< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG over onder meer (1) het begrip ‘grieven’ c.q. ‘bezwaren’ tegen het vonnis als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv, (2) het moment waarop de gemachtigde raadsman ter zitting in de gelegenheid moet worden gesteld mondeling bezwaren tegen het vonnis op te geven en (3) de vraag of de niet-gemachtigde raadsvrouw de gelegenheid had moeten worden geboden zich omtrent de inhoud van de bezwaren van de voordien verschenen raadsman ter nadere toelichting uit te laten. De AG adviseert de cassatieberoepen van de verdachte en de benadeelde partij te verwerpen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 18/00058

Zitting: 2 juli 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

De verdachte is bij arrest van 6 november 2017 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2017, waarbij hij wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of door middel van een valse sleutel” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Namens de verdachte heeft mr. T.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. S.N. de Jager, advocaat te ’s-Gravenhage, eveneens bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel van de verdachte

3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv en klaagt allereerst (1) dat het oordeel van het hof dat namens de verdachte mondeling geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet toereikend is gemotiveerd. Daarnaast behelst het middel de klacht (2) dat het hof heeft verzuimd (a) aan de gemachtigde raadsman die op de eerste terechtzitting in hoger beroep verscheen de gelegenheid te bieden om bezwaren tegen het vonnis op te geven en/of (b) aan de op de tweede terechtzitting verschenen niet-gemachtigde raadsvrouw gelegenheid te geven om zich uit te laten over de vraag of bij de eerder verschenen gevolmachtigde raadsman bezwaren tegen het vonnis bestonden en, zo ja, wat deze bezwaren inhielden.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”

5. Het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2017. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De verdachte[…]is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. de Wit, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor mr. L.M.A. Schwartz en die desgevraagd mededeelt dat zij niet weet of de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat zij niet uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De voorzitter merkt op dat door of namens de verdachte geen appelschriftuur in de zin van artikel 410 Sv is ingediend en ook anderszins door of namens de verdachte geen grieven tegen het vonnis naar voren zijn gebracht.

De advocaat-generaal geeft in overweging dat de inhoud van het proces-verbaal van de eerdere zitting in hoger beroep mogelijkerwijs een aanknopingspunt kan bieden met betrekking tot de grieven van de verdachte.

De voorzitter stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2017 blijkt dat de verdachte destijds niet is aangevoerd en dat de toenmalig raadsman wel gemachtigd was. De voorzitter merkt op dat gelet hierop het op 29 juni 2017 verleende verstek heden vervallen wordt verklaard, en dat uit voornoemd proces-verbaal evenmin bezwaren tegen het vonnis blijken. Het onderzoek ter terechtzitting wordt opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het hof.

De advocaat-generaal voert het woord. Hij leest de vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak terstond zal plaatsvinden.”

6. Het proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2017 waarnaar in het bovenstaande proces-verbaal wordt verwezen houdt (onder meer) het volgende in:

“De verdachte […]is niet verschenen.

De voorzitter stelt vast dat de verdachte gedetineerd is en dat de advocaat-generaal niet over een afstandsverklaring van de verdachte beschikt.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat hij uitdrukkelijk is gemachtigd hem als raadsman te verdedigen. De raadsman deelt voorts mee:

De verdachte is thans gedetineerd in verband met de omzetting van een taakstraf naar de vervangende hechtenis, waarvoor de oproepingen door de reclassering - volgens de verdachte - niet naar het juiste adres zijn gestuurd. Hij vindt daarom dat hij ten onrechte gedetineerd is.

Voor de behandeling ter zitting van zijn bezwaar tegen die omzetting is de verdachte per abuis niet aangevoerd. De verdachte was vanochtend erg boos omdat hij voor de terechtzitting van vandaag opnieuw niet is opgehaald. Ik weet niet of de verdachte inderdaad bij de terechtzitting aanwezig wil zijn. Nu er geen afstandsverklaring is, vraag ik u de zaak aan te houden.

De advocaat-generaal deelt mee:

Ik heb eerder vanochtend geconstateerd dat de verdachte gedetineerd is en toen onmiddellijk geregeld dat hij zou worden opgehaald in het detentiecentrum. Dat is helaas niet gebeurd. Nu er geen afstandsverklaring is, kan ik niet concluderen dat zijn afwezigheid conform de wens van de verdachte is. Ik kan me daarom niet verzetten tegen het verzoek om aanhouding van de raadsman.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek opdat de advocaat-generaal kan onderzoeken of inmiddels een afstandsverklaring van de verdachte is ingekomen.

De voorzitter hervat het onderzoek.

De advocaat-generaal deelt mee:

Ik ontvang nu net een bericht dat men in de penitentiaire inrichting (PI) via de afdeling bevolking bezig is met het verkrijgen van een afstandsverklaring van de verdachte. Ik verzoek u nog tien minuten te wachten.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek in afwachting van nader bericht. De voorzitter hervat het onderzoek.

De advocaat-generaal deelt mee:

De afdeling zittingsvoorbereiding van het parket heeft contact opgenomen met de afdeling bevolking van de PI. Dit heeft niet meer informatie opgeleverd dan het eerdere bericht.

De voorzitter stelt voor nog tot 13.00 uur te wachten.

De raadsman deelt mee:

Ik kan niet langer wachten omdat ik zo twee BOPZ-zittingen heb buiten Amsterdam.

De voorzitter deelt daarop als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd en beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman tegen de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting en de kennisgeving van de datum van die terechtzitting aan de benadeelde partij.”

7. Het te dezen relevante art. 416, tweede lid, Sv luidt als volgt:

"Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

8. De beslissing van het hof de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep berust mede erop dat door of namens de verdachte mondeling geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte rechts- en motiveringsklacht moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 410, eerste lid, Sv stelt aan een appelschriftuur de eis dat zij “grieven” tegen het vonnis in eerste aanleg bevat. Voor het overige worden aan de appelschriftuur geen nadere materiële eisen gesteld. Hetzelfde geldt voor de op grond van art. 416, eerste lid, Sv mondeling tegen het vonnis op te geven bezwaren. Mede omdat ook de verdachte zelf een appelschriftuur kan indienen, respectievelijk mondeling bezwaren kan opgeven, moeten aan de inhoud van die grieven of bezwaren geen hoge eisen worden gesteld. Gelet daarop alsmede op de wetsgeschiedenis van deze bepalingen, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder het begrip “grieven” in art. 410, eerste lid, Sv en het begrip “bezwaren tegen het vonnis” in art. 416, eerste en tweede lid, Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg, als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen vallen. Deze ruime uitleg brengt mee dat onder meer de enkele opgave van één of meer getuigen, de bij appelschriftuur door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat de strafzaak tegen de verdachte verweven is met tegen de medeverdachte lopende strafzaak waarin appel is ingesteld, en de opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg als grief of bezwaar in voormelde zin zijn aan te merken.

9. Daarmee is niet gezegd dat iedere tot de appelrechter gerichte opmerking een grief of bezwaar oplevert. Er is wel een ondergrens aan te wijzen. In HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079 had het hof de officier van justitie op grond van art. 416, eerste lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het namens het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep, omdat de appelschriftuur twee maanden te laat was binnengekomen. In cassatie werd namens het openbaar ministerie betoogd dat het hof een aan de appelakte gehecht formulier getiteld “opgave van bezwaren” als appelschriftuur had dienen aan te merken. Voor zover hier van belang hield dit formulier niet meer in dan dat “het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde feit”. Gezien deze simpele formulering was het oordeel van het hof dat het formulier niet kon worden aangemerkt als een appelschriftuur in de zin van art. 410 Sv niet onbegrijpelijk. Recenter oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat is aangevoerd dat de verdachte uitstel van het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden, wenselijk vindt, evenmin een grief of bezwaar in de hier bedoelde zin oplevert.

10. In de onderhavige zaak is op de terechtzitting van 6 november 2017 de verdachte niet verschenen. De wel verschenen, maar niet gemachtigde raadsvrouw was (bij afwezigheid van de verdachte) niet bevoegd aldaar mondeling bezwaren op te geven. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2017 heeft het hof zijn oordeel dat tegen het vonnis geen bezwaren zijn opgegeven mede gebaseerd op de vaststelling dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juni 2017 geen bezwaren tegen het vonnis blijken. De steller van het middel acht in het bijzonder dit laatste oordeel onjuist of onbegrijpelijk, want hij leest in het proces-verbaal van die terechtzitting van 29 juni 2017 dat de gemachtigde raadsman heeft “aangegeven dat oproepingen van verzoeker naar een verkeerd adres werden gezonden, terwijl verzoeker voorts boos was dat hij voor de zitting van 29 juni 2017 opnieuw niet was opgehaald”. De steller van het middel betoogt dat deze uitlatingen van de raadsman kennelijk mede ertoe strekten dat “het jegens verzoeker verleende verstek in eerste aanleg niet op diens instemming kon rekenen, terwijl verzoeker het voorts niet eens was met de uitkomst van die procedure.”

11. Deze lezing – en nadere duiding – van de inhoud van het proces-verbaal onderschrijf ik niet. De raadsman heeft op de terechtzitting van 29 juni 2017 het woord gevoerd voordat de advocaat-generaal de zaak zou voordragen en derhalve voorafgaand aan het moment waarop overeenkomstig de laatste volzin van art. 416, eerste lid, Sv de gelegenheid tot het opgeven van bezwaren tegen het vonnis pleegt te worden geboden. Het verbaast dan ook niet dat de raadsman zich in dit stadium uitsluitend heeft uitgelaten over de (wens tot) aanwezigheid van de niet-verschenen verdachte. Het is louter in dát verband geweest dat de raadsman (i) enkele opmerkingen heeft gemaakt over de boosheid van de verdachte omdat hij (naar ik begrijp, A-G) eerder onjuist was opgeroepen in een andere zaak voor het verrichten van een taakstraf, ten gevolge waarvan hij op dat moment de vervangende hechtenis onderging en in zijn ogen ten onrechte was gedetineerd, en (ii) heeft aangevoerd dat de verdachte de ochtend van de terechtzitting erg boos was omdat hij opnieuw niet was opgehaald, dit keer om naar de zitting in de onderhavige zaak te worden vervoerd. Aangezien het vonnis in eerste aanleg geen beslissingen bevat die betrekking hebben op een taakstraf of het ondergaan van vervangende hechtenis, kunnen de door de raadsman genoemde bezwaren tegen de detentie van de verdachte niet worden aangemerkt als tegen het vonnis (in de onderhavige zaak) opgegeven bezwaren en evenmin als andersoortige gronden voor het instellen van een rechtsmiddel. Het komt mij voor, zonder formalistisch te zijn, dat een uiting van misnoegen van de verdachte over de wijze waarop hij is opgeroepen en/of wordt opgehaald voor de terechtzitting in hoger beroep, (materieel) evenmin als zo een klacht tegen het vonnis kan worden beschouwd of andersoortige grond voor het instellen van een rechtsmiddel.

12. Het middel faalt in zoverre.

13. Als gezegd wordt voorts geklaagd dat het hof op de terechtzitting van 29 juni 2017 heeft verzuimd de gemachtigde raadsman in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis alsnog op te geven of te verduidelijken.

14. Ter onderbouwing van deze klacht verwijst de steller van het middel onder meer naar een passage uit (de achtste druk van) “Het Nederlands strafprocesrecht” van (toen nog) Corstens & Borgers, waarin deze auteurs schrijven dat wanneer de verdachte of de gemachtigde raadsman verschijnt “vrijwel altijd” zal worden voldaan aan de plicht om bezwaren op te geven, nu het hof daar immers, meer of minder indringend, naar pleegt te vragen. Met deze passage gaan de auteurs echter onmiskenbaar uit van de situatie dat de gemachtigde raadsman verschijnt op de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld. Zou op de terechtzitting van 6 november 2017 een gemachtigde advocaat zijn verschenen, dan zou deze ongetwijfeld zijn gevraagd naar de bezwaren tegen het vonnis. En wat betreft de terechtzitting van 29 juni 2017 is het hof – mede op verzoek van de raadsman – aan de inhoudelijke behandeling niet toegekomen. Art. 416, eerste lid laatste volzin, Sv is wat dit punt betreft helder: de gelegenheid tot het opgeven van bezwaren wordt geboden na de voordracht van de zaak door de advocaat-generaal. Dat verbiedt de rechter niet op eventueel daarvoor reeds tegen het vonnis opgegeven bezwaren acht te slaan, maar betekent mijns inziens wel dat de rechter niet verplicht is ook op iedere zitting waarop de zaak nog niet inhoudelijk wordt behandeld al de gelegenheid tot opgave van bezwaren te bieden.

15. Ook in zoverre faalt het middel.

16. Verder wordt nog de stelling betrokken dat de niet-gemachtigde raadsvrouw de gelegenheid had moeten worden geboden zich omtrent de inhoud van de bezwaren van de voordien verschenen raadsman ter nadere toelichting uit te laten.

17. Deze deelklacht berust op een gemaakte vergelijking met HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9223, NJ 2011/104. In die zaak was de ter terechtzitting verschenen, niet-gemachtigde raadsman ook de raadsman die eerder binnen de in art. 410, eerste lid, Sr gestelde termijn van veertien dagen een appelschriftuur had ingediend. De appelschriftuur hield niet in dat de raadsman tot het indienen daarvan door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd. De Hoge Raad oordeelde dat in zo een geval, dat erdoor wordt gekenmerkt dat de advocaat die de appelschriftuur heeft ingediend als raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, beginselen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter de raadsman – ook indien deze niet is gemachtigd op de voet van art. 279 Sv – de gelegenheid biedt om zich uit te laten omtrent de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd.

18. Voornoemde zaak betrof een uitzonderlijke, en ten opzichte van het onderhavige geval geheel andere, situatie. De Hoge Raad casseerde uiteindelijk wegens schending van “beginselen van een goede procesorde”, zonder nader te concretiseren welk beginsel of welke beginselen het hof precies geschonden had. Daaruit leid ik af dat de Hoge Raad, evenals mijn toenmalige ambtgenoot Machielse in zijn conclusie vóór het hierboven aangehaalde arrest van 22 februari 2011, weliswaar moeite had een rechtsregel aan te wijzen waarmee de handelwijze van het hof in strijd was, maar deze handelwijze kennelijk wel zo formalistisch achtte dat het bestreden arrest niet in stand kon blijven. Dat het daar om een uitzonderingsgeval ging, blijkt ook eruit dat de Hoge Raad het bereik van zijn uitspraak uitdrukkelijk beperkt tot het geval dat de raadsman die is verschenen ook de raadsman is die eerder de appelschriftuur heeft ingediend. Voor het lot van het middel in die zaak was voor de Hoge Raad mogelijk ook van belang dat herstel van dit formele gebrek een bijzonder kleine moeite was geweest: het hof had de aanwezige raadsman slechts naar zijn bevoegdheid tot indiening van de appelschriftuur hoeven vragen. Bovendien stond aan zo een vraag (en de beantwoording ervan) niet in de weg, dat de raadsman tot het voeren van de verdediging niet gemachtigd was.

19. In de onderhavige zaak is daarentegen geen sprake van een formeel gebrek in – anderszins en materieel beschouwd – deugdelijke grieven of bezwaren en/of een formalistische opstelling van het hof. Immers, noch bij appelschriftuur, noch ter terechtzitting zijn grieven of bezwaren opgegeven. Dat zo een opgave hier niet is bewerkstelligd, is niet het gevolg van een formeel gebrek (in de opgave). Voorts is in de onderhavige zaak niet dezelfde raadsman of -vrouw ter terechtzitting verschenen die eerder zou hebben beoogd bezwaren tegen het vonnis op te geven. Een uitzonderlijke situatie die zich op één lijn laat stellen met het geval in de zaak die leidde tot het hiervoor weergegeven arrest van 22 februari 2011, doet zich derhalve hier niet voor. Voor zover de klacht steunt op de (algemenere) opvatting dat een niet-gemachtigde raadsman of -vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de op een eerdere terechtzitting door een andere raadsman of -vrouw als bezwaren tegen het vonnis bedoelde opgave te verduidelijken of aan te vullen, faalt deze omdat mijns inziens die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht.

20. Derhalve mist het middel ook in zoverre doel en faalt het deswege in alle onderdelen.

Het middel van de benadeelde partij

21. Het middel klaagt dat de benadeelde partij zowel niet voor de terechtzitting in eerste aanleg op 13 januari 2017 als voor de terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2017 is opgeroepen teneinde aldaar haar vordering toe te lichten.

22. Art. 413, tweede lid, Sv bepaalt dat indien de benadeelde partij zich in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd de advocaat-generaal haar schriftelijk de dag meedeelt waarop de zaak op de terechtzitting in hoger beroep zal worden behandeld. De rechter dient te onderzoeken of aan dit voorschrift is voldaan. Indien zulks niet het geval is, behoort hij – tenzij de benadeelde partij ter terechtzitting is verschenen – het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, opdat genoemde mededeling alsnog aan de benadeelde partij kan worden gedaan.

23. In het dossier bevindt zich een dubbel van een brief namens de advocaat-generaal bij het hof van 31 augustus 2017 met als onderwerp “Zittingsinformatie”, gericht aan de benadeelde partij ( [benadeelde] ) en met de adresgegevens die overeenkomen met de in het voegingsformulier opgenomen gegevens. Daarin staat vermeld dat de zaak eerder ter terechtzitting is behandeld maar de behandeling toen voor onbepaalde tijd is aangehouden en dat de verdachte nu op 6 november 2017 om 10:25 uur moet verschijnen ter terechtzitting bij het gerechtshof Amsterdam. Voorts bevindt zich in het dossier een kopie van een eerdere brief (gedateerd 1 mei 2017), die eveneens is gericht aan de benadeelde partij onder dezelfde adresgegevens, waarin is vermeld dat de verdachte op 29 juni 2017 om 10:45 uur moet verschijnen. Gelet hierop heeft het hof ervan uit kunnen gaan dat sprake is geweest van een tijdig gedane mededeling als bedoeld in art. 413, tweede lid, Sv.

24. Voor zover het middel daarnaast klaagt dat de rechtbank ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in art. 51f, vijfde lid, Sv mededeling van de behandeling van de zaak ter terechtzitting is gedaan, treft het evenmin doel, omdat in zoverre niet wordt geklaagd over een beslissing van de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

25. Het middel van de benadeelde partij faalt.

Afronding

26. Het middel van de verdachte en het middel van de benadeelde partij falen. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel kan naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zo uitdrukkelijk: HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 (rov. 3.5.1.), m.nt. Mevis; HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20; en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers.

HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers en HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis.

HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans en HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122.

Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 (rov. 3.5.1.), m.nt. Mevis, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers.

HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans.

HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis. Vgl. voorts nog HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454.

HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122.

Aldus uitdrukkelijk HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5617, NJ 2010/175, m.nt. Schalken. Vgl. voor de rechtspraak waarin is uitgemaakt welke bij de wet aan de raadsman toegekende bevoegdheden ook door een niet-gemachtigde raadsman kunnen worden uitgeoefend: HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002/77 (rov. 4.8), m.nt. Reijntjes; HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339; en HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641.

De vraag of de appelrechter in het licht van art. 322, vierde lid, Sv ook verplicht is acht te slaan op mondeling opgegeven bezwaren tegen het vonnis die zijn geuit op een terechtzitting die voorafging aan het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting, laat ik daarom rusten.

Zie ter vergelijking met de onderhavige zaak HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7668, NJ 2011/79, m.nt. Cleiren, waarin de gemachtigde raadsman het woord tot verdediging had gevoerd, in het licht waarvan onbegrijpelijk was het oordeel dat mondeling geen bezwaren tegen het vonnis waren opgegeven.

G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 900.

Vgl. art. 450, eerste lid onder a, in verbinding met art. 452, eerste lid, Sv.

Zie onderdeel 3.6 van deze conclusie: “Formeel heeft het Hof niets verkeerd gedaan. [..] Het komt mij echter voor dat het Hof, mede gelet op de zwaarte van de sanctie, gehouden was om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen, door hem voor aanvang van dan wel tijdens de terechtzitting te vragen of hij bepaaldelijk gevolmachtigd was om de appelschriftuur in te dienen. Een dergelijke gelegenheid biedt ook de Hoge Raad advocaten die verzuimen in hun cassatieschriftuur te vermelden dat zij bepaaldelijk zijn gevolmachtigd door degene namens wie zij optreden.”

Vgl. bijv. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3121, NJ 2018/23.

Aan de vraag of de benadeelde partij bij een klacht als deze voldoende rechtens te respecteren belang heeft ingeval de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kom ik derhalve niet toe.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature