< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Ontucht met minderjarig nichtje door oom, art. 247 Sr. 1. ontuchtige handeling a.b.i. art. 247 Sr; 2. oordeel dat b.p. recht heeft op vergoeding van immateriële schade; en 3. omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. HR: ad. 1. hof heeft geoordeeld dat het uitkleden van het meisje als ontuchtige handeling kan worden aangemerkt. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden, zoals het uitkleden van een kind van 11 jaar oud tot het geheel naakt was door een tevens ontklede meerderjarige man zonder dat voor dat uitkleden een functionele reden bestond, en het dicht tegen elkaar aan naakt op de bank zitten. Ad. 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’a.b.i. art. 6:106.b BW. Oordeel dat sprake is van zo’n aantasting in de persoon op andere wijze a.b.i. art. 6:106, ahf. en onder b, BW getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu hof m.b.t. de aard en ernst van de normschending heeft vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op een fundamenteel recht van het minderjarige slachtoffer, nl. zelfbeschikkingsrecht en lichamelijke integriteit, en ook de gevolgen daarvan voor slachtoffer in aanmerking heeft genomen, zoals blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier. Volgt enkel (gedeeltelijke) vernietiging t.z.v. ad. 3.: HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast (vgl. ECLI:NL:HR:2020:914).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04891

Zitting 6 oktober 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft zich bij arrest van 14 oktober 2019 verenigd met het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 juli 2015 en met de gronden waarop dit berust, zij het met aanvulling van de bewijsmiddelen en een nadere bewijsoverweging, en de verdachte zodoende veroordeeld ter zake van “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt een ontuchtige handeling plegen”. Het hof heeft het vonnis vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes dagen opgelegd, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel ‘ontuchtige handelingen plegen’, althans ontoereikend gemotiveerd is.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“op 08 juli 2013 te [plaats], met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een handeling heeft gepleegd, bestaande uit het uitkleden van die [slachtoffer].”

5. De door het hof van de rechtbank overgenomen gronden waarop die bewezenverklaring is gebaseerd luiden als volgt:

“Op 22 juli 2013 doet [betrokkene 1] namens zijn dochter [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2002, aangifte van ontucht door verdachte. [slachtoffer] heeft verklaard dat haar oom haar heeft uitgekleed, dat haar tante binnenkwam en dat haar tante zag dat zij was uitgekleed. Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij op 8 juli 2013 naar de gezamenlijke woning van haar en verdachte ging, dat zij de woonkamer binnenkwam en zag dat verdachte en [slachtoffer] dicht tegen elkaar aanzaten en naakt waren. Getuige [betrokkene 3], de oma van [slachtoffer] is gehoord en heeft verklaard dat getuige [betrokkene 2] die dag bij haar kwam met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] aan haar heeft verteld dat verdachte haar had uitgekleed.

Gelet op de verklaring van getuige [betrokkene 2] dat zij zowel verdachte als [slachtoffer] naakt in de woonkamer aantrof, in combinatie met de verklaring van [slachtoffer] in de verhoorstudio waarin zij verklaard heeft dat verdachte haar heeft uitgekleed, en de daartoe ondersteunende verklaring van getuige [betrokkene 3], tegen wie [slachtoffer] direct na het plegen van het feit heeft verteld dat verdachte haar heeft uitgekleed, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft uitgekleed.

Voor het overige deel van de tenlastelegging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Direct nadat getuige [betrokkene 2] [slachtoffer] en verdachte naakt aantrof, heeft getuige [betrokkene 2] [slachtoffer] indringend bevraagd over wat er gebeurd is in de woning. Ook [betrokkene 1], de vader van [slachtoffer], en getuige [betrokkene 3], de oma van [slachtoffer] hebben haar diverse vragen gesteld over wat er gebeurd zou zijn in de woning. [slachtoffer] verklaart wisselend over de verschillende handelingen die zouden hebben plaatsgevonden. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer], gelet op haar jeugdige leeftijd in combinatie met haar beïnvloedbaarheid door al deze vragen is gestuurd in haar verklaringen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer], gelet hierop, niet meer als geheel betrouwbaar kan worden aangemerkt. Derhalve dient verdachte voor het overige deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Ter terechtzitting is op verzoek van de verdediging [betrokkene 1], vader van [slachtoffer], als getuige gehoord. Ter zitting heeft hij verklaard dat er volgens hem niets gebeurd is tussen verdachte en [slachtoffer]. Deze nieuwe wetenschap zou hij hebben verkregen nadat hij zeer recentelijk, toen de woede was weggeëbd over het feit, [slachtoffer] opnieuw bevraagd heeft over het feit. De rechtbank passeert deze verklaring van de getuige gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen. Het enkele feit dat [slachtoffer] thans wisselend is in haar verklaringen doet aan voornoemde bewijsmiddelen niets af. In februari 2015 heeft deze getuige onder ede bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] hem verteld heeft dat zij door verdachte was misbruikt. Die wetenschap heeft hij van [slachtoffer] zelf gekregen. Nu heeft [slachtoffer] onder aandringen een ander verhaal verteld hetgeen past in het beeld van een beïnvloedbaar en kwetsbaar meisje. Derhalve acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] niet (meer) betrouwbaar en zal zij de verklaring van de getuige hieromtrent passeren.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het uitkleden van [slachtoffer] als ontuchtige handeling moet worden gezien. Het moet gaan om een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal ethische norm. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake geweest. Het uitkleden van een minderjarig kind van 11 jaar oud tot het geheel naakt is door een, tevens [ontklede] meerderjarige, zonder dat daarvoor een functionele reden bestond, is in strijd met enige sociaal ethische norm.”

6. Het hof heeft de voorgaande overwegingen aangevuld in zoverre dat na de eerste zin wordt toegevoegd: ‘gepleegd te [plaats]’. Daarnaast heeft het hof als nadere bewijsoverweging het volgende in het arrest opgenomen:

“Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat uit het voorhanden zijnde proces-verbaal onvoldoende in rechte is komen vast te staan dat verdachte zich aan het ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt, gelet op de tegenstrijdige, niet consistente verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Voorts is naar voren gebracht dat het al dan niet dragen van (slechts) een onderbroek door verdachte en het uitkleden van [slachtoffer] gezien de hitte van de dag en het zwemweer een functioneel karakter kan hebben gehad.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer van de verdediging wordt weerlegd door de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, waarmee het hof zich verenigt. Daaraan voegt het hof toe dat rechtspsycholoog [betrokkene 4] in zijn rapport d.d. 31 januari 2019 heeft geconcludeerd dat het slachtoffer, [slachtoffer], een redelijk consistent verhaal hield over het uitkleden (pagina 17).

Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde uitkleden van [slachtoffer] als ontuchtige handeling wordt aangemerkt. Het uitkleden van een minderjarig kind van 11 jaar oud tot het geheel naakt is door een tevens ontklede meerderjarige man zonder dat daarvoor een functionele reden bestond is in strijd met enige sociaal ethische norm. Anders dan de raadsman heeft betoogd en ook door [betrokkene 4] is gesuggereerd, is het hof van oordeel dat voor het uitkleden van [slachtoffer] door verdachte en het ontkleden van zichzelf geen enkele functionele reden bestond. [slachtoffer] heeft immers in haar verhoor bij de politie d.d. 25 juli 2013 – kort gezegd – verklaard dat zij gedwongen werd uitgekleed (onder meer dossierpagina 47). Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij zich niets van het voorval kan herinneren en heeft hij wisselende verklaringen afgelegd over de reden dat hij [slachtoffer] had uitgekleed en zelf eveneens ontkleed was. Zo heeft de moeder van verdachte, [betrokkene 3], verklaard dat verdachte tegen haar had verteld dat hij onder de douche was geweest en zij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) in het badje (dossierpagina 118). De toenmalige partner van verdachte, [betrokkene 2], heeft daarentegen verklaard dat verdachte, bij het aantreffen van verdachte en [slachtoffer] op de bank, zei dat hij in zijn broek had geplast en hij daarom zijn onderbroek had uitgetrokken (dossierpagina 123).

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.”

7. Volgens de steller van het middel geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de ‘ontuchtige handeling’ voor zover daarin besloten ligt dat een handeling die in strijd is met de sociaal-ethische normen, altijd een ontuchtige handeling oplevert als bedoeld in de zedenwetgeving. Het kan ook zijn dat de strekking niet seksueel is, maar gericht op het disciplineren, in welk verband hij wijst op het met een disciplinerend karakter slaan van een kind. Dat is in strijd met de sociaal-ethische norm, maar geen zedendelict (wel mishandeling) en evenmin zonder meer ontuchtig te noemen, aldus nog steeds de steller van het middel.

8. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 247 (oud) Sr. De daarin voorkomende uitdrukking ‘ontuchtige handelingen’ moet dus geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan in artikel 247 Sr toekomt. Artikel 247 Sr luidde ten tijde van de gepleegde handelingen:

“Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden of met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”

9. Met ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van artikel 247 Sr wordt bedoeld handelingen, gericht op seksueel contact althans contact van seksuele aard, in strijd met de sociaal-ethische norm, zonder dat het om buitengewone, afschuwwekkende daden gaat. De omstandigheden van het geval bepalen of een handeling van seksuele aard ‘ontuchtig’ te noemen is. Naast de aard van de handelingen zelf, zijn bijvoorbeeld de verhouding tussen de betrokkenen en de omgeving waarin zij voorvallen relevant. Ook de context waarbinnen de handelingen plaatsvinden kan van belang zijn, zoals de mate waarin tussen de dader en het slachtoffer voorafgaand aan de handelingen enige interactie heeft plaatsgevonden en eventueel (seksueel getinte) begeleidende woorden bij de handelingen. Voor het oordeel of in strijd met de genoemde sociaal-ethische norm wordt gehandeld, is onder meer relevant de leeftijd van het slachtoffer en het leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer.

10. Ingeval objectief bezien twijfel kan ontstaan over de uitleg van een handeling, kan het (veronderstelde) subjectieve element, de – al dan niet seksuele – intentie van de verdachte, gewicht in de schaal leggen bij beantwoording van de vraag of de handeling als ontuchtig in de zin van artikel 247 Sr kan worden aangemerkt. Datzelfde geldt voor het als ongewenst beleven door degene die de handeling heeft ondergaan.

11. In het kader van de subjectieve beleving van eventueel als seksueel getint aan te merken handelingen verwees mijn voormalig ambtgenoot Knigge naar een verkrachtingszaak waarin het slachtoffer het in de anus brengen van een stuk gereedschap door de verdachte had ervaren als brute mishandeling. Niettemin oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring van verkrachting in de zin van artikel 242 Sr geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad kan de subjectieve beleving van belang zijn, maar kan die niet beslissend zijn in die zin dat van verkrachting geen sprake zou kunnen zijn ingeval de dader niet bij (of: door) de desbetreffende handeling(en) bepaalde seksuele gevoelens heeft ondervonden onderscheidenlijk het slachtoffer die handelingen niet als seksueel heeft ervaren. Met Knigge meen ik dat die subjectieve beleving door de betrokkenen, ook als het gaat om ontuchtige handelingen in de zin van de zedenwetgeving, niet (altijd) doorslaggevend zal zijn, temeer nu de zedelijkheidswetgeving strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe zelf, op een bepaald moment dan wel in het algemeen, niet in staat zijn.

12. Terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft zich met het oordeel van de rechtbank verenigd, onder meer voor zover inhoudend dat het bewezen verklaarde uitkleden van [slachtoffer] door de verdachte als ontuchtige handeling in de zin van artikel 247 Sr moet worden aangemerkt. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat het uitkleden van een minderjarig kind van elf jaar oud tot het geheel naakt is door een tevens ontklede meerderjarige, zonder dat daarvoor een functionele reden bestond, in strijd is met enige sociaal-ethische norm. Anders dan de steller van het middel meent, blijkt uit die overwegingen niet dat een handeling die in strijd is met de sociaal-ethische normen volgens het hof altijd een ontuchtige handeling oplevert als bedoeld in de zedenwetgeving. In die overwegingen ligt wél besloten dat het hof zich geconfronteerd heeft gezien met een geval waarin naar objectieve maatstaven getwijfeld kan worden over de (al dan niet seksuele) aard van de handeling, zoals beschreven in de vooropstellingen in het voorgaande. Voor zover het middel klaagt dat de rechtbank en het hof hebben miskend dat een handeling, om als ontuchtig in de zin van artikel 247 Sr te kunnen worden aangemerkt, ook seksueel van aard moet zijn c.q. een seksuele strekking moet hebben, kan het aldus niet slagen.

13. Het middel klaagt daarnaast dat het oordeel van het hof, mede gelet op hetgeen in feitelijke aanleg namens de verdachte is aangevoerd, onvoldoende begrijpelijk is. Het gedwongen uitkleden van het minderjarige meisje (het lievelingsnichtje) van elf jaar oud totdat ze geheel naakt is door een tevens ontklede meerderjarige man (de verdachte), zonder dat daarvoor een functionele reden bestond, levert volgens de steller van het middel in ieder geval in de gegeven omstandigheden en bij gebrek aan enige verdere interactie tussen beiden, niet zonder meer het plegen van ontuchtige handelingen op. Ook zonder functie blijft in dit geval sociaal onhandig gedrag in de verhouding oom-nicht over, waarbij – aldus de steller van het middel – overtreding van artikel 247 Sr niet in het spel is. Het oordeel van het hof dat de functionele reden die namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd onaannemelijk is, wordt in cassatie niet bestreden.

14. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en [slachtoffer] in de woonkamer van de verdachte zijn aangetroffen, terwijl zij naakt waren en (dicht) tegen elkaar aan op de bank zaten, en dat [slachtoffer] door de verdachte gedwongen is uitgekleed, terwijl zich geen omstandigheid voordeed waardoor kan worden aangenomen dat die handelingen enige (onschuldige) functie hadden. Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen de speciale bescherming die minderjarigen behoeven, is het oordeel van het hof dat het hier handelingen van seksuele aard betreft die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, niet onbegrijpelijk. De bewezen verklaarde handelingen, verricht ten opzichte van een minderjarige, zijn maatschappelijk niet geaccepteerd. Daaraan doet niet af dat niets is vastgesteld omtrent de interactie die (al dan niet) aan de fysieke handeling van het uitkleden en (naakt) tegen [slachtoffer] aanzitten door de verdachte is voorafgegaan.

15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd een bedrag van € 400,- aan nadeel dat niet in vermogensschade bestaat als schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] heeft toegewezen.

17. Volgens de steller van het middel is geen sprake van (zodanige) aantasting van de benadeelde partij in haar persoon op andere wijze – als bedoeld in artikel 6:106 BW – dat hierdoor een schadevergoedingsplicht is ontstaan.

18. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft het hof, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 512,40, bestaande uit € 112,40 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 55,72 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is voor het overige afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Materiële schade

(…)

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is wel komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks vermogensschade heeft geleden in die zin dat zij reiskosten naar De La Salie heeft gemaakt zodat de vordering ter vergoeding van de materiële schade tot een bedrag van € 55,72 toewijsbaar is.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Door zijn handelen heeft verdachte een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht - in casu het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit - gemaakt dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd. Het hof ziet in de aard en de bijzondere ernst van de normschending de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals gebleken uit de toelichting van de psychische gevolgen in het schadeonderbouwingsformulier d.d. 14 januari 2015, aanleiding een vergoeding voor de immateriële schade toe te kennen. In die toelichting is naar voren gebracht dat benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een teruggetrokken meisje was geworden. Zij vindt het moeilijk om contacten te leggen, omdat zij het vertrouwen in de mensheid was kwijtgeraakt. Gelet op het voorgaande acht het hof het billijk het gevorderde bedrag van € 400,00 aan immateriële schade toe te wijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De omstandigheid dat de vader van de benadeelde partij als wettelijk vertegenwoordiger ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 2 juli 2015 naar voren heeft gebracht dat het op dat moment goed ging met [slachtoffer] en dat voor hem een schadevergoeding helemaal niet hoeft, doet naar het oordeel van het hof aan het voorgaande niets af. Anders dan de rechtbank leidt het hof daar in ieder geval niet uit af dat [slachtoffer] geen immateriële schade heeft ondervonden. Die stelling van de vader van de benadeelde partij lijkt veeleer te zijn ingegeven door zijn wens om de verstandhouding met verdachte, zijn voormalige beste vriend, te herstellen. De vordering is op dat moment ook niet ingetrokken. Bovendien is de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep in zijn geheel gehandhaafd.”

19. In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:

“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

20. Het oordeel van het hof dat als gevolg van het bewezen verklaarde feit ten aanzien van de benadeelde partij ([slachtoffer]) een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ heeft plaatsgevonden, geeft gelet op de vooropstellingen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, stelt geen rechtsregel hogere (motiverings)eisen aan het aannemen van een schadevergoedingsplicht op de voet van artikel 6:106 BW ingeval ter terechtzitting namens de benadeelde partij wordt betoogd dat een schadevergoeding (toch) niet nodig is.

21. Het oordeel van het hof is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft niet alleen de aard en ernst van de normschending in ogenschouw genomen, maar ook inzichtelijk gemaakt wat de (concrete) gevolgen van de gebeurtenissen zijn geweest voor [slachtoffer]. Dat het schadeformulier gebaseerd zou zijn op meer ontuchtige handelingen dan bewezen verklaard, maakt het voorgaande niet anders. Het hof heeft in verband met de aard en ernst van de handelingen die bewezen verklaard zijn (kennelijk) geoordeeld dat (reeds) die handelingen een inbreuk hebben gevormd op [slachtoffer]’s zelfbeschikkingsrecht en lichamelijke integriteit. De omstandigheid dat minder ontuchtige handelingen zijn bewezen verklaard dan ten laste gelegd en ten grondslag gelegd aan het schadeformulier werpt bovendien geen ander licht op de door het hof meegewogen omstandigheden dat [slachtoffer] na de gebeurtenissen een teruggetrokken meisje is geworden, dat zij het moeilijk vindt om contacten te leggen en het vertrouwen in de mensheid is kwijtgeraakt.

22. Het middel faalt.

23. Het derde middel klaagt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is bevolen, in plaat van gijzeling als bedoeld in artikel 36f (nieuw) Sr.

24. Op de gronden als vermeld in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918, kan het bestreden arrest inderdaad niet in stand blijven voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden opgelegd.

25. De klacht is terecht voorgesteld.

26. De eerste twee middelen falen. Het derde middel slaagt.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt:

- tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast,

- tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast,

- en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Met weglating van de voetnoten.

Onder verwijzing naar HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573, en 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2578, NJ 2016/132.

De thans geldende wettekst is op 1 januari 2020 in werking getreden en betreft de vervanging van ‘een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens’ in: een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Zie Wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg), Stb. 2018, 37, p. 97.

Kamerstukken II 1988/89, 20930, nr. 3, p. 2.

A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 247 Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt tot 16 juli 2012), en art. 246 Sr, aant. 5 (online, bijgewerkt tot 15 augustus 2018). Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Keijzer voorafgaand aan HR 11 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5390, NJ 2002/61, onder 44.

HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379, NJ 2011/146; HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950, NJ 2005/184.

HR 11 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5390, NJ 2002/61. Vgl. HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0775.

Zie A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht art. 247 Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt tot 16 juli 2012), en art. 246 Sr, aant. 5 (online, bijgewerkt tot 15 augustus 2018). Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg voorafgaand aan 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2303, onder 19, onder verwijzing naar HR 9 januari 1968, NJ 1969/24 (plotseling met geweld knijpen in de blote knie van een (voor de dader onbekende) op de openbare weg rijdende wielrenster onder de toevoeging “meid, meid, wat heb jij dikke dijen. Wat zou ik hem daar graag tussen duwen” leverde een ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 Sr op) en HR 13 januari 1987, NJ 1987/907 (het door een volwassen man laten krabben van de billen door zijn minderjarige zoontje, terwijl de man daar (ook voor dat zoontje zichtbaar) opgewonden van werd, leverde ontucht in de zin van artikel 247 Sr op). Vgl. HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573.

Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 26 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5563, onder 13.

HR 2 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD00331, NJ 1995/583, rov. 5.1 en 5.2.

Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 26 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5563, onder 19.

Kamerstukken II 1988/89, 20930, nr. 5, p. 4-5.

Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9280 (HR: art. 81.1 RO).

Zie ook herhaald in HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, rov. 2.3.2, en HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035, rov. 4.3.3.

Vgl. HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature