< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummers:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 31 december 2020 inzake: nrs. 19/00789; 19/02338; 19/05853; 20/00162; 20/00164

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

C.M. Ettema

Advocaat-Generaal

Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 31 december 2020 inzake:

Nrs. 19/00789; 19/02338; 19/05853; 20/00162; 20/00164

 Derde Kamer A

1 Waar deze bijlage over gaat

1.1

De vijf zaken waarvoor deze gemeenschappelijke bijlage is geschreven, hebben gemeen dat van de belanghebbenden accijns is nageheven omdat bij hen partijen minerale olie zijn aangetroffen in slobtanks respectievelijk bunkertanks op hun schip.

1.2

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd wegens het voorhanden hebben van een accijnsgoed als bedoeld in artikel 2(1) aanhef en b Wet op de accijns (WA). Ingevolge die bepaling wordt onder uitslag tot verbruik verstaan “het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving”. De verschuldigde accijns wordt geheven van de voorhandenhebber (artikel 51(1) aanhef en b WA).

1.3

Aan het belastbaar feit ‘voorhanden hebben’ heb ik uitgebreid aandacht besteed in de conclusie van 31 januari 2020 voor de zaak met nummer 19/01068. In onderdeel 4 van die conclusie heb ik onder meer de vragen behandeld of de voor de toepassing van de artikelen 2f en 51(1)f WA (oud) door de Hoge Raad ontwikkelde vereisten voor ‘voorhanden hebben’, kortweg: feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap, na de implementatie van de bepalingen van richtlijn 2008/118/EG (Accijnsrichtlijn) per 1 april 2010 in de WA nog steeds gelden. Ik ben tot de slotsom gekomen dat ook voor ‘voorhanden hebben’ in de zin van artikel 2(1)b WA feitelijke beschikkingsmacht is vereist (zie 4.5 - 4.8 van de genoemde conclusie), maar dat het Unierechtelijk niet clair of éclairé is of de in artikel 8(1)d richtlijn Accijnsrichtlijn genoemde personen enkel kunnen worden verplicht de accijns te betalen, indien zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat de goederen voorhanden worden gehouden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat de verschuldigde accijns is geheven. In verband met dit laatste heb ik de Hoge Raad in overweging gegeven prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Hoewel de desbetreffende zaak handelt over een ‘betrokkene’ bij het voorhanden hebben, hebben mijn overwegingen en de voorgestelde prejudiciële vraag betrekking op alle in artikel 8(1)b van de richtlijn genoemde personen en dus ook op de voorhandenhebber zelf.

1.4

In deze gemeenschappelijke bijlage laat ik het wetenschapscriterium verder rusten. Ik behandel enkel in abstracto de vraag welke stappen moeten worden gezet om te kunnen beoordelen of de belanghebbenden de minerale olie voorhanden hebben gehad in de zin van artikel 2(1)b WA. De beoordeling van de wetenschap zou zo nodig aan die stappen kunnen worden toegevoegd.

1.5

In de onderhavige zaken is niet in geschil dat de belanghebbenden de feitelijke beschikkingsmacht hebben verkregen over de partijen minerale olie. Het hebben van de feitelijke beschikkingsmacht is echter nog niet voldoende om te kunnen concluderen dat de belanghebbenden de olie voorhanden hebben gehad in de zin van artikel 2(1)b WA. Het voorhanden hebben moet volgens die bepaling plaatsvinden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat over het goed accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. In deze gemeenschappelijke bijlage concentreer ik mij op de vraag hoe dit laatste zou moet worden beoordeeld. De uitspraken van de feitelijke instanties ín de onderliggende zaken, lopen op dit punt uiteen.

1.6

In deze bijlage beschrijf ik eerst kort het (wettelijk) kader van de Accijnsrichtlijn en het toepasselijke bewijsrecht. Vervolgens behandel ik de regels voor de bewijslastverdeling volgens het nationale procesrecht en de reikwijdte van de op artikel 80 WA gebaseerde bepalingen.

2. De regeling in de Accijnsrichtlijn en de bewijslastverdeling volgens het nationale procesrecht

2.1

Het ‘voorhanden hebben’ als hiervoor bedoeld is in artikel 7(2)b Accijnsrichtlijn geregeld. Artikel 8(1)b van die richtlijn bepaalt wie de persoon is die de verschuldigd geworden accijns moet voldoen. De artikelen 2(1)b en 51(1)b WA komen nagenoeg woordelijk met deze richtlijnbepalingen overeen.

2.2

In de voorloper van de Accijnsrichtlijn, richtlijn 92/12/EEG, ontbraken deze bepalingen. Toch werd het voorhanden hebben van een accijnsgoed onder de werking van die richtlijn als uitslag tot verbruik beschouwd als het accijnsgoed aan een schorsingsregeling is onttrokken zonder dat de accijns is voldaan. In het arrest Van de Water overweegt het Hof van Justitie in dit verband onder meer (cursiveringen van mijn hand):

“34. Zoals de Nederlandse regering en de Commissie hebben opgemerkt, volgt uit de opzet van de richtlijn en uit de bepalingen daarvan betreffende de definitie en de werking van de belastingentrepots en de schorsingsregeling, zoals de artikelen 4, sub b en c, 11, lid 2, 12 en 15, lid 1, dat een accijnsgoed dat buiten een schorsingsregeling voorhanden wordt gehouden, noodzakelijkerwijs ooit, op welke wijze dan ook, is uitgeslagen tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1.

35 Ingevolge artikel 6, lid 1, van de richtlijn worden als uitslag tot verbruik beschouwd, niet alleen iedere fabricage en invoer van accijnsproducten buiten een schorsingsregeling, maar eveneens iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling. Door een dergelijke „onttrekking" gelijk te stellen met uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, heeft de gemeenschapswetgever duidelijk gemaakt dat alle productie, verwerking, voorhanden hebben of verkeer buiten een schorsingsregeling, leidt tot verschuldigdheid van de accijns.

36 Wanneer derhalve voor de nationale rechter is aangetoond, dat een accijnsproduct aan een schorsingsregeling is onttrokken zonder dat de accijns is voldaan, staat vast dat het voorhanden hebben van dit product uitslag tot verbruik is in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn en dat de accijns verschuldigd is geworden.”

2.3

Om te kunnen concluderen tot de hier bedoelde vorm van uitslag tot verbruik moet dus worden aangetoond dat een accijnsproduct aan een schorsingsregeling is onttrokken zonder dat de verschuldigde accijns is voldaan. Ik zie geen redenen om aan te nemen dat dit niet ook onverkort geldt voor toepassing van artikel 7(2)b Accijnsrichtlijn (en dus ook voor artikel 2(1)b WA).

2.4

Dat roept de vragen op welke partij moet aantonen dat een accijnsproduct aan een schorsingsregeling is onttrokken zonder dat de verschuldigde accijns is voldaan en welke bewijsmiddelen zijn toegestaan. Omdat de Accijnsrichtlijn geen (algemene) voorschriften met betrekking tot de bewijsvoering bevat, noch voorschriften omtrent de ontvankelijkheid van specifieke bewijsmiddelen, moeten die vragen worden beoordeeld aan de hand van het nationale procesrecht. Alle bewijsmiddelen die het nationale procesrecht kent zijn toelaatbaar. De procedurele autonomie van de lidstaten wordt enkel begrensd door de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.

2.5

Volgens de huidige nationale doctrine in belastingzaken bepaalt de materieelrechtelijke norm hoe de bewijslast moet worden verdeeld. Als de bewijslastverdeling niet reeds uit een wettelijk voorschrift volgt, heeft de partij die een gewenst rechtsgevolg inroept, de bewijslast van de benodigde feiten en omstandigheden.

2.6

Artikel 2(1)b WA bevat geen specifieke voorschriften over het bewijs, zodat de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast gelden. Hierna zet ik uiteen dat deze regels naar mijn mening meebrengen dat de stelplicht en bewijslast voor uitslag tot verbruik als bedoeld in artikel 2(1)b WA in beginsel bij de inspecteur ligt. Hij moet feiten en omstandigheden aandragen, en bij betwisting door de belanghebbende, aannemelijk maken die tot de slotsom leiden dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende het accijnsgoed voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De vraag welke rol herkomstbescheiden daarbij spelen komt daarbij ook aan de orde.

Stelplicht en bewijslast

2.7

Over de stelplicht heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in zijn arrest van 13 oktober 2006, nr. 40 185. In die zaak hield de belanghebbende zich bezig met het transport van zware stookolie in opdracht van derden, die de stookolie gebruikten voor de aandrijving van hun schip (zogenoemde bunkerolie). De inspecteur had accijns en belasting op brandstoffen van de belanghebbende nageheven op de grond dat niet aan de hand van bescheiden de herkomst van de partij stookolie kon worden aangetoond, waardoor de belanghebbende niet had voldaan aan de verplichtingen van het op artikel 80 WA gegronde artikel 34(1) UB accijns, zoals uitgewerkt in artikel 54 UR accijns, en dat ook anderszins niet kon worden aangetoond dat de partij stookolie overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing was betrokken. De Hoge Raad overweegt:

“3.3. Middel II strekt ten betoge dat met betrekking tot de partij stookolie geen belastingschuld is ontstaan, daar ter zake van de uitslag van deze partij uit de accijnsgoederenplaats van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats de in artikel 66 van de Wet accijns voorziene vrijstelling gold.

Dit in de kern ook voor het Hof reeds gehouden betoog vindt niet zijn weerlegging in 's Hofs vaststelling dat belanghebbende tijdens het vervoer van de partij stookolie geen documenten kon tonen als bedoeld in artikel 54, lid 1, van de Reg. accijns. Voor de toepassing van artikel 2f van de Wet accijns [CE: de voorloper van artikel 2(1)aanhef en b WA] is in dit geval van belang of met betrekking tot de olie die bij belanghebbende is aangetroffen al een belastbaar feit is ontstaan en de olie niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet accijns in de heffing is betrokken. Het antwoord op de vraag of laatstgenoemde omstandigheid zich voordoet, hangt af van het handelen van andere personen dan belanghebbende. Het Hof heeft zulks miskend, nu het zijn oordeel heeft gegeven zonder omtrent zodanig handelen iets te hebben vastgesteld.

Middel II slaagt derhalve. De overige middelen behoeven geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat ten tijde dat belanghebbende de partij olie voorhanden kreeg, deze olie niet overeenkomstig de Wet accijns in de heffing was betrokken. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat het laatste niet het geval is geweest. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, zodat deze moeten worden vernietigd.”

2.8

Omdat de inspecteur in die zaak niet had gesteld dat ten tijde van het voorhanden krijgen de olie niet overeenkomstig de WA in de heffing was betrokken, gaat de Hoge Raad ervan uit dat dat wel is gebeurd.

2.9

Uit dit arrest leid ik af dat een inspecteur, wil hij met succes op grond van artikel 2(1)b WA accijns naheffen, ten minste moet stellen dat de accijnsgoederen die een belanghebbende voorhanden krijgt niet eerder in de heffing zijn betrokken overeenkomstig de bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.

2.10

De bewijslast voor die stelling ligt ook bij hem.

2.11

Zoals eerder opgemerkt bevat artikel 2(1)b WA geen specifieke voorschriften over de bewijslastverdeling of bewijsmiddelen. Het nationale (proces)recht kent ook niet een wettelijke regel die voorschrijft wie op welke wijze moet aantonen dat van accijnsgoederen die een persoon voorhanden krijgt de accijns is geheven. De verplichtingen van het op artikel 80 WA gegronde artikel 34(1) UB accijns en artikel 54 UR accijns, kunnen naar mijn mening niet als zo een specifiek bewijsvoorschrift worden beschouwd. Die bepalingen betreffen ‘slechts’ controlebepalingen en het niet nakomen van die bepalingen kan worden bestraft.

2.12

Artikel 80(1)aanhef en c WA bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur, ter verzekering van de heffing van accijns, regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsgoederenplaats. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het artikel. Deze bepaling luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van accijns, regels worden gesteld met betrekking tot:

(…)

c. het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats.

(…)

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.”

2.13

Het eerste lid van artikel 80 WA is uitgewerkt in artikel 34 UB accijns. In de laatstgenoemde bepaling is de verplichting opgenomen aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen aan te tonen. De bepaling luidt als volgt (voor zover relevant):

“1. Van accijnsgoederen, andere dan tabaksproducten die zijn voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels, die worden vervoerd of voorhanden zijn, niet zijnde onder een accijnsschorsingsregeling, wordt aan de hand van bescheiden de herkomst aangetoond.2. Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd, niet zijnde onder een accijnsschorsingsregeling, mag niet ouder zijn dan zes dagen, tenzij wordt aangetoond dat het vervoer langer dan zes dagen geleden is aangevangen.

3. (…).”

2.14

Het derde lid van artikel 80 WA is uitgewerkt in artikel 54 UR accijns. In die bepaling is geregeld dat als een bedoeld bescheid kan dienen een factuur of een vervoersbescheid. De bepaling luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

“1. Als een in artikel 34, eerste lid, van het besluit bedoeld bescheid kan dienen een factuur of een vervoersbescheid. Indien het bescheid betrekking heeft op het vervoer van wijn kan, in plaats van de factuur of het vervoersbescheid, als bescheid tevens dienen een etiket dat op de andere verpakking dan de rechtstreekse verpakking van de wijn is aangebracht.

2. Een kopie van het bescheid wordt bij de administratie bewaard.

3. Het bescheid vermeldt de volgende gegevens:

a. de plaats en dagtekening van afgifte;

b. de naam, het adres en de hoedanigheid van de afzender;

c. de naam, het adres en de hoedanigheid van de ontbieder en de plaats waar het pand zich bevindt waar de goederen naartoe worden vervoerd;

d. de soort van de accijnsgoederen naar de onderscheidingen van de wet en de hoeveelheid van de accijnsgoederen;

e. de merken en nummers, aantal en soort van de verpakkingen.”

2.15

Over het karakter van artikel 80 WA is in de memorie van antwoord het volgende opgemerkt:

“Artikel 81 [CE: thans artikel 80] heeft het karakter van een controlebepaling. Een ingevolge dit artikel toegepast systeem van geleidebiljetten moet het mogelijk maken na te gaan of accijnsgoederen die zich bevinden in het zogenoemde vrije verkeer, dat wil zeggen buiten het toezicht van de belastingdienst, op regelmatige wijze in de heffing zijn betrokken. Dit ter onderscheiding van de ingevolge de artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden voor het vervoer van accijnsgoederen die zich bevinden onder het toezicht van de belastingdienst en waarvan in beginsel nog accijns kan worden geheven. Het gaat bij het toezicht op het vervoer in het vrije verkeer om hoeveelheden boven te stellen minima. Het is niet de bedoeling dat het normale particuliere vervoer van boodschappen daar onder valt.”

2.16

De nota van toelichting op het UB accijns vermeldt onder meer:

“Met betrekking tot het vervoer en voorhanden hebben van accijnsgoederen waarvan in Nederland de accijns reeds is voldaan, was, met uitzondering van de overige alcoholhoudende produkten, niet voorgeschreven dat de herkomst moet kunnen worden aangetoond. Hierdoor zou een uit controle-overwegingen ongewenste leemte ontstaan. Bij het vervoer en voorhanden hebben van accijnsgoederen waarbij geen bescheid aanwezig is, zou er vanuit moeten worden gegaan dat deze goederen inclusief accijns in Nederland zijn betrokken.

Uit dien hoofde is de reikwijdte van artikel 34 uitgebreid tot alle accijnsgoederen met uitzondering van tabaksprodukten die reeds zijn voorzien van de Nederlandse accijnszegels (eerste lid). (...)”

2.17

In de nota van toelichting op het Besluit van 22 januari 2003 tot wijziging van het UB accijns is onder meer het volgende vermeld:

“Op grond van artikel 80 van de Wet op de accijns kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter verzekering van de heffing van accijns regels worden gesteld met betrekking tot het vervoer, het leveren en het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats. Deze regeling is onder meer uitgewerkt in artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns. Ingevolge deze bepaling dient bij het vervoer van accijnsgoederen die al zijn uitgeslagen een bescheid aanwezig te zijn aan de hand waarvan de herkomst kan worden aangetoond. Deze regel strekt ertoe het mogelijk te maken na te gaan of accijnsgoederen, die zich bevinden buiten een accijnsgoederenplaats, op regelmatige wijze in de heffing zijn betrokken.”

2.18

Ter gelegenheid van de wijziging van de WA in verband met de implementatie van Accijnsrichtlijn is in de memorie van antwoord het volgende opgemerkt:

“Op grond van artikel 80 van de wet, artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 54 van de Uitvoeringsregeling accijns moet aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen kunnen worden aangetoond, indien deze goederen worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een accijnsgoederenplaats. Indien degene die de accijnsgoederen voorhanden heeft de herkomst niet aan de hand van bescheiden kan aantonen, rust op hem de bewijslast; hij zal dan moeten aantonen dat de accijnsgoederen overeenkomstig de bepalingen van de wet in de heffing van zijn betrokken (zie Hoge Raad 24 augustus 1999, nr. 34 164, BNB 1999/383). Indien hij daarin niet slaagt, is sprake van het in het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde belastbare feit. De inspecteur kan de belasting dan van hem naheffen.”

2.19

In het in het citaat genoemde arrest van de Hoge Raad 24 augustus 1999, nr. 34 164, stond de toepassing van artikel 2f WA (oud) – de voorloper van artikel 2(1)b WA – centraal. In dat arrest, dat is gewezen in de eerdergenoemde zaak Van de Water, komt de Hoge Raad tot de slotsom dat prejudiciële vragen moeten worden voorgelegd aan het Hof van Justitie. De algemene bewijsregel zoals geformuleerd in het geciteerde deel uit de memorie van antwoord valt mijns inziens niet uit dat arrest af te leiden. Ook zijn mij niet andere arresten van de Hoge Raad bekend waaruit een dergelijke algemene regel valt af te leiden.

2.20

Ik concludeer dat de op artikel 80 WA gegronde bepalingen slechts controlebepalingen bevatten die de inspecteur in staat stellen de herkomst van de accijnsgoederen te achterhalen en die hem dus kunnen helpen het bewijs te vergaren voor de stelling dat ten tijde van het voorhanden krijgen het accijnsgoed niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken.

2.21

Ook Van Brummelen denkt daar zo over. Hij verwoordt dat in zijn noot in BNB 2005/23 bij het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, nr. 38 481, als volgt:

“7. (…) Er bestaat echter geen wettelijke verplichting om van accijnsgoederen die voorhanden worden gehouden aan te kunnen tonen dat de accijns is voldaan. De genoemde verplichting van artikel 80 om de herkomst aan te tonen maakt het voor de douane mogelijk om het spoor terug te volgen naar voorgaande handelsschakels om aldus na te gaan of op enig moment de accijns is voldaan.”

2.22

In zijn conclusie voor de zaak die tot laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad heeft geleid, schrijft A-G Overgaauw onder meer:

“3.2.3.4. Tekst noch parlementaire geschiedenis van artikel 80 van de Wet bieden steun aan de opvatting dat het enkele niet-voldoen aan administratieve verplichtingen [CE: het niet-aantonen van de herkomst van de accijnsgoederen] moet leiden tot een belastingschuld ingevolge artikel 2f van de Wet. Voor heffing op de voet van artikel 2f van de Wet zal de Inspecteur mitsdien meer feiten en omstandigheden moeten aanvoeren dan alleen de constatering dat er administratieve verplichtingen zijn geschonden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de prijsstelling, omdat aangenomen mag worden dat inkoopprijzen die evident beneden de marktprijs liggen bij een koper de gedachte zou moeten doen opkomen dat deze accijnsgoederen mogelijk ten onrechte nog niet zijn veraccijnsd.”

2.23

Het niet voldoen aan de verplichting van het op artikel 80 WA gegronde artikel 34(1) UB accijns, zoals uitgewerkt in artikel 54 UR accijns, leidt niet zonder meer tot uitslag tot verbruik als bedoeld in artikel 2(1)b WA. Daarvan is pas sprake als met betrekking tot een accijnsgoed dat bij een belanghebbende wordt aangetroffen al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.

2.24

Het in strijd met artikel 34 UB accijns voorhanden hebben zonder herkomstbescheid is wel een strafbaar feit (artikel 42(b) UB accijns en artikel 70 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). De strafbaarheid is in de zaken waar deze bijlage bij hoort voor zover mij bekend echter niet aan de orde.

Aannemelijk maken

2.25

In haar aantekening in FED 2005/4 bij het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004 schrijft ook Punt dat op de inspecteur de last rust te bewijzen dat de accijnsgoederen niet in de heffing zijn betrokken. Ik citeer:

“2. (…)

Dat de accijnsgoederen niet in de heffing zijn betrokken of zouden worden betrokken, moet door de inspecteur worden bewezen. Hij moet derhalve komen met omstandigheden en feiten die een belastbaar feit met betrekking tot de goederen aannemelijk maken alsmede aannemelijk maken dat degene die volgens de wet is aangewezen als schuldenaar, niet voldaan heeft aan de verplichting de accijns te voldoen. Zo bezien gaat het erom dat duidelijk wordt wat er aan de hand was met de accijnsgoederen (hoe kwamen deze goederen in handen van de betreffende persoon), wat was het belastbare feit en waarom is aan een heffing van accijns niet toegekomen? (…) Een geslaagd beroep op art. 2f WA is dus afhankelijk van de informatie waarover de inspecteur beschikt met betrekking tot wat er met de goederen is gebeurd.”

2.26

A-G De Wit is het op zich met de visie van Punt eens, maar wijst erop dat het bewijs voor de inspecteur moeilijk te leveren zal zijn als de belanghebbende zwijgt over de herkomst van de goederen:

“5.1.7 (…) In het algemeen lijkt de met die visie voorgestelde bewijslastverdeling - want daar hebben we het in wezen over - juist. Naar mijn mening komt de bewijslast evenwel niet van meet af aan of zo men wil in volle omvang aan de inspecteur toe. In situaties waarin de voorhandenhebber niet kan aangeven van wie de aangetroffen accijnsgoederen zijn betrokken of zich daaromtrent, om welke reden dan ook, in een zwijgen hult, biedt voornoemde bewijslastverdeling immers geen uitkomst. Het lijkt mij dan ook geen onredelijke eis om van bijvoorbeeld een vervoerder van accijnsgoederen te verlangen dat hij de inspecteur op diens verzoek informeert over de identiteit van zijn opdrachtgever. Indien een dergelijke bewijslastverdeling niet gevolgd zou worden, zou dit feitelijk neerkomen op een vrijbrief om accijnsgoederen te vervoeren zonder op dat moment of zelfs achteraf over enige documentatie met betrekking tot de opdrachtgever te beschikken. Indien zich een dergelijke situatie voordoet (de voorhandenhebber geeft niets prijs over diegene van wie de accijnsgoederen zijn betrokken) ontstaat naar ik meen het weerlegbare vermoeden dát er zich een belastbaar feit heeft voorgedaan, waarbij ten onrechte geen accijns is geheven.”

2.27

Van Brummelen meent dat het niet zo kan zijn dat personen die verkiezen om te zwijgen op die manier naheffing van accijns zouden kunnen voorkomen. Hij schrijft in zijn noot bij het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006 in BNB 2007/59 onder meer (CE: voetnoten niet overgenomen):

“3. (…) De vraag is echter in veel gevallen hoe de inspecteur zou moeten bewijzen dat accijnsgoederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken. De wetgever heeft op dit punt de inspecteur voorzien van enige controlebepalingen. Op grond van art. 80 van de Wet op de accijns juncto art. 34 Uitvoeringsbesluit accijns en art. 54 Uitvoeringsregeling accijns dient aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen te kunnen worden aangetoond indien deze goederen worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een accijnsgoederenplaats of een entrepot. De over te leggen herkomstbescheiden stellen de inspecteur in staat om, desgewenst, na te gaan of in één van de vorige handelsschakels op enig moment de accijns is voldaan, dan wel de accijnsheffing terecht achterwege is gebleven. Een belangwekkende vraag die onbeantwoord blijft in het onderwerpelijke arrest is de vraag wat rechtens is indien iemand verkiest om tot en met de beroepsfase - in strijd met zijn wettelijke plicht - geen enkele mededeling te doen omtrent de herkomst van door hem voorhanden gehouden accijnsgoederen. Het kan uiteraard niet zo zijn dat personen die verkiezen om te zwijgen op die manier naheffing van accijns zouden kunnen voorkomen. A-G De Wit beredeneert in zijn conclusie dat, wanneer de voorhandenhebber niets prijs geeft over de herkomst van de voorhanden gehouden accijnsgoederen (en daarmee de inspecteur de mogelijkheid ontneemt om na te gaan of de accijnsheffing ten aanzien van de goederen correct is verlopen), het weerlegbare vermoeden ontstaat dat er zich ten aanzien van de goederen een belastbaar feit heeft voorgedaan, waarbij ten onrechte geen accijns is geheven. Voor ontzenuwing van een dergelijk vermoeden is niet vereist dat 'aannemelijk wordt gemaakt' of wordt 'aangetoond' dat het vermoeden niet klopt; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, 'redelijkerwijs moet worden betwijfeld' dat het vermoeden juist is.

Ongetwijfeld zal in toekomstige arresten duidelijk worden of de Hoge Raad bereid is een dergelijk weerlegbaar vermoeden te aanvaarden. De toepassing van art. 2f van de Wet op de accijns is ook na onderwerpelijk arrest nog altijd niet volledig uitgekristalliseerd.”

2.28

Ik ben het met A-G De Wit en Van Brummelen eens dat niet in alle gevallen van de inspecteur kan worden verlangd dat hij feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die leiden tot de slotsom dat voor een accijnsgoed dat bij belanghebbende is aangetroffen al een belastbaar feit is ontstaan waarvoor geen accijns is voldaan. Als de inspecteur niet en de belanghebbende wel over gegevens beschikt die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de vragen of eerder een belastbaar feit heeft plaatsgevonden en dat feit niet in de heffing van accijns is betrokken, zal de belanghebbende de inspecteur desgevraagd moeten informeren over de wijze waarop de goederen onder hem zijn gekomen. Als hij de goederen heeft verkregen van een ander of heeft vervoerd in opdracht van een andere persoon, dan zal de belanghebbende op verzoek inlichtingen over die andere persoon moeten geven, zoals de identiteit van die persoon.

2.29

Kan een belanghebbende de identiteit van de andere persoon niet noemen of andere relevante gegevens over een eventueel eerder belastbare feit niet verstrekken of weigert hij dat simpelweg, dan zou een inspecteur zich in voorkomende gevallen op het standpunt kunnen stellen dat in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd dat hij het bewijs levert dat eerder een belastbaar feit heeft plaatsgevonden zonder dat accijns is voldaan. Het is dan aan de rechter te beoordelen of die omstandigheid de inspecteur in een zodanige bewijsnood brengt dat dat ertoe moet leiden dat de bewijslast in een dergelijk geval verschuift naar de belanghebbende omdat hij de persoon is die de bewijsnood veroorzaakt. Ook zou de rechter aan de weigering het (weerlegbare) vermoeden kunnen ontlenen dat eerder een belastbaar feit heeft plaatsgevonden zonder dat accijns is voldaan. Vervolgens zal de rechter moeten beoordelen of de belanghebbende dit vermoeden weet te ontzenuwen.

2.30

Hoewel de rechter kan beslissen dat in een geval van bewijsnood de bewijslast op de belanghebbende wordt gelegd, kan ik me eerlijk gezegd niet goed voorstellen dat de inspecteur in de praktijk in een situatie van bewijsnood kan geraken die niet door hemzelf is veroorzaakt. Dat hangt samen met de omstandigheid dat de wet de inspecteur verscheidene controlebevoegdheden en stevige dwangmiddelen geeft om af te dwingen dat de benodigde informatie daadwerkelijk wordt verstrekt en die zelfs ertoe kunnen leiden dat de bewijslast moet worden omgekeerd. Naast de controlebevoegdheden en dwangmiddelen die voortvloeien uit de WA, zoals het op artikel 80 WA gegronde artikel 34 UB accijns en de strafbepaling in artikel 42(b) UB accijns (zie de onderdelen 2.12 e.v.) en de artikelen 83 en 84 WA (fysieke controle op het nakomen van fiscale verplichtingen en monsterneming), biedt de AWR de inspecteur de mogelijkheid om gegevens en inlichtingen bij de belanghebbende op te vragen of te verzoeken boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen die voor de belastingheffing ten aanzien van die persoon zelf van belang kunnen zijn (artikel 47(1)a en b AWR). Verzoekt de inspecteur op de voet van artikel 47(1) AWR om informatie en komt de belanghebbende niet met voldoende dienstige en betrouwbare gegevens, dan kan een in de informatiebeschikking geconstateerd informatieverzuim tot omkering van de bewijslast leiden (artikelen 52a(1), 25(3) en 27e(1) AWR). Dat verzuim is ook nog eens strafbaar gesteld in artikel 68 AWR. Als een inspecteur niet (optimaal) gebruik maakt van deze wettelijke bevoegdheden om informatie te vergaren, zou ik menen dat een situatie van bewijsnood door eigen toedoen of schuld wordt veroorzaakt en dat hij het bewijsrisico moet dragen.

2.31

Indien de belanghebbende wel de gevraagde gegevens verstrekt, dan ligt het op de weg van de inspecteur om aan de hand van die gegevens te onderzoeken of eerder een belastbaar feit heeft plaatsgevonden zonder dat de verschuldigde accijns is voldaan. Dat hoeven in mijn ogen niet per se de bescheiden te zijn die worden genoemd in de op artikel 80 WA gegronde bepalingen. Alle gegevens die in de omstandigheden van het geval concrete en betrouwbare informatie bevatten over een eventueel eerder belastbaar feit voldoen. Als, om de woorden van A-G De Wit te gebruiken, die gegevens de inspecteur maar “op enig spoor richting het 'eigenlijke' belastbare feit” kunnen brengen, ligt het verder op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat ter zake van dat eerdere belastbare feit de heffing van accijns achterwege is gebleven.

2.32

Als toereikende gegevens kunnen in mijn optiek in ieder geval de herkomstbescheiden als bedoeld in artikel 80 WA, artikel 34 UB accijns en artikel 54 UR accijns worden beschouwd. Dat kunnen allerlei soorten dragers zijn die informatie bevatten over de herkomst van het accijnsgoed. Een limitering naar gelang de vorm van het bescheid is in de (wet)tekst van deze bepalingen niet te vinden. Volgens artikel 54 UR accijns kan als een in artikel 34(1) UB accijns bedoeld bescheid een factuur of een vervoersbescheid dienen. Dat kunnen dus ook andere bescheiden zijn.

2.33

Uit de toelichting op artikel 54 UR accijns zou kunnen worden afgeleid dat het wel de bedoeling is geweest om de toegestane herkomstbescheiden uitputtend te regelen. Ik citeer (onderstreping CE):

“(…) In artikel 54 van de Uitvoeringsregeling accijns is bepaald welke bescheiden in dit kader kunnen worden gebruikt en welke gegevens op die bescheiden moeten worden vermeld. De onderhavige regeling strekt mede tot aanpassing van die bepaling. Als bescheid waarmee de herkomst van in het vrije verkeer vervoerde accijnsgoederen kan worden aangetoond kunnen nu uitsluitend dienen de factuur of het vervoersbescheid (vrachtbrief en dergelijke).”

2.34

Had de wetgever een gesloten stelsel van herkomstbescheiden gewenst, dan had daarvoor een basis in een wettelijke regeling moeten worden gelegd. Die basis is er niet (en kan al helemaal niet worden gevonden in een ‘kan’-bepaling in een uitvoeringsregeling). De (tegenstrijdige) toelichting bij de ‘kan’-bepaling in de UR accijns is niet van zodanig gewicht dat moet worden geconcludeerd dat andere bescheiden dan een factuur of een vervoersbescheid niet toereikend zouden zijn.

2.35

Uiteraard zal het van de omstandigheden van het specifieke geval afhangen welke gegevens als toereikend kunnen worden beschouwd. Daar kunnen geen algemene uitspraken over worden gedaan. Het is aan de feitenrechter om dat in een concrete zaak te beoordelen.

2.36

Trekt een inspecteur in een specifiek geval in twijfel dat de verstrekte informatie (bijvoorbeeld een herkomstbescheid) betrekking heeft op het aangetroffen accijnsgoed, dan zal hij – ten einde aan de op hem rustende bewijslast te voldoen – die twijfel moeten onderbouwen en zo nodig op zoek moeten gaan naar andere informatie of informatie moeten inwinnen bij derden. Het enkel in twijfel trekken dat verstrekte informatie over de herkomst juist is, leidt in mijn optiek niet zonder meer ertoe dat de bewijslast voor het belastbare feit van artikel 2(1)b WA naar een voorhandenhebber verschuift.

3 Conclusie

3.1

De stelplicht en bewijslast voor uitslag tot verbruik als bedoeld in artikel 2(1)b WA ligt in beginsel bij de inspecteur. Hij moet feiten en omstandigheden aandragen, en bij betwisting door de belanghebbende aannemelijk maken, die tot de slotsom leiden dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende het accijnsgoed voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De WA en de AWR bieden de inspecteur controlebevoegdheden die hem in staat stellen de herkomst van de accijnsgoederen te achterhalen en die hem dus kunnen helpen het bewijs te vergaren voor de stelling dat ten tijde van het voorhanden krijgen het accijnsgoed niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken. Ook beschikt hij over uitgebreide wettelijke bevoegdheden om af te dwingen dat de benodigde informatie daadwerkelijk wordt verstrekt.

De in deze conclusie genoemde wetteksten zijn geldend in de jaren 2014 tot en met 2016, tenzij anders vermeld.

Conclusie van 31 januari 2020, nr. 19/01068, ECLI:NL:PHR:2020:101.

Het gaat om vraag (2) die ik als volgt heb geformuleerd: Moet artikel 8, lid 1, sub b, richtlijn 2008/118/EG aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling genoemde personen hoofdelijk tot voldoening van de accijns zijn gehouden reeds als vaststaat dat de accijns voor de betrokken goederen niet is geheven, of vereist het evenredigheidsbeginsel dat de persoon die als medeschuldenaar wordt aangesproken wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de betrokken goederen (door de ander) voorhanden worden gehouden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat de verschuldigde accijns is voldaan als bedoeld in artikel 7, lid 2, sub b, van die richtlijn?

In artikel 1a(1)c WA wordt een accijnsschorsingsregeling gedefinieerd als een “belastingregeling die geldt voor het onder schorsing van accijns produceren, verwerken, voorhanden hebben en overbrengen van niet onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen.”

Het wettelijk kader van de WA heb ik meer uitgebreid beschreven in de in voetnoot 2 genoemde conclusie.

HvJ 5 april 2001, Van de Water, C-325/99, na conclusie A-G Ruiz-Jarabo Colomer, ECLI:EU:C:2001:201.

Het beginsel van gelijkwaardigheid houdt in dat de nationale procesregels die gelden voor besluiten waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale besluiten.

Het beginsel van doeltreffendheid brengt mee dat de nationale procesregels de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.

Onder meer HvJ 23 oktober 2014, Unitrading, C-437/13, ECLI:EU:C:2014:2318, punten 23, 26, 27 en 30.

Zie o.m. E. Poelmann & W.A.P. van Roij, Cursus Belastingrecht Formeel Belastingrecht (Studenteneditie 2020-2021), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 462 en P. Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Handboeken nr. 6), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p 102 e.v.

HR 13 oktober 2006, nr. 40 185, na conclusie A-G De Wit, ECLI:NL:HR:2006:AT3045.

Zo ook B.A. van Brummelen in zijn noot in BNB 2007/59 bij HR 13 oktober 2006, nr. 40 185, na conclusie A-G De Wit, ECLI:NL:HR:2006:AT3045.

Tekst tot 1 juli 2018. Per genoemde datum is ‘een factuur’ en ‘een vervoersbescheid’ vervangen door respectievelijk ‘een (elektronische) factuur’ of een (elektronisch) vervoersbescheid’.

Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, blz. 42–43 (memorie van antwoord).

Staatsblad 1992, 712, blz. 22.

Besluit van 22 januari 2003 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns, Stcrt. 2003, 33, blz. 3-4.

Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, blz. 8 (memorie van toelichting). De Staatssecretaris van Financiën haalt deze passage aan in de beroepschriften in cassatie in de zaken met nummers 19/00789 en 19/02338.

HR 24 augustus 1999, nr. 34.164, na conclusie A-G Van den Berge, ECLI:NL:HR:1999:AA2841.

HR 8 oktober 2004, nr. 38 481, na conclusie A-G Overgaauw, ECLI:NL:HR:2004:AN4672.

Conclusie A-G Overgaauw 17 september 2003, nr. 38 481, ECLI:NL:PHR:2004:AN4672.

Ik leid dat ook af uit eerste twee volzinnen van de tweede alinea van rechtsoverweging 3.3 van HR 13 oktober 2006, nr. 40 185, na conclusie A-G De Wit, ECLI:NL:HR:2006:AT3045 (zie het citaat in onderdeel 2.7).

Conclusie A-G De Wit 24 februari 2005, nr. 40 185, ECLI:NL:PHR:2006:AT3045.

Van Brummelen verwijst in zijn noot in BNB 2007/59 naar HR 25 oktober 2002, nr. 36.898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354.

Vgl. R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken, Deventer: Kluwer 1996, blz. 100.

Dat is wat A-G De Wit bepleit, zie zijn conclusie van 24 februari 2005, nr. 40 185, ECLI:NL:PHR:2006:AT3045, onderdeel 5.1.7.

Zie onder meer HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5. Omkering van de bewijslast zal overigens in beginsel niet kunnen plaatsvinden op de grond dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien niet op de voet van artikel 6 AWR een uitnodiging tot het doen van een aangifte is gedaan. Ik verwijs naar HR 21 april 1982, nr. 20 949, ECLI:NL:HR:1982:AW9561 (brondocument niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1982/309 en HR (strafkamer) 23 december 2003, nr. 00 158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161.

Conclusie A-G De Wit 24 februari 2005, nr. 40 185, ECLI:NL:PHR:2006:AT3045, onderdeel 5.1.10.

Ik zie geen reden het begrip ‘bescheid’ anders uit te leggen dan voor toepassing van artikel 47 AWR heeft te gelden. Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, blz. 8.

Toelichting bij de ministeriële regeling van 24 januari 2003, nr. WV2003/008M, Stcrt. 2003, 21, blz. 9.

Zie ook Hollebeek in een aantekening bij de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 29 november 2019, nr. BK-19/00277, ECLI:NL:GHDHA:2019:3695 (in cassatie zaaknummer 20/00162).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature