< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG in beklagzaak loterijverlies. Middelen, onder meer over de door de rechtbank gehanteerde maatstaf bij afwijzen beklag over inbeslagneming van tegoeden op bankrekeningen kunnen volgens de AG niet tot cassatie leiden.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01051 B

Zitting 14 januari 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager 1] namens [klaagster 2] en [klaagster 3] en [klager 1] namens [klaagster 4] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna: de klagers.

1. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft - voor zover hier van belang - bij beschikking van 9 januari 2019 het beklag van [klager 1] namens [klaagster 2] en [klaagster 3] (18/720), [klager 1] namens [klaagster 4] (18/856a) en [klaagster 4] (18/856b) en [klager 1] namens [klaagster 4] (18/902), strekkende tot opheffing van de beslagen ongegrond verklaard.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03163 B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers en mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste, derde en vierde middel

4.1.

Het eerste middel klaagt dat de beschikking van de rechtbank, waarbij het klaagschrift strekkende tot opheffing van het conservatoir gelegde beslag op de bij de BUNQ-bank aangehouden bankrekening met nummer [001] ten name van [klaagster 2] (18/720) ongegrond is verklaard, ontoereikend is gemotiveerd aangezien de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Het derde middel bevat een identieke klacht ten aanzien van het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op de bij de BUNQ-bank aangehouden bankrekening met nummer [002] ten name van [klaagster 3] (18/720). Het vierde middel houdt eveneens een identieke klacht in met betrekking tot het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op de bij de MOYO-bank aangehouden bankrekening met nummer [003] ten name van [klaagster 4] (18/856B), het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag op de Volkswagen Sharan, met kenteken [kenteken] (18/856a) en het klaagschrift strekkende tot opheffing van de beslagen op de bankrekening bij de Standard Bank Isle of Man Limited te Isle of Man en de bankrekening bij de Barclays Bank te Isle of Man (18/902). Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“(…)

Parketnummer: 08/996033-18

Klaagschriftnummers:

18/720 (klager 1)

(…)

18/856a (klager 3a) en 18/856b (klager 3b)

18/902 (klager 4)

(…)Beschikking van de meervoudige raadkamer op de klaagschriften op grond van [artikel] artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

1. [klager 1] namens [klaagster 2] en [klaagster 3] ,

(…)3a. [klager 1] namens [klaagster 4] ,

3b. [klaagster 4] ,

4. [klager 1] namens [klaagster 4] ,

(…)

verder te noemen: klagers.1. Het verloop van de procedureKlaagschrift 18/720 (klager 1.)

Het klaagschrift is ingediend door klager [klager 1] namens [klaagster 2] en [klaagster 3] en is op 21 september 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op:- de bankrekeningen bij de BUNQ-bank.(…)Klaagschrift 18/856a (klager 3a.)

Het klaagschrift is ingediend door klager [klager 1] namens [klaagster 4] en is op 13 november 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op:- de Volkswagen Sharan, met kenteken [kenteken] .Klaagschrift 18/856b (klager 3b.)Het klaagschrift is ingediend door [klaagster 4] en is op 28 november 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op:- de bankrekening met rekeningnummer [003] .

Klaagschrift 18/902 (klager 4.)Het klaagschrift is ingediend door klager [klager 1] en is op 4 december 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op:- de bankrekening bij de Standard Bank of Isle of Man Limited te Isle of Man;

- de bankrekening bij de Barclays Bank te Isle of Man.(…)De klaagschriften zijn behandeld op de openbare zittingen van de raadkamer van 21 november 2018 en 12 december 2018.

Bij de behandeling op 21 november 2018 zijn gehoord: de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen, klager [klager 1] en zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters.

Bij de behandeling op 12 december 2018 zijn gehoord: de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen, klager [klager 1] , zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters (…).De rechtbank heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde dossierstukken betreffende het strafrechtelijk onderzoek tegen klager mr. [klager 1] , naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden.De rechtbank heeft kennisgenomen van:(…)2. De standpunten van klagers, de raadsman en de officier van justitie

Namens klager [klager 1] in privé heeft zijn raadsman mr. D.W.H.M. Wolters in raadkamer van 21 november 2018 aangevoerd dat het onderzoek is afgerond en er geen verdenking (meer) bestaat tegen klager ter zake van valsheid in geschrift, verduistering en/of witwassen. Bovendien doet zich volgens de raadsman niet het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Tenslotte is door de raadsman – kort samengevat – aangevoerd dat het gelet op alle in het geding zijnde belangen de afweging daarvan dient uit te pakken in het voordeel van klager, dat handhaving van de conservatoire beslagen disproportioneel is en bovendien met minder ingrijpende middelen (waaronder een zekerheidsstelling, zoals concreet is aangeboden door klager) kan worden volstaan.

(…)Namens klagers [klaagster 2] B.V, [klaagster 3] en [klaagster 4] , (…) is door [klager 1] in raadkamer van 12 december 2018 op de daarvoor in zijn pleitnotities aangegeven gronden primair de opheffing van de onderhavige beslagen bepleit (…). Subsidiair is door hem matiging van de beslagen bepleit. [klager 1] heeft aangegeven bereid te zijn tot het verstrekken van een zekerheidsstelling.De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klaagschriften op de daarvoor in haar schriftelijke reacties aangegeven gronden.(…)

5. De beoordeling

De rechtbank ziet op grond van de nauwe verwevenheid van de klaagschriften, zoals gebleken uit de naar voren gekomen feiten en omstandigheden, redenen om de beslissingen op de onderhavige klaagschriften thans in één gezamenlijke beschikking neer te leggen.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en de behandeling in raadkamer vast dat het beklag zich thans nog richt tegen de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

Ten aanzien van klager 1 ( [klager 1] namens [klaagster 2] en [klaagster 3] ):- bankrekeningnummer [001] ten name van [klaagster 2] ;

- bankrekeningnummer [002] ten name van [klaagster 3] ;

(…)

Ten aanzien van klager 3a ( [klager 1] namens [klaagster 4] ):

- voornoemde personenauto, Volkswagen Sharan, met kenteken [kenteken] ;

Ten aanzien van klager 3b ( [klaagster 4] ):

- bankrekeningnummer [003] ten name van [klaagster 4]

- Volkswagen Sharan, met kenteken [kenteken] ;

(…)

Maatstaf

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd-of ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

Het beklag in de onderhavige zaken richt zich in alle gevallen tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv. Ingeval van een beslag op grond van artikel 94a Sv dient de rechtbank te onderzoeken:

a) of er ten tijde van haar beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.Omdat ter zake van de bankrekening van [klaagster 2] tevens sprake is van beslag ex artikel 94 Sv dient de rechtbank tevens te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Indien dit niet het geval is zal de rechtbank de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.Overwegingen

Tegen klager [klager 1] is de verdenking gerezen van betrokkenheid bij belastingfraude, verduistering, valsheid in geschrift en opzettelijk witwassen. Uit de inhoud van de dossierstukken en hetgeen tijdens het onderzoek in raadkamer naar voren is gekomen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de ernstige bezwaren voor alle verdenkingen onverkort aanwezig zijn. De rechtbank overweegt in dat verband dat sprake is van een grote verwevenheid van belangen en geldstromen, welke telkens zijn terug te voeren op klager [klager 1] als de centrale persoon binnen de organisaties van onder meer [klaagster 2] , [klaagster 3] en [klaagster 4] Het opsporingsonderzoek naar deze verdenkingen is thans nog niet afgerond. Van een situatie dat het hoogstonwaarschijnlijk is dat de later oordelend strafrechter de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, is geen sprake. Derhalve kunnen de beslagen ex artikel 94a Sv worden gehandhaafd.

Klagers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de teruggevraagde voorwerpen in het geheel niet met de strafbare feiten van de onderliggende strafzaak te maken hebben. Het belang van strafvordering vereist dat het beslag zal voortduren. Ook het beslag ex artikel 94 Sv kan dus worden gehandhaafd.

(…)

ConclusieDe rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de klaagschriften ongegrond moeten worden verklaard.”

4.3.

In de toelichting op de middelen wordt aangevoerd dat uit de bestreden beschikking lijkt te volgen dat de rechtbank de klaagsters als “derden” heeft aangemerkt, althans uit de bestreden beschikking volgt niet dat klaagsters, in tegenstelling tot [klager 1] , een andere hoedanigheid hebben dan die van “derde”, zodat ervan moet worden uitgegaan dat klaagsters “derden” zijn. De rechtbank had zo bezien na dienen te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagsters als eigenaar van het voorwerp moeten worden aangemerkt, en zo ja, tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15). Nu namens de klaagsters is aangevoerd dat zij rechthebbenden op de inbeslaggenomen voorwerpen zijn, heeft de rechtbank de verkeerde maatstaf toegepast, terwijl uit de bestreden beschikking niet blijkt van enig onderzoek als hiervoor bedoeld, zodat de ongegrondverklaringen van het beklag ontoereikend zijn gemotiveerd. In de toelichting op het vierde middel wordt voorts nog betoogd dat de rechtbank een ter zake van de Sharan gevoerd verweer (18/856a) onbesproken heeft gelaten, zodat ook om die reden als vaststaand moet worden aangenomen dat de klaagster als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt.

4.4.

De middelen berusten mijns inziens op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft vastgesteld dat tegen klager [klager 1] de verdenking is gerezen van betrokkenheid bij belastingfraude, verduistering, valsheid in geschrift en opzettelijk witwassen. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de inhoud van de dossierstukken en het verhandelde tijdens het onderzoek in raadkamer naar voren dat de ernstige bezwaren voor alle verdenkingen onverkort aanwezig zijn. In dat verband is door de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een grote verwevenheid van belangen en geldstromen, welke telkens op klager [klager 1] zijn terug te voeren als de centrale persoon binnen de organisaties van onder meer [klaagster 2] , [klaagster 3] en [klaagster 4] Hieruit kan mijns inziens worden afgeleid dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het strafrechtelijk onderzoek ook tegen genoemde rechtspersonen is gericht. Die vaststelling vindt onder meer bevestiging in een zich bij de gedingstukken bevindend “PV aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag” d.d. 12 april 2018, onder meer inhoudende dat een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld tegen [klager 1] als natuurlijk persoon en (o.a.) de Nederlandse rechtspersonen [klaagster 2] BV, [klaagster 3] en [klaagster 4] Gelet daarop verbaast het niet dat de rechtbank bij de beoordeling van de klaagschriften van deze rechtspersonen de maatstaf behorend bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv heeft aangelegd. Van een derde, tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht, als bedoeld in de door de steller van het middel aangehaalde maatstaf, is immers géén sprake. Daarop stuiten de middelen af.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat de beschikking van de rechtbank, waarbij het klaagschrift strekkende tot opheffing van het klassieke 94 Sv beslag gelegd op de bij de BUNQ-bank aangehouden bankrekening met nummer [001] ten name van [klaagster 2] (18/720) ongegrond is verklaard, ontoereikend is gemotiveerd aangezien de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

5.2.

De bestreden beschikking, zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven, houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“(…)

Omdat ter zake van de bankrekening van [klaagster 2] tevens sprake is van beslag ex artikel 94 Sv dient de rechtbank tevens te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Indien dit niet het geval is zal de rechtbank de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

(…)

Klagers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de teruggevraagde voorwerpen in het geheel niet met de strafbare feiten van de onderliggende strafzaak te maken hebben. Het belang van strafvordering vereist dat het beslag zal voortduren. Ook het beslag ex artikel 94 Sv kan dus worden gehandhaafd.”

5.3.

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de rechtbank door te overwegen dat klagers niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de teruggevraagde voorwerpen in het geheel niet met de strafbare feiten van de onderliggende strafzaak te maken hebben, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Volgens de steller van het middel had de rechtbank dienen te beoordelen a. of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp dienen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In verband met de onder a. genoemde grond geldt dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL:2823, NJ 2010/654, rov. 2.8-2.9).

5.4.

Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank voornoemde maatstaf bij de beoordeling van het klaagschrift strekkende tot opheffing van het klassieke 94 Sv beslag gelegd op de bij de BUNQ-bank aangehouden bankrekening met nummer [001] ten name van [klaagster 2] (18/720) heeft vooropgesteld. In het licht van eerdergenoemde vaststellingen dat de ernstige bezwaren voor alle verdenkingen tegen klager [klager 1] voor alle verdenkingen onverkort aanwezig zijn, komt het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering vereist dat het beslag zal voortduren, mij niet onbegrijpelijk voor. Dat de rechtbank daarbij heeft meegewogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de voorwerpen in het geheel niet met de feiten van de onderliggende strafzaak te maken hebben, komt mij evenmin onbegrijpelijk voor en brengt in ieder geval niet mee dat de rechtbank door aldus te overwegen de toepasselijke maatstaf van het belang van strafvordering zou hebben miskend.

5.5.

Het middel faalt.

6 Het vijfde middel

6.1.

Het middel klaagt dat de rechtbank ondanks een daartoe gevoerd verweer (uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) in de zaken van de klaagsters [klaagster 2] en [klaagster 3] heeft verzuimd in de motivering van haar beslissing ervan blijk te geven een onderzoek te hebben verricht naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

6.2.

In de toelichting op het middel wordt wat betreft hetgeen in dit verband zou zijn aangevoerd kortheidshalve verwezen naar het klaagschrift d.d. 21 september 2018 (onder meer p. 101, 139 en 140) en de in raadkamer overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen (onder meer punt 25, 26, 39 t/m 41, 43, 54 en 78).

6.3.

Het door de klager namens [klaagster 2] en [klaagster 3] ingediende klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv - ter griffie van de rechtbank Overijssel ingekomen op 21 september 2018 - houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Pagina 101

“Hoofdstuk 8 Acties brengen [klaagster 3] / [klaagster 2] in de knoop/ schaden buitenproportioneel

- De door het OM/FIOD ingezette acties en beslagen schaden [klaagster 2] in evidente mate. Dat terwijl [klaagster 2] alle procedures voor de klanten voert en haar verplichtingen nakomt. Te weten: alles ter behartiging van de belangen van de aangesloten klanten. [klaagster 2] behartigt de belangen van bijna 200.000 klanten die bedrogen zijn dóór de Staatsloterij en dat doet zij al sinds 2008. [klager 1] is dé drijvende kracht achter [klaagster 2] zoals Staatsloterij/ OM/ Minfin/ FIOD bekend. Zonder [klager 1] zijn inspanningen, kennis, goodwill, etc. is de zaak gedoemd te mislukken. In het businessmodel is te nimmer rekening gehouden met de huidige situatie waarbij door bij Staatsloterij betrokken entiteiten haar pijlen nu richten op [klaagster 2] ten behoeve van de Staatsloterij/ Staat.

- Daarnaast schaadt het een ander in die mate [klaagster 2] / [klager 1] dat de bedrijfsvoering volledig in de knoop zit. Er is immers geen euro beschikbaar om openstaande rekeningen te betalen. Daarnaast kunnen nieuwe projecten niet worden opgestart. Alles bij elkaar een evidente schade.

- In een WOB zaak heeft [klaagster 2] niet de griffiekosten kunnen voldoen en zal de zaak niet-ontvankelijk worden verklaard.

- Er liggen nog rekeningen van onder meer communicatieadvies alsmede een rekening van [betrokkene 1] .

De lachende ‘derde’ is hierbij de Staatsloterij. Die hoeft alleen maar achterover te leunen. Iets soortgelijks gebeurde afgelopen voorjaar bij Air-France KLM:“Ze gaan door met staken tot het eind – tot hun resultaat is bereikt. Dat maakt de positie van het bedrijf heel fragiel. In de Golfstaten vieren ze nu feest. Die maatschappijen proberen Air-France-KLM al jarenlang de nek om te draaien. Nu gaan ze achterover zitten, want het wordt in Frankrijk wel geregeld voor ze.”Klagers doen een zeer dringend beroep om in te grijpen aangezien een ondergang anders niet afwendbaar is.”

Pagina’s 139-140

Hoofdstuk 14 Conclusie

Onmiskenbaar blijkt uit de uiteengezette feiten, de gevolgen van die feiten en de daarop van toepassing zijnde juridische kwalificatie dat onmiddellijk de beslagen dienen te worden opgeheven. Dat het OM kennelijk niks begrijpt van [klaagster 2] , haar businessmodel en de uitwerking daarvan waarbij tevens andere vennootschappen van [klager 1] tevens voor de continuïteit zorgen door no cure, no pay te werken is niet een omstandigheid die voor rekening en risico van [klaagster 2] behoort te komen. De bedrijfsvoering is door deze onrechtmatige beslagen ernstig in gevaar. Toeleveranciers kunnen niet betaald worden, een grote opdracht is van de baan waarbij een verzekering met een collectief aantrekkelijk aanbod aan de deelnemers zou worden aangeboden, [klaagster 2] gaat bij vasthouden aan de beslagen failliet, etc.. Dat terwijl [klaagster 2] al 11 jaar meer doet dan überhaupt van haar verwacht kon worden. [klaagster 2] zou bovendien wel erg dom zijn als zij haar eigen continuïteit doelbewust zou ondergraven terwijl er goud ligt te wachten. Bovendien is de onderhavige zaak winnen de enige optie.

Onmiskenbaar komt overigens het beeld naar voren dat het OM de Staatsloterij volledig haar gang laat gaan en er alles aan doet om de Staatsloterij onmiskenbaar in de kaart te spelen. Tijdens zitting zal hier nog nader op worden ingegaan.

[klaagster 2] alsmede [klaagster 3] hebben belang bij spoedige opheffing van de beslagen nu het geld haar toebehoort en er overigens geen enkele grond is om tot de betreffende beslagleggingen over te gaan. Daarnaast zijn de gevolgen te evident voor [klaagster 2] en haar bedrijfsvoering. [klaagster 2] alsmede [klaagster 3] distantiëren zich ten sterkste van de onrechtmatige aantijgingen die door het OM gemaakt worden. [klaagster 2] wil ook niet dat er beslag [gelegd] wordt gelegd. De klantenservice is reeds ook getroffen door het handelen van het OM. De gevolgen van het beslag en het voortduren daarvan zijn aldus disproportioneel groot en bovendien is er geen basis voor. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat het OM op welk moment dan ook de gepretendeerde aantijgingen kan omzetten in een schuldigverklaring. Zoals de kaarten er reeds voorliggen is het OM bij ongewijzigde omstandigheden debet aan de ondergang van [klaagster 2] . Gezien de verwevenheid van het OM met de fiscus en de ministeries betrokken bij de Staatsloterij staat het OM dat ongetwijfeld ook voor. [klaagster 2] zal die bewijzen nader tonen in civiele aansprakelijkheidsprocedures die gevoerd zullen worden.

[klaagster 2] alsmede [klaagster 3] moeten aan haar verplichtingen kunnen voldoen. Salaris kan niet betaald worden alsmede overigens niks en niemand zoals de accountant die jaarrekening 2017 moet opstellen op kortere termijn.

De gevolgen van het beslag en voortduren daarvan zijn aldus disproportioneel groot en ongegrond en dienen ten spoedigste te worden opgeheven.

Gelet op het voorgaande verzoekt klager het klaagschrift gegrond te verklaren en de beslagen op te heffen.

Met conclusie tot:

Primair:

Opheffing van de gelegde beslagen

Subsidiair tot matiging voor een in goede justitie te bepalen bedrag.

Indien en voor zover voorgaande niet gehonoreerd kan worden wat [klaagster 2] en [klaagster 3] overigens onbegrijpelijk voorkomt, kunnen de betreffende claims als uiteengezet in onder meer paragraaf 9.4 als borg stellen. Daarbij gaat het dus om onder meer de volgende soorten zekerheden:

- Volgens de fiscus is de waarde in 2014 ruim 15 miljoen euro. Deze 15 miljoen euro is zodanig berekend dat in de tijd dit aldus de standpunten van de fiscus enkel omhoog gaat en kan gaan. Dit kan als zekerheid worden aangeboden tot het bedrag van de ‘ontnemingsvordering’ (die er overigens niet kan zijn gezien de uiteengezette punten).

- Ter zake de vordering van de buitengerechtelijke kosten (paragraaf 9.4.2)

[klaagster 2] alsmede [klaagster 3] willen nog opmerken dat tevens kan worden volstaan door een derdenbeslag bij de Staatsloterij te leggen. De opmerking van het OM dat het niet als borg gesteld kan worden, want dat het al verkocht zou zijn is tevens een drogreden nu hetgeen verkocht is datgene is wat over de gehele actie (opbrengsten – kosten = ) > € 150.000 euro overblijft.”

6.4.

De door [klager 1] , als vertegenwoordiger van [klaagster 2] en [klaagster 3] , in raadkamer van 12 december 2018 overgelegde pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“(…)

25. Als de beslagen gehandhaafd blijven dan:

a) Moet binnen afzienbare tijd faillissement aangevraagd worden. Op al het aanwezige geld is beslag gelegd. Alle rekeningen ligt dus beslag van klagers. Niks meer en niks minder en er zijn niet andere bankrekeningen. Klagers alsmede het OM hebben aldus aangetoond dat er inderdaad niks betaald kan worden. Het OM toont ook niet anders aan dan dat dit het geval is en dat weet zij maar al te goed;

b) Speelt bij faillissement ineens een heel ander belang; niet meer het belang van de deelnemers, maar snel schikken tegen een kostendekking;

c) Dient mijn levenswerk waar ik al jaren alles aan doe als verloren te worden beschouwd;

d) Zal een curator hoogstwaarschijnlijk voor een snelle deal gaan, niet no cure, no pay werken, etc..;

e) Geldt het overkoepelende belang van de schuldeisers. Dat is niet meer het belang voor een zo hoog mogelijke schadevergoeding. Het faillissement kan dan overigens snel worden afgewikkeld nu de schuldeisers gemakkelijk kunnen worden voldaan vanuit de aanwezige financiële middelen;

f) Is de motor van de actie gekielhaald en daarmee de persoon waarvoor mensen hebben gekozen;

g) Dienen er miljoenenvorderingen ter zake ook buitengerechtelijke kosten te worden afgeschreven;

h) Wordt de actie tenietgedaan door de partij die zelf nooit ordentelijk toezicht heeft gehouden op de Staatsloterij en daarnaast verweven is met de beneficiair van de Staatsloterij;

i) Speelt het OM diens broodheer in de kaart. Is er feitelijk gezien sprake van corruptie door misbruik van recht en valse aantijgingen. (Dwang)middelen worden immers aangewend onder een andere noemer dan de doelstelling;

j) Er moet een rechtszaak worden opgestart tegen [betrokkene 2] cs. i.v.m. onrechtmatig handelen. Er is echter geen geld beschikbaar om dat op te starten en ook maar de griffierechten te voldoen. Waarom zou [betrokkene 2] weg moeten komen met haar bedrog? Dat is ontoelaatbaar.

k) salaris al maandenlang niet wordt voldaan waardoor ik in privé niet aan mijn verplichtingen kan voldoen zoals zorgverzekering , hypotheek, eigen bijdrage ziektekosten, belastingaanslag van 1423 euro etc.. Ik kan simpelweg niks meer betalen en leef bij de gratie van familieleden. En overigens: voor nieuwe kleren voor de kinderen is bijvoorbeeld ook geen geld. Een van mijn dochters gaf afgelopen weekend nog aan dat zij een nieuwe broek nodig heeft, maar dat geld is er simpelweg niet. Sinds mei heb ik geen salaris ontvangen. Ik weet niet waar u van leeft, maar ik heb toch echt mijn salaris nodig om te overleven met mijn gezin met 4 kinderen en mijn hypotheekrente , zorgverzekering en dergelijke te kunnen betalen. Laatst was er plus minus 1400 euro aan beslag vervallen, maar dat helpt vrijwel niks. Daarnaast heeft de OVJ dat gedaan om zogenaamde goodwill te kweken en de redelijke OVJ te spelen. Er is echter niks redelijks aan het gedrag van het OM. Het is ook tekenend dat de OVJ de banksaldi van die betreffende rekeningen (Plus minus 920 euro en plus minus 500 euro) niet heeft opgelezen tijdens de vorige zitting. En dat is dus niet voor niets. Verplichtingen kunnen niet van de ene op de andere dag teniet worden gedaan;

I) De continuïteit van zeer grote procedures waarin vele tientallen miljoenen moeten worden voldaan door de Staatsloterij/ Staat (broodheer OM) in gevaar is;

m) een zaak bij de RVS ter verstrekking van documenten reeds verloren is gegaan doordat het griffiegeld niet kon worden betaald;

n) Er moet onderhoud plaatsvinden aan de ICT systemen;

o) de huur voor het kantoor kan niet meer worden betaald. Derhalve staat [klaagster 2] per 1 januari op straat. Dit is geen grap, maar pure waarheid;

p) Er is geen geld om af te reizen naar het kantoor en aldaar te verblijven wat zeer nodig is;

q) Er zijn openstaande rekeningen als degene die onder meer zijn overgelegd op 14 november (productie 16);

r) er moeten verschillende rechtszaken worden opgestart, zoals het van de parkeerrol halen van een zaak waarbij tevens de Staat aansprakelijk is gesteld;

s) er moet nog een aanzienlijke hoeveelheid mails worden weggewerkt. [A] is gestopt met deze niet betaalde werkzaamheden door [klaagster 2] , maar die [A] wel betaald door inhuur van personen;

t) ook het OM kan terecht niemand noemen die schade zou hebben geleden. De enige die schade lijdt is [klaagster 2] zelf haar vennootschappen die allen voor 100% toebehoren aan [klager 1] . Er moeten kosten gemaakt worden om alle rechtszaken te managen en inhoudelijk te voeren;

u) er moet onderhoud aan de structuur van de organisatie plaatsvinden. Daarnaast zullen binnen enkele weken rekeningen op de deurmat vallen voor (buitenlandse) Kamers van Koophandel, jaarfees van bijvoorbeeld [A] en [B] waardoor vennootschappen als [A] en [B] van rechtswege zullen worden ontbonden indien dat niet voldaan wordt. Ongehoord en onacceptabel;

v) Bunq bank heeft gezien het handelen van het OM de rekeningen geblokkeerd.

w) De facto is het voeren van de onderliggende actie tegen de Staat (waarvan je volgens velen nooit van kan winnen) een keiharde afstraffing gezien de mate van corruptie waarin klagers beland zijn;

x) Niemand anders heeft wat te zeggen over vermogen van [klaagster 2] en aanverwante vennootschappen. Zie ook naast De Vries Robé, etc. het volgende arrest van de Hoge Raad:

Dit betekent dat er geen direct toezicht van de kantonrechter is op het beheer van en de beschikking over het in de B.V. ingebrachte vermogen van de rechthebbende en dat dit vermogen alsdan ter vrije beschikking van de vennootschap staat. Weliswaar heeft de bewindvoerder zich bereid verklaard jaarlijks aan de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid van de B. V., onder overlegging van de jaarrekening van de vennootschap, maar een wettelijke basis hiervoor alsook een sanctie op het niet-nakomen van deze toezegging, ontbreekt. Het hof stelt verder vast dat het in artikel 2:239 BW vastgelegde beginsel van de autonomie van het bestuur van de vennootschap inhoudt dat besluiten van het bestuur van de vennootschap alleen kunnen worden onderworpen aan de goedkeuring van andere organen van de vennootschap, indien zulks in de statuten van de vennootschap is bepaald. Dit beginsel staat eraan in de weg dat beslissingen van het bestuur van de vennootschap, dan wel andere organen van de vennootschap, worden onderworpen aan de goed- of afkeuring van de kantonrechter, dan wel dat de kantonrechter bindende aanwijzingen zou kunnen geven aan organen van de vennootschap omtrent de uitoefening van hun bevoegdheden. Om deze reden staat het de kantonrechter dan ook niet vrij aanwijzingen te geven aan de bewindvoerder in zijn hoedanigheid van bestuurder van de B.V., dan wel als vertegenwoordiger van de rechthebbende in de algemene vergadering van aandeelhouders, inzake het te voeren beheer over het vermogen van de B.V. en de beschikking daarover. Niet alleen heeft de kantonrechter ten aanzien van het bestuur van de B.V. geen enkele wettelijke taak of bevoegdheid, ook verdraagt een dergelijke goedkeuring- of aanwijzingsbevoegdheid zich niet met de zogenoemde "autonomieregel" van artikel 2:239 BW. Dit betekent dat er geen wettelijke basis is voor het toezicht door de kantonrechter op het vermogen van de B.V.. zodat het de bewindvoerder in zijn hoedanigheid van bestuurder van de B V. vrij staat hierover naar eigen inzicht te beschikken en beheershandelingen te verrichten mits in het belang van de vennootschap. Of dit belang van de vennootschap duurzaam zal worden gelijkgesteld aan het belang van de rechthebbende is aan het oordeel van het bestuur overgelaten.

Evident duidelijk is dat de betreffende opdracht in het belang van de vennootschap is geweest. Zonder de betreffende opdracht was de kans groter geweest dat deelnemers hadden kunnen meedoen aan de Gratis Trekking, deelnemers slecht bereikbaar waren geweest, de bewijsvoering minder goed op orde was geweest, er geen overdracht heeft kunnen plaatsvinden van data hoe mensen hebben meegespeeld met de Staatsloterij (die heeft namelijk bij ruim 100.000 personen plaatsgevonden) etc.. En natuurlijk: [klaagster 2] procedeert. Zowel naar Nederlands recht als het van toepassing zijnde recht van Isle of Man op de betreffende overeenkomst is er niks mis. Voorgaande is simpelweg niet strafbaar.

26. Aldus zijn er disproportionele gevolgen door het beslag die tot verval van het beslag dienen te leiden. Onmiskenbaar komt het beeld naar voren dat het OM tegen beter weten in de meest bizarre acties uitvoert. Voorts zijn beslagen in strijd met het eigendom ingevolge art. 1 protocol 1 van het EVRM ter zake klagers. Legt het OM wel vaker beslag bij degene waarvan zij van oordeel is dat het geld ook van degene is? Ik heb geen voorbeeld kunnen vinden. Een ander moet ook niet redelijkerwijs als eigenaar worden beschouwd en dus dient het klachtschrift gegrond worden verklaard. Bizar dat er beslag wordt gelegd bij degene die volgens hetzelfde OM rechthebbende is.(…)39. Het OM maakt misbruik van bevoegdheid gelet op de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen. Benadeelden zijn er niet. Daarnaast is het zo dat de vorderingen die er op de Staat evident zijn, zoals u heeft kunnen constateren. Deze kunnen als borg worden gesteld (en zijn overigens ook ondanks daartoe geenszins verplicht te zijn aangeboden als zekerheid), door u in goede justitie eventueel te bepalen. Overigens is er geenszins voldaan aan de vereisten van subsidiariteit. Er staan de Staat veel eenvoudigere middelen ter beschikking. Het Openbaar Ministerie weet voorts maar al te goed dat [klaagster 2] haar verplichting kan nakomen indien er geen beslagen zou zijn.

40. Het beslag is dan ook een te zwaar middel nu haar minder inbreukmakende middelen gebruikt kunnen worden wat reeds grond is voor opheffing. Bijvoorbeeld dus door een derdenbeslag bij de Staatsloterij. Overigens staat de Staat garant voor te betalen schadevergoeding dus ook in dat opzicht behoeft het OM niet bevreesd te zijn. Nou ja, haar enige motief is natuurlijk dat de actie niet doorgaat tegen diezelfde overheid, mede omdat zij zelf jarenlang heeft gefaald correct toezicht te houden op de Staatsloterij. Het OM kan dat ontkennen maar gezien haar valse aantijgingen is dat de enige resterende grond.

41. Er zijn als gezegd geen benadeelden en [klaagster 2] wil dat het OM mijlenver wegblijft met haar valse aantijgingen en is ook absoluut niet van plan een ontnemingsvordering in te stellen wat natuurlijk niet wegneemt dat niet zal worden toegelaten dat geld door de Staat wordt gestolen. Het beslag dient aldus om verschillende redenen te eindigen gezien:

(i) De ondeugdelijkheid van de vordering staat summierlijk vast staat;

(ii) Het beslag is onnodig/ er zijn tevens andere middelen;

(iii) Het beslag als vexatoir moet worden aangemerkt,

(iv) Er kan door de beslagene afdoende zekerheid wordt gesteld.

(v) Het beslag is i.c. een buitenproportioneel middel.

Dit is overigens een niet-limitatieve opsomming waarbij elke grond op zichzelf reeds voldoende is om tot opheffing van de beslagen over te gaan.

(…)

43. De betreffende beslagmiddelen worden onmiskenbaar ingezet om [klaagster 2] te schaden en leiden tot disproportionele gevolgen. Er zijn bovendien geen benadeelden. Nergens toont het OM dat aan nu dat ook niet valt aan te tonen. Overigens heeft [betrokkene 2] / [betrokkene 3] destijds beslag proberen te leggen in 2016. Dit is ook terecht afgewezen. Waarom het OM dergelijke privileges wel zou hebben valt niet in te zien op grond van het verhandelde. [klaagster 2] had dat willen indienen als productie, maar gezien de administratie niet door het OM is teruggeven kan [klaagster 2] daarvan niet een bewijsstuk overleggen. Het staat namelijk in een antwoord in een klachtprocedure bij de Orde van Advocaten bij een klachtprocedure tegen de advocaat van [betrokkene 2] .(…)54. Voorts dient hierbij nog de kanttekening te worden gemaakt dat het OM vrijwel nooit bij grote rechtspersonen overgaat tot het leggen van conservatoir beslag. Te meer klemt dat nu [klaagster 2] een zaak voert ten behoeve van bijna 200.000 aangesloten klanten. Bij handhaving van de beslagen is een nadere rechtsgang illusoir nu er een acuut liquiditeitsprobleem is door de beslagen. Een voorlopige maatregel kan te nimmer het karakter hebben van een afpakmiddel.(…)Conclusie

78. Teruggave van de administraties alsmede ophef van de beslagen op de verschillende bankrekeningen. Indien en voor zover daar niet toe kan worden overgegaan.

Matiging van de beslagen en het verstrekken van een bankgarantie ofwel garantstelling door middel van vordering buitengerechtelijke kosten/ no cure/ no pay gedeelte deelnemers op de Staatsloterij voor een deel daarvan. Klagers alsmede ik ben overigens bereid een (persoonlijke) garantstelling te tekenen met aldus al het vermogen. Ik heb al destijds in het programma Jinek (begin 2016) trouwens aangegeven dat ik persoonlijk garant sta voor de continuïteit van de zaak. De zaak moet doorgaan en dat is mijn centrale boodschap.”

6.5.

Ik stel voorop dat voor zover het middel klaagt dat de rechtbank verzuimd heeft te reageren op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, wordt miskend dat art. 359, tweede lid, Sv niet het oog heeft op een ter gelegenheid van de behandeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in raadkamer ingenomen standpunt.

6.6.

Voorts geldt het volgende. De maatstaf die door de rechter dient te worden toegepast bij de beoordeling of het belang van strafvordering zich verzet tegen handhaving van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen, vergt niet een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting (onder voorwaarden) van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. (Vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881.)

6.7.

De bestreden beschikking houdt geen expliciete motivering in met betrekking tot de vraag of de voortzetting van het conservatoire beslag op de bankrekening met het bankrekeningnummer [002] ten name van [klaagster 3] in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat is, in het licht van hetgeen door en namens de klager is aangevoerd zoals weergegeven onder 6.3 en 6.4, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de kluwen van namens de klagers aangevoerde argumenten wel naar voren komt dat in de visie van de klagers forse nadelen ontstaan door de beslaglegging op de diverse activa, maar dat alleen is onvoldoende om de door de Hoge Raad omschreven motiveringsverplichting in het leven te roepen. Bij de proportionaliteit van het beslag gaat het immers om een oordeel over de verhouding tussen het middel en het daarmee beoogde doel, en bij de subsidiariteit om de vraag of niet met een minder vergaand middel volstaan kan worden. Kortom: dat het middel - de inbeslagneming - vergaand is zegt nog niets over een wanverhouding tot het doel. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vraag of de voortzetting van het conservatoire beslag op de bankrekening met het bankrekeningnummer [001] ten name van [klaagster 2] BV in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook dat komt mij niet onbegrijpelijk voor, in aanmerking genomen dat de bestreden beschikking inhoudt dat op deze bankrekening tevens klassiek beslag als bedoeld in art. 94 Sv is gelegd. Op een dergelijk beslag heeft de onder 6.6 weergegeven maatstaf waarop de steller van het middel ter onderbouwing van het middel een beroep doet geen betrekking.

6.8.

Het middel faalt.

7. De middelen kunnen worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

In de cassatieakte is het RK-nummer 18/902 niet vermeld, maar de daaraan gehechte schriftelijke volmacht houdt dit nummer wel in. Ook het vierde middel van de schriftuur heeft betrekking op de zaak met dit RK-nummer.

Onder omstandigheden kan het nadere motivering vergen hoe het beslag op een geldbedrag kan bijdragen aan de waarheidsvinding, zie bijv. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247.

Zie HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8560.

Vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1252 en HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735. Anders: HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature