< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Heeft de provincie voldaan aan haar verplichting om te trachten de te onteigenen onroerende zaak bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen? Art. 17 Ow.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Zaaknr: 18/01970 mr. W.L. Valk

Zitting: 1 februari 2019 Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

tegen

Provincie Gelderland

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] respectievelijk de Provincie .

1 Inleiding en samenvatting.

1.1.

In deze zaak staat centraal de vraag of de onteigenende partij heeft voldaan aan haar verplichting om te trachten hetgeen moet worden onteigend, bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen (art. 17 Ow).

1.2.

De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Mijns inziens slagen de daartegen gerichte klachten niet.

2 Feiten en procesverloop

2.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.2.

Bij Koninklijk Besluit van 31 maart 2017 (hierna: het KB), is goedgevonden en verstaan dat ten name van de Provincie ter onteigening worden aangewezen de onroerende zaken aangeduid op de grondplantekeningen die ingevolge art. 78 onteigeningswet (op andere plaatsen aan te duiden met de afkorting Ow) in de gemeenten Barneveld en Nijkerk en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij het besluit behorende lijst, zulks ter uitvoering van het provinciaal inpassingsplan ‘Rondweg Voorthuizen N303’.

2.3.

In het KB is onder meer ter onteigening aangewezen: (grondplannummer […] ) het gedeelte ter grootte van 00.07.26 ha (hierna ook: de onroerende zaak of het onteigende) van het perceel kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie D, nummer […] , ter grootte van 00.36.90 ha, kadastraal omschreven als ‘Terrein (akkerbouw)’ (hierna: perceel D […] ).

2.4.

In het KB zijn [eisers] aangewezen als eigenaren van de onroerende zaak, ieder voor de onverdeelde helft.

2.5.

Perceel D […] is bezwaard met een recht van hypotheek ten name van de naamloze vennootschap Achmea Bank N.V. en is tevens belast met een zakelijk recht als bedoeld in art. 5 lid 3 sub b Belemmeringenwet Privaatrecht.

2.6.

Bij beschikking van 14 september 2017 heeft de rechtbank Gelderland op verzoek van de Provincie ten behoeve van de voorgenomen onteigening van de onroerende zaak een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd. De (vervroegde) plaatsopneming heeft plaatsgevonden op 20 december 2017.

2.7.

De Provincie heeft [eisers] gedagvaard op 27 oktober 2017 voor de rechtbank Gelderland. De Provincie heeft gevorderd dat de vervroegde onteigening van de onroerende zaak wordt uitgesproken. Voorts heeft de Provincie gevorderd dat de schadeloosstelling wordt bepaald op € 22.000,—, althans, indien het aanbod van de Provincie niet wordt aanvaard, dat het voorschot wordt bepaald op 90% van het aangeboden bedrag en dat wordt bepaald dat de Provincie 100% van de aangeboden schadeloosstelling als voorschot mag uitkeren in plaats van de in art. 54i lid 5 Ow genoemde zekerheid, tenzij [eisers] afstand doen van het recht op zekerheidstelling. Ten slotte heeft de Provincie gevorderd dat het voorlopig oordeel in de hiervoor onder 2.6 aangeduide verzoekschriftprocedure te gelden heeft als (concept)deskundigenrapport en dat de data voor nederlegging van het concept deskundigenrapport en het deskundigenrapport worden vastgesteld.

2.8.

Bij vonnis van 11 april 2018 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken. Voorts is het door de Provincie aan [eisers] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 19.800,—, is bepaald dat de Provincie ten behoeve van [eisers] zekerheid moet stellen voor een bedrag van € 2.200,—, is aan de deskundigen opgedragen uiterlijk op 31 maart 2018 een conceptrapport in te dienen, aan partijen opgedragen daarop te reageren uiterlijk op 28 april 2018 en aan de deskundigen opgedragen om het ondertekend (eind)rapport uiterlijk op 9 mei 2018 te deponeren ter griffie van de rechtbank.

2.9.

Op 23 april 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 52 lid 2 en lid 3 Ow jo. 54l en 80 Ow tijdig – ter griffie van de rechtbank verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 11 april 2018.

2.10.

Op 8 mei 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 en 80 Ow tijdig – een procesinleiding ingediend bij de Hoge Raad. Op 9 mei 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 en 80 Ow tijdig – het oproepingsbericht, de procesinleiding en de cassatieverklaring aan de Provincie betekend. De Provincie heeft een verweerschrift ingediend. De Provincie heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht. [eisers] hebben gerepliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het middel bestaat uit één onderdeel, dat zich richt tegen de laatste drie alinea’s van rechtsoverweging 5.5. Op die plaats verwerpt de rechtbank het verweer van [eisers] dat de Provincie niet heeft voldaan aan de onderhandelingsplicht zoals die volgt uit art. 17 Ow. Voor een goed begrip citeer ik de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5:

‘5.4. Op grond van hetgeen over en weer (onbetwist) is aangevoerd, staat – samengevat – het volgende vast. De provincie probeert sinds 2012 met [eisers] in contact te treden om te onderhandelen over de minnelijke verwerving van de onroerende zaak. In 2012 is tot twee maal toe een afspraak gepland, maar deze afspraken zijn door [eisers] afgezegd. Door [eisers] is gevraagd om schriftelijk over de kwestie te communiceren, omdat zijn financiers mondeling overleg niet op prijs zouden stellen.

Op 25 maart 2015 heeft de provincie [eisers] bezocht voor een taxatieopname van de onroerende zaak. Vervolgens heeft de provincie [eisers] tijdens een overleg op 1 juni 2015 aangeboden de onroerende zaak te verwerven tegen een schadeloosstelling van € 22.000,—. De provincie heeft de door [eisers] voorgestelde grondruil afgewezen.

Bij brief van 9 juni 2015 is het aanbod bevestigd en bij brieven van 30 november 2015 en 5 april 2016 is het aanbod herhaald. Hierna heeft [eisers] bij brief van 6 mei 2016 gevraagd om een schriftelijke onderbouwing van de aangeboden vergoeding. Nadat op 31 maart 2017 het Koninklijk Besluit (tot onteigening) is genomen, heeft de provincie bij brief van 25 juli 2017 een herhaald aanbod gedaan. Ook dit aanbod bedroeg € 22.000,—. Bij brief van 2 augustus 2017 heeft [eisers] nogmaals gevraagd om schriftelijk over de kwestie te communiceren, alsmede om een schriftelijke onderbouwing van de bieding, zulks ten behoeve van zijn financiers.

Bij brief van 15 augustus 2017 heeft de provincie [eisers] een laatste aanbod ter voorkoming van onteigening gedaan. Dit aanbod is gelijk aan de eerdere biedingen, maar het bedrag is thans gesplitst in een post vermogensschade van € 14.520,— en een post bijkomende schade van € 7.500,—. [eisers] is vier weken gegeven om door te geven of hij kan instemmen met het aanbod. In een reactie van 6 september 2017 heeft de advocaat van [eisers] toegelicht dat [eisers] nog steeds wacht op een gemotiveerde onderbouwing van het aanbod van de provincie en dat er nog te veel onduidelijkheden zijn om de bieding van de provincie goed te kunnen beoordelen.

Bij emailbericht van 5 september 2017 heeft [betrokkene 1] zich namens [eisers] tot de provincie gewend met het verzoek om informatie teneinde de schadeloosstelling te kunnen begroten. Op dit bericht heeft de provincie bij e-mailberichten van 14 en 19 september 2017 inhoudelijk gereageerd. Op 2 oktober 2017 heeft de provincie [betrokkene 1] informatie over de geluidsbelasting toegezonden. Vervolgens heeft op 4 oktober 2017 overleg plaatsgevonden tussen de provincie en [betrokkene 1] . Volgens de provincie is tijdens dit gesprek afgesproken dat, gelet op de verschillen van inzicht over de geluidsbelasting en waardevermindering, de onteigeningsprocedure helderheid zal moeten brengen.

5.5.

Uit deze weergave moet worden afgeleid dat de provincie, ook nadat Koninklijk Besluit is genomen, voldoende serieuze pogingen heeft ondernomen om tot een minnelijke overeenkomst te komen. Het enkele feit dat de provincie niet heeft voldaan aan het verzoek van [eisers] om, gelet op het door hem gestelde belang om zijn hypotheekgevers te informeren, het aanbod schriftelijk te onderbouwen, maakt niet dat geoordeeld zou moeten worden dat geen, althans onvoldoende minnelijk overleg heeft plaatsgevonden. Hiervoor is van belang dat de provincie herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij haar aanbod mondeling aan [eisers] wilde toelichten en hierover wilde praten. Zij heeft er ook herhaaldelijk op gewezen dat zij de kosten van een deskundige (rentmeester/taxateur) voor zover betrekking hebbend op ontneming van de gronden aan [eisers] zal vergoeden, zodat het [eisers] duidelijk was dat hij op kosten van de provincie een berekening van de schadeloosstelling zou kunnen laten uitvoeren.

Het komt de rechtbank voor dat het in wezen gaat om een verschil van mening over (de uitgangspunten voor de bepaling van) de schadeloosstelling en dan met name over de vraag of na onteigening sprake is van waardevermindering van het overblijvende en van bijkomende schade. Het enkele feit dat partijen het hierover niet eens zijn, maakt echter niet dat geen sprake is geweest van serieuze onderhandelingen. Van een niet serieuze poging tot minnelijk overleg kan sprake zijn als de provincie een zodanig laag bod heeft gedaan dat dit niet serieus kan worden genomen of als zij evident onhoudbare uitgangspunten voor de vaststelling van de schade heeft aangehouden. Er zijn geen aanwijzingen dat het aanbod van de provincie zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen was. Bovendien kan niet worden gezegd dat de provincie een evident onhoudbaar uitgangspunt heeft gehanteerd door niet uit te gaan van waardevermindering van het overblijvende.

[eisers] kan ook niet worden gevolgd in zijn stellingen dat aan hem geen redelijke reactietermijn is gegeven na het gesprek op 4 oktober 2017 en dat hij niet hoefde te verwachten dat de dagvaarding (al) op 27 oktober 2017 zou worden uitgebracht omdat de provincie had toegezegd dat na het gesprek een schriftelijke toelichting zou volgen.

Hiervoor is onder meer van belang dat de provincie reeds bij brief van 15 augustus 2017 had aangekondigd dat de onteigeningsdagvaarding zou uitgaan indien [eisers] niet binnen vier weken zou instemmen met het aanbod. De provincie heeft bij e-mailberichten van 14 en 19 september 2017, alsmede 2 oktober 2017 nadere informatie aan [betrokkene 1] toegezonden. Uit de correspondentie en het gesprek met [betrokkene 1] was duidelijk geworden dat er een aanzienlijk verschil van mening bestond over de vraag of sprake was van waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade. Mede gelet op haar eerdere pogingen een minnelijke overeenkomst te bereiken, mocht de provincie ervan uitgaan dat een onteigeningsprocedure niet meer kon worden vermeden.

Tot slot geldt dat de omstandigheid dat de provincie enkele malen een onjuiste adressering heeft gehanteerd, er niet toe heeft geleid dat [eisers] in zijn belangen is geschaad. Conclusie is derhalve dat de provincie heeft voldaan aan de op haar rustende onderhandelingsplicht van artikel 17 Ow . ’

3.2.

Art. 17 Ow bepaalt dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst tracht te verkrijgen. De belangrijkste rechtspraak met betrekking tot deze onderhandelingsplicht laat zich als volgt samenvatten:

1. Indien de onteigenende partij aan de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow niet heeft voldaan, leidt dit tot haar niet-ontvankelijkheid in de vordering tot onteigening.

2. Het aanbod bij dagvaarding als bedoeld in art. 22 Ow kan niet gelden als het voldoen aan de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow.

3. Art. 17 Ow is niet te beschouwen als een vrijwel te verwaarlozen formaliteit.

4. De poging(en) zoals bedoeld in art. 17 Ow moet(en) worden ondernomen na het Koninklijk Besluit waarin het perceel ter onteigening is aangewezen en voordat tot dagvaarding wordt overgegaan.

5. De wederpartij moet een redelijke termijn krijgen om zich over het aanbod uit te laten.

6. Bij de vraag of aan de eis van art. 17 Ow is voldaan, moet – behalve op de strekking van die bepaling, zijnde het zo mogelijk vermijden van een gerechtelijke procedure – mede worden gelet op de omstandigheid dat het algemeen belang verlangt dat het onteigende spoedig wordt verkregen door de onteigenaar.

7. Bij de vraag of aan de eis van art. 17 Ow is voldaan, mag acht worden geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich heeft afgespeeld voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit, en op het standpunt van de eigenaar dat daaruit blijkt.

3.3.

Het onderdeel bestaat uit twee (ongenummerde) reeksen van klachten, één vanaf blad 5 laatste alinea tot en met blad 6, derde alinea van onderen, en één vanaf blad 6 tweede alinea van onderen tot en met blad 7.

3.4.

[eisers] betogen in de eerste reeks van klachten dat de overwegingen van de rechtbank volgens welke er geen aanwijzingen zijn dat het aanbod van de Provincie zodanig laag was dat het niet meer serieus te nemen was en dat niet kan worden gezegd dat de Provincie een evident onhoudbaar uitgangspunt heeft gehanteerd door niet uit te gaan van een waardevermindering van het overblijvende, onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn gelet op de vaststaande feiten en hetgeen door [eisers] is aangevoerd, welke stellingen het onderdeel als volgt samenvat:

a. De Provincie heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de relevante schadeposten. Er is evident sprake van waardevermindering van het overblijvende.

b. Het te onteigenen perceelsgedeelte maakt deel uit van de tuin van de woning van [eisers] Op het te onteigenen perceelsgedeelte wordt op circa tachtig meter van de woning (met een geschatte waarde nabij € 1.000.000,—) onder meer de nieuwe Rondweg Voorthuizen (N303) gerealiseerd, waardoor de verkeersintensiteit ter plaatse toeneemt van 676 per etmaal tot 21.827 per etmaal en de geluidsbelasting toeneemt met 2,7 dB.

c. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de onteigende schadeloos worden gesteld voor de toegenomen geluidhinder vanwege het werk waarvoor onteigend wordt als dit werk ten dele op het onteigende wordt gerealiseerd.

d. De toegenomen geluidhinder spreekt ook uit de aantekening in de registers van het Kadaster van de woning van [eisers] , een besluit op grond van artikel 110 Wet geluidhinder . Dat sprake is van waardevermindering van de woning staat hiermee vast.

e. Het is alsof de taxatiecommissie van de Provincie nog niet eerder over de waardevermindering van het overblijvende heeft nagedacht en op het moment dat hiernaar gevraagd wordt, maar ontkent dat van waardevermindering sprake is.

f. Ook omtrent bijkomende schade heeft Provincie zich onvoldoende rekenschap gegeven van de verschillende componenten. Deze schadepost is in de biedingsbrieven van de Provincie nimmer nader gespecificeerd.

3.5.

Hoe de rechtsklacht van de eerste klachtenreeks zou kunnen slagen, kan ik niet inzien. De steller van het middel laat ons met zoveel woorden weten (eerste volzin van de laatste alinea van blad 5 van de procesinleiding) dat de overweging van de rechtbank volgens welke van een niet serieuze poging tot minnelijk overleg sprake kan zijn als de Provincie een zodanig laag bod heeft gedaan dat dit niet serieus kan worden genomen of als zij evident onhoudbare uitgangspunten voor de vaststelling van de schade heeft aangehouden, juist is. Dat de rechtbank van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan volgt ook uit rechtsoverweging 5.2, waar de rechtbank heeft overwogen:

‘5.2. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of de provincie heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 17 Ow . Dit artikel schrijft de onteigenaar gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. De pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen nadat de Kroon de te onteigenen percelen heeft aangewezen. Hierbij mogen ook pogingen in aanmerking worden genomen die zijn gedaan voorafgaand aan het besluit tot onteigening (Hoge Raad 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955).’

3.6.

Naar aanleiding van de klacht dat de overwegingen van de rechtbank onbegrijpelijk zijn, het volgende.

3.7.

Welke eisen in concreto behoren te worden gesteld aan de poging van de onteigenende partij tot minnelijke verwerving is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van die partij kan in ieder geval worden verwacht dat zij een aanbod doet. Op zichzelf lijkt mij juist dat, zoals de rechtbank heeft overwogen en door de steller van het middel wordt omarmd, een aanbod dat zodanig laag is dat het niet serieus kan worden genomen of van evident onhoudbare uitgangspunten uitgaat, onvoldoende is. Daarbij passen echter mijns inziens twee kanttekeningen.

3.8.

In de eerste plaats mag, zoals gelet mag worden op de voorgeschiedenis, mijns inziens mede worden gelet op hetgeen naar aanleiding van het aanbod tussen partijen is besproken. Een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg van art. 17 Ow brengt mee dat een aanbod waarvan de kwaliteit kwestieus is, niet stéé ds door een verbeterd aanbod behoeft te worden gevolgd. Voor de vraag wat in de gegeven omstandigheden van de onteigenende partij behoort te worden gevergd, zijn alle omstandigheden van het geval relevant. Tot die omstandigheden kan ook behoren dat partijen in een serieuze gedachtewisseling tot de conclusie zijn gekomen dat de tussen hen bestaande kloof onoverbrugbaar is en een onteigeningsprocedure daarom onvermijdelijk. Doet zich dit voor, dan ligt minder voor de hand om de onteigenende partij op de onvolkomenheden in het gedane aanbod af te rekenen. Een en ander past bij strekking van art. 17 Ow, het zo mogelijk vermijden van een gerechtelijke procedure, en dient het algemeen belang van spoedige verkrijging door de onteigenaar.

3.9.

In de tweede plaats is niet werkbaar dat de rechter in het kader van een verweer van de onteigende dat niet zou zijn voldaan aan art. 17 Ow, min of meer diepgaand zou moeten onderzoeken wat de waarde van het onteigende is, wat de juiste uitgangspunten voor de schadeloosstelling zijn en welke bedragen bij benadering met de verschillende schadeposten gemoeid zijn. In dit verband moeten we bedenken dat de rechter in de eerste fase van de procedure tot vervroegde onteigening doorgaans nog niet beschikt over een (voorlopige) oordeel van de deskundigen en dat in ieder geval het processuele debat over de uitgangspunten en de hoogte van de schadeloosstelling dan nog allerminst is voltooid. Zijn oordeel aanhouden mag de rechter zeker niet, want dat zou geheel in strijd zijn met de strekking van de procedure tot vervroegde onteigening, die het algemeen belang dient dat het onteigende spoedig door de onteigenaar wordt verkregen. Gelet op een en ander kan bij de vraag of het oordeel van de rechter dat een aanbod niet zodanig laag is dat het niet serieus kan worden genomen en dat het aanbod niet van evident onhoudbare uitgangspunten uitgaat, onbegrijpelijk is, alleen worden gelet op hetgeen de rechter ook zonder deskundige voorlichting gemakkelijk behoort in te zien.

3.10.

In het licht van het voorgaande faalt de klacht dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is. Dat inmiddels de deskundigen de waardevermindering van het overblijvende voorlopig hebben begroot op € 81.850,— en de bijkomende schade voorlopig op € 22.500,— moet buiten beschouwing blijven. Niet onbegrijpelijk heeft de rechtbank mede van belang geacht dat uit de correspondentie en een gesprek met de adviseur van [eisers] duidelijk was geworden dat er een aanzienlijk verschil van mening bestond over de vraag of sprake was van waardevermindering van het overblijvende en over bijkomende schade.

3.11.

Ook de klacht dat de rechtbank, zo begrijp ik, verplicht in had moeten gaan op een of meer van de door het onderdeel opgesomde stellingen (zie hiervoor onder 3.4 onder a tot en met f), faalt, omdat die stellingen in het licht van het voorgaande geen essentieel karakter dragen, dan wel de door de rechtbank gegeven motivering volstaat. Bij de stelling onder f (die ziet op de omstandigheid dat de Provincie de post bijkomende schade nooit heeft gespecificeerd) acht ik van belang op te merken dat volgens de onbestreden overweging van de rechtbank (derde volzin van rechtsoverweging 5.5) de Provincie herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij haar aanbod mondeling aan [eisers] wilde toelichten en hierover wilde praten. Toen uiteindelijk dat gesprek plaats vond, bleek – zo lees ik in de derde en vierde volzin van de vierde alinea van rechtsoverweging 5.5 – dat er een aanzienlijk verschil van mening bestond, dat de Provincie voor onoverbrugbaar mocht houden.

3.12.

In de tweede plaats (vergelijk hiervoor onder 3.3) klagen [eisers] dat de overwegingen van de rechtbank dat uit de correspondentie en het gesprek met [betrokkene 1] op 4 oktober 2017 duidelijk was geworden dat er een aanzienlijk verschil van mening bestond over de vraag of sprake was van waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade, en dat mede gelet op haar eerdere pogingen om een minnelijke overeenkomst te bereiken de Provincie ervan mocht uitgaan dat een onteigeningsprocedure niet meer kon worden vermeden, onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Dat blijkt volgens [eisers] niet alleen uit de voorgaande klachten, maar ook daaruit dat de rechtbank geen kenbare aandacht heeft besteed aan hetgeen door [eisers] is aangevoerd tijdens het pleidooi. [eisers] verwijzen naar de pleitnota van hun advocaat onder 18 tot en met 20 en 24 tot en met 30.

3.13.

De rechtsklacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat [eisers] noch duidelijk maken welke rechtsregel zou zijn miskend, noch waarom uit de aangevallen overwegingen van die miskenning blijkt.

3.14.

Ook de motiveringsklacht(en) treffen mijns inziens geen doel.

3.15.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet evident onhoudbaar is dat de Provincie uit is gegaan van waardevermindering van het overblijvende. Dat oordeel is bij uitstek aan de rechter die over de feiten oordeelt en daarbij geldt bovendien wat ik hiervoor onder 3.9 heb gezegd.

3.16.

Dat de rechtbank erover heen is gestapt dat het aanbod van de Provincie wat betreft de bijkomende schade niet in alle opzichten een schoonheidsprijs verdient, onder meer met betrekking tot aanpassing hekwerk en in verband met een rekenfout ter grootte van € 500,—, acht ik evenmin onbegrijpelijk. Onder meer in het licht van de omstandigheid dat de verschillen tussen partijen in het gesprek met de adviseur van [eisers] onoverbrugbaar waren gebleken en een onteigeningsprocedure onvermijdelijk, ging het naar het kennelijke oordeel van de rechtbank te ver om van de Provincie te vergen om nog een verbeterd bod uit te brengen. Een nadere motivering behoefde het oordeel van de rechtbank mijns inziens niet.

3.17.

Mijn slotsom is dat geen van de klachten van het middel doel treft.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vergelijk het arrest van de rechtbank van 11 april 2018 onder 2.1 t/m 2.5.

Besluit van 31 maart 2017, nr. 2017000912, Stcrt. 2017, 32615, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Barneveld en Nijkerk krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Rondweg Voorthuizen N303).

Het betekeningsexploot van 9 mei 2018 vermeldt dat de procesinleiding en het oproepingsbericht betekend zijn en vermeldt niet uitdrukkelijk dat ook de cassatieverklaring is betekend. Uit het door de advocaat van de Provincie overgelegde procesdossier, waarin zich het origineel van het betekeningsexploot bevindt, blijkt echter dat ook de cassatieverklaring aan de Provincie is betekend (als bijlage bij de procesinleiding, waarin de cassatieverklaring ook is genoemd). Hieruit blijkt dat is voldaan aan het voorschrift van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 en 80 Ow.

Vergelijk: conclusie A-G Moltmaker (ECLI:NL:PHR:1994:AB8771) vóór HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB8771, NJ 1996/4, onder 3.2-3.6; conclusie wnd. A-G Van Oven (ECLI:NL:PHR:2015:2015) vóór HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:2015, RvdW 2015/1236, onder 3.4-3.5. Wat betreft de literatuur vergelijk: J. Sluysmans & J.J. van der Gouw, Onteigeningsrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 51-52; E. van der Schans & A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening, het spel en de knikkers, Reed Business 2011, p. 20-21.

HR 14 november 1884, W. 5106.

HR 6 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:75, NJ 1962/280.

HR 6 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:75, NJ 1962/280; HR 17 maart 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB5065, NJ 1965/278, m.nt. N.J. Polak; HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 m.nt. P.C.E. van Wijnen. De regel dat art. 17 Ow niet te beschouwen is als een te verwaarlozen formaliteit en dat er serieus moet worden onderhandeld, impliceert dat de onteigenaar geen evident onhoudbare uitgangspunten mag aanhouden en geen zodanig laag bod mag doen dat dit niet serieus te nemen is, zoals de rechtbank ook heeft aangenomen.

HR 6 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:75, NJ 1962/280.

HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB8771, NJ 1996/4, m.nt. R.A. Morzer Bruyns.

HR 17 maart 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB5065, NJ 1965/278, m.nt. N.J. Polak.

HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24.

Het onderdeel verwijst onder meer naar de conclusie van antwoord onder 3 en 27 en de pleitnotitie van mr. Van Andel onder 15-20, 24-30, 33 en 34.

Vergelijk conclusie wnd. A-G Van Oven (ECLI:NL:PHR:2013:BZ7393) vóór HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7393, onder 3.5.

Procesinleiding onder 8.

In het procesdossier van de Provincie bevindt zich een nota voor rechter-commissaris en deskundigen bij gelegenheid van de voorlopige plaatsopneming op 20 december 2017. Daaruit blijkt (zie p. 7) op welke gronden de Provincie ook toen verdedigde dat er geen waardevermindering van het overblijvende optreedt (preciezer gezegd: dat er na aanleg van een door de Provincie te bekostigen haag geen relevante waardevermindering resteert). Ik laat dit betoog verder buiten beschouwing, in de eerste plaats omdat te betwijfelen valt of de bedoelde nota tot de processtukken in de onderhavige zaak valt te rekenen, en in de tweede plaats omdat mijns inziens de precieze inhoud van de door de Provincie gebezigde argumenten in de onderhavige zaak ook niet van belang is. Vergelijk hiervoor onder 3.9.

Vergelijk in dit verband de pleitnota van de zijde van de Provincie van 19 februari 2018, p. 3-4 en het zogenaamde logboek grondverwerving, overgelegd als productie 3 bij de akte overlegging producties van 19 februari 2018.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature