< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Goederenrecht. Pandrecht. Is vordering stil verpand, zonder dat deze was vermeld in pandakte? Uitleg pandakte. Bepaaldheidsvereiste; art. 3:84 lid 2 jo. art. 3:98 BW.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02917

Zitting 30 augustus 2019

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

[eiseres] Holding B.V.,

eiseres tot cassatie,

adv.: mr. R.L.M.M. Tan

tegen

Heijmans Infra B.V.,

als rechtsopvolgster van Heijmans Wegen B.V.,

verweerster in cassatie,

niet verschenen

Het gaat in deze zaak om de vraag of eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op een vordering van [A] B.V. (hierna: [A]) op verweerster in cassatie (hierna: Heijmans). [A] heeft zich in een pandovereenkomst jegens [eiseres] verplicht om al haar vorderingen op derden aan [eiseres] te verpanden. In een ter uitvoering van die verplichting geregistreerde pandakte wordt verwezen naar een lijst waarop de te verpanden vorderingen zijn gespecificeerd. De vordering op Heijmans staat echter niet op die lijst vermeld.

Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [A] op Heijmans niet aan [eiseres] is verpand, onder meer omdat de vordering niet op de pandlijst is vermeld, terwijl evenmin sprake is van een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen.

In cassatie klaagt [eiseres] dat het hof bij het bepalen van de inhoud van de pandakte ten onrechte de Haviltex-maatstaf niet heeft toegepast en dat het hof heeft miskend dat uitleg van de pandakte aan de hand van de Haviltex-maatstaf doorwerkt in het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW. Tot slot wordt opgekomen tegen het passeren door het hof van een bewijsaanbod.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan – voor zover van belang – van de volgende feiten worden uitgegaan:

(i) De pandakte bedrijfsuitrusting van 31 december 2010 (hierna: de Stampandakte) tussen (onder meer) [A] als ‘pandgever’ en [eiseres] als ‘pandnemer’ houdt – voor zover hier van belang – in:

“Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen de pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden [...] verpandt de pandgever aan de pandnemer [...] zijn gehele bedrijfsuitrusting, zulks in de ruimste zin [...].

Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen " de vorderingen ".

[...]

4.10

De verpanding zal geschieden door middel van daartoe door pandnemer vastgestelde formulieren, danwel andere documenten ten genoege van pandnemer waaruit van de verpanding aan pandnemer blijkt.”

(ii) Op 19 december 2013 heeft [A] Heijmans gedagvaard en veroordeling tot betaling gevorderd van (onder meer) bedragen van € 368.953,00 en € 134.732,00, waaronder een bedrag van € 13.350,00 met betrekking tot het project “ [het project] ”. Deze bedragen hebben betrekking op de afrekening van overeenkomsten van (onder-)aanneming inzake zeven verschillende en van elkaar losstaande bouwprojecten. De overeenkomsten zien op infrastructurele werkzaamheden, waarvan Heijmans de opdrachtgever was.

(iii) De op 20 januari 2014 gedateerde en op 27 januari 2014 geregistreerde pandakte (hierna: de Pandakte) houdt – voor zover hier van belang – in:

"Geldend tot meerdere zekerheid voor al hetgeen [...] [eiseres] [...] nu of in de toekomst heeft te vorderen van [...] [A] [...].

Geeft pandgever aan pandnemer in pand:

De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79.

[...]

Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s.

De verpanding vindt plaats op de wijze en onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding van de bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend. "

(iv) De specificatie vermeldt facturen, maar niet de bij dagvaarding ingestelde vorderingen op Heijmans.

(v) Op 28 januari 2014 is [A] in staat van faillissement verklaard.

(vi) Bij faxbericht van 7 februari 2014 heeft [eiseres] aan Heijmans medegedeeld dat alle vorderingen van [A] op Heijmans aan [eiseres] waren verpand.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 19 december 2013 – dus voor haar faillietverklaring – heeft [A] , voor zover in cassatie van belang, gevorderd Heijmans te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.500,00 met betrekking tot het project “ [het project] ”, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

1.3

Na de faillietverklaring van [A] en nadat [eiseres] aan Heijmans mededeling had gedaan van haar pandrecht op deze vordering, heeft [eiseres] (na schorsing) de procedure van [A] overgenomen.

1.4

Heijmans heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering van [A] niet aan [eiseres] is verpand, omdat dit niet volgt uit de pandakte van 20 januari 2014.

1.5

Bij eindvonnis van 21 september 2016 heeft de Rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de vordering van [A] op Heijmans rechtsgeldig is verpand aan [eiseres] (rov. 3.11). Gelet op de omstandigheden dat [A] zich bij de Stampandakte ondubbelzinnig had verbonden alle vorderingen te verpanden en dat de tekst van de Pandakte expliciet verwees naar de Stampandakte waaruit die verplichting voortvloeide, achtte de rechtbank het voldoende aannemelijk dat [A] heeft bedoeld alle vorderingen te verpanden. In de gegeven omstandigheden mocht [eiseres] daar ook gerechtvaardigd op vertrouwen. Het beroep van Heijmans op de letterlijke tekst van de Pandakte legt daartegenover te weinig gewicht in de schaal, aldus de rechtbank (rov. 3.9).

Daarop heeft de rechtbank Heijmans veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW.

1.6

Heijmans is van het vonnis van 21 september 2016 in hoger beroep gekomen bij het Hof ’s-Hertogenbosch met conclusie tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [eiseres] .

Heijmans heeft vier grieven aangevoerd die erop neerkomen dat naar haar mening de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de betreffende vordering van [A] op Heijmans is verpand aan [eiseres] , aangezien deze vordering niet is opgenomen in de Pandakte.

1.7

[eiseres] heeft verweer gevoerd bij memorie van antwoord. Partijen hebben hun standpunt ter gelegenheid van een pleidooi aan de hand van pleitnotities mondeling toegelicht.

1.8

Bij arrest van 10 april 2018 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat de grieven van Heijmans slagen. Het heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] tot betaling door Heijmans van € 13.500,00 afgewezen.

Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:

“6.7 Het hof stelt voorop dat de voor verpanding van een vordering toepasselijke wettelijke regels luiden:

Artikel 3:236 lid 2 BW : “Op andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering van het te verpanden goed is bepaald.”

Artikel 3:94 lid 3 BW : “Deze rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. (...) ”.

6.7.1.

In de akte van 20 januari 2014 (…), zoals hierboven aangehaald, heeft [A] als pandgever concreet aangegeven op welke vorderingen zij een pandrecht verleende.

Bij vestiging van een stil pandrecht op vorderingen op naam waarbij de te verpanden vorderingen expliciet worden vermeld op een lijst zoals in dit geval, is die lijst leidend. Nu tussen partijen vast staat dat de vorderingen van [A] op Heijmans niet voorkomen op de lijst die is gevoegd bij de akte van 20 januari 2014, zijn die vorderingen niet verpand bij die akte.

De akte van 20 januari 2014 bevat geen aanknopingsgegevens op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kan worden vastgesteld dat ook de onderhavige vordering van [A] op Heijmans aan [eiseres] is verpand bij die akte.

Van een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van [A] op Heijmans is ook geen sprake.

Evenmin kan de, zo door [eiseres] genoemde, “verpandingssystematiek” tot het oordeel leiden dat de vordering van [A] op Heijmans aan haar is overgedragen. De, zo door partijen daarbij, genoemde “Pandakte” van 31 december 2010 (…), aangegaan tussen onder andere [eiseres] en [A] , bevat slechts een verbintenis (onderstreping hof) van [A] om alle vorderingen te verpanden. Immers in die akte is bepaald: “Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij of zij op derden heeft of zal hebben (...)”. Ook de artikelen 4.10. en 4.11., waarop [eiseres] zich voor haar argument ontleend aan de systematiek beroept, bevatten slechts verplichtingen voor [A] , namelijk door voor verpanding gebruik te maken van een formulier, dat formulier op te maken en dat aan [eiseres] te verschaffen. Uit die verplichting volgt niet dat de onderhavige vordering is verpand. Overigens wijst die verplichting er, gezien het gebruikte formulier, juist op dat de vorderingen in het formulier specifiek dienen te worden vermeld.

Dat het de bedoeling van [A] en [eiseres] zou zijn geweest om ook die vorderingen van [A] en Heijmans bij die akte te verpanden, is, nu die vorderingen niet op die lijst voorkomen, niet relevant. Immers de akte van 20 januari 2014 vermeldt niet “alle uitstaande vorderingen per 20 januari 2014” maar “De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79.” en “Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s.”, daarmee zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand.

6.8.

Het bewijsaanbod van [eiseres] word gepasseerd omdat het, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dient.”

1.9

[eiseres] heeft bij procesinleiding van 5 juli 2018 (en dus tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 10 april 2018. Zij heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht. Heijmans is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 komen op tegen het oordeel van het hof dat geen rechtsgeldig pandrecht is gevestigd op de vordering van [A] op Heijmans. Onderdeel 3 keert zich tegen het passeren van het bewijsaanbod van [eiseres] .

2.2

Bij de beoordeling van de klachten staat het volgende voorop.

Vestiging stil pandrecht op vorderingen; algemeen

2.3

Uit de stukken van het geding kan niet anders worden afgeleid dan dat [eiseres] zich beroept op de totstandkoming (op 27 januari 2014) van een stil pandrecht op een op dat moment bestaande vordering van [A] op Heijmans.

2.4

De totstandkoming van een dergelijk stil pandrecht op een vordering vereist een vestigingshandeling, krachtens geldige titel verricht door een daartoe beschikkingsbevoegde pandgever (art. 3:98 jo. art. 3:84 lid 1 BW).

2.5

De titel voor verpanding wordt gevormd door de rechtsverhouding die de vestiging van het pandrecht rechtvaardigt, doorgaans een (pand)overeenkomst. Een dergelijke obligatoire overeenkomst dient te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

2.6

De vestiging van een stil pandrecht geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar van de verpande vordering (art. 3:239 lid 1 BW). De daarin begrepen beperking ten aanzien van voor verpanding vatbare vorderingen speelt in dit geval geen rol.

2.7

Uitleg van de pandakte dient – evenals uitleg van de titel – te geschieden aan de hand van de (subjectieve) Haviltex-maatstaf. Men zie (met betrekking tot de uitleg van een akte van cessie) het arrest De Liser de Morsain/Rabo:

“Onderdeel 2b klaagt terecht, dat voor de bepaling van de inhoud van een akte van cessie niet slechts van belang is, hetgeen uit de desbetreffende akte zelf blijkt. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”

Het bepaaldheidsvereiste

2.8

Voor de pandakte geldt het zogenoemde bepaaldheidsvereiste. In art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW is het vereiste neergelegd dat het verpande goed in voldoende mate door de pandakte moet worden bepaald, aldus uw Raad. Het bepaaldheidsvereiste heeft een specificatie-/identificatiefunctie en een legitimatiefunctie: slechts indien duidelijk is welke vorderingen door de pandgever worden verpand, kan de verpanding op die vorderingen worden bewerkstelligd en de pandhouder zich als zodanig legitimeren. Indien de vorderingen niet in voldoende mate in de pandakte zijn bepaald, is de verpanding niet rechtsgeldig.

2.9

Het bepaaldheidsvereiste brengt niet mee dat de verpande vorderingen in de pandakte zelf moeten worden gespecificeerd, bijvoorbeeld door vermelding van (bijzonderheden van) de verpande vorderingen. Het is evenmin noodzakelijk om, tegelijk met de pandakte, pandlijsten te registreren of in de pandakte te verwijzen naar pandlijsten. Met het bepaaldheidsvereiste wordt door Uw Raad soepel omgegaan: in het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. oordeelde Uw Raad dat voldoende is “dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat”. Daarmee geldt in feite een bepaalbaarheidseis. Zo kan in de pandakte worden volstaan met een generieke omschrijving van de verpande vorderingen, zoals ‘alle ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechten of vorderingen jegens derden’ of ‘alle rechten of vorderingen jegens derden die worden verkregen uit de ten tijde van de ondertekening van de akte bestaande rechtsverhoudingen met die derden’. De vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

2.10

Een onjuiste aanduiding van een verpande vordering in de pandakte of de pandlijst hoeft niet in de weg te staan aan een rechtsgeldige verpanding van die vordering, mits achteraf aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad. Zie het arrest Wagemakers q.q./Rabo:

“3.3 Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat voor het vestigen van pandrecht op een of meer vorderingen voldoende is dat de geregistreerde pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447, rov. 4.2 [Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. – toev. A.G.]) (...)

Daarbij verdient nog aantekening dat een onjuiste aanduiding van een vordering op een van de pandgever afkomstige computerlijst als hier aan de orde er niet aan in de weg staat dat achteraf mag worden vastgesteld om welke vordering het gaat, mits achteraf aan de hand van objectieve gegevens vastgesteld kan worden welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad.

Dit strookt met de omstandigheid dat ook van een juiste aanduiding nauwelijks verwacht kan worden dat zij aan de pandhouder duidelijk maakt welke vordering de pandgever daarmee precies op het oog heeft gehad, zolang de pandgever hem niet achteraf aan de hand van zijn administratie de daartoe nodige nadere gegevens verschaft. In een overeenkomst die tot toezending van dergelijke lijsten ter verpanding van de telkens ontstane vorderingen op derden verplicht, ligt besloten dat de pandhouder bij voorbaat met een dergelijke wijze van aanduiding heeft ingestemd.

Indien de vordering op de computerlijst is opgenomen voor een lager bedrag dan verschuldigd is, komt het pandrecht evenwel in beginsel slechts op het deel van de vordering te rusten dat met dit lagere bedrag overeenkomt (….).”

2.11

Mede op grond van deze uitspraak wordt in de literatuur meestal aangenomen dat de vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een objectieve maatstaf dient te worden beoordeeld. Van voldoende bepaaldheid is sprake indien aan de hand van de (globale) omschrijving in de akte naar objectieve maatstaven c.q. op grond van andere objectieve gegevens (buiten de akte) – eventueel achteraf – kan worden vastgesteld op welk goed de vestiging ziet. Zo meent Rongen dat men in het oog moet houden dat voor een geldige cessie of verpanding niet voldoende is dat partijen van elkaar weten welke vordering wordt gecedeerd of verpand. Volgens hem brengen het aktevereiste en de daarmee nagestreefde rechtszekerheid mee dat de partijbedoeling aan de hand van de akte, eventueel in combinatie met buiten de akte gelegen objectieve gegevens, moet kunnen worden vastgesteld. Volgens Rongen verlangen het belang van de met de akte nagestreefde rechtszekerheid en de derdenwerking van het goederenrecht dat objectief kan worden vastgesteld of er een cessie of verpanding heeft plaatsgevonden. Dat heeft met uitleg van de (bewoordingen van de) akte niets van doen.

2.12

Sommige schrijvers menen echter dat de subjectieve uitleg van de pandakte aan de hand van de Haviltex-maatstaf (zie hiervoor onder 2.7) doorwerkt althans zou moeten doorwerken in (de maatstaf voor) het bepaaldheidsvereiste.

2.13

Zo is volgens Verstijlen met de uitleg van cessie- en pandakten aan de hand van de Haviltex-norm, ingevuld als in het arrest De Liser de Morsain/Rabo, “elk spoortje objectiviteit verdwenen”. Hij spreekt de vrees uit dat deze subjectieve uitleg doorwerkt in het bepaaldheidsvereiste. Uitleg van de akte gaat logischerwijs vooraf aan de vraag of met die akte aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Het ligt niet in de lijn van verwachting dat een grote rol is weggelegd voor een vereiste van ‘objectieve gegevens’ indien eerst aan de hand van verklaringen, gedragingen en verwachtingen mag worden bepaald tot verpanding van welke vorderingen een pandakte strekt, aldus Verstijlen.

Schuijling meent dat uit het arrest Wagemakers q.q./Rabo niet mag worden afgeleid dat de vaststelling van de te verpanden vorderingen uitsluitend kan geschieden aan de hand van objectieve gegevens. Dat zou volgens hem een te strenge invulling van de eis van voldoende bepaaldheid opleveren, die onvoldoende steun vindt in de wet en de overige rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van voldoende bepaaldheid. Gelet op de (loutere) identificatiefunctie van het bepaaldheidsvereiste volstaat volgens hem dat door uitleg in voldoende mate kan worden vastgesteld wat partijen hebben beoogd te leveren. Onder verwijzing naar het arrest De Liser de Morsain/Rabo stelt Schuijling dat bij de vaststelling van de partijbedoeling ten aanzien van het geleverde goed rekening mag worden gehouden met gegevens die buiten de vestigingshandeling zelf liggen.

Kaptein bepleit een subjectieve maatstaf voor het bepaaldheidsvereiste. Hij stelt dat het hanteren van een objectief bepaaldheidsvereiste voor een pandakte het nut ontneemt van een subjectieve uitleg van diezelfde akte. Onder verwijzing naar het criterium voor het bepaaldheidsvereiste – t.w. dat de akte zodanige ‘gegevens’ bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat – betoogt hij dat men ook de subjectieve partijbedoeling als ‘gegevens’ uit de akte kan aanmerken, ook als deze subjectieve partijbedoeling niet met zoveel woorden in de akte staat. Dit kan er aldus toe leiden dat bepaaldheid achteraf kan worden vastgesteld aan de hand van de subjectieve partijbedoeling.

2.14

De beoordeling van de vraag of in een specifieke situatie is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste, is van overwegend feitelijke aard.

Verhouding (uitleg) titel, (uitleg) pandakte en bepaaldheid

2.15

Verder kan de vraag worden gesteld hoe de (uitleg van de) pandakte, het bepaaldheidsvereiste en de (uitleg van de) titel zich (overigens) tot elkaar verhouden, met name indien tussen de titel en de pandakte een discrepantie bestaat.

2.16

Zie over uitleg van de pandakte in het licht van een afwijkende titel de conclusie van A-G Langemeijer voor het arrest ING /Muller q.q. (met door mij aangebrachte onderstreping):

“Allereerst moet onderscheid worden gemaakt tussen de obligatoire overeenkomst, waarbij een schuldenaar zich tot verpanding verplicht, en de goederenrechtelijke rechtshandeling, waarmee het pandrecht wordt gevestigd. Wanneer een schuldenaar zich contractueel jegens een bank verbindt om twee auto’s bezitloos in pand te geven en in de goederenrechtelijke overeenkomst slechts op één auto pandrecht wordt gevestigd, heeft de bank uitsluitend die ene auto als onderpand. De bank kan zich tegenover derden (bijv. beslagleggers) niet met succes beroepen op de stelling dat het toch de bedoeling van partijen bij de obligatoire overeenkomst was, dat de schuldenaar twee auto’s aan de bank in pand zou geven. De uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst is iets anders dan de uitleg van de obligatoire overeenkomst. Wel houdt de bank in dit voorbeeld een contractuele aanspraak jegens de schuldenaar, namelijk dat deze alsnog een pandrecht zal verlenen op de tweede auto.

In de omgekeerde situatie, wanneer de schuldenaar zich heeft verbonden om één auto in pand te geven maar in de pandakte staat dat de schuldenaar twee auto’s aan de bank verpandt, is de verpanding ten aanzien van de tweede auto ongeldig indien daarvoor niet een titel kan worden aangewezen. Wanneer geschil bestaat over de prealabele vraag of de obligatoire overeenkomst de schuldenaar verplichtte om één auto dan wel twee auto’s aan de bank in pand te geven, zijn de gewone regels voor de uitleg van obligatoire overeenkomsten van toepassing.”

2.17

In zijn conclusie voor het arrest De Liser de Morsain/Rabo stelt A-G Keus de vraag welke maatstaf zou moeten moet gelden voor de uitleg van een (cessie)akte. Hij betoogt daarop (met door mij aangebrachte onderstreping):

“Met betrekking tot deze vraag merk ik allereerst op, dat de obligatoire overeenkomst waarbij de schuldenaar zich tot cessie verplicht, en de goederenrechtelijke rechtshandeling waarmee de vordering wordt overgedragen, dienen te worden onderscheiden. Wanneer een schuldenaar zich contractueel verplicht een tweetal met name omschreven vorderingen te cederen, en in de (leverings)akte (abusievelijk) slechts melding wordt gemaakt van één met name genoemde vordering, dan is uitsluitend die ene vordering overgedragen. Van bepaalbaarheid aan de hand van de akte en aanvullende objectieve gegevens is in zo’n geval geen sprake. Omgekeerd geldt, dat als in de akte (abusievelijk) melding wordt gemaakt van over te dragen vorderingen, terwijl te dien aanzien geen overeenkomst tussen partijen bestaat, de vordering niet overgaat omdat dan niet aan het vereiste van een geldige titel is voldaan. Met uitleg van de cessieakte heeft dit strikt genomen niets te maken; wel geldt in verband met het voorgaande dat partijen bij de cessie zich er noch tegenover elkaar noch tegenover derden op kunnen beroepen dat zij het er over eens waren dat een bepaalde vordering zou worden gecedeerd, indien daarvan in de akte geen melding is gemaakt en zulks niet met behulp van objectieve gegevens uit de akte kan worden afgeleid: alsdan is aan het leveringsvereiste van ‘een daartoe bestemde akte’ immers niet voldaan.”

2.18

Na te hebben vastgesteld dat voor uitleg van een (cessie-)akte, ook in relatie tot derden, de Haviltex-maatstaf is aangewezen, besluit A-G Keus (met mijn onderstreping):

“Uitleg conform deze maatstaf biedt geen soelaas voor zover de over te dragen vordering – ook na uitleg van de cessieakte onderscheidenlijk akte van verpanding met toepassing van de Haviltex-maatstaf – in de akte onvoldoende bepaald is, dan wel in de akte in het geheel niet wordt genoemd.”

Deze constatering wordt ook door Van Mierlo onderschreven.

Tussenconclusie

2.19

Mede gelet op het arrest De Liser de Morsain/Rabo, waarin uitdrukkelijk werd onderscheiden tussen uitleg van de akte aan de hand van de Haviltex-norm enerzijds (rov. 4.4) en het bepaaldheidsvereiste anderzijds (rov. 4.3), meen ik, in lijn met hetgeen als heersende leer lijkt te kunnen worden aangemerkt, dat de (zelfstandige) vraag naar voldoende bepaaldheid aan de hand van een objectieve maatstaf moet worden beantwoord. Volgens vaste rechtspraak zijn vorderingen voldoende bepaald indien de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Ik leid hieruit af dat de pandakte, objectief bezien, zelf enig aanknopingspunt dient te bieden voor de vaststelling dat bij die pandakte een bepaalde vordering wordt verpand. Bevat de pandakte geen enkele (algemene of generieke) verwijzing naar de te verpanden vordering, dan is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Dit gebrek kan mijns inziens niet worden geheeld door de enkele bedoeling van partijen om bij die akte de vordering te verpanden, indien die bedoeling op geen enkele wijze uit de akte zelf blijkt. De akte bevat alsdan niet de ‘zodanige gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat’.

Bespreking van de klachten

2.20

De onderdelen 1 en 2 keren zich elk tegen het oordeel van het hof dat de vordering van [A] op Heijmans ad € 13.500,00 niet aan [eiseres] is verpand.

2.21

Het hof heeft dit oordeel gegrond op de volgende omstandigheden en oordelen (rov. 6.7.1):

- (i) In de Pandakte van 20 januari 2014 heeft [A] als pandgever concreet aangegeven op welke vorderingen zij een pandrecht verleende;

- (ii) Indien stil te verpanden vorderingen expliciet worden vermeld op een lijst, zoals in dit geval, is die lijst leidend;

- (iii) De Pandakte van 20 januari 2014 bevat geen aanknopingspunten op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kan worden vastgesteld dat ook de onderhavige vordering van [A] op Heijmans bij die akte is verpand;

- (iv) Ook is geen sprake van een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van [A] op Heijmans;

- (v) Evenmin kan de zo door [eiseres] genoemde ‘verpandingssystematiek’ tot het oordeel leiden dat de vordering aan haar is verpand. De akte van 31 december 2016 bevat slechts een verbintenis om alle vorderingen te verpanden. Ook de artikelen 4.10 en 4.11 waarop [eiseres] zich beroept, bevatten slechts verplichtingen betreffende het gebruik van een formulier. Overigens wijst die laatste verplichting er juist op dat de vorderingen in het formulier specifiek dienen te worden vermeld.

- (vi) Dat het de bedoeling van [A] en [eiseres] zou zijn geweest om ook de vorderingen van [A] op Heijmans bij de Pandakte te verpanden, is, nu die vorderingen niet op de lijst voorkomen, niet relevant. Immers de Pandakte vermeldt niet ‘alle uitstaande vorderingen per 20 januari 2014’ maar ‘de uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79’ en ‘deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s’, daarmee zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand.

2.22

Onderdeel 1 van het cassatiemiddel heeft betrekking op uitleg van de Pandakte van 20 januari 2014. Het valt uiteen in twee subonderdelen.

Subonderdeel 1.a klaagt dat het hof – in het bijzonder blijkens de door hem gebezigde argumenten die hiervoor zijn genummerd als (i), (ii) en (vi) – heeft miskend dat een pandakte moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In het licht van die maatstaf had het hof ook dienen mee te wegen de door [eiseres] gestelde (en door het hof in het midden gelaten) bedoeling van partijen ( [A] en [eiseres] ) om alle bestaande vorderingen van [A] per 20 januari 2014 krachtens de Pandakte aan [eiseres] te verpanden. Uitgaande van de Haviltex-maatstaf, getuigt de overweging dat deze bedoeling van partijen “niet relevant” is “nu de vorderingen niet op die lijst voorkomen” van een onjuiste rechtsopvatting. Bij toetsing aan de Haviltex-maatstaf is de bedoeling van partijen een relevante, zo niet doorslaggevende omstandigheid, aldus het subonderdeel.

Subonderdeel 1.b berust op de lezing dat het hof de Haviltex-maatstaf niet heeft miskend, maar heeft geoordeeld dat partijen ( [A] en [eiseres] ) over en weer slechts redelijkerwijs mochten verwachten dat uitsluitend de in de computerlijsten genoemde vorderingen verpand waren. Voor dat geval formuleert het een drietal motiveringsklachten tegen de hiervoor als (v) en (vi) genummerde argumenten van het hof, die er alle in de kern op neer komen dat het hof ten onrechte geen gewicht heeft gehecht aan de stelling dat de bedoeling van partijen was om alle openstaande vorderingen per 20 januari 2014 aan [eiseres] te verpanden.

2.23

Onderdeel 2 heeft betrekking op het bepaaldheidsvereiste. Het keert zich in twee subonderdelen tegen de door het hof gebezigde argumenten (iii) dat “[d]e akte van 20 januari 2014 […] geen aanknopingsgegevens [bevat] op grond waarvan achteraf aan de hand van de akte kan worden vastgesteld dat ook de onderhavige vordering van [A] op Heijmans aan [eiseres] is verpand bij die akte”, en (iv) dat “[v]an een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van [A] op Heijmans […] ook geen sprake [is].”

Subonderdeel 2.a bevat de rechtsklacht dat het hof, blijkens deze argumenten (iii) en (iv), de doorwerking van de subjectieve uitleg van de pandakte aan de hand van de Haviltex-maatstaf in het bepaaldheidsvereiste heeft miskend. De vraag of een vordering krachtens een akte is verpand en in die akte voldoende is bepaald, is een kwestie van uitleg van de akte conform de Haviltex-maatstaf. Bij die uitleg zouden ook andere omstandigheden moeten worden meegewogen dan slechts hetgeen uit (bijlages bij) de akte blijkt. De overwegingen van het hof veronderstellen ten onrechte dat slechts aan de hand van aanknopingsgegevens of een (generieke of algemene) omschrijving in de pandakte kan worden vastgesteld of de vordering aan [eiseres] is verpand.

Subonderdeel 2.b klaagt dat de overwegingen (iii) en (iv) voorts onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd in het licht van de stelling van [eiseres] dat de omschrijving “de uitstaande vorderingen per 20 januari 2014” in de Pandakte het mogelijk maakt om, eventueel achteraf, aan de hand van objectieve gegevens, vast te stellen om welke vorderingen het gaat, zodat de vorderingen in de akte, waaronder de betreffende vordering van [A] op Heijmans, op grond van de gegevens in de pandakte voldoende bepaalbaar zijn.

2.24

De onderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.25

Allereerst stel ik vast dat het hof zijn oordeel niet kwalificeert, dat wil zeggen niet expliciet aangeeft op welk(e) grond(en) de vordering naar zijn oordeel niet is verpand: onvoldoende bepaaldheid, uitleg van de Pandakte of beide. De argumenten (iii) en (iv) zouden kunnen wijzen op onvoldoende bepaaldheid als zelfstandige afwijzingsgrond. De argumenten (i), (ii), (v) slot en (vi) – die erop neerkomen dat in (de lijsten bij) de Pandakte expliciet en nauwkeurig is aangegeven welke vorderingen worden verpand, terwijl de onderhavige vordering niet wordt genoemd – zouden daar eveneens op kunnen wijzen. Zij laten zich echter ook lezen in de sleutel van uitleg van de Pandakte. Indien het hof de vordering (mede) heeft afgewezen op grond van onvoldoende bepaaldheid – welk gebrek reeds als zodanig aan verpanding in de weg staat – en dat met onderdeel 2 aangevallen oordeel stand houdt, bestaat bij het tegen de uitleg van de Pandakte gerichte onderdeel 1 geen belang.

2.26

Gelet op voormelde onduidelijkheid zal ik het middel volgen in zijn veronderstelling dat het hof zijn oordeel dat de vordering niet is verpand heeft gebaseerd op en uitleg van de Pandakte en toetsing aan het bepaaldheidsvereiste. Voorts zal ik het middel volgen in zijn – door mij hiervoor onder 2.19 verworpen – uitgangspunt dat (ook) de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, een kwestie is van uitleg van de Pandakte op basis van de Haviltex-maatstaf. Anders gezegd: als vastgesteld kan worden dat partijen over en weer redelijkerwijs konden verwachten dat de vordering op Heijmans was verpand, is de vordering daarmee tevens voldoende bepaald in de akte.

2.27

Ook tegen de achtergrond van deze uitgangspunten meen ik dat de onderdelen 1 en 2 geen doel treffen. Het hof heeft in aanmerking genomen:

- dat [A] als pandgever in de Pandakte concreet heeft aangegeven op welke vorderingen zij een pandrecht verleende (i);

- dat die concretisering geschiedde door middel van een verwijzing in de Pandakte naar vorderingen tot een gespecificeerd bedrag (‘de uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79’) die waren ‘vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s’ (vi);

- aldus zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand (vi);

terwijl

- de vordering van [A] op Heijmans niet op de pandlijst voorkomt (vi);

- de Pandakte geen aanknopingsgegevens bevat op grond waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat ook die vordering is verpand (iii); en

- ook geen sprake is van een generieke omschrijving (iv).

2.28

Gelet op deze overwegingen heeft het hof met zijn oordeel dat ‘de lijst leidend’ is (zie (ii)) respectievelijk dat de bedoeling van partijen om ook de vordering(en) op Heijmans bij de Pandakte te verpanden ‘niet relevant ‘ is (zie (vi)) klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat het – bij gebreke van enig aanknopingspunt daartoe in de Pandakte – geen rol ziet voor c.q. geen gewicht hecht aan de partijbedoeling bij de beantwoording van de vraag wat partijen – met name de pandhouder – mochten verwachten. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik merk in dit verband op dat een alomvattende obligatoire verplichting tot verpanding niet uitsluit dat partijen (de pandgever) om hen moverende reden een bepaalde vordering op een bepaald moment (nog) niet zouden willen verpanden, bijvoorbeeld indien, zoals in dit geval, die vordering nog niet vaststaat omdat daarover nog een geding aanhangig is.

2.29

Op het voorgaande stuiten alle klachten van de onderdelen 1 en 2 af.

2.30

Onderdeel 3 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2. Nu die onderdelen falen, faalt daarmee ook dit laatste onderdeel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Ontleend aan rov. 6.1 van het in cassatie bestreden arrest van Hof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1518, tenzij anders vermeld.

Overgelegd als prod. 56 zijdens [eiseres] (processtuk 21).

Ontleend aan rov. 2.1 van het vonnis in incident van Rechtbank Oost-Brabant van 2 september 2015, zaak-/rolnummer: C/01/273034/HA ZA 14-17.

Overgelegd als prod. 57 zijdens [eiseres] (processtuk 21).

Bij vonnis in incident van 2 september 2015 (zaak-/rolnummer: C/01/273034/HA ZA 14-17) heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen die zien op de projecten [1] , [2] , [3] , [4] en [5] . De rechtbank achtte zich slechts bevoegd ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot de projecten [6] en [het project] . De vorderingen die zien op het project [6] zijn door de rechtbank afgewezen (zie rov. 3.4 van het eindvonnis van Rechtbank Oost-Brabant van 21 september 2016 (zaak-/rolnummer: C/01/273034/HA ZA 14-17)).

Aldus rov. 3.5 van het eindvonnis van 21 september 2016 en rov. 6.2 van het bestreden arrest. De dagvaarding vermeldt echter een vordering in hoofdsom ad € 13.350,00 ex BTW.

Zie rov. 3.6 van het eindvonnis van 21 september 2016 en rov. 6.3 van het bestreden arrest.

Rb Oost-Brabant, vonnis van 21 september 2016, zaak-/rolnummer: C/01/273034/HA ZA 14-17.

Hof ’s-Hertogenbosch 10 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1518.

HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, NJ 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.), rov. 4.2.

Het hof ziet deze lex specialis over het hoofd (rov. 6.7).

HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabo), rov. 4.4. Vgl. echter ook HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2435, NJ 2001/662 m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo), rov. 3.4.6.

Zie voor een overzicht van dit leerstuk: HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, NJ 2012/261 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING), rov. 4.6.2.

HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, NJ 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.), rov. 5.2.2; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabo), rov. 3.4.

Zie o.m. M.H.E. Rongen, Cessie, 2012, nr. 782.

Zie voor de cessie: HR 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8718, NJ 2001/46 ([.../...]), rov. 5.3.

HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), rov. 4.2.

Later herhaald in o.m. HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, NJ 1998/362 m.nt. W.M. Kleijn (Wagemakers q.q./Rabo), rov. 3.3; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabo), rov. 3.5; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, NJ 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.), rov. 5.2.2, en HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabo), rov. 4.3.

Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/231.

Zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabo), rov. 3.6 jo. 3.4.

HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, NJ 2005/326, rov. 3.6.

HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7248, NJ 1998/362 m.nt. W.M. Kleijn (Wagemakers q.q./Rabo), rov. 3.2. Zie ook: HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2434, NJ 1998/689 (Verhagen q.q./INB) (onjuiste vermelding debitor cessus).

Zie o.a. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2012/117, 259a, 259b en 314b, en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/230-231. Zie ook A-G Keus, conclusie (onder 2.4) vóór HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabo); A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vorderingen op naam, 2008, nr. 178, en A.J. Verdaas, ‘Moet een cessie- of pandakte toch meer objectief worden uitgelegd?’, TvI 2012/2, par. 4.3.

M.H.E. Rongen, Cessie, 2012, nr. 811, p. 1033.

F.M.J. Verstijlen, ‘Het pandrecht op de schop’, NTBR 2011/36.

B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen, 2016, nr. 141.

Zie F.J.L. Kaptein, ‘Subjectieve uitleg van cessie- en pandakten: niet bepaald objectief?’, WPNR 2013/6974, p. 358-366, par. 5.3 en F.J.L. Kaptein, Pandrecht, 2016, par. 4.4.4 en 4.5.

Zie HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, NJ 1999/733 m.nt. J. Hijma, rov. 5.3, en HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, NJ 2005/96 m.nt. S.C.J.J. Kortmann ([.../...]), rov. 5.2.2.

A-G Langemeijer, conclusie (onder 2.4) vóór HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, NJ 2002/610 m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.).

A-G Keus, conclusie (onder 2.4) vóór HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/183 m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabo).

Hier wordt verwezen naar de conclusie van Langemeijer voor ING/Muller q.q.

A-G Keus, conclusie (onder 2.6) vóór het arrest De Liser de Morsain/Rabo.

Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/206.

Het hof spreek kennelijk abusievelijk van ‘overgedragen’.

Zie s.t. onder 44.

S.t. onder 45.

Kennisneming van de Pandakte leert dat de specificatie ook nog plaatsvond aan de hand van vermelding van de eerste en de laatste debiteur.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature