E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2019:506
Parket bij de Hoge Raad, 18/04315

Inhoudsindicatie:

Inbreng nieuwe stukken in hoger beroep toelaatbaar? Mocht het Hof weigeren de getuigen op te roepen waar belanghebbende om had verzocht? Cautieplicht?

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/04315 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7810.

Belanghebbende hield zich bezig met de verkoop van planten en bestratingsmateriaal en het leggen van bestratingsmateriaal voor (voornamelijk) particulieren. Tot 18 mei 2009 waren elf werknemers in dienst bij belanghebbende. Met ingang van die datum zijn de personeelsleden overgegaan naar haar zustervennootschap, [C] BV.

Op 26 maart 2010 zijn de aandelen in [C] BV verkocht aan de bedrijfsleider. [C] BV is op 31 augustus 2010 failliet verklaard. De bedrijfsleider heeft uit wrok een klikordner aan de Inspecteur gestuurd om hem te informeren over het door belanghebbende buiten de loonadministratie houden van loon dat zou zijn uitbetaald aan diverse werknemers. De Inspecteur heeft daarop een onderzoek ingesteld. Aan belanghebbende zijn, wegens het hebben uitbetaald van ‘zwart loon’, naheffingsaanslagen loonheffingen, met heffingsrente, opgelegd van, na bezwaar, € 3.757 (2007) en € 16.834 (2008-2009) en een vergrijpboete van 50%.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Deze heeft dat gegrond verklaard en heeft de aanslagen vernietigd, omdat de Inspecteur de gestelde looncorrecties onvoldoende heeft onderbouwd.

In hoger beroep bij het Hof heeft de Inspecteur nadere stukken overgelegd. Ook beroept de Inspecteur zich op administratie en urenstaten die, tijdens de lopende procedure, op zijn verzoek zijn verkregen van de (voormalige) curator van C BV. Volgens het Hof en de A-G mocht de Inspecteur dat ook hangende de procedure doen, als derdenonderzoek, onder artikel 53 van de AWR .

In de uitnodiging voor de zitting heeft het Hof, ingevolge artikel 8:60, lid 4, van de Awb , gewezen op de mogelijkheid voor partijen om getuigen mee te brengen naar de zitting of die schriftelijk op te roepen. Van geen van beide mogelijkheden heeft belanghebbende gebruik gemaakt.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij het Hof blijkt dat belanghebbende heeft aangevoerd dat zij drie controle-ambtenaren wil horen, alsmede een administratrice. Het Hof heeft hiervan afgezien, omdat de voor verhoor door belanghebbende aangevoerde redenen te algemeen en onvoldoende nauwkeurig zijn, twee van de ambtenaren eerder zijn geweest ter zitting bij de Rechtbank en belanghebbende geen enkele actie heeft ondernomen om de beoogde getuigen zelf ter zitting op te roepen. Het Hof is gekomen tot het oordeel dat het verzoek door toedoen van belanghebbende op een dusdanig laat tijdstip in de procedure is gedaan dat honorering van dat verzoek niet opweegt tegen het belang van een doelmatige procesgang van deze al lang lopende procedure.

Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard en heeft de naheffingsaanslagen als verminderd na bezwaar gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de Hofuitspraak opgekomen met vijf middelen.

In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het Hof ten onrechte de inbreng van de klikordner van de kant van de inspecteur heeft toegelaten, hoewel de Inspecteur daarvan eerder had afgezien bij de Rechtbank. De A-G merkt dienaangaande op dat in hoger beroep de herkansingsfunctie voorop staat. Het staat een partij, en dus ook de Inspecteur, vrij om zich in hoger beroep te verweren met alle gronden, behalve die ondubbelzinnig zijn prijsgegeven, dan wel zijn aangevoerd onder (zodanig late) omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot inbreuk op de goede procesorde. Daarvan is hier volgens de A-G geen sprake, zodat het alsnog inbrengen van nadere stukken geoorloofd was.

Het derde middel behelst dat het Hof ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het verzoek van belanghebbende aan het Hof om getuigen op te roepen moet worden afgewezen. Artikel 8:60 van de Awb biedt de mogelijkheid getuigen op te roepen. Dat kan enerzijds door de bestuursrechter op grond van het eerste lid en anderzijds door partijen op grond van het vierde lid.

Het (al dan niet) oproepen van getuigen door de bestuursrechter is, naar de A-G opmerkt, een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Dat geldt net zo als daaraan een verzoek van een partij ten grondslag ligt. De bestuursrechter hanteert voor de afwijzing van een verzoek van een partij om een getuige op te roepen hetzelfde criterium als voor het afzien van het horen van een door een partij meegebrachte getuige, namelijk dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak; zie artikel 8:63, lid 2 van de Awb . Bij de beoordeling van het verzoek mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij, zoals in casu, zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. Het derde middel stuit af op de in dat licht begrijpelijke afwegingen van het Hof en de daarmee gegeven motivering.

In het vijfde middel wordt erover geklaagd dat het Hof noch voorafgaand aan de zitting noch tijdens de zitting aan belanghebbende heeft medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, maar vervolgens de afgelegde verklaringen wel als bewijs heeft gebezigd. De A-G meent dat een dergelijke cautieplicht er in casu niet was en wijst er ook op dat belanghebbende werd bijgestaan door een raadsman. Alle middelen falen.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie