< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG. Identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet op de identificatieplicht (identiteitskaart) o.g.v. valse persoonsgegevens doen verstrekken, art. 231.1 Sr. Aan uit Iran afkomstige verdachte, die in 2001 in Nederland asiel heeft aangevraagd o.g.v. valse naam A, wordt in 2012 verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en Nederlanderschap op naam van A verleend alsmede Nederlands paspoort op naam van A verstrekt. Verdachte vraagt in 2014 identiteitskaart aan op naam van A, waarna gemeente in 2015 op hoogte raakt van verdachtes naam B. In 2016 bericht IND dat wordt afgezien van intrekking Nederlanderschap en wordt aan verdachte Nederlands paspoort op naam van A verstrekt. 1. Heeft verdachte in 2014 identiteitskaart doen verstrekken o.g.v. ‘valse’ persoonsgegevens? Staat eerdere (2012) en latere (2016) verstrekking paspoort op naam van A aan bewezenverklaring in de weg? 2. Beroep op art. 31.1 Vluchtelingenverdrag. Conclusie strekt tot verwerping.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04481

Zitting 24 maart 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

De verdachte is bij arrest van 18 september 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht op grond van valse persoonsgegevens doen verstrekken’ veroordeeld, waarbij het hof heeft bepaald dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel behelst de klacht dat de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging en de bewezenverklaring onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. Alvorens ik dit middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en enkele overwegingen in het bestreden arrest weer.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘zij op 24 november 2014 te Landsmeer een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ten name van [naam] en met nummer [001], heeft doen verstrekken op grond van valse persoonsgegevens, immers heeft zij, verdachte, gebruik gemaakt van (door haar in de aangifte van vermissing van een eerder aan haar verstrekt paspoort en aanvrage tot het verstrekken van een nieuw identiteitsbewijs opgegeven), valse identiteit te weten [naam], geboren op [geboortedatum] 1967.’

5. De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Een proces-verbaal van aangifte (…) van 21 juli 2015, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van aangeefster [betrokkene 1]:

Op grond van een schriftelijke machtiging die mij is verstrekt doe ik namens de Burgemeester van de gemeente Landsmeer aangifte tegen [naam], geboren op [geboortedatum] 1967. Zij is ook bekend onder de naam [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967.

[naam] was in het bezit van een door de gemeente Landsmeer verstrekt Nederlands paspoort met nummer [002]. Dit paspoort is op 29 augustus 2014 door de Duitse politie in beslag genomen. Betrokkene heeft vervolgens op 24 november 2014 aangifte gedaan van vermissing van dit paspoort met nummer [002]. Zij verklaarde dat zij het paspoort op of rond 10 november 2014 was kwijtgeraakt. In de verklaring is vermeld onder “ondertekening” dat de ingevulde gegevens juist zijn en op waarheid berusten. Zij heeft vervolgens de verklaring (het hof begrijpt: vermissingsverklaring) ondertekend.

Het was de gemeente Landsmeer op het moment dat zij de vermissingsverklaring ondertekende nog niet bekend dat het paspoort in beslag genomen was door de Duitse politie. De gemeente heeft dat paspoort pas in maart 2015 ontvangen van de IND.

De gemeente heeft [naam], op basis van de door haar afgelegde verklaring, op 24 november 2014 een nieuwe Nederlandse identiteitskaart verstrekt met nummer [001].

Nu is gebleken dat de identiteit van [naam] kennelijk niet de juiste is zijn alle documenten dus kennelijk op valse gronden en/of identiteiten door de gemeente Landsmeer afgegeven.

2. Een proces-verbaal vermissing identiteitsbewijs (…) van 24 november 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik, verbalisant, hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland verklaar het volgende. Op 24 november 2014 verscheen voor mij een persoon die mij opgaf te zijn [naam], geboren op [geboortedatum] 1967. Zij deed aangifte van vermissing van haar identiteitsbewijs.

Object: PaspoortLand: NederlandRegistratienummer: [002]Houder: [naam], geboren [geboortedatum] 1967Datum vermissing: 24 november 2014

Betrokkene verklaarde dat het paspoort is vermist in Nederland. Zij verklaarde dat de hiervoor vermelde gegevens naar waarheid zijn verstrekt. Zij verklaarde tot slot dat haar is medegedeeld dat het afleggen van een valse verklaring strafbaar is en dat zij begrijpt wat haar zojuist is medegedeeld.

3. Een geschrift, te weten een aanvraag Identiteitskaart, opgemaakt op 24 november 2014 te Landsmeer. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

IDENTITEITSKAART

PERSOONSGEGEVENS[naam]Geboren op [geboortedatum]-1967 te [geboorteplaats]

AANVRAAGGEGEVENS Datum aanvraag: 24-11-2014

handtekeningen formulier (handgeschreven): [naam] [geboortedatum]-67

4. Een geschrift, te weten een verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs, opgemaakt op 24 november 2014 te Landsmeer. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van de verdachte:

Geslachtsnaam: [naam]Voornamen: [naam]Geboortedatum: [geboortedatum] 1967Nationaliteit: NederlandseSoort document: PaspoortNummer vermist document: [002]

Datum waarop het verlies is geconstateerd: 10 november 2014.Ik heb het document de laatste keer gebruikt op of rond 1 juni 2014. Heeft u een vermoeden wie het document nu in bezit heeft? Nee.

5. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 13 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik, verbalisant, BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Noord-Holland, verklaar het volgende.

AanleidingEen medewerkster van de gemeente Landsmeer, [betrokkene 1], verklaarde op 31 maart 2015: “Wij hebben twee paspoorten retour ontvangen van de IND, via de Duitse politie. Deze paspoorten zijn ingenomen door de Duitse politie van een moeder en haar dochters die zowel een Nederlands als Iraans paspoort in bezit hadden. Het viel de Duitse politie op dat de paspoorten (het hof begrijpt: het Nederlandse en het Iraanse paspoort) van de vrouw (het hof begrijpt: de moeder) grote gelijkenis vertoonden met elkaar. Ook viel het hen op dat er twee verschillende namen in de beide paspoorten stonden.”

Nader onderzoekUit de ontvangen vertaling van het Duitstalige proces-verbaal blijkt het volgende. Op 29 juli 2014 zijn op een vlucht naar Iran een moeder en haar twee dochters ingecheckt. Zij identificeerden zich bij de incheckbalie met zowel een Nederlands als een Iraans paspoort. Het ging om [verdachte] (Nederlandse identiteit: [naam]) en haar dochters.Het viel de Duitse grensbewaking op dat de foto’s uit de Nederlandse en Iraanse paspoorten overeen kwamen, maar de namen niet. De drie personen zijn aangesproken en er is getracht contact op te nemen met de Nederlandse autoriteiten, maar er kon kennelijk niet duidelijk worden gemaakt wat er aan de hand was. Hierop is hen toestemming verleend toch naar Iran te vertrekken. Vervolgens zijn de moeder en één dochter op 29 augustus 2014 met een vlucht uit Iran teruggekomen naar Duitsland. De andere dochter was al eerder teruggekeerd. [verdachte] en haar dochter zijn op het vliegveld aangehouden en ondervraagd. [verdachte] verklaarde dat zij in 2001 bewust een valse naam heeft opgegeven bij haar asielverzoek in Nederland. Hierop heeft de Duitse politie haar Nederlandse paspoort in beslaggenomen.Ik, verbalisant, heb vervolgens de paspoortnummers opgezocht via de mij ter beschikking staande politiesystemen. Ik constateerde dat het Nederlandse paspoort op naam van [naam] als vermist gesignaleerd stond in het register, als gevolg van de aangifte van vermissing.

Vaststelling identiteitUit het vertaalde Duitse politierapport is mij gebleken dat de moeder is genaamd [naam] geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]. Uit de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat de werkelijke identiteit van de familie is komen vast te staan aan de hand van de echte, eigen en gekwalificeerde documenten, namelijk de door de Iraanse autoriteiten afgegeven Iraanse paspoorten. In het Iraanse paspoort blijkt de vrouw echter als volgt genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats].

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2016. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik het ten laste gelegde feit heb gepleegd. Ik wist dat mijn paspoort bij de Duitse autoriteiten was. Ik heb gebruikgemaakt van mijn Nederlandse naam. Dat is een andere naam dan de naam waaronder ik bekend ben in Iran. Ik had een identiteitsbewijs nodig. Ik ging naar de gemeente. Daar moest ik wel zeggen dat ik mijn paspoort niet kon vinden.’

6. Het hof heeft een gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als volgt samengevat en verworpen:

‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit op de gronden dat (i) de standaardjurisprudentie omtrent artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag) in de onderhavige zaak analoog dient te worden toegepast en (ii) het de strafrechter niet past om te toetsen of de identiteit van de verdachte vals is omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op dat punt definitief heeft beslist.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten De verdachte is afkomstig uit Iran. Zij is in 2001 naar Nederland gekomen en heeft daar, met haar twee dochters, asiel aangevraagd op naam van [naam]. Bij beschikking van 28 december 2001 is deze aanvraag afgewezen. Op 11 februari 2008 is aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, in 2012 gevolgd door een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Op 4 september 2012 is haar het Nederlanderschap verleend op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1967. Op 30 november 2012 is haar op die naam een Nederlands paspoort afgegeven.

Op 29 juli 2014 is de verdachte met haar twee dochters, via Duitsland naar Iran gereisd. Bij controle bleek zij in het bezit van een Iraans paspoort op naam van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967, naast het al genoemde Nederlandse paspoort. De verdachte is op 29 augustus 2014 via Duitsland terug gereisd naar Nederland. De Duitse autoriteiten hebben haar Nederlandse paspoort in beslag genomen.

De verdachte heeft op 24 november 2014 bij de gemeente Landsmeer een identiteitsbewijs aangevraagd. Zij heeft daarbij gemeld dat haar paspoort was vermist sinds 1 juni 2014, waarna zij een vermissingsverklaring heeft getekend. Bij de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart gaf zij op te zijn: [naam], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]. De gemeente heeft op die haam een nieuwe identiteitskaart met nummer [001] verstrekt aan de verdachte.

De Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) heeft de verdachte bericht voornemens te zijn haar Nederlanderschap in te trekken, omdat zij gebruik zou hebben gemaakt van valse persoonsgegevens ter verkrijging van verblijf in Nederland. Op 29 maart 2016 heeft de IND haar namens de Minister van Veiligheid en Justitie laten weten dat, na een belangenafweging, geen gevolg wordt gegeven aan het voornemen tot intrekking van haar Nederlanderschap. Op 14 juli 2016 is aan de verdachte een Nederlands paspoort verstrekt op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1967.

Juridisch oordeel Vooropgesteld wordt dat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag en de daarmee samenhangende jurisprudentie van de Hoge Raad inhouden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging als - kort gezegd - een vreemdeling wordt vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van de vlucht aangewend hebben van valse gegevens of documenten, terwijl op de eerste asielaanvraag van de vreemdeling nog niet onherroepelijk is beslist.

Ten aanzien van het verweer onder (i) Het hof is van oordeel dat dit artikel en de standaardjurisprudentie daaromtrent in deze zaak niet naar analogie van toepassing zijn. Immers, de verdachte heeft geen valse gegevens aangewend in het kader van haar vlucht. Zij verblijft al ruim zeventien jaren in Nederland, beschikt over de Nederlandse nationaliteit en heeft de identiteitskaart gebruikt ten behoeve van een bezoek aan haar geboorteland. Daarnaast is in 2001 onherroepelijk beslist op de door de verdachte gedane eerste asielaanvraag, zodat ook die grond niet wordt vervuld.

Ten aanzien van het verweer onder (ii) Voorts stelt het hof vast dat de vraag waarover is geoordeeld bij de asielaanvraag in 2008, bij het verkrijgen van het Nederlanderschap in 2012 en bij het afzien van het voornemen tot het intrekken van het Nederlanderschap in 2016, een andere vraag is dan de vraag waarover de strafrechter in deze zaak heeft te oordelen, namelijk of de verdachte bij de aanvraag van een paspoort of identiteitsbewijs gebruik heeft gemaakt van valse persoonsgegevens. Bovendien heeft de bestuursrechter zich niet over deze kwestie uitgelaten, maar uitsluitend de IND, namens de Staatssecretaris, zodat de door de raadsman bedoelde situatie zich niet voordoet.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman. Ook overigens is er geen reden het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.’

7. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen:

‘Standpunt advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gevorderd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte op grond van valse gegevens, bestaande uit het doen van een valse aangifte en het opgeven van een valse identiteit, een Nederlandse identiteitskaart heeft doen verstrekken.

Standpunt raadsman De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Hij heeft aangevoerd dat de verdachte bij de aanvraag van een nieuw identiteitsbewijs geen gebruik heeft gemaakt van een valse identiteit. Uit de aan de verdachte onder de naam [naam] geadresseerde brief van de IND van 29 maart 2016 volgt immers dat de IND heeft afgezien van het voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap op die naam. Voorts is aan de verdachte nadien een Nederlands paspoort verstrekt op de naam [naam].

Overwegingen van het hof Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 24 november 2014 bij de gemeente Landsmeer een identiteitsbewijs heeft aangevraagd, waarbij zij heeft gemeld dat haar paspoort was vermist, waarna zij een vermissingsverklaring heeft getekend. Bij de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart gaf zij een valse naam en geboortedatum op. De gemeente heeft op die gegevens een nieuwe identiteitskaart verstrekt aan de verdachte. Bij het verstrekken van de nieuwe identiteitskaart wist de gemeente Landsmeer niet dat het paspoort van de verdachte niet was vermist, maar door de Duitse autoriteiten in beslag was genomen.

De verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de Duitse autoriteiten haar paspoort inbeslaggenomen hadden, dat zij desalniettemin heeft gemeld dat haar paspoort was vermist en dat zij bij de aanvraag van een nieuw identiteitsbewijs bewust een andere naam heeft opgegeven.

Valse aangifte Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat de verdachte een valse aangifte heeft gedaan van de vermissing van haar paspoort. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het doen van een valse aangifte niet onder het bestanddeel “persoonsgegevens” in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht valt. Om die reden spreekt het hof de verdachte vrij van dat deel van het haar tenlastegelegde.

Valse identiteit Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de brief van de IND uit 2016 waarin - na een belangenafweging - wordt afgezien van het intrekken van het Nederlanderschap, twee jaren na het tenlastegelegde feit, de valsheid van de in 2014 opgegeven persoonsgegevens van de verdachte niet wegneemt. Ook het afgeven van een nieuw paspoort op 14 juli 2016 op de naam [naam] maakt niet dat de door de verdachte in 2014 opgegeven persoonsgegevens niet vals waren.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een identiteitsbewijs heeft doen verstrekken op grond van valse persoonsgegevens.’

8. De stellers van het middel betogen in de eerste plaats dat ’s hofs oordeel dat de verdachte op 24 november 2014 bij de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart gebruik heeft gemaakt van valse persoonsgegevens dan wel een valse identiteit onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Op grond van het in 2012 aan haar afgegeven paspoort was haar identiteit namelijk [naam]. Dat zou worden bevestigd door de omstandigheid dat in 2016 aan de verdachte wederom een Nederlands paspoort op die naam is verstrekt. Mogelijk zou, aldus de stellers, gesteld kunnen worden dat de verdachte in 2001 bij haar asielaanvraag onjuiste persoonsgegevens heeft opgegeven, maar ten tijde van het tenlastegelegde was haar identiteit gelijk aan de persoonsgegevens die zij heeft opgegeven. In ieder geval is, zo begrijp ik de stellers van het middel, de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.

9. Met het hof meen ik dat de enkele omstandigheid dat in 2016 na een belangenafweging wordt afgezien van het intrekken van het Nederlanderschap niet van invloed is op het oordeel over de valsheid van de persoonsgegevens die de verdachte in 2014 heeft opgegeven. En ook de omstandigheid dat in 2016 een nieuw paspoort op de in 2014 opgegeven persoonsgegevens wordt verstrekt staat niet in de weg aan het oordeel dat de in 2014 opgegeven persoonsgegevens vals waren. Een en ander doet er evenwel niet aan af dat de bewezenverklaring voor zover behelzend dat de verdachte op 24 november 2014 een identiteitsbewijs heeft doen verstrekken op grond van valse persoonsgegevens op een toereikende bewijsmotivering dient te berusten.

10. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in een eerder door de Iraanse autoriteiten afgegeven paspoort was genaamd: [verdachte], en dat zij blijkens dat paspoort op [geboortedatum] 1967 was geboren in [geboorteplaats] (bewijsmiddel 5). Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ook in het bezit was van een Nederlands paspoort, dat op 29 augustus 2014 door de Duitse politie in beslag is genomen (bewijsmiddel 1). Uit een tot het bewijs gebezigd proces-verbaal vermissing identiteitsbewijs en een tot het bewijs gebezigde verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs, opgemaakt op 24 november 2014 te Landsmeer, blijkt dat de verdachte bij de omschrijving van haar identiteitsbewijs als houder heeft vermeld [naam], geboren op [geboortedatum] 1967 (bewijsmiddelen 2 en 4). Op een tot het bewijs gebezigde aanvraag Identiteitskaart, opgemaakt op dezelfde datum, heeft zij als persoonsgegevens vermeld [naam], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (bewijsmiddel 3).

11. Voor zover de verdachte in haar verklaringen het paspoort dat op 29 augustus 2014 door de Duitse politie in beslag is genomen omschrijft, en daarbij als (haar) daarop vermelde persoonsgegevens vermeldt [naam], geboren op [geboortedatum] 1967, is naar het mij voorkomt van valsheid geen sprake. Dat is de naam die ook daadwerkelijk op dat paspoort vermeld stond. Waar het om draait, is de vraag of de verdachte in de aanvraag Identiteitskaart (ook) de identiteitsgegevens had moeten opgeven die op haar Iraanse paspoort stonden. Die vraag heeft het hof, door bewezen te verklaren dat zij zich het nieuwe identiteitsbewijs heeft doen verstrekken op grond van valse persoonsgegevens, bevestigend beantwoord.

12. Naar het mij voorkomt ligt een bevestigend antwoord in lijn met de regeling van de Paspoortwet. De Paspoortwet kent reisdocumenten en identiteitskaarten. Hetgeen bij of krachtens de Paspoortwet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten is daarbij van overeenkomstige toepassing op de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald (art. 2, tweede lid). Elk reisdocument vermeldt de volgende persoonsgegevens van de houder: geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, woonplaats, adres en lengte (art. 3, eerste lid). De geslachtsnaam, de voornaam en de geboortedatum van de verdachte zijn niet veranderd door de verkrijging van een eerder reisdocument in 2012 op grond van valse identiteitsgegevens. Ik merk hierbij op dat in de bewijsvoering van het hof als vaststelling besloten ligt dat de autoriteit die dat paspoort in 2012 heeft verstrekt geen kennis droeg van de valsheid van de opgegeven identiteitsgegevens. Het gaat daarbij (onder meer) om de naam [naam] die de verdachte in 2001 had opgegeven in haar asielverzoek. Blijkens bewijsmiddel 5 heeft de verdachte verklaard dat zij bij dat verzoek in 2001 bewust een valse naam heeft opgegeven. Dat in de Paspoortwet aan het opgeven van valse identiteitsgegevens zwaar wordt getild blijkt onder meer uit art. 24. Daarin is bepaald dat weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten kan geschieden indien (b) ‘het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden’. Daarbij is onder andere gedacht aan het zich op basis van valse gegevens laten verstrekken van reisdocumenten. Dat na de eerdere verstrekking van een reisdocument op basis van valse identiteitsgegevens voortaan niet zonder meer van die -valse- identiteit mag worden uitgegaan, volgt onder meer uit de artikelen 28 en 29. De tot beoordeling van de aanvraag bevoegde autoriteit ‘verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit’ van de aanvrager, die kan worden verzocht ‘de nodige bewijsstukken over te leggen’. En de aanvrager ‘dient bij zijn aanvraag alle Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage over te leggen, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken’. In de memorie van toelichting wordt in dit verband opgemerkt dat het niet of onvoldoende verlenen van medewerking bij de aanvraagprocedure ertoe kan leiden dat de autoriteiten niet goed kunnen beoordelen of op verantwoorde wijze tot verstrekking van een reisdocument kan worden overgegaan. Een reisdocument vervalt van rechtswege indien ‘door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het reisdocument’ (art. 47, eerste lid, onder h). Tegen de achtergrond van deze wettelijke regeling is het hof er naar het mij voorkomt terecht van uitgegaan dat de verdachte in de aanvraag voor de identiteitskaart (ook) de identiteitsgegevens had moeten opgeven die in haar Iraanse paspoort stonden vermeld. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

13. De stellers van het middel voeren, bij de bestrijding van het standpunt dat van het verstrekken van valse persoonsgegevens sprake is, nog aan dat de ambtenaar die in 2016 aan de verdachte een nieuw paspoort heeft verstrekt en daarbij is uitgegaan van de gegevens van het eerdere paspoort, wetende dat deze onjuist waren, zich bij juistheid van dat standpunt ook aan het misdrijf van art. 231 Sr schuldig heeft gemaakt. Dat lijkt mij te kort door de bocht. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich een identiteitsbewijs heeft doen verstrekken op grond van valse persoonsgegevens. Dat de verstrekte persoonsgegevens vals zijn impliceert nog niet dat de autoriteit die tot beoordeling van de aanvraag bevoegd is een identiteitsbewijs valselijk opmaakt indien ervoor wordt gekozen in het nieuwe identiteitsbewijs de gegevens die in een eerder Nederlands identiteitsbewijs zijn vermeld te gebruiken. Dat de verdachte de delictsomschrijving van art. 231 Sr heeft vervuld, betekent ook niet dat zij zich aan valsheid in geschrift schuldig heeft gemaakt als zij in ander verband (bij het aanvragen van een hypotheek bijvoorbeeld) met haar ‘Nederlandse’ naam heeft ondertekend. Dat is de naam waaronder zij in Nederland bekend is. Naar het mij voorkomt zou (onder omstandigheden) zelfs van valsheid in geschrift kunnen worden gesproken als zij voor of na 2014 formulieren met haar Iraanse naam zou hebben ondertekend, hoezeer dat ook haar ‘echte’ naam is. Onder die naam is zij in Nederland niet bekend. Maar in de bijzondere context van de aanvraag van een identiteitsbewijs mag van de verdachte worden verwacht dat zij opening van zaken geeft over haar werkelijke identiteit, zodat de bevoegde autoriteit, die dan tevens op de hoogte is van de naam waaronder eerder aan haar een identiteitsbewijs is verstrekt, verantwoorde keuzes kan maken.

14. De stellers van het middel klagen voorts over de verwerping van het verweer strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Betoogd wordt dat het bestuursorgaan (onherroepelijk) heeft vastgesteld dat de verdachte klaarblijkelijk heeft voldaan aan de voorwaarde van ‘show good cause for their illegal entry or presence’. Tegen die achtergrond zou uit het wettelijk systeem moeten worden afgeleid dat in zaken als de onderhavige een verdachte die heeft voldaan aan de in art. 31 Vluchtelingenverdrag gestelde eisen en aan wie vervolgens door Nederland een identiteitsbewijs en een verblijfsvergunning is verstrekt ondanks een mogelijk eerder gedane verstrekking van onjuiste identiteitsgegevens, niet strafbaar handelt indien hij of zij bij het wederom aanvragen van een identiteitsbewijs de gegevens opgeeft zoals deze blijken uit de eerdere verlening van de status als vluchteling en/of het eerder door Nederland verstrekte identiteitsbewijs. Het gevoerde verweer zou om die reden ten onrechte zijn verworpen, althans zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed.

15. Uw Raad heeft in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, NJ 2013/331 m.nt. Borgers het volgende overwogen:

‘2. Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing

2.1.

Art. 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951/131 en 1954/88; hierna: Vluchtelingenverdrag) luidt:

"The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence."

2.2.

In zijn arrest van 13 oktober 2009 (LJN BI1325, NJ 2009/531) heeft de Hoge Raad beslist dat bij de beoordeling van een beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag geen onderscheid moet worden gemaakt tussen "illegal entry or presence" enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds. Een andersluidende opvatting doet onvoldoende recht aan de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag om vluchtelingen onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens "illegal entry or presence" en zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekortdoen.

2.3.

Het 'Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees' houdt onder meer het volgende in:

"28. A person is a refugee within the meaning of the 1951 Convention as soon as he fulfils the criteria contained in the definition. This would necessarily occur prior to the time at which his refugee status is formally determined. Recognition of his refugee status does not therefore make him a refugee but declares him to be one. He does not become a refugee because of recognition, but is recognized because he is a refugee."

Onder meer gelet hierop moet worden aangenomen dat een vreemdeling vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dus als zodanig moet worden behandeld indien hij voldoet aan de criteria die zijn neergelegd in art. 1 van dat verdrag, zonder dat daartoe een erkenning van overheidswege is vereist.

2.4.

Dit brengt mee dat de vreemdeling die een beroep doet op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag, zodanige feiten en omstandigheden zal moeten aanvoeren en zo nodig aannemelijk zal dienen te maken dat zijn beroep op de vluchtelingenstatus gegrond wordt geoordeeld. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met moeilijkheden die de vreemdeling kan ondervinden bij de onderbouwing van zijn beroep. In dit verband kan worden verwezen naar hetgeen voormeld Handbook op dit punt inhoudt:

"190. It should be recalled that an applicant for refugee status is normally in a particularly vulnerable situation. He finds himself in an alien environment and may experience serious difficulties, technical and psychological, in submitting his case to the authorities of a foreign country, often in a language not his own. His application should therefore be examined within the framework of specially established procedures by qualified personnel having the necessary knowledge and experience, and an understanding of an applicant's particular difficulties and needs.

(...)

196. It is a general legal principle that the burden of proof lies on the person submitting a claim. Often, however, an applicant may not be able to support his statements by documentary or other proof, and cases in which an applicant can provide evidence of all his statements will be the exception rather than the rule. In most cases a person fleeing from persecution will have arrived with the barest necessities and very frequently even without personal documents. Thus, while the burden of proof in principle rests on the applicant, the duty to ascertain and evaluate all the relevant facts is shared between the applicant and the examiner. Indeed, in some cases, it may be for the examiner to use all the means at his disposal to produce the necessary evidence in support of the application. Even such independent research may not, however, always be successful and there may also be statements that are not susceptible of proof. In such cases, if the applicant's account appears credible, he should, unless there are good reasons to the contrary, be given the benefit of the doubt."

2.5.

Vaak zal een vreemdeling met een beroep op zijn vluchtelingenstatus een aanvrage tot verblijf in Nederland indienen. Dan zijn het de Minister en - na ingesteld beroep - de bestuursrechter die oordelen over de aannemelijkheid van, kort gezegd, het vluchtrelaas. Een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter brengt, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, mee dat in het geval dat de daartoe bij uitstek aangewezen hoogste bestuursrechter in een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang onherroepelijk heeft beslist dat het beroep van de vreemdeling op de vluchtelingenstatus ongegrond is, de strafrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - in beginsel van dat oordeel van deze bestuursrechter (en ingeval geen beroep is ingesteld: dat van de Minister) dient uit te gaan en zich niet opnieuw zelfstandig een oordeel over het beroep op de vluchtelingenstatus vormt.

2.6.

Met het uitgangspunt dat het Vluchtelingenverdrag ertoe strekt vluchtelingen bescherming te verlenen alsook met het uitgangspunt dat - gelet op het hiervoor onder 2.4 overwogene - in het kader van de beoordeling van het beroep van een vreemdeling op zijn status van vluchteling geen eenzijdige bewijslast op hem mag worden gelegd, strookt niet dat een vreemdeling die wordt vervolgd wegens het vervalste documenten in zijn bezit hebben of aangewend hebben in het kader van zijn vlucht, slechts dan met vrucht een beroep zou kunnen doen op art. 31 Vluchtelingenverdrag indien ten tijde van het instellen van de vervolging zou vaststaan dat hij aan alle voorwaarden voor de erkenning als vluchteling voldoet. Dat is in strijd met de geest van het Vluchtelingenverdrag.

2.7.

Daarbij komt dat zo een standpunt blijk geeft van een onredelijke risicoverdeling. De vreemdeling wiens vluchtrelaas nadien door de Minister of de bestuursrechter aannemelijk wordt geoordeeld, zal immers om zijn veroordeling door de strafrechter ongedaan te maken, een herzieningsprocedure moeten entameren. Daartegenover staat dat indien de vreemdeling vooralsnog het voordeel van de twijfel wordt gegund, het openbaar ministerie, gelet op de bescherming die art. 31 Vluchtelingenverdrag beoogt te bieden, in de gevallen waarin de vreemdeling met een beroep op zijn vluchtelingenstatus een aanvrage tot verblijf in Nederland heeft ingediend, slechts zolang omtrent die aanvrage niet onherroepelijk is beslist, in de vervolging ter zake van art. 231 Sr niet-ontvankelijk is. Het gaat hier om een tijdelijk vervolgingsbeletsel. Niets belet immers het openbaar ministerie de vreemdeling eerst (of na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring door de strafrechter: opnieuw) te vervolgen ter zake van art. 231 Sr indien zijn status van vluchteling niet is erkend.

2.8.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het openbaar ministerie alleen dan ontvankelijk is in de vervolging indien onverwijld en zonder nader onderzoek - bijvoorbeeld na de hiervoor onder 2.5 bedoelde procedure - kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. Indien geen sprake is van evidente ongegrondheid van die stelling, zal de strafrechter het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

2.9.

Het is tegen deze achtergrond dat in HR 8 maart 2011, LJN BO2915, NJ 2011/242 is geoordeeld dat, kort gezegd, het openbaar ministerie handelt in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en, voor zover hier van belang, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - dat in strafrechtspraak ook wel wordt omschreven als het verbod van willekeur - door tot vervolging over te gaan terwijl het, onder de omstandigheden als door het Hof in die zaak vastgesteld, niet evident was dat de verdachte niet de bescherming genoot van art. 31 Vluchtelingenverdrag. Dan gaat het er dus om dat tegen de achtergrond van de bescherming die het Vluchtelingenverdrag biedt, de lastige bewijspositie waarin een vreemdeling verkeert, en de mogelijkheid eerst later een vervolging in te stellen, een redelijk handelend lid van het openbaar ministerie niet tot vervolging ter zake van het misdrijf van art. 231 Sr kan overgaan zolang niet aannemelijk is dat de vreemdeling niet de bescherming geniet van art. 31 Vluchtelingenverdrag.’

16. Uit de geciteerde overwegingen volgt dat de door Uw Raad geformuleerde grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is gekoppeld aan de situatie waarin aan de vreemdeling mogelijk bescherming wordt geboden door art. 31 Vluchtelingenverdrag. Dat is de situatie waarin vluchtelingen ‘coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence’. De grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging vindt blijkens de verwijzing naar het ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees’ mede grond in de ‘particularly vulnerable situation’ waarin de betrokkene zich bevindt, in ‘an alien environment’ waarin hij of zij ‘serious difficulties’, ook van psychologische aard, kan ondervinden bij het voorleggen van zijn zaak aan de autoriteiten. Dat is niet de situatie waarin de verdachte zich bevond toen zij op 24 november 2014 de aanvraag Identiteitskaart indiende. Uit de bewijsmiddelen volgt, als gezegd, dat de verdachte heeft verklaard ‘dat zij in 2001 bewust een valse naam heeft opgegeven bij haar asielverzoek in Nederland’ (bewijsmiddel 5). Daarmee is gegeven dat de situatie waar art. 31 Vluchtelingenverdrag op ziet, ten tijde van het tenlastegelegde feit niet (meer) aan de orde was. Dat wordt in het middel ook niet bestreden.

17. Het middel hinkt op meerdere gedachten. De verdachte zou niet strafbaar hebben gehandeld door de gegevens op te geven die op het eerder door Nederland verstrekte identiteitsbewijs zijn vermeld. Daardoor zou het verweer ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten onrechte zijn verworpen, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed. Het komt mij voor dat het hof, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, toereikend heeft beargumenteerd waarom het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is verworpen. De verdachte verblijft, zo overweegt het hof, al ruim zeventien jaren in Nederland, en in 2001 is onherroepelijk beslist op haar eerste asielaanvraag. Een beroep op een strafuitsluitingsgrond is in feitelijke aanleg niet gedaan. Daarbij ligt in de wettelijke regeling besloten dat van een persoon die in de positie verkeert waarin de verdachte zich bevond, in beginsel verwacht mag worden dat opening van zaken over de werkelijke identiteit wordt geboden. Aan de toereikendheid van de bewijsmotivering doet het aangevoerde ten slotte niet af.

18. Het middel faalt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

In de toelichting op het middel wordt abusievelijk gesproken van de aanvraag van een nieuw paspoort.

Kamerstukken II 1999/2000, 26 977 (R1644), nr. 3, p. 15-16.

Kamerstukken II 1987/1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, p. 90.

Bij de gedingstukken bevindt zich een door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2018 overgelegd stuk van de IND van 18 augustus 2015, betreffende het voornemen tot het intrekken van het Nederlanderschap van de verdachte. Daarin is vermeld dat bij uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het tegen de beschikking waarbij de eerste asielaanvraag is afgewezen ingediende beroepschrift op 10 januari 2002 ongegrond is verklaard, waarmee de beslissing onherroepelijk is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature