daarom heb ik gezegd dan moetje het maar verkopen.

V: Je hebt de vorige keer aangeven dat de administratie bij jou op Hazeldonk was en dat deze na de eerste overdracht (aan [betrokkene 7]) bij [verdachte] was, heb je dit nagevraagd bij [verdachte] ?

A: Ja die heeft [verdachte] toen alles meegenomen. Nee, daar heb ik niet meer naar gevraagd, hij heeft alles meegenomen en zou alles overdragen aan [betrokkene 7].

V: Heb je nadat [C] failliet was verklaard contact met [verdachte] over [C] gehad en waar ging dat over?

A: na 6 mei, nee hij heeft toen een mail gestuurd of kijk eens op transportforum. Hij heeft mij wel een seintje gegeven maar ik heb dat toen wel gelezen over zijn ze nu helemaal gek geworden.

V: Hebben jullie het toen ook over de administratie gehad.

A: Die had hij al, alles wat hij nodig had heeft hij al.

V: Heb je het na het faillissement van [C] nog met [verdachte] over de administratie gehad?

A: Nee.”

7. Het hof heeft onder de aanhef “Bewijsoverwegingen” ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De verdachte was betrokken bij [A] B.V.. Deze holding was bestuurder van [C] . Niet alleen in de ten laste gelegde periode, maar al in 2009 als aandeelhouder en vanaf 2013 als bestuurder. De betrokkenheid van de verdachte is geëindigd met overdracht van [A] aan [betrokkene 4] op 11 oktober 2013. [betrokkene 4] was geen katvanger of stroman. Aan de verklaring van [betrokkene 4] dat hij de administratie nimmer tot zijn beschikking heeft gekregen, moet geen geloof worden gehecht. Het dossier vermeldt voorts dat tijdens doorzoeking woning cliënt in 2014 administratie in beslag is genomen. Dat is iets anders dan de administratie van [C] .

C.

Met de rechtbank overweegt het hof het volgende:

Het ten laste gelegde moet worden bezien in het licht van de omstandigheid dat iedere ondernemer wettelijk verplicht is de administratie van zijn onderneming zeven jaren te bewaren en zo nodig tevoorschijn te brengen. Degenen die aan deze administratieverplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie, dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. De bewaarplicht stopt pas als de administratie aan de curator is afgegeven en blijft tot die tijd rusten op de failliet-natuurlijk persoon of de (laatste) formeel en/of feitelijke bestuurders) van de failliete rechtspersoon. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 105, 106 en 92 Fw in combinatie met de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. NJ 2002, 259) is/zijn de failliet-natuurlijk persoon en de (laatste) formeel en/of feitelijk bestuurder(s) van de failliete rechtspersoon verplicht om de bestaande boekhouding op diens verzoek dan wel uit eigen beweging in de dan bestaande toestand aan de curator af te geven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het navolgende.

Op de rechtspersoon [C] BV, hierna ook te noemen: [C] , rust ingevolge het bepaalde in artikel 3:15i BW de administratieverplichting tot het voeren en bewaren van de boekhouding. Medeverdachte [medeverdachte] was tot 1 januari 2013 formeel bestuurder van [C] , welke vennootschap op 6 mei 2014 failliet is gegaan.

Verdachte was de boekhouder van de vennootschap. Alle aandelen van de vennootschap [C] waren in handen van haar moedermaatschappij [A] BV, hierna ook te noemen: [A] . Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . In september 2013 heeft verdachte, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, alle aandelen in moedermaatschappij [A] overgedragen aan (een stichting van) een zekere [betrokkene 7], welke aandelentransactie binnen korte tijd is teruggedraaid, hetgeen is gevolgd door een volledige aandelenoverdracht wederom door verdachte in hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder van [A] aan een zekere [betrokkene 4] .

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat hij, zijnde feitelijke bestuurder van [C] , de eigen administratie van [C] die zich bevond in haar kantoor te Hazeldonk vlak voor de eerste aandelenoverdracht aan [betrokkene 7], aan verdachte heeft meegegeven althans dit meenemen heeft toegelaten. Ook begin 2014 heeft [C] nog bedrijfsactiviteiten ontplooid.

Na faillissement van [C] heeft de curator zich gewend tot de toenmalig formeel bestuurder van [C] , [betrokkene 4] . Die verklaarde niet in het bezit te zijn van enige administratie van [C] en die ook nooit te hebben gehad of gekregen. Sindsdien heeft de curator nooit de beschikking gekregen over de administratie van [C] .

Van een bijzondere en geldige reden voor het afstaan van haar eigen administratie door [C] aan verdachte zijnde ofwel haar boekhouder, dan wel haar (indirect) bestuurder is niet gebleken. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat die administratie ook nooit meer is teruggevraagd. Daarmede heeft [C] niet voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het bewaren van haar boeken. [C] heeft hier gehandeld middels haar feitelijk bestuurder, medeverdachte [medeverdachte] , zodat dit handelen aan deze vennootschap kan worden toegerekend. Medeverdachte [medeverdachte] heeft aan dit handelen van de vennootschap [C] feitelijk leiding gegeven. Op grond van het bepaalde in artikel 51 Sr is hij voor dit ingevolge artikel 340 Sr strafbare gedrag van de vennootschap, naast de vennootschap [C] hiervoor strafrechtelijk vervolgbaar en strafbaar. Uit de aard van de gedraging (het medenemen van de administratie van [C] waardoor [C] niet aan de op haar rustende verplichting kon voldoen) volgt dat verdachte als medepleger naast de vennootschap [C] dient te worden aangemerkt.

Als verweer heeft de verdediging aangevoerd dat de administratie van [C] door verdachte zou zijn overhandigd aan overnemer [betrokkene 4] . Verdachte heeft zelf bij de politie en op de zitting in eerste aanleg, ondanks herhaalde uitnodigingen daartoe, pertinent geweigerd om een verklaring af te leggen. De raadsman heeft als onderbouwing van zijn verweer verwezen naar een notariële akte van 11 oktober 2013, waarin op pagina 6 onder het kopje “BALANS GARANTIES DOOR DE VERKOPER AAN DE KOPER TEN AANZIEN VAN DEN VENNOOTSCHAP” onder 1 staat vermeld, dat de gehele administratie waaronder de gehele financiële administratie en overeenkomsten) van de vennootschap door de verkoper aan de koper per 11 oktober 2013 is overgedragen. Het hof verwerpt dit verweer. Allereerst betreft deze akte een akte van aandelenoverdracht van [A] . Als er wordt gesproken over de administratie van de vennootschap, verwijst dat logischerwijs naar de administratie van [A] zelf (en niet van een andere, zelfstandige vennootschap als [C] ). De notariële akte zelf geeft geen aanleiding te veronderstellen dat met de gehele administratie van de vennootschap [A] tevens de administratie van de vennootschap [C] is bedoeld.

Overnemer [betrokkene 4] verklaart overigens in het geheel geen administratie te hebben ontvangen, ook niet van [A] . Doch daargelaten het voorgaande, is zonder enige door verdachte gegeven uitleg niet begrijpelijk waarom hij de onder zich genomen administratie van een andere (weliswaar dochter-)vennootschap aan die [betrokkene 4] ter beschikking zou stellen, in plaats die aan [C] terug te geven, waar toch primair de bewaarplicht van haar eigen administratie rust.”

8. Het oordeel van het hof dat de administratie niet in ongeschonden staat te voorschijn is gebracht als bedoeld in art. 340, aanhef en onder 3, (oud) Sr, is in cassatie niet bestreden. De reikwijdte van het middel is beperkt tot het bewezen verklaarde medeplegen.

9. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op het medeplegen van eenvoudige bankbreuk als bedoeld in art. 340, aanhef en onder 3, (oud) Sr. Die strafbepaling luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Hij die in staat van faillissement is verklaard, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

(…)

3°. indien hij de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarmee hij ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een administratie gevoerd heeft en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die hij ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt. ”

10. Bewezen verklaard is dat [C] B.V. in de periode van 6 mei 2014 tot en met 5 februari 2015, terwijl de vennootschap bij vonnis van 6 mei 2014 van de rechtbank Gelderland in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met verdachte de administratie als bedoeld in art. 3:15i BW niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft gebracht. Aldus heeft het bewezen verklaarde medeplegen betrekking op een omissiedelict. Het strafrechtelijk verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, is immers dat hij tezamen en in vereniging met [C] B.V. heeft nagelaten de administratie van die rechtspersoon in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen. In een dergelijk geval ligt wat het medeplegen betreft de nadruk op de bewuste samenwerking en de mate waarin niet-nalaten mocht worden gevergd. Bij de verwijzing naar de richtinggevende arresten van de Hoge Raad over het medeplegen in de toelichting op het middel, wordt zulks miskend. Die arresten zijn immers toegesneden op het medeplegen van commissiedelicten.

11. Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het hof onder meer het volgende heeft vastgesteld. De boekhouding van [C] B.V. werd gedaan door de verdachte. In 2013 heeft de medeverdachte [medeverdachte] , die door het hof is aangemerkt als feitelijk bestuurder van [C] B.V., toegelaten dat de verdachte de administratie van [C] B.V. heeft meegenomen uit het kantoorpand van de rechtspersoon. Deze administratie is nadien niet door [medeverdachte] teruggevraagd. De vennootschap is op 6 mei 2014 in staat van faillissement verklaard. De verdachte was van dat faillissement op de hoogte. Na het faillissement heeft de curator nooit de beschikking gekregen over de administratie van [C] B.V. Het is de curator nooit gelukt contact met de verdachte te krijgen (bewijsmiddel 1). De curator heeft in die periode wel een keer naar de verdachte gebeld en toen heeft de verdachte de telefoon niet opgenomen of gezegd dat de curator het maar kon bekijken (bewijsmiddel 10). De medeverdachte [medeverdachte] heeft na het faillissement van [C] B.V. contact gehad met de verdachte. Zij hebben toen niet over de administratie gesproken. Volgens [medeverdachte] was dat omdat de verdachte de administratie al had. De verdachte had alles wat hij nodig had (bewijsmiddel 11). Het hof heeft voorts overwogen dat het optreden van [medeverdachte] , als feitelijk bestuurder van [C] B.V., aan [C] B.V. kan worden toegerekend.

12. Het hof heeft bewezen verklaard dat [C] B.V. tezamen en in vereniging met de verdachte heeft nagelaten om de administratie in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen. Daarin ligt besloten dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de vennootschap en de verdachte. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte verantwoordelijk was voor de financiën en de administratie van [C] B.V., dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bedrijfsadministratie mee te nemen, waarna de rechtspersoon die administratie niet heeft teruggevraagd of zich anderszins heeft ingespannen om deze weer onder zich te krijgen, ook niet in de periode ná het faillissement van [C] B.V, terwijl de verdachte na het faillissement wel met de medeverdachte [medeverdachte] contact heeft onderhouden. Uit de bewijsvoering volgt verder dat de curator geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen en dat de curator na het faillissement niet de beschikking heeft gekregen over de administratie van [C] B.V., terwijl de gefailleerde op grond van art. 105, eerste lid, van de Faillissementswet gehouden is de curator alle inlichtingen te verschaffen zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen. Mede in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, was het hof tot een nadere motivering van zijn oordeel niet gehouden.

13. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

Slotsom

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Op 1 juli 2016 is de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude ingevoerd (Wet van 8 april 2016, Stb. 154; inwerkingtredingsbesluit van 27 mei 2016, Stb. 205.). Zie de artikelen 344a en 344b Sr.

Vgl. J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 465 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan het arrest HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4260.

Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, , ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.

Vgl. J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 465. De omstandigheid dat de strafbepaling betrekking heeft op de failliet staat er niet aan in de weg dat sprake is van medeplegen, ook al is de medepleger niet in staat van faillissement verklaard. Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature