< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ondernemingskamer stelt wanbeleid vast van naamloze vennootschap en stelt vast wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Klachten dat een niet-verschenen belanghebbende niet deugdelijk is opgeroepen en dat de ondernemingskamer bij verbetering van de beschikking in haar verbeteringsbeschikking buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden. Beginsel van hoor en wederhoor. Gevolgen van vernietiging beschikking.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Zaaknr: 18/01935 mr. L. Timmerman

Zitting: 29 maart 2019 Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

1. [verweerster 1] B.V.

2. [verweerster 2] N.V.

3. [verweerder 3]

4. [verweerder 4]

5. [verweerder 5]

6. En 11 anderen

Deze zaak hangt samen met de zaken 18/01950 en 18/02407.

1 De feiten

1.1.

[verweerster 2] N.V. (hierna: [verweerster 2] ) is op 16 mei 1997 opgericht en droeg tot 15 november 2011 de naam [A] (in deze conclusie wordt de vennootschap steeds [verweerster 2] genoemd). [verweerster 2] drijft, via haar Belgische dochtervennootschappen [B] N.V. en [C] N.V., een onderneming (gestart in 1988) op het gebied van digitale druk- en drukvoorbereidingsystemen voor de grafische industrie.

1.2.

De aandelen in [verweerster 2] waren tot 19 maart 2014 genoteerd aan Euronext Amsterdam . [D] N.V. (hierna: [D] ) hield in de periode van 2008 tot 20 september 2013 een belang in [verweerster 2] dat varieerde van 71,40% (2008) tot 73,04% (2013).

1.3.

Per 31 december 2007 bedroeg de netto schuld van [verweerster 2] aan [D] circa € 25 miljoen. In februari 2008 was die schuld volledig afgelost.

1.4.

De notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van [verweerster 2] van 18 februari 2008 houden in dat [verweerster 2] een lening beoogt te verkrijgen van € 60 miljoen ter financiering van een eventuele overname.

1.5.

Op 18 april 2008, in aanloop naar de vergadering van de raad van commissarissen van21 april 2008, heeft [verweerder 3] (hierna: [verweerder 3] ) aan alle bestuurders en alle andere commissarissen geschreven dat hij het uitlenen van “excess cash op armslength condities” door [verweerster 2] aan [D] geen probleem acht mits [verweerster 2] weer over het geld kan beschikken wanneer dat nodig is. In de vergadering van de raad van commissarissen van 21 april 2008 is gesproken over upstreaming van een bedrag van € 8 miljoen. De notulen van die vergadering houden in dat de raad van commissarissen heeft besloten dat de eventuele upstreaming commercieel onderbouwd moet worden, de bedragen enkel op korte termijn uitgeleend mogen worden en onmiddellijk opeisbaar moeten zijn door [verweerster 2] indien [verweerster 2] de middelen zelf nodig zou hebben. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft in die vergadering voorgesteld dat in geval van upstreaming [verweerster 2] zekerheid verkrijgt in de vorm van een pandrecht op de door [D] gehouden aandelen in [verweerster 2] . De notulen houden voorts in dat in een latere vergadering zal worden beslist over het al dan niet upstreamen.

1.6.

De notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van [verweerster 2] van 27 mei 2008 houden met betrekking tot het agendapunt “Club deal”, onder meer in dat de raad van commissarissen onder voorwaarden heeft ingestemd met het aantrekken door [verweerster 2] van een bancair krediet van € 75 miljoen, welk krediet volgens die notulen als volgt zal worden gebruikt:

“- EUR 16 Mio voor terugbetaling kredieten [ [verweerster 2] ]

- EUR 9 Mio voor inkoop eigen aandelen

- EUR 19 Mio voor upstream naar [D] voor terugbetaling krediet [E]

- EUR 30 Mio voor upstream naar [D] voor terugbetaling krediet [F] ”.

De notulen houden voorts in dat [D] zekerheid zal stellen in de vorm van een pandrecht op de door haar gehouden aandelen in [verweerster 2] en dat de raad van commissarissen bepaalt dat de upstreaming van middelen naar [D] de groei, ontwikkeling en financiering van [verweerster 2] niet mag belemmeren en dat [D] hetzelfde aflossingsschema zal volgen als [verweerster 2] .

1.7.

In juni 2008 heeft [D] alle aandelen in haar dochtervennootschap [H] , houdster van een vastgoedportefeuille die voor een belangrijk deel bestaat uit onroerend goed dat is verhuurd aan vennootschappen waarin [D] een meerderheid van de aandelen houdt, voor een koopprijs van € 245 miljoen verkocht aan [G] N.V. (hierna: [G] ). Onderdeel van deze transactie was dat [D] aan [G] gedurende een periode van zes jaar een minimale huuropbrengst van € 19,58 miljoen per jaar garandeerde (hierna: de huurgarantie).

1.8.

Op 7 juli 2008 heeft de secretaris van [verweerster 2] de concept-documentatie van de Clubdeal toegestuurd aan de commissarissen, met uitzondering van [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ), (met cc aan beide bestuurders) en daarbij opgemerkt dat de documentatie een beperking van de upstreaming bevat tot € 15 miljoen.

1.9.

De documentatie van de Clubdeal is op 22 juli 2008 door [verweerster 2] ondertekend en omvat een kredietfaciliteit van € 75 miljoen en een beperking van de upstreaming tot € 15 miljoen.

1.10.

De notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van [verweerster 2] van 25 augustus 2008 houden met betrekking tot het agendapunt Clubdeal in:

“De totale lijn bedraagt EUR 75 Mio, waarvan EUR 40 Mio opgenomen. 22 Mio EUR werd geupstreamed naar [D] . Maximum ligt op EUR 15 Mio. Overschrijdingen zijn niet acceptabel. De overschrijding van EUR 7 Mio zal terugbetaald worden uiterlijk tegen kerstdag.”

1.11.

De notulen van de raad van commissarissen van 20 oktober 2008 houden met betrekking tot hetzelfde agendapunt onder meer in:

“Op dit moment wordt EUR 60 Mio van de EUR 75 Mio opgenomen. 45 Mio EUR werd geupstreamed naar [D] , zijnde in breach, op vraag van [betrokkene 6] . Maximum ligt op EUR 15 Mio. Overschrijdingen zijn niet acceptabel. De overschrijding van EUR 30 Mio zal ten spoedigste worden terugbetaald doch uiterlijk tegen het eind van het jaar.”

1.12.

Op 21 oktober 2008 heeft [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) zijn medecommissarissen [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ) en [verweerder 3] geïnformeerd dat een door hem ingewonnen juridisch advies over de op 20 oktober 2008 aan de commissarissen gebleken (verdere) overschrijding van de Upstreaming, onder meer inhoudt dat de commissarissen verplicht zijn goed toezicht te houden op het ongedaan maken van de overschrijding en het inlichten van de banken door het bestuur, dat indien [D] niet in staat is de geleende bedragen onmiddellijk terug te betalen, aangetoond moet worden dat [D] op korte termijn zal kunnen terugbetalen en dat, indien de directie aan een en ander geen gevolg geeft, de commissarissen een schorsing van de directie dienen te overwegen.

1.13.

[betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [verweerder 3] hebben op 26 oktober 2008 aan het bestuur van [verweerster 2] te kennen gegeven dat het bestuur verplicht is de banken in kennis te stellen van de overschrijding van de contractuele beperking van de Upstreaming en dat de overschrijding zo snel mogelijk ongedaan moet worden gemaakt en dat de voortgang van het voorgaande wekelijks besproken zal worden tussen het bestuur en de commissarissen. In reactie daarop heeft [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) aan de commissarissen bericht dat [betrokkene 6] het bestuur uitdrukkelijk heeft verzocht de banken niet in kennis te stellen vóór 31 oktober 2008 en dat het bestuur de noodzaak van de ongedaanmaking van de overschrijding onderschrijft.

1.14.

In oktober 2008 heeft [D] , door conversie van een onbetaald gebleven gedeelte van de door [G] verschuldigde koopsom voor de aandelen in [H] (zie 1.7), een aandelenbelang van 95,96% in [G] verkregen, welk belang door de uitoefening van een put-optie vervolgens is vergroot tot 99,15%.

1.15.

In november 2008 is het aan [verweerster 2] duidelijk geworden dat [D] niet over voldoende liquide middelen beschikte om de Upstreaming ongedaan te maken door terugbetaling van het volledige bedrag voor het einde van het jaar. Op 15 november 2008 is tussen [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [verweerder 3] enerzijds en [betrokkene 6] anderzijds besproken dat de Upstreaming tot € 15 miljoen op verzoek van [verweerster 2] zal worden terugbetaald binnen een termijn van 30 dagen en dat de Upstreaming boven € 15 miljoen voor 15 december 2008 zal worden terugbetaald, hetzij in geld, hetzij in aandelen [G] en dat tussen [verweerster 2] en [D] een kredietovereenkomst zal worden opgesteld, ook strekkende tot verpanding door [D] van haar aandelen in [G] .

1.16.

[D] heeft op 9 december 2008 een openbaar bod op [G] uitgebracht van € 0,18 per aandeel. Na afloop van de termijn van het bod (op 22 december 2008) hield [D] een belang in [G] van 99,78%.

1.17.

Op 22 december 2008 heeft de raad van commissarissen van [verweerster 2] ermee ingestemd dat [D] haar schuld aan [verweerster 2] , inmiddels opgelopen tot € 51 miljoen, zal voldoen door overdracht aan [verweerster 2] van (a) de [G] Deelneming en (b) de [G] Vordering. De notulen van de desbetreffende vergadering van de raad van commissarissen houden met betrekking tot het agendapunt Clubdeal onder meer in:

“Per 1 november staat er voor een bedrag van EUR 51 Mio open ten aanzien van [D] : EUR 45 op R/C en 6,4 Mio door de verkoop van het gebouw te [vestigingsplaats] .

[D] biedt 125.487.176 aandelen [G] aan ter aflossing ten bedrage van EUR 20.705.383 van de R/C, zijnde (…) een participatie van 24,49%. Het betreft hier beursgenoteerde aandelen, met een fair value van EUR 0,18, dewelke tegen EUR 0,165 oftewel een décote van 3% [sic] in betaling worden aangeboden aan [ [verweerster 2] ]. (…)

Voor het saldo van de openstaande R/C (ongeveer EUR 30 Mio) biedt [D] bovendien de overname aan van een lening van [D] op [G] . Deze vordering is rentedragend aan 6% per jaar en is bullit gefinancierd op vijf jaar (geen tussentijdse aflossingen door [G] ). Het betreft een gedeelte van een lening die [D] heeft op [G] voor een totaal bedrag van EUR 50 Mio. Het betreffende gedeelte van deze lening kan overgenomen worden met een décote van 3%. In totaal zou er een lening worden overgenomen van EUR 30,4 Mio voor een bedrag van 29,5 Mio.

De RvC bespreekt deze transactie, met haar voor- en nadelen. Het betreft hier verhandelbare aandelen van een vennootschap met belangrijke vastgoedportfolio (…). [G] heeft oa. 4 bedrijfsgebouwen in eigendom die door [ [verweerster 2] ] gehuurd worden, (…) waarvan een strategisch belangrijk pand (…).

De RvC wenst de R/C op [D] bovendien volledig op nul te zetten.

Gezien er op korte termijn geen andere mogelijkheid bestaat voor [ [D] ] om de R/C af te lossen, wordt na beraad besloten door de RvC om de aandelen van [G] aan te kopen, en voor het saldo de lening over te nemen van [D] op [G] , ter aflossing van de volledige openstaande R/C.

De RvC keurt deze transactie goed. [ [betrokkene 6] ] onthoudt zich bij de stemming wegens conflict of interest. (…)”

1.18.

Overeenkomstig een aankondiging in het prospectus van haar openbaar bod op de aandelen in [G] , heeft [D] op of omstreeks 28 december 2008 ongeveer 75% van de door haar gehouden aandelen in [G] in het kader van een kapitaalvermindering uitgereikt aan haar aandeelhouders. Als gevolg daarvan hield [D] nog slechts een belang van 24,60% in [G] .

1.19.

Op 31 december 2008 heeft [D] 24,49% van de geplaatste aandelen in [G] (de [G] Deelneming) tegen een koopsom van € 20,7 miljoen (€ 0,165 per aandeel) en een vordering op [G] van nominaal € 30,4 miljoen (de [G] Vordering) tegen een koopsom van € 29,5 miljoen overgedragen aan [verweerster 2] . Diezelfde dag is de koers van [G] gedaald naar € 0,10 per aandeel. Vanaf januari 2009 schommelde de koers van [G] rond € 0,05 en eind januari 2010 was de beurskoers van [G] € 0,04.

1.20.

Op 5 januari 2009 schreef de financiële instelling [I] over de verkrijging van het [G] Belang:

“We see this transaction as very unfavourable to [ [verweerster 2] ]. (...) Clearly, we see no strategic benefit for [ [verweerster 2] ] in owning a real estate company and this was clearly not the expected cash use following the capital increase. Furthermore, the price paid for [G] is significantly above market price (...). In fact, we believe that as feared, the main driver behind this transaction was the financial situation at [D] . Through this transaction, [D] has used its subsidiary to transform illiquid assets into cash. (...) In the end, we believe this transaction is put in place to rescue [D] at the expense of [ [verweerster 2] ].”

In een rapport van 9 januari 2009 schreef [J] :

“We regard the [G] aquisition as value destructive. [ [D] ] has used the favourable credit facility of [ [verweerster 2] ] to reduce its balance sheet exposure to real estate. This shows that [ [D] ] is in control of [ [verweerster 2] ] destiny and that it is made secondary to [ [D] ] itself.”

1.21.

Op 29 december 2009 is als gevolg van een aandelenuitgifte door [D] het (indirecte) belang van [betrokkene 6] in [D] verwaterd. [K] N.V. verkreeg toen een belang van ruim 20% in [D] . [K] N.V. en [L] B.V. (houder van een belang van ruim 10% in [D] ) zijn vennootschappen gelieerd aan (familieleden van) [verweerder 4] (hierna: [verweerder 4] ).

1.22.

Medio februari 2010 heeft [D] haar verplichtingen jegens [G] uit hoofde van de onder 1.7 genoemde huurgarantie afgekocht tegen betaling van € 13,3 miljoen.

1.23.

Op 30 november 2010 heeft [G] nieuwe aandelen uitgegeven tegen een prijs van € 0,02 per aandeel om te voorzien in haar behoefte aan werkkapitaal. [verweerster 2] heeft voor € 8.679.955 deelgenomen aan deze emissie, als gevolg waarvan de omvang van haar aandelenbelang in [G] is toegenomen van 24,49% tot 44,13% per ultimo 2010.

1.24.

In december 2010 is tussen [verweerster 2] als kredietgever en [D] als kredietnemer een schriftelijke kredietovereenkomst gesloten met betrekking tot een op dat moment reeds bestaande schuld in rekening-courant van € 9 miljoen en een bijkomende kredietfaciliteit van € 6 miljoen (tezamen € 15 miljoen).

1.25.

In mei 2012 heeft het management van [verweerster 2] de waarde van de onderneming gewaardeerd op € 7,40 per aandeel.

1.26.

Bij persbericht van 8 januari 2013 heeft [verweerster 2] bekendgemaakt dat zij gesprekken voert met een (niet nader bekendgemaakte) partij die mogelijk een openbaar bod wil uitbrengen. [verweerster 2] was toen in gesprek met [M] (hierna: [M] ), naar aanleiding van een non binding offer van € 6,25 per aandeel. [M] heeft op 28 januari 2013 afgezien van een overname van [verweerster 2] . Inmiddels, op 25 januari 2013, had [N] B.V. (hierna: [N] ) aan [verweerster 2] kenbaar gemaakt geïnteresseerd te zijn in een overname van [verweerster 2] .

1.27.

Op 29 januari 2013 is [verweerder 5] (hierna: [verweerder 5] ) op zijn eigen verzoek op non-actief gesteld als bestuurder van [D] in verband met de overnamegesprekken met betrekking tot [verweerster 2] .

1.28.

Begin april 2013 heeft de raad van commissarissen geconstateerd dat [verweerder 4] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) als commissarissen en [verweerder 5] als enig bestuurder een tegenstrijdig belang hebben bij de besluitvorming over de overname van [verweerster 2] en dat die besluitvorming daarom door [verweerder 3] alleen dient te geschieden. Over de positie van [verweerder 5] is toen als volgt overwogen:

“The Supervisory Board has been informed by [verweerder 5] , the sole member of the Management Board, about his (potential) conflict of interest in respect of the Potential Transaction, which results from the facts that (i) he is also a member of the management board of the Company’s majority shareholder [D] NV and (ii) the Interested Party has offered him to, post-settlement of the Potential Transaction, continue his employment with the Company in his current position and participate in the capital of the newly to be incorporated holding company through which the Interested Party considers making the public takeover bid for all shares in the capital of the Company.”

Over de positie van [verweerder 4] vermelden de notulen:

“The Supervisory Board has furthermore been informed by [betrokkene 3] and [verweerder 4] , members of the Supervisory Board about their (potential) conflicts of interest in respect of the Potential Transaction, which, in case (…) of [verweerder 4] , results from the fact that he is a (direct or indirect) majority shareholder of [D] NV as well as a member of the board of directors of [G] NV, approximately 44% of the outstanding share capital of which is held by the Company.”

1.29.

Op 8 april 2013 heeft [verweerster 2] aan [N] te kennen gegeven betrokken te willen worden in de gesprekken over een overname van [verweerster 2] , in het bijzonder omdat [N] beoogt dat [verweerster 2] die overname steunt en daaraan meewerkt door overdracht van het [G] Belang aan [D] (de Carve Out).

1.30.

In een e-mail van 12 april 2013 heeft [verweerder 3] zorgen geuit over de Carve Out, in het bijzonder vanwege het verschil tussen de waardering van het [G] Belang in het jaarverslag van [verweerster 2] (€ 25 miljoen) in relatie met de veel lagere prijs waartegen de Carve Out plaatsvindt en daarnaast vanwege het feit dat [verweerster 2] in de voorafgaande vier maanden niemand benaderd heeft om het [G] Belang over te nemen.

1.31.

Op 23 april 2013 heeft Goss International een indicatief bod uitgebracht op [verweerster 2] van € 7,65 per aandeel met als voorwaarde onder meer de Carve Out op dezelfde voorwaarden als besproken met [N] . Eind mei 2013 heeft Goss International te kennen gegeven af te zien van een bod.

1.32.

Op 3 mei 2013 heeft [verweerder 5] aan [I] SA/NV medegedeeld dat [verweerster 2] haar ( [I] ) zal inschakelen voor het geven van een fairness opinion in het kader van een mogelijke overname.

1.33.

Op 16 mei 2013 heeft [verweerder 5] verslag gedaan aan de advocaat van [verweerster 2] van een gesprek tussen [verweerder 5] en [I] eerder die dag over “de discount” van het [G] Belang in het kader van de Carve Out. [verweerder 5] schrijft over dat gesprek:

“Verliep prima, 10 m Eur is wel challenging, te laag dus … komende dagen even over nadenken hoe hiermee om te gaan.”

1.34.

Op 28 mei 2013 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster 2] de jaarrekening 2012 vastgesteld. De [G] Vordering is in de jaarrekening, evenals in de jaarrekeningen 2009-2011 gewaardeerd tegen de nominale waarde. Tijdens diezelfde vergadering is [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) benoemd als statutair bestuurder van [verweerster 2] .

1.35.

Op 2 juli 2013 heeft [betrokkene 19] , de CEO van [G] aan [verweerder 5] , met cc aan [verweerder 4] geschreven:

“FYI, Heb [betrokkene 4] [ [betrokkene 4] , Manager Corporate Finance bij [I] ] een uurtje aan de lijn gehad!

Kwam met bedragen af rond 20Meur voor aandelen/vordering.

Na grondige argumentatie en meerekenen :

- Aandelen à 0.011€ (gemiddelde beurswaarde) minus discount packageaankoop = ca 4800K

- RC na [O] rond 22MEur = tussen 7 & 9Meur

Heb alle mogelijke elementen aangereikt, van verdisconteringskosten voor leasings tot milieudossiers ...”

1.36.

Op 18 juli 2013 heeft [verweerder 3] namens [verweerster 2] schriftelijk verklaard dat [verweerster 2] akkoord is met de Carve Out, “onder de opschortende voorwaarde dat een onafhankelijke gereputeerde zakenbank ter zake een ‘fairness opinion’ zal afgeven, welke zakenbank wij z.s.m. na publicatie van de transactie tussen [ [D] ] en [N] zullen inschakelen.”

1.37.

Bij gezamenlijk persbericht van 18 juli 2013 hebben [D] en [N] bekendgemaakt overeenstemming te hebben bereikt over verkoop door [D] van alle door haar gehouden aandelen in [verweerster 2] aan [N] tegen een prijs van € 5,85 per aandeel. Het persbericht maakt melding van voorwaarden die afhankelijk zijn van de instemming van [verweerster 2] :

“Als onderdeel van de overeenkomst zal [ [D] ] voor een bedrag van maximaal 6.000.000 euro aan klantenvorderingen van [verweerster 2] overnemen. (…) Naarmate de vorderingen worden terugbetaald, kan [verweerster 2] tot 1.500.000 euro per jaar extra vorderingen overdragen op voorwaarde dat het totale uitstaande saldo maximaal 6.000.000 bedraagt. Deze faciliteit versterkt het werkkapitaal van [verweerster 2] en zou beschikbaar worden gesteld tot 2019.

Verder geldt als voorwaarde dat, voorafgaandelijk aan de overdracht van het controlebelang, de overblijvende banden tussen [verweerster 2] en [ [D] ] dienen te worden verbroken. Daarom neemt [ [D] ] voor een prijs van 9.600.000 euro alle belangen van [verweerster 2] in [G] over, namelijk 544.484.942 aandelen [G] (d.i. 43,74% van het uitstaande kapitaal) tegen de prijs van 0,01 euro per aandeel en alle vorderingen op [G] (…).

(…)

Bovengemelde transacties gaan vanzelfsprekend uit van de medewerking van [verweerster 2] .”

Het persbericht houdt voorts in dat “in de door [N] voorziene transactiestructuur” [verweerster 2] binnen twee weken na afronding van de transactie een aanmerkelijk deel van haar eigen aandelen zal inkopen en dat [N] nadien een verplicht openbaar bod zal uitbrengen op de overige aandelen in [verweerster 2] tegen een prijs van € 5,85 per aandeel.

1.38.

Bij persbericht van eveneens 18 juli 2013 heeft [verweerster 2] aangekondigd dat haar raad van commissarissen en raad van bestuur zich zullen beraden over de in de overeenkomst tussen [D] en [N] opgenomen voorwaarden die betrekking hebben op het verbreken van de banden tussen [verweerster 2] en [D] .

1.39.

De raad van commissarissen van [verweerster 2] heeft op 19 juli 2013 besloten om aan [I] een fairness opinion te vragen met betrekking tot de Carve Out.

1.40.

[I] heeft op 7 augustus 2013 twee afzonderlijke fairness opinions afgegeven – een met betrekking tot de Carve Out en een met betrekking tot de door [N] te betalen prijs van € 5,85 per aandeel – beide gericht aan de raad van commissarissen van [verweerster 2] en beide inhoudende dat de opdracht daartoe is verstrekt door de raad van commissarissen en is vastgelegd in een engagement letter van 27 juni 2013.

1.41.

Op 20 augustus 2013 heeft [verweerder 3] namens [verweerster 2] een brief van [N] waarin de Overname wordt beschreven, voor akkoord ondertekend. Dit stuk wordt ook aangeduid als de [N] Brief. De brief houdt onder meer in:

“(…) [verweerster 2] will repurchase own shares (up to maximum 28% of the shares), which will be financed with available cash and third party financing (the Repurchase); the Repurchase is a requirement from the lenders in the overall financing structure;

(...)

[verweerster 2] envisages to attract financing in an amount of up to EUR 30 million to finance the purchase of its own shares.”

1.42.

Een concept-persbericht van 22 augustus 2013 van [verweerster 2] over de Overname hield in dat [verweerder 5] een (potentieel) tegenstrijdig belang bij de overname heeft omdat hij tevens bestuurder is van [D] en een aanbod van [N] heeft gekregen om aan te blijven als CFO onder verwerving van een (indirect) belang in [verweerster 2] .

1.43.

Nadat de advocaat van [verweerster 2] had geconstateerd dat personen die eerder als geconflicteerd waren aangemerkt hadden deelgenomen aan de besluitvorming over de Overname, is in september 2013 aan de notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van [verweerster 2] van 13 juni 2013 een passage toegevoegd inhoudende dat de raad van commissarissen heeft besloten dat [verweerder 5] als bestuurder van [verweerster 2] niet langer geconflicteerd was met betrekking tot de overname van [verweerster 2] . De desbetreffende passage luidt:

“T.a.v. [verweerder 5] geldt vanaf begin juni dat niet langer sprake is van een (mogelijk) tegenstrijdig belang, omdat – anders dan ten tijde van de rechtstreekse gesprekken tussen [verweerster 2] en [N] over een mogelijk bod – niet langer tussen [verweerder 5] en [N] wordt gesproken over het in het vooruitzicht stellen van een vergoeding bij het slagen van de transactie en/of een “sweetener” in de vorm van aandelen en dergelijke en hij bij [D] v.w.b. de besluitvorming reeds op non-actief is gesteld gezien zijn dubbele positie als bestuurder bij [D] en [verweerster 2] . Daarom zal [verweerder 5] vanaf heden, naast [verweerder 3] , kunnen participeren in de beraadslagingen en besluitvorming t.a.v. project Apache [de Overname].”

1.44.

Op 11 september 2013 heeft [verweerster 2] , met het oog op een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 17 september 2013, een position statement gepubliceerd. In het position statement heeft [verweerster 2] bekend gemaakt te hebben besloten mee te werken aan de transactie tussen [D] en [N] en heeft zij dit besluit onder meer als volgt toegelicht.

Ten aanzien van de tussen [D] en [N] overeengekomen voorwaarden:

“The Boards have given (…) consideration to both the non-financial and financial consequences of the Transaction for the Company and its stakeholders (including the Shareholders), also (a) in relation to assessing all other strategic options, such as stand-alone scenarios and alternative forms of third party transactions and co-operations and (b) importantly, the strong wish of [verweerster 2] ’s majority shareholder, [D] , to divest its 65.68% Share interest.

(…)

[N] supports the business strategy of [verweerster 2] and will respect and support the business plans of [verweerster 2] . [N] will also make available sufficient funds to grow the business of [verweerster 2] in a manner that reflects [verweerster 2] ’s business strategy.

(…)

[G] is a real estate investment company whose activities have no added value to the business and strategy of [verweerster 2] whatsoever. The divestment of the [G] Receivables and the [G] Participation will therefor allow [verweerster 2] to focus on its core business and activities.

(…)

[N] would like [verweerster 2] to aim to repurchase between 4,922,906 and 8,205,844 Shares (…). (…) [verweerster 2] would in principle be willing to cooperate with the repurchase since this will give free float Shareholders the opportunity to tender their Shares in the Repurchase outside the Mandatory Offer at the same price (…). Under the Repurchase, free float Shareholders will even be given preference over [N] , subject to [N] ’ right to tender 1,504,103 Shares (i.e. 5,2%).

(…)

A transfer of the [G] Participation will result in [verweerster 2] no longer having to be responsible for significant funding requirements of [G] in future years. In this respect it should be noted that the [G] Participation has resulted in considerable impairments costs for [verweerster 2] which have negatively affected its profits over the past years.

Given the specific nature of many of [G] ’ real estate assets as well as current economic conditions and associated market demand for these real estate assets, a sale of [G] ’ real estate assets in a short timeframe may occur at a significant discount to the estimated market value.

As mentioned above, it is expected that [G] will require significant funding in the future years whereby additional equity funding cannot be excluded. (…) It cannot be excluded that in the absence of additional equity financing, holders of the unsecured debt (such as the [G] Receivables) will be asked to consider a debt restructuring.

The [G] Receivables is de facto subordinated to [G] ’ bank debt (…).

(…)

The [G] Receivables have a long maturity, there is no liquid market in the [G] receivables and its potential liquidity is further diminished by its limited size.

(…)

Finally, [verweerster 2] has engaged [I] SA/NV (…) and requested them to provide [verweerster 2] with a fairness opinion (…). (…) the fairness opinion of [I] (…) dated 7 August 2013, [is] stating that, subject to the assumptions made therein, in the opinion of [I] , the transfer of the [G] Receivables and the [G] Participation to [ [D] ], is fair from a financial point of view.”

Ten aanzien van de tussen [D] en [N] overeengekomen prijs van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] :

“When comparing the Share Price of EUR 5.85 per Share, it, inter alia, represents:

(a) a premium even to the price at wich Shares have traded at any point in time in the period between 8 January 2013 and 11 July 2013 (i.e. EUR 4 to EUR 5.1) (...)

(b) a premium which is higher than the premiums paid in recent public takeovers bids on NYSE Euronext Amsterdam . (...)

(...) the Boards are of the opinion that the Share Price is fair to the Shareholders from a financial point of view.”

1.45.

Als bijlagen bij het position statement zijn gevoegd de genoemde fairness opinion van [I] met betrekking tot de Carve Out en de fairness opinion van [I] met betrekking tot de tussen [D] en [N] overeengekomen (bied)prijs van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] .

De conclusie van de fairness opinion over de Carve Out luidt:

“Given the specific characteristics of [G] , the [G] Participation and the [G] Receivable, determining a market value for the [G] Receivable and the [G] Participation is not straightforward and carries inevitable subjective elements. On the Basis of and subject to the elements mentioned in this Opinion, we are of the opinion that, as of the date of the Opinion, the [G] Sale is fair, from a financial point of view.”

De conclusie van de fairness opinion met betrekking tot de prijs van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] luidt:

“It should be noted that the Sales Price represents a discount to the estimated value per share obtained on the basis of the peer group multiples valuation method and the base case DCF valuation method with the busines plan of the Company’s management. However, taking into account and subject to the different elements mentioned in this Opinion, and a.o. when considering the Company’s historical valuation, we are of the opinion that, as of the date of the Opinion, the [verweerster 2] Sale is fair, from a financial point of view.”

1.46.

Ten tijde van het position statement bestond de raad van bestuur van [verweerster 2] uit [betrokkene 2] (CEO) en [verweerder 5] (CFO) en de raad van commissarissen uit [verweerder 3] (voorzitter), [betrokkene 3] en [verweerder 4] . Het position statement houdt in dat het desbetreffende besluit is genomen door [verweerder 5] en [verweerder 3] omdat de overige leden van de raad van bestuur en raad van commissarissen belast zijn met een tegenstrijdig belang; [betrokkene 2] omdat [N] te kennen heeft gegeven hem na voltooiing van de transactie te willen ontslaan als bestuurder, [betrokkene 3] omdat hij tevens lid is van de raad van bestuur van [D] , en [verweerder 4] omdat hij in nauwe familierelatie staat tot de grootaandeelhouder van [D] en omdat hij lid is van de raad van bestuur van [G] . Met betrekking tot [verweerder 5] houdt het position statement in dat ook hij weliswaar lid is van de raad van bestuur van [D] , maar dat geen sprake is van een (potentieel) tegenstrijdig belang omdat [verweerder 5] niet heeft deelgenomen aan de besluitvorming door [D] over de transactie met [N] en omdat [verweerder 5] “has not in any way been incentivised or deincentivised by either [ [D] ] or [N] tot approve or disapprove of the Transaction.”

1.47.

Bij vonnis van 16 september 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, een vordering van [verweerster 1] B.V. (hierna: [verweerster 1] ) tot het opleggen van een verbod aan [verweerster 2] om de [G] Vordering over te dragen aan [D] voor een bedrag van € 4.055.150 afgewezen.

1.48.

De notulen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster 2] van 17 september 2013 houden in dat [verweerder 5] een presentatie heeft gegeven over de beoogde transactie tussen [D] en [N] , dat een voorstel tot machtiging van het bestuur van [verweerster 2] tot inkoop van eigen aandelen (in het kader van de transactie tussen [D] en [N] ) is aangenomen, dat op het tijdstip van de aandelenoverdracht tussen [D] en [N] [betrokkene 3] en [verweerder 4] als commissarissen zullen aftreden en dat alsdan [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) en [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) (beiden voorgedragen vanuit [N] ) en [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) tot commissarissen worden benoemd.

1.49.

Bij besluiten van 17 en 20 september 2013 hebben [verweerder 5] en de raad van commissarissen besloten tot respectievelijk ingestemd met het inkoopprogramma.

1.50.

Op 20 september 2013 heeft [D] het door haar gehouden aandelenbelang van 65,68% in [verweerster 2] geleverd aan [P] B.V., een door [N] gecontroleerde vennootschap die hierna ook [N] zal worden genoemd. Op dezelfde datum is [betrokkene 2] afgetreden als CEO van [verweerster 2] .

1.51.

Bij persbericht van 14 oktober 2013 heeft [verweerster 2] bekend gemaakt dat zij in het kader van het inkoopprogramma 5.324.423 eigen aandelen heeft ingekocht (waarvan 1.504.103 aangeboden door [N] ). Als gevolg van de inkoop van eigen aandelen is het aandelenbelang van [N] in [verweerster 2] gestegen tot 85,8% van de niet door [verweerster 2] zelf gehouden aandelen.

1.52.

Op 6 november 2013 heeft [N] een verplicht openbaar bod uitgebracht op [verweerster 2] van € 5,85 per aandeel. Dezelfde dag heeft [verweerster 2] een position statement gepubliceerd waarin zij verklaart het bod te steunen en de aandeelhouders aanraadt het bod te aanvaarden.

1.53.

De algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster 2] heeft op 8 november 2013 [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ) benoemd tot CEO en besloten tot intrekking van alle 8.476.755 aandelen die [verweerster 2] (als gevolg van de inkoop van eigen aandelen) zelf houdt.

1.54.

Met ingang van 19 maart 2014 zijn de aandelen van [verweerster 2] niet langer genoteerd aan Euronext Amsterdam . [N] ( [P] ) en [verweerster 2] hebben bij dagvaarding van 6 juni 2014 op de voet van art. 2:92a BW een vordering tot uitkoop van de minderheidsaandeelhouders van [verweerster 2] ingesteld.

1.55.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de Accountantskamer een klacht van [verweerster 1] tegen de externe accountant van [verweerster 2] over de op 16 april 2013 afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van [verweerster 2] over 2012, gegrond bevonden voor wat betreft het ten onrechte afwaarderen van het [G] Belang en het ten onrechte toestaan van het treffen van een voorziening voor rente op de [G] Vordering.

1.56.

[N] heeft op 20 november 2015 de verkoop van haar dochtervennootschap [P] , die meer dan 95% van de aandelen in [verweerster 2] houdt, aan Flint Group aangekondigd.

2 Het procesverloop

2.1.

[verweerster 1] , als gevolmachtigde en vertegenwoordiger van [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] , [betrokkene 17] en [betrokkene 18] (hierna kortweg: [verweerster 1] ), heeft de ondernemingskamer bij verzoekschrift van 2 april 2014 verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 2] over de periode van 2008 tot de datum van indiening van het verzoekschrift. Daarbij heeft zij tevens verzocht bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding een commissaris van [verweerster 2] te benoemen met doorslaggevende stem in de raad van commissarissen en voorts de voorzieningen te treffen die de ondernemingskamer nuttig of nodig mocht achten.

2.2.

Bij beschikking van 22 juli 2014 heeft ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 2] over de periode vanaf 2008. Bij beschikking van 24 juli 2014 heeft de ondernemingskamer mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd tot onderzoeker.

2.3.

Op 4 augustus 2016 heeft de onderzoeker het onderzoek met bijlagen aan de ondernemingskamer doen toekomen. De ondernemingskamer heeft bij beschikking van die datum bepaald dat het onderzoekverslag met bijlagen ter inzage ligt voor een ieder, met dien verstande dat een aantal bijlagen uitsluitend ter inzage ligt voor belanghebbenden.

2.4.

[verweerster 1] heeft bij verzoekschrift van 4 oktober 2016 de ondernemingskamer onder meer verzocht bij beschikking:

I. vast te stellen dat zich wanbeleid heeft voorgedaan bij [verweerster 2] ;

II. vast te stellen dat het bestuur van [verweerster 2] , in het bijzonder de bestuurders [verzoeker] en/of [betrokkene 1] en/of [verweerder 5] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 2] en/of de raad van commissarissen van [verweerster 2] , in het bijzonder de commissarissen [betrokkene 6] en/of [verweerder 4] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 10] en/of [verweerder 3] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 3] en de meerderheidsaandeelhouder [D] en [N] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid.

2.5.

In het verweerschrift van [verweerster 2] , van [verweerder 3] , [verweerder 4] en [verweerder 5] en van [betrokkene 6] is aangevoerd dat [verweerster 1] in haar verzoekschrift van 4 oktober 2016 de Upstreaming als zodanig niet als een grond voor de vaststelling van wanbeleid heeft aangevoerd en dat [verweerster 1] niet gerechtigd is dat onderwerp in een later stadium van de procedure, in de schriftelijke reactie van 23 februari 2017 alsnog ten grondslag aan haar verzoek te leggen.

2.6.

Bij beschikking van 6 februari 2018 heeft de ondernemingskamer in het dictum vastgesteld dat “zich wanbeleid heeft voorgedaan ten aanzien van de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang in 2008 (…), een en ander zoals omschreven in r.o. 5.10 (Upstreaming), r.o. 5.27 (verwerving van het [G] Belang) (…).” Voorts heeft de ondernemingskamer in het dictum vastgesteld dat “ [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de Upstreaming” en dat “ [verweerder 3] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang”.

Onder het kopje De omvang van de rechtsstrijd heeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:

“5.8 Met betrekking tot het verweer van [verweerster 2] , van [verweerder 3] , [verweerder 4] en [verweerder 5] en van [betrokkene 6] dat [verweerster 1] in haar verzoekschrift van 4 oktober 2016 de Upstreaming als zodanig niet als een grond voor de vaststelling van wanbeleid heeft aangevoerd en dat [verweerster 1] niet gerechtigd is dat onderwerp in een later stadium van de procedure alsnog ten grondslag aan haar verzoek te leggen, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. [verweerster 1] heeft in haar verzoekschrift de Upstreaming - naast de verwerving van het [G] Belang - niet als afzonderlijke grond voor vaststelling van wanbeleid genoemd. [verweerster 1] heeft aan haar standpunt dat [betrokkene 6] verantwoordelijk is voor het wanbeleid wel ten grondslag gelegd dat hij verantwoordelijk is voor en een persoonlijk belang had bij de Upstreaming. In haar nadere schriftelijke reactie (zie 1.14) heeft [verweerster 1] met zoveel woorden gesteld dat de Upstreaming wanbeleid is. Voor zover [verweerster 1] aldus de grondslag van haar verzoek heeft vermeerderd, is dat naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet ontoelaatbaar. Anders dan [verweerster 2] heeft aangevoerd is artikel 283 jo. 130 Rv. ook van toepassing op de tweede fase procedure. Dit betekent dat de vermeerdering van de grondslag van het verzoek toelaatbaar is tenzij die vermeerdering in strijd komt met de goede procesorde. Van dat laatste is geen sprake gelet op de nauwe samenhang tussen de Upstreaming en de verkrijging van het [G] Belang, de aandacht die de Upstreaming in het verslag heeft gekregen en de omstandigheid dat de overige partijen zowel schriftelijk als mondeling hebben kunnen reageren op de vermeerdering van de grondslag van het verzoek en dat [verweerster 2] dat ook daadwerkelijk heeft gedaan door gemotiveerd te betogen dat de Upstreaming niet als wanbeleid kan worden aangemerkt. In verband met het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv . heeft de advocaat van [verweerster 1] ter zitting desgevraagd verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden.”

Onder het kopje De Upstreaming heeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:

“5.10 De Ondernemingskamer oordeelt dat de Upstreaming wanbeleid is, kort gezegd omdat de Upstreaming eruit bestaat dat € 45 miljoen van de door [verweerster 2] op 22 juli 2008 aangetrokken bancaire kredietfaciliteit van € 75 miljoen (de Clubdeal) naar haar grootaandeelhouder [D] is gevloeid: (a) in strijd met de door [verweerster 2] met de banken overeengekomen beperking van de Upstreaming tot € 15 miljoen, (b) zonder de vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen, (c) zonder het bedingen van enige zekerheid voor de terugbetaling door [D] en (d) uitgevoerd door [betrokkene 1] die daarbij een evident tegenstrijdig belang had omdat hij tevens bestuurder was van [D] . Met betrekking tot deze elementen overweegt de Ondernemingskamer als volgt. (…)

[verweerster 2] en de verschenen belanghebbenden hebben niet toegelicht welk belang van [verweerster 2] gediend werd met de Upstreaming en evenmin op welke wijze het bestuur van [verweerster 2] aandacht heeft besteed aan het tegenstrijdig belang tussen [verweerster 2] en [D] . Gelet op dat tegenstrijdig belang had [betrokkene 1] , die op dat moment zowel bestuurder was van [verweerster 2] als van [D] , zich van besluitvorming over de Upstreaming moeten onthouden. Voor zover - zoals de onderzoeker aannemelijk acht (zie onderzoeksverslag 168) - [betrokkene 6] , die een persoonlijk belang had bij de Upstreaming (zie onderzoeksverslag 167), druk uitoefende op [betrokkene 1] en [verzoeker] , hadden zij daaraan weerstand moeten bieden.”

Vervolgens oordeelt de ondernemingskamer in rov. 5.16-5.27 over De verkrijging van het [G] Belang. Daarna geeft de ondernemingskamer een oordeel over De overname van [verweerster 2] (rov. 5.28-5.33). Onder het kopje De verantwoordelijkheid voor het wanbeleid heeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:

“5.56 De Ondernemingskamer acht [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] en [betrokkene 6] als commissaris van [verweerster 2] verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] is overwogen.”

2.7.

[betrokkene 8] heeft op 27 februari 2018 verzocht de beschikking van 6 februari 2018 op twee punten te verbeteren. Onder a stelt [betrokkene 8] dat in het dictum ten onrechte niet wordt vermeld dat ook [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [verzoeker] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang, terwijl in rov. 5.56 staat dat deze personen verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang. Het verbeterpunt onder b gaat erover dat [betrokkene 6] ten onrechte niet veroordeeld is in de proceskosten aan de zijde van [verweerster 1] en blijft hier verder buiten beschouwing.

2.8.

[verweerster 2] , [N] , [betrokkene 5] , [betrokkene 10] , [betrokkene 3] hebben zich ten aanzien van het verzoek van [betrokkene 8] gerefereerd aan het oordeel van de ondernemingskamer. [betrokkene 7] , [verweerster 1] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 3] hebben zich achter het verzoek van [betrokkene 8] geschaard, waarbij de drie laatstgenoemden daaraan hebben toegevoegd dat zij ook zelfstandig verzoeken om de beschikking te verbeteren op de door [betrokkene 8] vermelde punten. [betrokkene 6] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft zelf verzocht de beschikking te verbeteren, voor zover die in rov. 5.56 inhoudt dat [betrokkene 6] verantwoordelijk is voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang. Van [betrokkene 1] , [verzoeker] , [betrokkene 9] , [betrokkene 2] en [D] is in dit verband niet vernomen.

2.9.

Bij beschikking van 6 april 2018 overweegt de ondernemingskamer met betrekking tot verzochte verbeteringen als volgt:

“2.1 De Ondernemingskamer constateert dat haar beschikking van 6 februari 2018 een tegenstrijdigheid bevat tussen enerzijds de overwegingen over het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang (r.o. 5.16-5.27) en anderzijds de conclusie over de verantwoordelijkheid daarvoor (r.o. 5.56). Het gaat hier om een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, een en ander als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv . Uit de overwegingen (r.o 5.16-5.27) die hebben geleid tot het oordeel van wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang volgt onmiskenbaar dat [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, dat onder meer is gelegen in de beslissing van [verweerster 2] om verwerving van het [G] Belang als betaling van de door de Upstreaming ontstane schuld van [D] aan [verweerster 2] te accepteren. De genoemde overwegingen bevatten ten aanzien van [betrokkene 6] geen aanknopingspunten voor de vaststelling van zijn verantwoordelijkheid (als commissaris van [verweerster 2] ) voor de verwerving van het [G] Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.15 wel wordt ingegaan op de rol van [betrokkene 6] bij de Upstreaming.

2.2

Rechtsoverweging 5.56 dient dan ook te worden verbeterd en als volgt te luiden:

“De Ondernemingskamer acht [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] en [betrokkene 6] als commissaris van [verweerster 2] verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming. Voorts acht de Ondernemingskamer [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] is overwogen.”

2.3

Op grond van het voorgaande moeten [betrokkene 1] en [verzoeker] in het dictum van de beschikking worden toegevoegd aan de daar genoemde personen die verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang.”

2.10.

Bij op 7 mei 2018 bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018. Bij aanvullend verzoekschrift van 31 mei 2018 heeft [verzoeker] zijn gronden van cassatie tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018, zoals verbeterd bij de beschikking van 6 april 2018, aangevuld. In zoverre als vereist, heeft [verzoeker] op 31 mei 2018 tevens bij afzonderlijk verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer van 6 april 2018.

[verzoeker] stelt in het cassatieverzoekschrift dat hij geen oproeping van de ondernemingskamer heeft ontvangen om te verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure en dat hij evenmin een oproeping heeft ontvangen naar aanleiding van de nadere schriftelijke reactie van [verweerster 1] en hij deze schriftelijke reactie ook niet van de ondernemingskamer of van [verweerster 1] heeft ontvangen. [verzoeker] stelt voorts in zijn aanvullende cassatieverzoekschrift dat hij de beschikking en de verbeteringsbeschikking evenmin van de ondernemingskamer heeft ontvangen en dat hij geen kennisgeving heeft ontvangen van het verzoek om verbetering.

2.11.

In de beschikking van 6 februari 2018 is [verzoeker] aangeduid als niet-verschenen belanghebbende. De beschikking vermeldt “ [plaats 1] België ” als zijn woonplaats. In rov. 2.1 van de beschikking is voorts vermeldt dat [verzoeker] (belanghebbende sub 12) van 2008 tot 16 november 2009 CFO van [verweerster 2] was en van begin tot medio 2010 bestuurder van [G] was. De beschikking is op 7 februari 2018 op rechtspraak.nl gepubliceerd.

In de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 is [verzoeker] eveneens aangeduid als niet-verschenen belanghebbende sub 12 met vermelding “wonende te [plaats 1] België ”. De verbeteringsbeschikking vermeldt in rov. 1.9 voorts dat van [verzoeker] “in dit verband niet [is] vernomen.” De verbeteringsbeschikking is op 24 juli 2018 op rechtspraak.nl gepubliceerd.

2.12.

[verzoeker] geeft de volgende verklaring voor zijn niet-verschijnen. Op basis van het feit dat de beschikking [plaats 1] als zijn woonplaats vermeldt, vermoedt hij dat de ondernemingskamer de oproeping voor de tweede fase van de enquêteprocedure (en overige oproepingen, kennisgevingen en stukken) naar zijn oude adres heeft verstuurd. Zijn oude adres is [adres 1] , België . Sinds medio 2010 is zijn adres [adres 2] , België (cassatieverzoekschrift, voetnoot 2 en aanvullend cassatieverzoekschrift, nr. 20 en 23 en voetnoot 25). Bij zijn aanvullende cassatieverzoekschrift heeft [verzoeker] een “getuigschrift van woonst”, afgeleverd door de burgemeester van [plaats 3] op 29 mei 2018, gevoegd. Uit dat getuigschrift blijkt dat hij per 2 oktober 2010 in het bevolkingsregister is ingeschreven ten titel van woon- en verblijfplaats op genoemd adres in [plaats 3] , België . Het getuigschrift vermeldt [plaats 4] als zijn vorige verblijfplaats. [plaats 1] maakt deel uit van de gemeente [plaats 4] (aanvullend verzoekschrift, voetnoot 25).

[verzoeker] stelt dat hij de beschikking niet van de ondernemingskamer heeft ontvangen. Nu de beschikking op 7 februari 2018 op rechtspraak.nl is gepubliceerd (zie nr. 2.19), heeft hij kennelijk wel van de beschikking kennis genomen en tijdig, op 7 mei 2018 (zie nr. 2.18), cassatieberoep kunnen instellen tegen de beschikking (aanvullend cassatieverzoekschrift, nr. 3 en voetnoot 3). [verzoeker] stelt dat hij ten tijde van het instellen van cassatieberoep nog niet op de hoogte was van de verbeteringsbeschikking, die op 24 juli 2018 op rechtspraak.nl werd gepubliceerd (nr. 2.19). [verzoeker] stelt dat hij de verbeteringsbeschikking toevalligerwijs heeft ontvangen van mr. A.F.J.A. Leijten (een kantoorgenoot van de raadsman die hem bijstond in het formuleren van een reactie op het concept-rapport van de onderzoeker in de enquêteprocedure). Mr. Leijten ontving deze beschikking op 17 mei 2018 in zijn hoedanigheid van redacteur van de JOR (aanvullend cassatieverzoekschrift, voetnoot 4). Op 18 mei 2018 heeft [verzoeker] advocaat een afschrift van de verbeteringsbeschikking en de beschikking, als verbeterd, opgevraagd bij de ondernemingskamer (aanvullend cassatieverzoekschrift, nr. 4). [verzoeker] advocaat ontving de beschikkingen op 14 juni 2018 samen met de rest van het procesdossier (verweerschrift inzake beroep op niet-ontvankelijkheid zijdens [verzoeker] , nr. 6 en voetnoot 6).

2.13.

[verweerster 1] heeft op 31 juli 2018 een verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer ingediend bij de Hoge Raad. [verweerster 1] refereert zich voor wat betreft de onderdelen (a), (b) en (c) in het cassatieverzoekschrift aan het oordeel en de beslissing van de Hoge Raad en concludeert voor wat betreft de onderdelen (d) en (e) in het aanvullende verzoekschrift tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn beroep.

[verweerster 1] stelt dat om de onderdelen (a), (b) en (c) te kunnen beoordelen het noodzakelijk is dat de Hoge Raad ambtshalve (de secretaris van) de ondernemingskamer vraagt of, op welke wijze en op welk adres [verzoeker] in de tweede fase van deze enquêteprocedure is opgeroepen en in kennis is gesteld van de nadere schriftelijke reactie van [verweerster 1] .

[verweerster 1] stelt dat als de verstrekte informatie bevestigt dat [verzoeker] op grond van art. 277 lid 1 of 2 Rv deugdelijk is opgeroepen en op grond van art. 283 jo. 130 lid 3 Rv tijdig in kennis is gesteld van de ‘vermeerdering’ van het verzoek van [verweerster 1] , dat zou kunnen meebrengen dat alle cassatieklachten onder (a), (b) en (c) niet zouden slagen. Ook zou dit kunnen betekenen dat [verzoeker] in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep op grond van de hoofdregel van art. 426 lid 1 Rv dat uitsluitend de in het geding verschenen belanghebbenden beroep kunnen instellen.

2.14.

[verzoeker] heeft bij verweerschrift van 7 augustus 2018 gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [verweerster 1] c.s. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat voor wat betreft de onderdelen (a) en (b) van het middel nader onderzoek niet nodig is, nu reeds uit rov. 5.8 van de beschikking van 6 februari 2018 en uit het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2017 (nr. 2.13) blijkt dat de ondernemingskamer [verzoeker] niet heeft opgeroepen naar aanleiding van de vermeerdering/wijziging van het verzoek van [verweerster 1] . [verzoeker] heeft echter tegen de door [verweerster 1] bedoelde navraag bij de ondernemingskamer geen bezwaar. Nadere informatie kan volgens [verzoeker] ter beoordeling van onderdeel (c) ook nuttig zijn. [verzoeker] refereert zich voor wat betreft de opportuniteit van dergelijke navraag dan ook aan het oordeel van de Hoge Raad.

2.15.

Gelet op deze standpunten van partijen heb ik op 1 februari 2019 de griffie van de Hoge Raad verzocht navraag te doen bij de ondernemingskamer over de vraag of en op welke wijze [verzoeker] is opgeroepen in de tweede fase van de enquêteprocedure en in kennis is gesteld van de vermeerdering of wijziging van het verzoek van [verweerster 1] .

2.16.

De secretaris van de ondernemingskamer heeft bij e-mail (met bijlagen) van diezelfde dag gehoor gegeven aan het verzoek. De e-mail van de secretaris van de ondernemingskamer luidt, voor zover relevant, als volgt:

“ [verzoeker] is op 25 oktober 2016 middels bijgaande aan zijn woonadres verzonden oproepingsbrief opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het tweede fase verzoek op 19 januari 2017.

Bij brief van 13 januari 2017 zijn partijen geïnformeerd dat de mondelinge behandeling geen doorgang zou vinden. Daarnaast is aangekondigd dat partijen gelegenheid zal bieden voor een tweede schriftelijke ronde, voorafgaand aan de mondelinge behandeling.

Bij brief van 20 januari 2017 is [verzoeker] opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 13 april 2017 en zijn partijen voorts, conform de eerdere aankondiging, in de gelegenheid gesteld een nadere schriftelijke reactie in te dienen.

Bij brief van 23 februari 2017 heeft mr. Wolters namens [verweerster 1] vorenbedoelde schriftelijke reactie ingediend en daarbij vermeld dat een exemplaar is verstuurd “naar alle overige belanghebbenden zoals genoemd in de bijlage van uw oproepingsbrief van 20 januari 2017.”

Zoals in r.o. 5.8 van de beschikking van de Ondernemingskamer van 6 februari 2018 alsmede in het proces-verbaal van de zitting op 13 april 2017 is opgenomen, heeft mr. Wolters namens [verweerster 1] ter zitting desgevraagd verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden (te weten o.a. [verzoeker] ).

In de bijlage bij deze e-mail treft u de desbetreffende documenten waarnaar is verwezen.”

2.17.

In mijn tussenconclusie (met vijf producties) van 7 februari 2019 wordt de bij de ondernemingskamer opgevraagde informatie gepresenteerd. In nr. 2.2 van de tussenconclusie heb ik uit de verstrekte informatie opgemaakt dat [verzoeker] bij gewone brief is opgeroepen voor de tweede fase van de enquêteprocedure. Zowel de brief van 25 oktober 2016, als de brief van 13 januari 2017 als de brief van 20 januari 2017 zijn verzonden naar het oude adres van [verzoeker] : “ [verzoeker] , [adres 1] , België ”. Niet gebleken is van een oproeping ex art. 277 lid 1 Rv (aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of daarmee gelijkwaardige wijze van verzending) of art. 277 lid 2 Rv (via een “ontvangende instantie” in [plaats 2] ) of ex art. 272 Rv (plaatsing van de oproeping in de Staatscourant).

Voorts bevestigt de door de ondernemingskamer verstrekte informatie dat [verzoeker] niet door de ondernemingskamer is opgeroepen naar aanleiding van de nadere schriftelijke reactie van [verweerster 1] . De secretaris van de ondernemingskamer verwijst naar de brief van 23 februari 2017 van mr. Wolters namens [verweerster 1] , waarin is vermeld dat de nadere schriftelijke reactie ook is verstuurd “naar alle overige belanghebbenden zoals genoemd in de bijlage van uw oproepingsbrief van 20 januari 2017” en verder naar rov. 5.8 van de beschikking en het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2017.

2.18.

Bij brief van 8 februari 2019 heeft de Hoge Raad [verzoeker] en [verweerster 1] in de gelegenheid gesteld te reageren op mijn tussenconclusie. [verweerster 1] heeft bij brief van 13 februari 2019 haar standpunt uit het verweerschrift gehandhaafd. [verzoeker] heeft zich bij brief van 14 februari 2019 aangesloten bij hetgeen ik over de opgevraagde informatie heb opgemerkt (met name in nr. 2.2, weergeven in nr. 2.25 hiervoor). [verzoeker] heeft voorts opgemerkt dat de opgevraagde informatie hem ook sterkt in zijn vermoeden dat de ondernemingskamer hem niet (deugdelijk) in de gelegenheid heeft gesteld zich uit laten over de voorgenomen verbetering van de beschikking van 6 februari 2018.

3 De bespreking van het cassatiemiddel

De aard van de enquêteprocedure en de positie van de belanghebbende

3.1.

Alvorens toe te komen aan de behandeling van de cassatieklachten maak ik enkele preliminaire opmerkingen over de aard van de enquêteprocedure en de positie van de belanghebbende in de enquêteprocedure. De enquêteprocedure is een verzoekschriftprocedure (art. 2:345 BW). Kenmerkend is ook dat de enquêteprocedure slechts één feitelijke instantie kent. In de enquêteprocedure staat het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming voorop. De vennootschap draagt in beginsel de kosten van het onderzoek (art. 2:350 lid 3 BW) en de voorzieningen na het op basis van het onderzoek vaststellen van wanbeleid zijn er vooral op gericht de vennootschap weer op het rechte spoor te krijgen (art 2:356 BW). Ook de onmiddellijke voorzieningen van art. 2:349a lid 2 BW staan nadrukkelijk in de sleutel van het vennootschappelijk belang. Deze opzet maakt de enquêteprocedure niet geschikt voor de beslechting van aansprakelijkheidsgeschillen. In de enquêteprocedure draait het in de kern om verantwoording. Bij aansprakelijkheid gaat het om verplaatsing van schade. Dat laatste hoort mijns inziens niet thuis in het enquêterecht.

3.2.

Inherent aan de enquêteprocedure is dat daarin doorgaans veel, althans meer dan twee, partijen een rol spelen. Naast de verzoeker(s) en de vennootschap als verweerster zijn er vaak verschillende belanghebbenden. De positie van belanghebbenden in de enquêteprocedure is enigszins mistig. Ik sta kort stil bij de positie van bestuurders en commissarissen van een vennootschap bij wie een enquête is gelast. Het functioneren van bestuurders en commissarissen kan voorwerp van onderzoek zijn. Bestuurders en commissarissen kunnen door de ondernemingskamer verantwoordelijk worden gehouden voor vastgesteld wanbeleid. Met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, staat civielrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders niet vast. De vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, vormt echter wel een geduchte opstap naar civielrechtelijke aansprakelijkheid. De voorzitter van de ondernemingskamer drukt het in een recente beschikking in een andere zaak als volgt uit:

“De mogelijkheid om diegenen die verantwoordelijk zijn voor het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon in de onderzoeksperiode in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade ligt in het verlengde van een van de doeleinden van het enquêterecht: het verkrijgen van opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid.”

Ik merk op dat de ondernemingskamer in haar uitspraak van 18 december 2018 in de in nr. 1.54 bedoelde uitkoopprocedure ex art. 2:92a BW prejudicieert op een aansprakelijkheidsoordeel. In deze uitkoopprocedure houdt de ondernemingskamer rekening met het vastgestelde wanbeleid en de daarvoor aangewezen verantwoordelijke personen in de beschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd in de beschikking van 6 april 2018. In de uitspraak van 21 februari 2017 heeft de ondernemingskamer iedere verdere beslissing in de uitkoopprocedure aangehouden, totdat uitspraak is gedaan in de tweede fase van de enquêteprocedure. In de uitspraak van 18 december 2018 in de uitkoopprocedure heeft de ondernemingskamer, onder verwijzing naar overwegingen uit de wanbeleidbeschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd in de beschikking van 6 april 2018, geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat [verweerster 2] als gevolg van de Upstreaming, de verwerving van het [G] Belang en de Carve Out schade heeft geleden. Weliswaar staat volgens de ondernemingskamer met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen niet vast, maar dat doet er naar haar oordeel niet aan af dat op grond van de inhoud van de wanbeleidbeschikking voldoende aannemelijk is dat op de in de uitkoopprocedure te hanteren peildatum tot het vermogen van [verweerster 2] vorderingen behoorden op derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van die schade (rov. 2.24). De ondernemingskamer schat de waarde van deze vorderingen op (ten minste) € 30 miljoen en draagt de te benoemen deskundige op bij de waardering van de aandelen uit te gaan van het bestaan van bedoelde vorderingen met een waarde van € 30 miljoen (rov. 2.28).

3.3.

Ik heb eerder gepleit voor een kloof tussen het enquêterecht en bestuurdersaansprakelijkheid. Van Solinge heeft recentelijk over deze kloof gesignaleerd:

“De praktijk is (…) weerbarstig. De kloof tussen het enquêterecht en de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen is bepaald niet breder of dieper geworden. Sterker nog over de kloof zijn bruggetjes gelegd door wet, rechtspraak en literatuur. Hierdoor is het gemakkelijker geworden om de kloof te overbruggen. De stap van de enquêteprocedure naar de aansprakelijkheidsprocedure is zonder moeite te maken. (…) Het valt te betreuren dat de kloof gemakkelijker is te overbruggen. Hierdoor dreigt op de achtergrond te geraken dat de enquêteprocedure een uitermate nuttig middel is om bedrijven in financiële moeilijkheden of met governance issues weer op de been te helpen. De procedure zou niet vervuild moeten raken met elementen en gedragingen van (proces)partijen die slechts zijn gericht op het opbouwen van schadeclaims.”

3.4.

Tegen deze achtergrond dient mijns inziens het belang voor het enquêterecht van processuele waarborgen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zoals de wettelijke vereisten voor oproeping van niet-verschenen belanghebbenden, te worden begrepen. Dat de enquêteprocedure een verzoekschriftprocedure is, brengt met zich dat art 261 e.v. Rv in beginsel van toepassing zijn op de enquêteprocedure. Storm kenschetst de verhouding tussen het enquêterecht en burgerlijk procesrecht in algemene zin als volgt:

“De wettelijke regeling [van het enquêterecht in Titel 8 van Boek 2 BW, A-G] bevat in wezen voorschriften van procesrechtelijke aard die van toepassing zijn in een (nog steeds) ietwat onwennige symbiose met de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de verzoekprocedure (ruwweg art. 261-291 (…)).”

Toegespitst op de rol van bestuurders en commissarissen als belanghebbenden in de enquêteprocedure merkt Storm in dit verband treffend op:

“[B]estuurders en commissarissen [komen] er in de wettelijke bepalingen betreffende het recht van enquête qua rechtsbescherming nogal bekaaid af (…). Slechts met behulp van art. 271 tot en met 291 Rv (…) komen zij als “belanghebbenden” min of meer aan hun trekken.”

3.5.

Ik wijs voorts nog op het dilemma waarvoor bestuurders en commissarissen staan om al dan niet in de enquêteprocedure als belanghebbende te verschijnen. In de Ogem-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat de vaststelling dat er sprake is van wanbeleid - behoudens cassatie - bindend is, ook in andere procedures, voor diegenen die in de onderhavige procedure zijn verschenen. Maeijer merkt naar aanleiding van deze rechtsoverweging in zijn noot onder die beschikking op dat bestuurders en commissarissen er voortaan wellicht goed aan zouden doen om in een enquêteprocedure niet meer als belanghebbende te verschijnen, omdat hun positie in een eventueel te entameren aansprakelijkheidsprocedure dan sterker zou zijn. Dit moeilijke dilemma speelt heden ten dage ook nog. Om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen of bestuurders en commissarissen al dan niet in de enquêteprocedure willen verschijnen als belanghebbende is een adequate oproeping in de zin van art. 271 e.v. Rv vereist. Dat bestuurders en commissarissen als belanghebbenden de mogelijkheid hebben om te verschijnen in de enquêteprocedure is niet alleen van belang voor hun eigen procesrechtelijke positie. Het verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure past mijns inziens ook bij het enquêterecht als verantwoordingssysteem (nr. 3.1 hiervoor). Door als belanghebbenden te verschijnen kunnen bestuurders en commissarissen jegens de ondernemingskamer verantwoording afleggen over het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en hebben zij de mogelijkheid gemotiveerd te betogen dat en waarom zich geen wanbeleid in de zin van art. 2:355 lid 1 BW bij de vennootschap heeft voorgedaan. Dat past bij hun taak als bestuurder of commissaris.

Ontvankelijkheid

3.6.

Ik kom toe aan het beoordelen van de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn cassatieberoep van 7 mei 2018 tegen de beschikking van 6 februari 2018.

3.7.

De enquêteprocedure is een verzoekschriftprocedure. Op grond van art. 426 lid 1 Rv staat tegen beschikkingen op rekest cassatieberoep open binnen een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Ik stel vast dat het cassatieberoep van [verzoeker] tegen de beschikking van 6 februari 2018 tijdig is ingesteld. Het verzoekschrift is bij de Hoge Raad ingekomen op 7 mei 2018. De laatste dag van de driemaandentermijn - 6 mei 2018 - viel op een zondag. Art. 1 lid 1 Atw brengt dan met zich dat de cassatietermijn wordt verlengd tot en met de daaropvolgende dag.

3.8.

Dat [verzoeker] kwalificeert als belanghebbende staat niet ter discussie. In de beschikking van 6 februari 2018 staat [verzoeker] vermeld als belanghebbende sub 12, niet verschenen. De beschikking vermeldt voorts in rov. 2.1 onder meer dat [verzoeker] van 2008 tot 16 november 2009 CFO van [verweerster 2] was. In de Ogem-beschikking is door de Hoge Raad beslist dat art. 2:359 BW niet derogeert aan art. 426 lid 1 Rv, zodat ook cassatieberoep toekomt aan bijvoorbeeld bestuurders of commissarissen die als belanghebbenden voor de ondernemingskamer zijn verschenen en verweer hebben gevoerd. Vaststaat dat [verzoeker] niet is verschenen. Hij heeft geen verweerschrift ingediend en is niet gehoord. Op grond van art. 426 lid 1 Rv staat beroep in cassatie tegen beschikkingen op rekest open voor “degenen die in een der vorige instantiën verschenen zijn”. Naar de letter van de wet zou dat betekenen dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen echter mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv gebezigde woorden “in een der vorige instantiën verschenen zijn” niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet-verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen. [verzoeker] doet in zijn cassatieverzoekschrift een beroep op deze uitzondering door te stellen dat hij niet (deugdelijk) is opgeroepen. Naar ik begrijp uit het verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer zijdens [verweerster 1] gaat ook [verweerster 1] ervan uit dat [verzoeker] ontvankelijk is indien de bedoelde uitzondering zich voordoet. Voor de vraag of [verzoeker] kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep komt het derhalve aan op de vraag of hij deugdelijk door de ondernemingskamer is opgeroepen. Mijns inziens is uit de ambtshalve bij de ondernemingskamer opgevraagde informatie voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen. De oproepingsbrief voor de tweede fase van de enquêteprocedure van 25 oktober 2016 is blijkens de opgevraagde informatie (nr. 2.17 hiervoor) per gewone brief verstuurd naar zijn oude woonadres in België , waar hij sinds 2010 niet meer woonachtig is (nr. 2.20 hiervoor). Nu van een oproeping ex art. 277 lid 1 Rv (aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of daarmee gelijkwaardige wijze van verzending) of art. 277 lid 2 Rv (via een “ontvangende instantie” in België ) of ex art. 272 Rv (plaatsing van de oproeping in de Staatscourant) niet is gebleken, concludeer ik dat [verzoeker] buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen en ontvangen dient te worden in zijn cassatieberoep. Ik betrek daarbij ook de aard van de cassatieklachten, die juist betrekking hebben op de wijze waarop [verzoeker] door de ondernemingskamer is opgeroepen. Ik noem voorts nog een wetssystematisch argument waarom [verzoeker] in zijn cassatieberoep ontvangen dient te worden. Op grond van art. 358 Rv staat ook voor in eerste aanleg niet-verschenen belanghebbenden hoger beroep open tegen beschikkingen. De wetgever is er kennelijk aan voorbijgegaan dat het onredelijk is dat ex art. 426 lid 1 Rv geen cassatieberoep openstaat voor in de vorige instanties niet-verschenen belanghebbenden.

3.9.

Dan de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn aanvullende cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 tegen de beschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd in de beschikking van 6 april 2018. De beschikking van 6 april 2018 is een verbeteringsbeschikking in de zin van art. 31 Rv. Verbetering heeft geen invloed op de termijn voor het instellen van cassatieberoep. Er begint geen nieuwe cassatietermijn te lopen vanaf de dag waarop de verbeterbeschikking is uitgesproken. De verbeterde beschikking treedt als het ware in de plaats van de oorspronkelijke beschikking, waarbij de verbeterde beschikking geen nieuwe uitspraakdatum verkrijgt. Dat zou betekenen dat het aanvullende verzoekschrift, ingekomen bij de Hoge Raad op 31 mei 2018 (nr. 2.18 hiervoor), te laat is. De termijn voor het instellen van cassatieberoep verstreek immers op 7 mei 2018 (nr. 3.7 hiervoor).

3.10.

[verweerster 1] heeft een dergelijk ontvankelijkheidsverweer gevoerd. [verweerster 1] stelt zich in haar verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer op het standpunt dat [verzoeker] reeds in zijn verzoekschrift tot cassatie van 7 mei 2018 beroep had moeten instellen tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018. [verweerster 1] betoogt dat waar [verzoeker] tijdig op 7 mei 2018 cassatieberoep kon instellen tegen de beschikking van 6 februari 2018, mag worden verwacht en verlangd dat eerder bij de ondernemingskamer de in cassatie te bestrijden beschikking was opgevraagd, zodat op dat moment al bekend had kunnen zijn (gemaakt) dat de beschikking op 6 april 2018 was verbeterd. In het aanvullende verzoekschrift tot cassatie stelt [verzoeker] dat hij op 17 mei 2018 toevalligerwijs van de verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer heeft vernomen. Op 18 mei 2018 heeft de advocaat van [verzoeker] een afschrift van de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 en van de beschikking van 6 februari 2018 bij de ondernemingskamer opgevraagd. De advocaat van [verzoeker] ontving beide beschikkingen, samen met de rest van het procesdossier, op 14 juni 2018. De verbeterbeschikking van 6 april 2018 is op 24 juli 2018 op rechtspraak.nl gepubliceerd (nr. 2.12 hiervoor).

3.11.

Uitgangspunt van de Hoge Raad is dat strikt de hand moet worden gehouden aan beroepstermijnen. In het belang van een goede rechtspleging dient duidelijkheid te bestaan over het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van cassatieberoep aanvangt en eindigt. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gerechtvaardigd geacht indien degene die cassatie instelt tegen een beschikking van het hof (i) ten gevolge van een door (de griffie van) het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en (ii) de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van cassatie is toegezonden of verstrekt. In een zodanig geval dient de beroepstermijn verlengd te worden met een termijn van veertien dagen na de dag van de verstrekking of verzending van de beschikking.

3.12.

Het ontvankelijkheidsverweer van [verweerster 1] houdt kennelijk in dat geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding als bedoeld in nr. 3.11 hiervoor omdat van [verzoeker] verwacht en verlangd mag worden dat eerder, niet pas op 18 mei 2018, bij de ondernemingskamer de in cassatie te bestrijden beschikking was opgevraagd, zodat binnen de cassatietermijn die liep tot 7 mei 2018 ook cassatieberoep had kunnen worden ingesteld tegen de beschikking als verbeterd op 6 april 2018. Ik meen dat dit ontvankelijkheidsverweer van [verweerster 1] niet opgaat. [verweerster 1] beroept zich kennelijk op een arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2001. In die uitspraak liet de Hoge Raad in het midden of sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Een uitzondering op het strikt de hand houden aan de beroepstermijnen deed zich in die zaak niet voor, omdat aan de betrokkene en diens advocaat door de rechter ter zitting was medegedeeld dat zij ernaar streefde om op een bepaalde datum uitspraak te doen, op welke datum inderdaad ook uitspraak was gedaan. In een zodanig geval kan worden verlangd dat de betrokkene of diens advocaat bij het gerecht informeert naar de uitspraak en dient voor het einde van de termijn cassatieberoep te worden ingesteld, ook al is de uitspraak pas na het verstrijken van de cassatietermijn toegezonden. In het onderhavige geval ligt het mijns inziens anders. Van [verzoeker] kon mijns inziens in de gegeven omstandigheden niet verwacht of verlangd worden dat hij uit eigener beweging eerder bij de ondernemingskamer de bestreden beschikking (zoals verbeterd op 6 april 2018) had opgevraagd.

3.13.

Mijns inziens is in casu sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Naar mijn oordeel kon [verzoeker] niet tijdig cassatieberoep instellen tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 omdat ten gevolge van een door (de griffie van) de ondernemingskamer begane fout of verzuim hij niet wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de ondernemingskamer de beschikking op 6 april 2018 op de voet van art. 31 Rv had verbeterd en de verbeteringsbeschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van cassatie is toegezonden of verstrekt. Vaststaat dat de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 door de ondernemingskamer per gewone post naar het voormalige woonadres van [verzoeker] in [plaats 1] België is gestuurd en dat [verzoeker] evenmin voor het sluiten van de cassatietermijn op 7 mei 2018 via openbare bronnen op de hoogte kan zijn geraakt van de verbeteringsbeschikking, nu deze immers pas op 24 juli 2018 op rechtspraak.nl is gepubliceerd (nr. 2.12 hiervoor). [verzoeker] heeft gesteld de beschikking pas op 14 juni 2018, dus na het sluiten van de cassatietermijn op 7 mei 2018, van de ondernemingskamer te hebben ontvangen (nr. 2.13 hiervoor). Uitgaande van een aanvullende cassatietermijn van veertien dagen na de dag van de verstrekking of verzending van de beschikking door de ondernemingskamer heeft [verzoeker] zijn aanvullende cassatieberoep tijdig ingesteld. [verzoeker] heeft te kennen gegeven op 17 mei 2018 bekend te zijn geworden met de verbeteringsbeschikking. Op 31 mei 2018 is het aanvullende cassatieberoep tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Vanaf het moment dat [verzoeker] bekend raakte met de verbeteringsbeschikking is derhalve met bekwame spoed, binnen veertien dagen en nog voor de verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer is ontvangen, cassatieberoep ingesteld tegen de verbeteringsbeschikking. [verzoeker] is ontvankelijk in zijn aanvullende cassatieberoep tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018. Bij dat ontvankelijkheidsoordeel betrek ik ook dat [verzoeker] onder meer klaagt dat hij niet door de ondernemingskamer in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de verbetering in de zin van art. 31 Rv en dat deze ‘verbetering’ hem in zijn procesrechtelijke positie raakt, nu hij in de beschikking als verbeterd tevens medeverantwoordelijk wordt gehouden voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, terwijl hij daar in het dictum van de beschikking van 6 februari 2018 nog niet verantwoordelijk voor werd gehouden.

3.14.

[verzoeker] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de aanvullende cassatieklachten (d) en (e) tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 kunnen worden behandeld in de onderhavige cassatieprocedure tegen de beschikking van 6 februari 2018. Mijns inziens dient [verzoeker] in dat standpunt te worden gevolgd. Voor zover vereist heeft [verzoeker] tevens afzonderlijk cassatieberoep ingesteld tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018. Dat is de zaak 18/02407 waarin ik vandaag ook concludeer. Mijns inziens kunnen de aanvullende klachten tegen de verbeteringsbeschikking in de onderhavige procedure worden behandeld. De afzonderlijke procedure 18/02407 is niet nodig. Voor dat standpunt pleit dat er nauwe samenhang bestaat tussen (de klachten gericht tegen) de beschikking van 6 februari 2018 en de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018.

3.15.

[verzoeker] heeft zich in dit verband voorts beroepen op het voorbehoud dat hij in het verzoekschrift tot cassatie van 7 mei 2018 heeft gemaakt voor het indienen van een aanvullend verzoekschrift. Dit voorbehoud luidt: “ [verzoeker] behoudt zich ingevolge artikel 3.5.4 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden en onder verwijzing naar HR 23 december 2005, NJ 2006, 31, het recht voor een aanvullend verzoekschrift in te dienen, indien de inhoud van een eventueel proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.” Dit voorbehoud heeft weliswaar betrekking op een proces-verbaal en niet op de tekst van de verbeteringsbeschikking. De verwijzing naar HR 23 december 2005 heeft mijns inziens echter een ruimere strekking dan een proces-verbaal. A-G Huydecoper vat de in de rechtsleer ontwikkelde lijn over aanvulling van cassatiemiddelen na het verstrijken van de cassatietermijn in zijn conclusie voor de genoemde beschikking samen als volgt:

“dat er ruimte is voor nadere klachten wanneer de desbetreffende partij niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft kunnen beschikken over het stuk — bijvoorbeeld: een rechterlijke beslissing of een proces-verbaal — waarop de nader te formuleren klacht berust (of: betrekking heeft); en dat in dat geval de klacht zo spoedig mogelijk, dan wel met bekwame spoed nadat het ontbrekende stuk ter beschikking is gekomen, moet worden ingebracht [voetnoten verwijderd, A-G].”

Art. 3.5.4 van het Procesreglement van de Hoge Raad begrijp ik aldus dat er ook aanleiding kan zijn om een aanvullend verzoekschrift in te dienen als de tekst van een verbeteringsbeschikking niet tijdig beschikbaar is. Deze situatie zal zich in de praktijk niet vaak voordoen, nu het gaat om een verbeteringsbeschikking die niet tijdig beschikbaar is en de mogelijkheden om een verbeteringsbeschikking in cassatie te bestrijden, gelet op het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv, beperkt zijn. Tegen die achtergrond volstaat het door [verzoeker] gemaakte voorbehoud voor het indienen van een aanvullend verzoekschrift met klachten over de verbeteringsbeschikking.

De cassatieklachten

3.16.

Nu [verzoeker] mijns inziens kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep kom ik toe aan de beoordeling van de cassatieklachten. De onderdelen (a), (b) en (c) zijn gericht tegen de beschikking van 6 februari 2018 en de onderdelen (d) en (e) zijn gericht tegen de beschikking van 6 februari 2018, zoals verbeterd bij de beschikking van 6 april 2018.

3.17.

Onderdeel (a) klaagt dat het oordeel dat [verzoeker] verantwoordelijk is voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de Upstreaming niet in stand kan blijven, omdat bij gebreke van nadere oproeping de vermeerdering van het verzoek gelet op art. 283 jo. 130 lid 3 Rv te zijn aanzien is uitgesloten. Rov. 5.8 geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu met het toezenden van de nadere schriftelijke reactie door de advocaat van [verweerster 1] niet voldaan is aan de verplichting van de ondernemingskamer ex art. 130 lid 3 Rv om [verzoeker] als niet-verschenen belanghebbende deugdelijk op te roepen.

3.18.

In art. 130 lid 3 Rv is bepaald dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Art. 130 lid 3 Rv geldt voor de dagvaardingsprocedure. Op grond van art. 283 Rv is ingeval van verandering of vermeerdering van het verzoek art. 130 Rv van overeenkomstige toepassing op de verzoekschriftprocedure. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 10 juli 2009 overwogen dat aan art. 130 lid 3 Rv de gedachte ten grondslag ligt dat moet worden vermeden dat de gedaagde tot iets veroordeeld kan worden waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd. De Hoge Raad ontleent deze gedachte aan rechtspraak over art. 134 lid 4 Rv (oud). Voor de overeenkomstige toepassing van art. 130 lid 3 Rv op de verzoekschriftprocedure betekent een en ander volgens de Hoge Raad dat:

“overeenkomstig de hiervoor genoemde daaraan ten grondslag liggende gedachte, in elk geval alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw dienen te worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek.”

3.19.

Ik merkte op dat bepalingen uit Rv in beginsel ook van toepassing zijn op de enquêteprocedure (nr. 3.4 hiervoor). Dat dit ook geldt voor art. 130 lid 3 jo. 283 Rv blijkt voorts uit eerdere rechtspraak van de ondernemingskamer. Lemstra en Salemink vatten de overeenkomstige toepassing streng op:

“Zolang de OK geen eindbeschikking heeft gegeven, kan een verzoeker in beginsel zijn verzoek veranderen of vermeerderen. Hij dient er echter wel rekening mee te houden dat als niet alle opgeroepen partijen in het geding zijn verschenen, op grond van art. 283 jo. 130 lid 3 Rv een vermeerdering van het verzoek alleen is toegestaan als deze tijdig bij exploot aan de niet verschenen partijen bekend is gemaakt [curs. A-G].”

Een dergelijk strenge overeenkomstige toepassing lijkt mij niet in overeenstemming met de strekking van de bepaling, zoals de Hoge Raad die in zijn beschikking van 10 juli 2009 heeft uiteengezet. Volgens die beschikking van de Hoge Raad is een hernieuwde oproeping door de rechter, onder opgave van de verandering of vermeerdering van eis, vereist.

3.20.

Ik ga nog in op de strekking van art. 130 lid 3 Rv, die de Hoge Raad heeft ontleend aan jurisprudentie onder het oude recht. Met name het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2000 is in verband met de onderhavige casus relevant. In die zaak had het hof (rov. 4.7) uit de inhoud van de appeldagvaarding (waarin de wijziging van eis was vermeld) en het feit dat deze in persoon was betekend aangenomen dat wetenschap van de eisvermeerdering bekend werd geacht en op grond van de vermeerderde en uitgebreide eis beslist. De Hoge Raad liet deze beperkte uitleg van de bepaling, overeenkomstig de strekking, in zijn arrest (rov. 3.5) in stand.

3.21.

De ondernemingskamer lijkt deze naar haar strekking restrictieve uitleg van art. 130 lid 3 Rv door te trekken naar de onderhavige casus. In cassatie staat vast dat het bepaalde in art. 283 jo. 130 lid 3 Rv op de onderhavige casus van toepassing is. In rov. 5.8 van de beschikking van 6 februari 2018 heeft de ondernemingskamer onbestreden overwogen dat “[a]nders dan [verweerster 2] heeft aangevoerd artikel 283 jo. 130 Rv. ook van toepassing [is] op de tweede fase procedure.” Waar over wordt geklaagd is de uitleg die de ondernemingskamer heeft gegeven aan het bepaalde in art. 130 lid 3 Rv. Aan het slot van rov. 5.8 heeft de ondernemingskamer overwogen:

“In verband met het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv . heeft de advocaat van [verweerster 1] ter zitting desgevraagd verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden.”

Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2017 (p. 5) blijkt onder meer het volgende:

“Op de vraag van de voorzitter of mr. Wolters meent dat artikel 283 Rv jo. 130 Rv van toepassing zijn in het enqu êterecht, antwoordt hij dat dat zijns inziens het geval is. De upstreaming maakt onderdeel uit van de verwerving van het [G] belang, dat al eerder door [verweerster 1] als grond is genoemd. Er is geen sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde. Bovendien is voornoemde schriftelijke reactie van [verweerster 1] aan iedereen gestuurd, ook aan de niet verschenen belanghebbenden, zodat de facto aan het vereiste van 130 lid 3 Rv is voldaan [curs. A-G].”

3.22.

Mijns inziens is er in de gegeven omstandigheden geen aanleiding voor een dergelijke restrictieve interpretatie van art. 130 lid 3 Rv. De reden daarvoor is dat in dit geval niet aan de strekking van de bepaling is voldaan. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2000 kan wetenschap van de wijziging van het verzoek in de onderhavige casus bij [verzoeker] niet bekend worden geacht door het bij gewone brief door de advocaat van [verweerster 1] versturen van de nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017, die volgens de ondernemingskamer de verandering van het verzoek bevat (In rov. 5.8 heeft de ondernemingskamer overwogen: “In haar nadere schriftelijke reactie (…) heeft [verweerster 1] met zoveel woorden gesteld dat de Upstreaming wanbeleid is.”).

De ondernemingskamer had zich er mijns inziens, gelet op de strekking van art. 130 lid 3 Rv, van moeten vergewissen dat de nadere schriftelijke reactie [verzoeker] als niet-verschenen belanghebbende daadwerkelijk had bereikt en dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat sprake was van een wijziging van het verzoek. De Hoge Raad heeft immers in zijn beschikking van 10 juli 2009, overeenkomstig de aan de bepaling ten grondslag liggende gedachte, als vereisten voor overeenkomstige toepassing van art. 130 lid 3 Rv een hernieuwde oproeping van niet-verschenen belanghebbenden met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek geformuleerd.

De situatie die de Hoge Raad met het vereisen van een hernieuwde oproeping van niet-verschenen belanghebbenden met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek heeft willen voorkomen, lijkt zich in casu te hebben voorgedaan, nu de stukken zijn gestuurd naar een adres waar [verzoeker] sinds 2010 niet meer woonachtig is. Uit de ambtshalve bij de ondernemingskamer opgevraagde informatie blijkt dat een hernieuwde oproeping door de ondernemingskamer met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek niet heeft plaatsgevonden. Dat in het onderhavige geval evenmin aan de strekking van art. 130 lid 3 Rv – dat bij [verzoeker] wetenschap van de wijziging van het verzoek bekend mocht worden geacht – is voldaan, volgt eveneens uit de ambtshalve opgevraagde informatie. Van een adequate oproeping van [verzoeker] als niet-verschenen belanghebbende die woonachtig is in België , in de zin van art. 277 lid 1 of 2 of 272 Rv, is immers evenmin gebleken. De ondernemingskamer mocht er derhalve in dit geval niet op vertrouwen dat de wijziging van het verzoek [verzoeker] had bereikt door het toesturen van de nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 door de advocaat van [verweerster 1] . Onderdeel (a) slaagt.

3.23.

Onderdeel (b) klaagt dat voor zover de ondernemingskamer in rov. 5.8 in het midden heeft gelaten of sprake is van een vermeerdering van het verzoek, haar oordeel dat [verzoeker] verantwoordelijk is voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming eveneens niet in stand kan blijven, nu in ieder geval sprake is van een verandering van het verzoek, ten aanzien waarvan [verzoeker] eveneens had behoren te worden opgeroepen. Het onderdeel klaagt voorts dat een eventueel oordeel dat geen sprake is van een vermeerdering van het verzoek ten aanzien van [verzoeker] onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

3.24.

Het onderdeel slaagt voor zover het klaagt dat als rov. 5.8 zo dient te worden begrepen dat de ondernemingskamer de mogelijkheid openlaat dat van een vermeerdering van het verzoek geen sprake is, dit aan de klacht van onderdeel (a) niet afdoet. Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het oproepingsvereiste uiteengezet bij de beoordeling van onderdeel (a) – hernieuwde oproeping door de ondernemingskamer onder opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek – zowel geldt voor een vermeerdering als voor een verandering van het verzoek. Rov. 5.8 kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan dat naar het oordeel van de ondernemingskamer in ieder geval sprake is van een verandering van verzoek. De ondernemingskamer stelt in rov. 5.8 immers vast dat [verweerster 1] in haar verzoekschrift de Upstreaming niet als een afzonderlijke grond voor vaststelling van wanbeleid heeft genoemd, en [verweerster 1] in haar nadere schriftelijke reactie wel met zoveel woorden heeft gesteld dat de Upstreaming wanbeleid is. Deze lezing van rov. 5.8, dat naar het oordeel van de ondernemingskamer in ieder geval sprake is van een verandering van het verzoek, vindt mijns inziens ook steun in de overwegingen dat “artikel 283 jo. 130 Rv. ook van toepassing [is] op de tweede fase procedure” en dat “[i]n verband met het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv . de advocaat van [verweerster 1] ter zitting desgevraagd [heeft] verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden”. Deze overwegingen zouden bij een andere lezing zonder betekenis zijn.

3.25.

Het onderdeel faalt voor het overige. Mijns inziens is niet onbegrijpelijk dat de ondernemingskamer de vraag in het midden heeft gelaten of van een vermeerdering van het verzoek sprake was. Anders dan het onderdeel klaagt, begrijp ik het oordeel van de ondernemingskamer niet zo dat door de Upstreaming als afzonderlijke grond – naast de verwerving van het [G] Belang - voor de vaststelling van wanbeleid te noemen in ieder geval sprake zou zijn van een vermeerdering van het verzoek. De ondernemingskamer wijst in rov. 5.8 op de nauwe samenhang tussen de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang. De onderzoeker heeft in zijn verslag geen onderscheid gemaakt tussen de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang en bespreekt de Upstreaming in het kader van wanbeleid ten aanzien van de verkrijging van het [G] Belang (rov. 5.8: “de aandacht die de Upstreaming in het verslag heeft gekregen”; zie ook de passages uit het onderzoeksverslag weergegeven in rov. 4.1 van de beschikking). De onderzoeker is alles afwegend tot de conclusie gekomen dat de verkrijging van het [G] Belang blijk geeft van wanbeleid en dat de verantwoordelijkheid daarvoor hoofdzakelijk bij [betrokkene 6] ligt (onderzoeksbevinding 170, weergeven in rov. 4.1 van de beschikking). Ik begrijp het oordeel van de ondernemingskamer zo dat zij een onderscheid heeft willen aanbrengen tussen wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming (rov. 5.10-5.15) en ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang (5.16-5.27) om vervolgens zodoende ook te kunnen differentiëren in het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming en ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. [verzoeker] wordt door de ondernemingskamer in rov. 5.56 en in het dictum (na verbetering ex art. 31 Rv bij de beschikking 6 april 2018) verantwoordelijk gehouden voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van zowel de Upstreaming als de verwerving van het [G] Belang. In het verzoekschrift van 4 oktober 2016 (nr. 2.11 hiervoor) heeft [verweerster 1] onder meer verzocht om vaststelling van wanbeleid en om vaststelling van verantwoordelijke personen voor dat wanbeleid, onder wie [verzoeker] . Onder 4 van het verzoekschrift van 4 oktober 2016 wordt ingegaan op de verantwoordelijken voor het wanbeleid. Onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen wordt onder 4.2-4.3 (p. 17) onder meer opgemerkt dat [betrokkene 6] hoofdverantwoordelijkheid draagt voor de Upstreaming die heeft geleid tot de verkrijging van het [G] belang en dat [betrokkene 6] een persoonlijk belang had bij de Upstreaming (in die zin ook rov. 5.8). Onder 4.5 (p. 18) wordt voorts vermeld dat [verweerster 1] instemt met de bevinding van de onderzoeker dat de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid hoofdzakelijk bij [betrokkene 6] ligt “met dien verstande dat zij van mening is dat [betrokkene 6] weliswaar de initiator en kwade genius was, maar dat het bestuur ( [betrokkene 1] en [verzoeker]) en de onafhankelijke commissarissen ( [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [verweerder 3] ) vanuit hun respectievelijke verantwoordelijkheden verzet hadden moeten bieden door hun medewerking aan de gewraakte transacties te onthouden [curs. A-G].” Voor zover onderdeel (b) klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.8 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd nu [verweerster 1] in haar verzoekschrift slechts aan haar standpunt dat [betrokkene 6] verantwoordelijk is voor het wanbeleid ten grondslag heeft gelegd dat hij verantwoordelijk is voor en een persoonlijk belang had bij de Upstreaming (maar dat dus niet voor [verzoeker] geldt) mist het onderdeel mijns inziens, gelet op de hiervoor aangehaalde passage achter randnummer 4.5 van het verzoekschrift van 4 oktober 2016, feitelijke grondslag.

3.26.

Onderdeel (c) klaagt dat de ondernemingskamer [verzoeker] ook overigens niet deugdelijk heeft opgeroepen, althans dat de beschikking onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, nu uit de beschikking niet blijkt dat aan de oproepingsvereisten ex art. 277 of art. 272 Rv is voldaan. Bij gebreke van deugdelijke oproeping van [verzoeker] als niet-verschenen belanghebbende dient de beschikking wegens strijd met de eisen van hoor en wederhoor te worden vernietigd.

3.27.

Mijns inziens treft onderdeel (c) doel voor zover wordt geklaagd over schending van art. 277 Rv. De beschikking vermeldt “ [plaats 1] België ” als woonplaats van [verzoeker] . De ondernemingskamer is er kennelijk vanuit gegaan dat [verzoeker] een bekende woonplaats heeft in België . Niet gebleken is van een oproeping ex art. 277 lid 1 Rv (aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of daarmee gelijkwaardige wijze van verzending) of art. 277 lid 2 Rv (via een “ontvangende instantie” in België ). Uit de ambtshalve bij de ondernemingskamer opgevraagde informatie blijkt dat de ondernemingskamer [verzoeker] bij gewone brief voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft opgeroepen. [verzoeker] is vervolgens in de beschikking aangemerkt als niet-verschenen belanghebbende sub 12. Mijns inziens had de ondernemingskamer niet voetstoots mogen aannemen dat de oproeping bij gewone brief [verzoeker] heeft bereikt. Het kan voor bestuurders een weloverwogen keuze zijn om niet in de tweede fase van de enquêteprocedure te verschijnen. Om die keuze weloverwogen te kunnen maken dient wel met voldoende zekerheid vastgesteld te worden dat oproeping een belanghebbende die niet in de procedure is verschenen daadwerkelijk heeft bereikt. Rv biedt bepaalde waarborgen voor de oproeping. Indien door de ondernemingskamer niet aan deze wettelijke oproepingsvereisten, die op de enquêteprocedure van toepassing zijn, wordt voldaan, is sprake van schending van de eisen van hoor en wederhoor met als gevolg dat de beschikking niet in stand kan blijven. In de onderhavige procedure heeft de ondernemingskamer [verzoeker] verantwoordelijk gehouden voor wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming en de verwerving van het [G] Belang. Door de oproeping bij gewone brief te sturen naar een adres waar hij sinds 2010 niet meer woonachtig is, lijkt zich de situatie te hebben verwezenlijkt dat hem de kans is ontnomen om zich als bestuurder van de vennootschap te verweren tegen het vastgestelde wanbeleid en zijn verantwoordelijkheid daarvoor. Dat is een fundamenteel gebrek.

Tussenconclusie

3.28.

Door [verzoeker] niet deugdelijk ex art. 277 Rv op te roepen voor de tweede fase van de enquêteprocedure (onderdeel (c)) en deugdelijk op te roepen ex art. 283 jo. 130 lid 3 Rv naar aanleiding van de vermeerdering of verandering van het verzoek met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming (onderdelen (a) en (b)) kan de beschikking van 6 februari 2018 niet in stand blijven.

3.29.

Ik kom toe aan de onderdelen (d) en (e) die gericht zijn tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018. De ondernemingskamer heeft de beschikking van 6 februari 2018 verbeterd op de voet van art. 31 Rv.

3.30.

Onderdeel (d) klaagt dat de ondernemingskamer buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden, nu de wijziging van rov. 5.56 en het dictum van de beschikking in die zin dat [verzoeker] alsnog mede-verantwoordelijk is gehouden voor wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang geen kennelijke fout is die zich voor eenvoudig herstel leent. Rov. 2.1 van de verbeteringsbeschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatstaf om te bepalen of sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 lid 1 Rv. De rov. 2.1 is althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

3.31.

Krachtens art. 31 lid 1 Rv verbetert de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De maatstaf voor de toepassing van art. 31 Rv is of voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. De fout moet, mede in het licht van de stellingen van partijen, niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn. De regeling is bedoeld voor gevallen waarin het evident is dat en welk ‘steekje’ de rechter heeft laten vallen. Als het dictum niet aansluit op de overwegingen in de beschikking kan dat een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een kennelijke fout. Als echter sprake is van een verschil in de motivering en het dictum van dien aard dat onduidelijk is of de vergissing in de motivering of in het dictum is begaan, leent de beschikking zich niet voor verbetering op de voet van art. 31 Rv. Er is geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent als partijen van mening verschillen over de verzochte verbetering. Als discussie bestaat over de verbetering kan de rechter slechts tot verbetering overgaan als redelijkerwijs uit de tekst van de beschikking, de motivering en het dictum, tegen de achtergrond van de stellingen van partijen, kan worden afgeleid dat sprake is van een kennelijke fout en hoe de uitspraak te dien aanzien moet worden verbeterd.

3.32.

Een treffend voorbeeld uit de rechtspraak is de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad Thuiszorg/Plum. In die zaak had de rechtbank in hoger beroep Thuiszorg veroordeeld aan Plum te betalen een bedrag van ƒ 54.000,-- wegens kennelijk onredelijk ontslag, zonder dat uit het vonnis bleek of het bedrag bruto of netto was bedoeld. De rechtbank heeft vervolgens, zonder Thuiszorg te horen, haar vonnis verbeterd in de zin dat de veroordeling het bruto equivalent van ƒ 54.000,-- betrof. In een tweede verbeteringsvonnis heeft de rechtbank het verzuim Thuiszorg te horen getracht te herstellen. De rechtbank handhaafde haar oordeel dat het ging om het bruto equivalent. De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis ontoelaatbaar onduidelijk was en dat verbetering - welke verbetering zoals hierna zal blijken niet toelaatbaar is - daarin geen verandering brengt. De Hoge oordeelde verder dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied is getreden van de in de rechtspraak ontwikkelde regel van procesrecht die verbetering van een uitspraak toelaat als daarin een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving voorkomt, nu in dit geval geenszins sprake was van een zodanige verschrijving. De Hoge Raad oordeelde voorts dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een eventuele verbetering uit te laten vóórdat zij haar vonnis verbeterde.

3.33.

Duidelijk is dat art. 31 Rv noopt tot een beperkte uitleg. Dat is in de tekst van de bepaling tot uitdrukking gebracht door de toevoeging van het bijvoeglijke naamwoord “kennelijke” voor fout. Met de regeling van art. 31 Rv is beoogd dat de rechter die de beschikking heeft gewezen een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent, verbetert, waarmee wordt voorkomen dat partijen genoodzaakt zijn daartoe een relatief zwaar rechtsmiddel, hoger beroep of cassatieberoep, in te stellen. Als partijen van mening verschillen over de verzochte verbetering is verbetering op de voet van art. 31 Rv, mede gelet op het rechtsbeschermings- en rechtszekerheidsbeginsel, niet aangewezen.

3.34.

Ik stel vast dat er twee - deels tegenstrijdige - verzoeken tot verbetering van de beschikking van 6 februari 2018 zijn gedaan. Het verzoek van [betrokkene 8] (nr. 1.5 van de verbeteringsbeschikking) wijst voor zover hier van belang (afgezien van de verzochte verbetering terzake van de proceskostenveroordeling) op een tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en het dictum van de beschikking. In rov. 5.56 van de beschikking staat dat [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [verzoeker] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang, terwijl de ondernemingskamer hen in het dictum van de beschikking niet verantwoordelijk heeft gehouden voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang. Het verzoek tot verbetering van [betrokkene 8] strekt ertoe het dictum in overeenstemming te brengen met rov. 5.56, in die zin dat [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [verzoeker] ook volgens het dictum verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang.

[betrokkene 6] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [betrokkene 8] en heeft zelf verzocht de beschikking te verbeteren, door rov. 5.56 in overeenstemming te brengen met het dictum, in die zin dat ook rov. 5.56 inhoudt dat [betrokkene 6] niet verantwoordelijk is voor het wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang (nr. 1.8 van de verbeteringsbeschikking).

De ondernemingskamer heeft het verzoek tot verbetering van [betrokkene 8] ingewilligd voor zover het [betrokkene 1] en [verzoeker] betreft. Dat betekent dat [betrokkene 1] en [verzoeker] in het dictum van de beschikking zijn toegevoegd aan de daar genoemde personen die verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang (rov. 2.3 en het dictum van de verbeteringsbeschikking).

Het verzoek van [betrokkene 6] is in zoverre ingewilligd dat de ondernemingskamer rov. 5.56 aldus heeft verbeterd dat [betrokkene 6] niet meer verantwoordelijk wordt gehouden voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang (rov. 2.2 van de verbeteringsbeschikking). Het dictum is op dit punt dus ongewijzigd gebleven.

3.35.

Een tegenstrijdigheid tussen de overwegingen van de beschikking en het dictum kan duiden op het bestaan van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel (nr. 3.31 hiervoor). Deze situatie zou zich hebben voorgedaan als de ondernemingskamer het dictum in overeenstemming had gebracht met rov. 5.56 overeenkomstig het verzoek van [betrokkene 8] . De ondernemingskamer is echter een stap verder gegaan door ook rov. 5.56 te verbeteren, in die zin dat [betrokkene 6] daarin niet langer verantwoordelijk wordt gehouden voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. De verbeteringsbeschikking is aldus op te vatten dat de ondernemingskamer ten aanzien van het vaststellen van de verantwoordelijkheid van [betrokkene 1] en [verzoeker] klaarblijkelijk een steekje heeft laten vallen in het dictum van de beschikking en ten aanzien van het vaststellen van verantwoordelijkheid van [betrokkene 6] een steekje heeft laten vallen in het lichaam (rov. 5.56) van de beschikking.

3.36.

De ondernemingskamer motiveert de verbeteringen in rov. 5.56 en het dictum in rov. 2.1 van de verbeteringsbeschikking niet door te wijzen op een tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en het dictum, maar door te wijzen op een tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en rov. 5.16-5.27. In rov. 5.16-5.27 heeft ondernemingskamer geoordeeld over de vraag of zich wanbeleid heeft voorgedaan ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en in rov. 5.56 heeft de ondernemingskamer geoordeeld over de vraag wie verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. De ondernemingskamer overweegt in rov. 2.1 van de verbeteringsbeschikking dat uit rov. 5.16-5.27 “onmiskenbaar [volgt] dat [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, dat onder meer is gelegen in de beslissing van [verweerster 2] om verwerving van het [G] Belang als betaling van de door de Upstreaming ontstane schuld van [D] aan [verweerster 2] te accepteren. De genoemde overwegingen bevatten ten aanzien van [betrokkene 6] geen aanknopingspunten voor de vaststelling van zijn verantwoordelijkheid (als commissaris) voor de verwerving van het [G] Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.15 wel wordt ingegaan op de rol van [betrokkene 6] bij de Upstreaming.”

3.37.

Tegen deze achtergrond treft onderdeel (d) mijns inziens doel. Ik kan het oordeel van de ondernemingskamer in zoverre volgen dat de beschikking een tegenstrijdigheid bevat over welke personen verantwoordelijk zijn voor de als wanbeleid aangemerkte verwerving van het [G] Belang. Bij de tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en het dictum van de beschikking is mijns inziens voor partijen en derden direct duidelijk dat sprake is van een vergissing, dat geldt mijns inziens echter niet voor de tegenstrijdigheid die de ondernemingskamer signaleert tussen rov. 5.16-5.27 en rov. 5.56. Het is gelet daarop voor partijen en derden mijns inziens niet direct duidelijk waar – in het dictum of in het lichaam - de ondernemingskamer steekjes heeft laten vallen. Dat vergt volgens de ondernemingskamer in rov. 2.1 interpretatie van de beschikking, in het bijzonder van de rov. 5.16-5.27 die de ondernemingskamer ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat de verwerving van het [G] Belang wordt aangemerkt als wanbeleid. Het oordeel van de ondernemingskamer dat uit rov. 5.16-5.27 “onmiskenbaar” volgt dat [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en [betrokkene 6] als commissaris daarvoor niet verantwoordelijk is, is mijns inziens niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uit rov. 5.16-5.27, die gaan over de vaststelling van wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, kan mijns inziens niet zonder enige twijfel worden afgeleid dat de ondernemingskamer heeft bedoeld [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk te houden voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en [betrokkene 6] als commissaris van [verweerster 2] niet. Mijns inziens maken rov. 5.16-5.27 niet overduidelijk in hoeverre rov. 5.56 of het dictum is wat de ondernemingskamer heeft bedoeld te beslissen over de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. Nu discussie mogelijk is over de vraag bij wie de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang is gelegd, is mijns inziens geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, een en ander als bedoeld in art. 31 lid 1 Rv. Dat debat mogelijk is over wat de ondernemingskamer hierover heeft bedoeld te beslissen blijkt al uit de verschillende standpunten die door partijen en verschenen belanghebbenden zijn ingenomen over de wijze waarop de beschikking verbeterd zou moeten worden (rov. 1.5-1.8 van de verbeteringsbeschikking). De beschikking is op het punt van de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien de verwerving van het [G] Belang ontoelaatbaar onduidelijk, welke onduidelijkheid zich niet op de voet van art. 31 lid 1 Rv laat herstellen.

3.38.

Onderdeel (e) klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte [verzoeker] niet in de gelegenheid heeft gesteld zich over de verbetering uit te laten. Voor zover de ondernemingskamer het vereiste van art. 31 lid 1, tweede zin, Rv wel heeft gevolgd, is haar oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De overweging in rov. 1.9 van de verbeteringsbeschikking dat van [verzoeker] “in dit verband niet [is] vernomen” geeft geen inzicht in de wijze waarop [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld zich over de verzochte verbetering uit te laten.

3.39.

In art. 31 lid 1, tweede zin, Rv is bepaald dat de rechter niet tot verbetering overgaat dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Indien partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld zich over een verbetering uit te laten voordat de rechter de uitspraak verbetert, wordt het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Dat is een verzuim in de naleving van essentiële vormen. Het wordt aan de rechter overgelaten om te bepalen op welke wijze partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de verbetering. Het ligt voor de hand dat de kennisgeving schriftelijk, door een brief van de rechter aan alle betrokkenen, wordt verstuurd. Gelet op de belangen die met een – al dan niet toelaatbare – verbetering zijn gemoeid, dient de kennisgeving met voldoende waarborgen omkleed te zijn. Om zich ervan te vergewissen dat de kennisgeving betrokkenen daadwerkelijk heeft bereikt, kan door de rechter worden aangesloten bij de oproepingsvereisten van art. 271 e.v. Rv. Juist bij niet-verschenen belanghebbenden die door de verbetering in hun belangen worden geraakt, dient de rechter zich ervan te vergewissen dat het risico zich niet verwezenlijkt dat de kennisgeving in de zin van art. 31 lid 1, tweede zin, Rv de belanghebbende niet heeft bereikt.

3.40.

Mijns inziens dient onderdeel (e) te slagen. De ondernemingskamer overweegt in rov. 1.9 dat van (onder andere) [verzoeker] “in dit verband niet [is] vernomen”. Ik stel vast dat de door de ondernemingskamer aangebrachte verbetering van de beschikking ertoe leidt dat [verzoeker] mede-verantwoordelijk wordt gehouden voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang, terwijl dat volgens het dictum van de beschikking van 6 februari 2018 nog niet het geval was. Gelet op de belangen die voor [verzoeker] met deze verbetering gemoeid zijn, dient de rechter zich ervan te vergewissen dat de kennisgeving in de zin van art. 31 lid 1, tweede zin, Rv [verzoeker] daadwerkelijk heeft bereikt. De rechter mag dat mijns inziens aannemen als de oproepingsvereisten van art. 271 e.v. Rv in acht zijn genomen. De rechter is daartoe evenwel niet verplicht. Als, zoals in het onderhavige geval, die oproepingsvereisten niet (kenbaar) in acht zijn genomen (vgl. nr. 3.27 hiervoor), mag de rechter mijns inziens, gelet op de centrale positie die de kennisgeving in verband met hoor en wederhoor in de procedure tot verbetering inneemt, niet volstaan met de constatering dat van een niet-verschenen belanghebbende niet is vernomen. Een kennisgeving per gewone brief naar een adres waar [verzoeker] sinds 2010 niet meer staat ingeschreven – de verbeteringsbeschikking vermeldt ook [plaats 1] België als woonplaats van [verzoeker] – volstaat mijns inziens, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, niet. De ondernemingskamer had moeten nagaan of [verzoeker] zich wenste uit te laten over de verbetering.

Tussenconclusie

3.41.

De verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 kan niet in stand blijven. De ondernemingskamer is bij de verbetering buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv getreden (onderdeel (d)) en heeft door verbetering aan te brengen zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten essentiële vormen verzuimd (onderdeel (e)). Het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv (vgl. nr. 3.14 hiervoor) wordt doorbroken.

4 De conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikkingen van 6 februari 2018 en 6 april 2018 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Ontleend aan rov. 3.2-3.57 van de bestreden beschikking.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als een door een bankenconsortium bestaande uit [Q] , [E] en [R] bij overeenkomst van 22 juli 2008 aan [verweerster 2] verstrekte kredietfaciliteit van € 75 miljoen.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als de terbeschikkingstelling door [verweerster 2] aan [D] van gelden door [verweerster 2] opgenomen onder de Clubdeal.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als het aandelenbelang van 24,49% in [G] dat [D] op 31 december 2008 aan [verweerster 2] heeft overgedragen (tezamen met de [G] Vordering) ter aflossing van de Upstreaming. Dit aandelenbelang is als gevolg van de deelname van [verweerster 2] aan een emissie door [G] op 30 november 2010 toegenomen tot 44,13% per ultimo 2010.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als een vordering op [G] van nominaal € 30,4 miljoen, door [D] op 31 december 2008 aan [verweerster 2] overgedragen (tezamen met de [G] Deelneming) ter aflossing van de Upstreaming.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als de combinatie van de [G] Vordering en de [G] Deelneming.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als de verkoop en overdracht door [verweerster 2] van het [G] Belang aan [D] in het kader van de Overname. [verweerster 2] heeft de [G] Vordering, toen nominaal (inclusief achterstallige rente) € 21.506.415, aan [D] verkocht voor € 4.055.000 en de [G] Deelneming (544.484.942 aandelen, zijnde 43,74% van het uitstaande kapitaal van [G] ) tegen een prijs van € 0,01 per aandeel. De Carve Out omvatte voorts de overname door [verweerster 2] van de door [D] gehouden aandelen in Point IT, maar dat element van de Carve Out speelt in deze procedure geen rol.

In rov. 2.2 van de bestreden beschikking omschreven als de verkoop in 2013 door [D] van alle door haar gehouden aandelen in [verweerster 2] (65,68%) aan [N] N.V. (hierna ook: [N] ) tegen een prijs van € 5,85 per aandeel en onder de voorwaarde dat voorafgaand aan de overdracht [verweerster 2] het [G] Belang aan een derde overdraagt (de Carve Out). De overname is gevolgd door een verplicht openbaar bod door [N] van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] op 6 november 2013.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2899, ARO 2014/167.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 24 juli 2014, ARO 2014/168.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 4 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3210, ARO 2016/155.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:377, ARO 2018/85; JOR 2018/94 m.nt. M.W. Josephus Jitta; Ondernemingsrecht 2018/62 m.nt. P.H.M. Broere.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1609, ARO 2018/86.

Zaak 18/02704, waarin ik vandaag ook concludeer.

Overigens wijst [verweerster 1] er onder 2 van haar verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer (zie hierna nr. 2.21) op dat dit vermoeden bevestiging vindt in de brief van de secretaris van de ondernemingskamer van 6 april 2018 waarbij de verbeteringsbeschikking werd toegezonden, met als bijlage de lijst met haar bekende adresgegevens van de verzoekers, verweerster en (mogelijke) belanghebbenden, onder wie [verzoeker] . De brief vermeldt als adres van [verzoeker] : [adres 1] , België .

Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 22-23.

L. Timmerman, ‘Een pleidooi voor een kloof tussen enquêterecht en bestuurdersaansprakelijkheid’, in: M.J. Kroeze e.a. (red.), Verantwoording aan Hans Beckman, Deventer: Kluwer 2006, p. 542 (hierna: Timmerman 2006). Zie ook nr. 3.40 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:857) voor HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, NJ 2017/202 m.nt. H.B. Krans & P. van Schilfgaarde (Meavita): “Mijns inziens kan verantwoordelijkheid voor onjuist beleid niet zonder meer tot uiteenlopende vormen van aansprakelijkheid daarvoor leiden. Verantwoordelijkheid is een voorwaarde voor aansprakelijkheid d.w.z. voor het moeten opdraaien voor de gevolgen van een bepaald gedrag. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid moeten -zo meen ik- worden onderscheiden.”

Timmerman 2006, p. 538. Zie voor het belanghebbende-begrip in de enquêteprocedure HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 m.nt. J.M.M. Maeijer ([…]), rov. 3.3.2. Zie over de rechtspositie van belanghebbenden in het enquêterecht meer uitgebreid P.M. Storm, Corporate Litigation bij de Ondernemingskamer, Den Haag: BJu 2018, p. 427-441 (hierna: Storm 2018). Storm 2018, p. 430 spreekt van een “delicate” positie van bestuurders en commissarissen als belanghebbenden.

HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 4.1 en HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671 m.nt. J.M.M. Maeijer (Text Lite), rov. 4.1.1.

HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 5, verduidelijkt in HR 8 april 2005, ECCLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443 m.nt. G. van Solinge (Laurus), rov. 3.8. Zie ook HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671 m.nt. J.M.M. Maeijer (Text Lite), rov. 4.1.3, HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3419, NJ 2003/538 m.nt. J.M.M. Maeijer (Skipper Club), rov. 3.4 en HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2456, NJ 2006/173 m.nt. J.M.M. Maeijer (Unilever), rov. 4.1.1.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 12 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4681, rov. 2.8. Zie in vergelijkbare bewoordingen bijv. ook Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 28 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2765, ARO 2016/160, rov. 2.2 en Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4745, ARO 2014/15, rov. 2.4.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4684, Ondernemingsrecht 2019/42 m.nt. M.W. Josephus Jitta.

Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 21 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:817, ARO 2017/84.

Timmerman 2006. In gelijke zin L. Timmerman, ‘De begrenzers van het enquêterecht’, in: H. Beckman e.a., Ondernemingsrecht door en voor Mick den Boogert, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht deel 62, Deventer: Kluwer 2008, p. 149-151.

G. van Solinge, ‘Van wanbeleid naar aansprakelijkheid’, in: G. van Solinge e.a. (red.), Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 140, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 517-518 (hierna: Van Solinge 2017). Zie ook J.W. Winter, ‘Beoordeeld door anderen. Het werkelijke risico voor bestuurders en commissarissen’, in dezelfde bundel, p. 46.

Zie bijv. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/731 en Assink/Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1570 (hierna: Assink/Slagter 2013). Zie ook HR 23 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056, NJ 2012/393 m.nt. P. van Schilfgaarde (e-Traction), rov. 4.1.3: “Op de enquêteprocedure zijn de bepalingen van toepassing van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. Rv.”

Storm 2018, p. 70. “Nog steeds” in de aangehaalde passage lijkt een verwijzing naar F.K. Buijn & P.M. Storm, BV en NV. Het nieuwe ondernemingsrecht (Recht en Praktijk deel 23), Deventer: Kluwer 2005, p. 311 (hierna: Buijn & Storm 2005), en eerdere drukken van dat boek.

Storm 2018, p. 433. Vgl. hierover ook reeds Buijn & Storm 2005, p. 357. In gelijke zin Van Solinge 2017, p. 505.

HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 5.

Maeijer sub 4 van zijn onder HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem).

Zie bijv. ook Storm 2018 p. 433: “Wèl verschijnen heeft alleen zin als ze de door de onderzoeker(s) vastgestelde feiten met succes menen te kunnen betwisten. Ze moeten de kansen van die betwisting afwegen tegen het nadeel dat ze in andere procedures aan de door de OK vast te stellen feiten gebonden zijn.”. Zie verder Assink/Slagter 2013, p. 1819 en Van Solinge 2017 p. 495-496, in lijn met Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443.

Evenzo Assink/Slagter 2013, p. 1819 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443.

Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/89 en 256.

HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), rov. 3.3.

Vgl. bijv. HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2764, NJ 1999/117 (Friesland Bank/Kroeze), rov. 4.

Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/255: “Onzes inziens behoort dit [dat cassatieberoep openstaat, A-G] te gelden in alle gevallen waarin belanghebbenden buiten hun schuld niet eerder zijn verschenen”. Zie bijv. ook HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, NJ 2002/38 (College van B&W Ferwerderadiel en […] / […]), rov. 4.2.

Cassatieverzoekschrift sub 18.

Verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer, sub 3.

Evenzo M.W. Josephus Jitta onder 3 van zijn noot onder bestreden beschikking in JOR 2018/94.

Vgl. HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4277, NJ 1983/56 m.nt. W.H. Heemskerk. Heemskerk merkt onder 2 van zijn noot onder deze beschikking op: “Betrokkene was in de eerste instantie niet verschenen noch gehoord, maar haar klacht in cassatie was juist dat zij niet was gehoord. De HR doorbreekt deze vicieuze cirkel door een vrijmoedige interpretatie van art. 426 Rv. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep let de HR niet slechts op de formele regels, maar kent hij in dit geval een gewichtige rol toe aan de aard van de klacht die aan het cassatieberoep ten grondslag ligt. Het belang van de grief doet het cassatieberoep ontvankelijk zijn.”

Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/43.

Aldus Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/255.

Zie bijv. Th.B. ten Kate & E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechterlijke uitspraken (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 5), Deventer: Kluwer 2013, p. 197 (hierna: Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013), onder verwijzing naar Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo-Bart, p. 175 en HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1109, NJ 2006/601, rov. 3.1.

Verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer, sub 5.

HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2.

HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2.

HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3673, NJ 2001/513, rov. 3.3.

Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/258.

[verweerster 1] wijst onder 2 van haar verweerschrift, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer op de brief van de secretaris van de ondernemingskamer van 6 april 2018 waarbij de verbeteringsbeschikking werd toegezonden, met als bijlage de lijst met haar bekende adresgegevens van verzoekers, verweerster en (mogelijke) belanghebbenden, onder wie [verzoeker] . De brief vermeldt als adres van [verzoeker] : [adres 1] , België .

Zie ook Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 207-208: “[De oorspronkelijke uitspraak] is immers de inzet van de verbetering die daarvan onderdeel moet gaan uitmaken”.

Aanvullend verzoekschrift tot cassatie, sub 25 en Verweerschrift inzake beroep op niet-ontvankelijkheid, sub 8.

Verzoekschrift tot cassatie, sub 21.

HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31.

A-G Huydecoper onder 7 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2005:AU3720) voor HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31.

HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3435, NJ 2009/359, rov. 3.4.2. Zie ook nr. 2.4, met verdere verwijzingen, van de conclusie van A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2009:BI3435) voor HR 10 juli 2009.

HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, NJ 2001/167 en HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319, NJ 2003/355 m.nt. H.J. Snijders.

HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3435, NJ 2009/359, rov. 3.4.2.

Zie bijv. Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 3 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1168, ARO 2014/66, rov. 4.1: “Ingevolge artikel 283 en 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vergt wijziging van het verzoek dat alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3435

J.H. Lemstra & T. Salemink, ‘Kroniek enquêterecht 2014’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten & D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 128, Deventer: Kluwer 2015, p. 13.

Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/179: “Overeenkomstige toepassing van art. 130 lid 3 Rv op de verzoekprocedure brengt mee dat in elk geval alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw – door de griffie – dienen te worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (art. 279 Rv).” Aldus ook M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “Die regeling [van art. 130 lid 3 Rv, A-G] geldt ook voor verzoekschriftprocedures, met dien verstande dat de Hoge Raad heeft beslist dat de oproeping bij exploot door de eiser wordt vervangen door de hernieuwde oproeping door de rechter van de niet verschenen belanghebbenden met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek (…).”

HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7361, NJ 2001/167.

Zie hierover ook Snijders sub 2 van zijn noot in NJ 2003/355: “De Hoge Raad interpreteert de wettelijke uitsluiting van de bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in geval van verstek van een verweerder naar haar strekking restrictief.”

Evenzo M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “De OK had dan ook niet kunnen afgaan op de mededeling van de advocaat van [verweerster 1] op de zitting dat de nadere schriftelijke reactie ook is toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden en had deze vraag ook niet mogen stellen, maar had deze zelf moeten oproepen.”

Anders M.W. Josephus Jitta sub 3 van zijn noot onder de bestreden beschikking in JOR 2018/94: “Omdat er sprake was van niet in de procedure verschenen belanghebbenden, had de OK de vraag of van een vermeerdering van de grondslag sprake was, daarom ook niet in het midden kunnen laten. Dat lijkt mij op zichzelf een gebrek in de motivering. De beslissing of van een vermeerdering van de grondslag sprake was, had de OK moeten beslissen alvorens op basis van het veranderde verzoek de zaak te behandelen.”

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 164 en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 63 (MvT). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 165-166 en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 33 (NnavV). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 166.

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 166 en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 3 (2018).

Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 177.

Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 168. Zie bijv. ook reeds A. Knigge, ‘Herstel van kennelijke fouten in vonnissen, arresten en beschikkingen’, Advocatenblad 2000, nr. 8, p. 296 (hierna: Knigge 2000): “Herstel is mijns inziens slechts mogelijk indien voor partijen en derden niet alleen op het eerste gezicht direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is, maar bovendien op grond van de inhoud van het vonnis buiten redelijke twijfel is hoe de beslissing had moeten luiden, zonder dat nader inhoudelijk debat hierover tussen partijen noodzakelijk is”. Evenzo, met verwijzingen naar rechtspraak, P.A. Fruytier & L.V. van Gardingen, ‘De aanvulling en verbetering van uitspraken – een onderzoek naar het toepassingsbereik van art. 31 en 32 Rv’, TCR 2014, nr. 3, p. 78 (hierna: Fruytier & Van Gardingen 2014): “Zodra over de beslissing of de wijze waarop de verbetering vorm zou moeten krijgen enig debat mogelijk is, trekt de Hoge Raad – althans voor de lagere rechters – de grens.”

HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).

HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.5.

Deze uitspraak dateert van voor de codificatie van deze in de rechtspraak ontwikkelde regel van procesrecht in art. 31 Rv. De bepaling is in werking getreden per 1 januari 2002 (Stb. 2001, 621). Zie onder het oude recht verder HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1363, NJ 1994/497 (Bodair/Meijboom) en HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2656, NJ 1999/672 m.nt. H.J. Snijders (Zevenbergen/Interpolis).

HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.7. Zie hierover ook Knigge 2000, p. 294 en p. 297 en voorts Fruytier & Van Gardingen 2014, p. 78: “Die beslissing [van de Hoge Raad in Thuiszorg/Plum] is begrijpelijk. Herstel van die fout is nadelig voor een der partijen, terwijl over de vraag wat bedoeld is debat mogelijk is. De fout is dus niet ‘kennelijk’.” Vgl. in dit verband ook Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 168, onder verwijzing naar art. 794 (Belgisch) Gerechtelijk Wetboek, dat luidt als volgt: “De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen [curs. A-G].”

Zie ook Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 165 en Fruytier & Van Gardingen 2014, p. 83.

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 33 (NnavV). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 155, Knigge 2000, p. 299 en Fruytier & Van Gardingen 2014, p. 76-77.

Zie bijv. HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum), rov. 3.7: “De Rechtbank heeft voorts het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden door Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een eventuele verbetering uit te laten vóórdat zij haar vonnis verbeterde.” Zie ook Knigge 2000, p. 297-298, Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 188-190 en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 4 (2018).

“[D]at behoort dus te gebeuren”, aldus de minister in Kamerstukken II 2000/2001, 26855, nr. 16, p. 29.

Aldus Knigge 2000, p. 298. Zie ook T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 4 (2018): “Nadat partijen zich hebben uitgelaten of hebben aangegeven dat zij zich niet wensen uit te laten (…).”

Zie Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 190-191.

Vgl. bijv. Knigge 2000, p. 299, die in dit verband stelt dat overwogen zou kunnen worden om aanvulling of herstel van verstekvonnissen uit te sluiten.

Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 5 (NnavV), p. 32, onder verwijzing naar HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).

Zie ook HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3878, NJ 2000/171 (Thuiszorg/Plum).

Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 206-207, met verdere verwijzingen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature