< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG naar aanleiding van klacht over oplegging levenslange gevangenisstraf inzake de 'Drentse roofmoorden' vanwege het ontbreken van re-integratieactiviteiten gedurende de eerste 25 jaren. De Hoge Raad heeft op 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, geoordeeld dat de levenslange gevangenisstraf na de invoering in 2017 van een herbeoordelingsprocedure na 25 jaren, niet in strijd is met art. 3 EVRM. Ook gedurende de eerste 25 jaren worden resocialisatiemogelijkheden aangeboden. Volgens de AG zijn in cassatie geen nieuwe omstandigheden aangevoerd waarom daar nu anders over moet worden gedacht. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen. Samenhang met 18/01528.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 18/01539

Zitting: 19 maart 2019

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bij arrest van 15 maart 2018 wegens de feiten 1, 2 en 3, telkens primair “medeplegen van moord”, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

1.2.

Deze zaak heeft betrekking op drie levensberovingen die in de media bekend zijn geworden als ‘de Drentse roofmoorden’. Kort gezegd komen de feiten erop neer dat de verdachte en zijn broer betrokken zijn geweest bij het om het leven brengen van [slachtoffer 1] uit [woonplaats 1], die in november 2012 in het natuurgebied Dwingelderveld door een van hen is doodgeschoten (feit 1) en de dood van het echtpaar [slachtoffers] uit [woonplaats 2], dat in juli 2013 door middel van wurging om het leven is gebracht (feiten 2 en 3).

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. N. van Schaik en mr. S.D. Groen, advocaten te Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij met betrekking tot feit 1, [benadeelde 1], heeft mr. Bijl, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen met betrekking tot de feiten 2 en 3, [benadeelde 2] en [benadeelde 3], heeft mr. Korver, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

1.4.

Er bestaat samenhang met de zaak 18/01528, het cassatieberoep van de broer van de verdachte die eveneens tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep van de verdachte richt zich niet tegen de bewezenverklaring van de drie tenlastegelegde feiten of de kwalificaties die het hof daaraan heeft gegeven. In cassatie wordt door de verdachte alleen opgekomen tegen de opgelegde levenslange gevangenisstraf en de strafmotivering. Met het oog daarop geef ik eerst de strafmotivering van het hof weer.

2 Strafmotivering hof

2.1.

Ten aanzien van de straf heeft het hof het volgende overwogen:

‘’De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte. Hiertoe heeft zij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 waarin hij heeft beslist - kortweg - dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf op zichzelf met in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Gelet hierop ziet de advocaat-generaal voor de Nederlandse strafrechter geen juridische belemmering om een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf is de enige straf die recht doet aan de ernst van de feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft haar visie gegeven op de huidige regeling inzake de levenslange gevangenisstraf. In haar optiek blijft deze straf in strijd met het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM. De nieuwe regeling is een schijnconstructie, een wassen neus, en zal geen verandering brengen in de bestaande praktijk, aldus de raadsvrouw.

Daarnaast is door de verdediging betoogd dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet passend en aangewezen is. Daarbij heeft de verdediging twee alternatieven gepresenteerd: 1) oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaren gecombineerd met de maatregel tbs met verpleging van overheidswege, 2) oplegging van een gevangenisstraf van 30 jaren gecombineerd met de maatregel tbs met verpleging van overheidswege en met toepassing van artikel 37b lid 2 Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van het hof

Is de oplegging van een levenslange gevangenisstraf onder de nieuwe regeling in strijd met artikel 3 EVRM?

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 voorziet het Nederlandse recht nu in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, zodat oplegging van een levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM . Het hof wijst in het bijzonder op het Besluit Adviescollege levenslanggestraften, de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Als op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nooit wordt verkort dan zal dat bepaaldelijk een factor van betekenis zijn bij de op dat moment te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met artikel 3 EVRM . In dit licht zijn de door de raadsvrouw geschetste verwachtingen daarmee nu niet aan de orde.

Motivering oplegging straf

Het hof zal die levenslange gevangenisstraf opleggen aan verdachte.

Verdachte heeft zich op 4 november 2012 en 25 juli 2013 samen met zijn medeverdachte, zijn één jaar jongere broer, aan drie moorden schuldig gemaakt. Telkens waren de slachtoffers nietsvermoedende burgers die als gevolg van het handelen van verdachten in hun zoektocht naar geld het leven moesten laten.

Op 4 november 2012 hebben verdachte en zijn medeverdachte het 55-jarige slachtoffer [slachtoffer 1], die op een zondagmiddag met zijn twee hondjes door de bossen van het Dwingelderveld liep, doodgeschoten en vervolgens beroofd. Een kans om zijn spullen zelf af te geven kreeg [slachtoffer 1] niet. De verdachten hebben hem opgewacht en er is gericht op [slachtoffer 1] geschoten. De kogels hebben het slachtoffer dodelijk verwond. Nog voordat [slachtoffer 1] een tweede keer zijn pincode kon noemen is hij aan zijn verwondingen bezweken. Een zoektocht naar [slachtoffer 1] werd [door] familie en vrienden opgestart. Het door verdachten verstopte lichaam van [slachtoffer 1] werd pas drie dagen later ontdekt.

Ruim een half jaar later, op 25 juli 2013, hebben verdachte en zijn medeverdachte het echtpaar [slachtoffers] in hun woning overvallen en vermoord. Na een periode van zorgvuldige voorbereiding, bestaande onder meer uit een langdurige observatie van de woning van meerdere dagen zijn verdachten uiteindelijk in de late avond van 24 juli 2013 de woning binnengedrongen. In de woning hebben zij het echtpaar geboeid. Uren verstreken terwijl hun woning werd doorzocht. Slachtoffer [slachtoffer 2] is gedwongen geld over te maken van een spaar- naar een lopende rekening, een voicemailbericht in te spreken waarin hij moest meedelen dat hij vanwege vakantie afwezig was en een briefje voor de buren te schrijven waarmee de indruk moest worden gewekt dat het echtpaar enige tijd afwezig was. Uiteindelijk hebben verdachten de slachtoffers gewurgd. De schoonzoon van het echtpaar was degene die gealarmeerd door zijn vrouw naar de woning van het echtpaar ging en - samen met de politie - in de woning op bed de levenloze lichamen van zijn schoonouders aantrof. Een verschrikkelijk beeld dat op zijn netvlies staat gebrand.

Opvallend is de professionele en uitvoerige, met militaire precisie uitgevoerde, voorbereiding door verdachten. Ook bij de afwikkeling zijn verdachten op eenzelfde zeer berekenende manier te werk gegaan. Ze wisten zorgvuldig alle sporen. Ze hebben geprobeerd om familieleden en vrienden op het verkeerde been te zetten door de woning en de lichamen op een dusdanige manier achter te laten dat het leek op zelfdoding. Ook voor de politie lieten verdachten verschillende dwaalsporen achter, zoals gestolen sigaretten en een pinbon in de woning, een peuk in de tuin en een bankpas van [slachtoffer 2] in de trein.

Door telkens de levenloze lichamen te verbergen, hun sporen zorgvuldig uit te wissen en dwaalsporen uit te zetten probeerden verdachten tijd te winnen om geld te kunnen pinnen en het onderzoek te bemoeilijken en op die manier onder de consequenties van hun handelen uit te komen. Uit de afgeluisterde OVC-gesprekken volgt ook dat de broers dachten en hoopten dat hun daderschap onopgemerkt zou blijven. Uit die gesprekken blijkt daarnaast dat hun hang naar geld, rijk worden, nog onverminderd aanwezig was. Verdachten waren zelfs al bezig met het plannen van een volgende actie. Er waren concrete plannen om in een ‘groot mooi huis in het bos’ elders, gevonden via Google Earth, exact hetzelfde als in [woonplaats 2] te doen.

Illustratief voor de kille handelwijze van de verdachten zijn de gesprekken tussen de broers waaruit blijkt dat men leert van gemaakte fouten en afspreekt het in de toekomst beter te doen. Afgesproken wordt om de volgende actie net zo uit te voeren als de vorige keer, alleen zullen zij het lijk dan ook nog verstoppen. Het moet ‘vlekkeloos’ gaan.

Het hof is van oordeel dat sprake is van buitengewoon ernstige feiten. Verdachte heeft samen met zijn broer drie mensen het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven. Het gemak waarmee verdachten in hun zoektocht naar financieel gewin meedogenloos hun slachtoffers hebben gedood is schokkend.

De ernst en de impact van de feiten is ook in hoger beroep geïllustreerd door nabestaanden van de slachtoffers. Het verlies van [slachtoffer 1] en het echtpaar [slachtoffers] heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed en immens verdriet veroorzaakt, zoals treffend is verwoord in hun slachtofferverklaringen. De gevolgen voor de nabestaanden zijn diepingrijpend en nog dagelijks voelbaar.

De laatste uren van hun leven heeft het echtpaar [slachtoffers] in angst moeten doorbrengen. De nabestaanden moeten ook leven met de wetenschap dat [slachtoffer 3] voordat zij stierf heeft moeten meemaken, na uren van gijzeling, dat haar man vermoord werd.

Naast de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig wordt geschokt. Verdachten hebben nietsvermoedende slachtoffers in koelen bloede vermoord. De redenen die verdachten hebben aangegeven om juist deze mensen tot slachtoffer te maken (een mooie auto, thuis-zijn of een huisnummer) zijn zo triviaal dat daardoor grote gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving worden veroorzaakt.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte een langdurige gevangenisstraf oplegt in combinatie met terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft ook kennisgenomen van een op verdachtes naam gesteld uittreksel Justitiële Documentatie van 25 januari 2018 en de omtrent verdachte opgemaakte rapportages. Hoewel uit deze rapporten volgt dat er sprake is van een bepaalde mate van psychische problematiek bij verdachte, zal het hof niet de door de verdediging voorgestelde maatregel, naast een tijdelijke gevangenisstraf, opleggen.

Los van de kwestie dat de deskundigen vanwege de beperkte mate van de problematiek geen gedragskundige basis voor een TBS advies zien en geen van de deskundigen een terbeschikkingstelling adviseert, is het hof van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten te ernstig zijn voor de door de verdediging voorgestelde bestraffing.

Een tijdelijke gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst en de veelheid van de feiten. Al het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat het hof geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan de levenslange. Alleen deze straf kan leiden tot adequate vergelding van het leed dat verdachte zijn slachtoffers en hun nabestaanden heeft aangedaan en tot vereffening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten de rechtsorde heeft toegebracht. Daarbij komt dat effectieve bescherming van de samenleving tegen verdachte, die meent te kunnen beschikken over leven en dood van anderen, oplegging van de langst mogelijke gevangenisstraf noodzakelijk maakt. Ook in het algemeen geldt dat het hof met de bestraffing van verdachte beoogt eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof - zoals hiervoor reeds is vermeld - van oordeel is dat een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd.’’

3 Het eerste middel van de verdachte

3.1.

Het eerste middel van de verdachte is gericht tegen de oplegde levenslange gevangenisstraf. Gesteld wordt dat het huidige beleid ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM, mede gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. Het middel wordt toegelicht aan de hand van drie aspecten, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien, maar die ik in de hierna volgende bespreking aanmerk als deelklachten. Het gaat daarbij om:

a) het niet-aanbieden van re-integratieactiviteiten in de eerste 25 jaar waarbij onder meer wordt gewezen op de brief van de staatssecretaris van 15 februari 2017 en hetgeen in de literatuur is geschreven naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017;

b) het ontbreken van een individueel toezicht- en/of controlesysteem gedurende de eerste 25 jaar;

c) het ontbreken van concrete regelgeving omtrent periodieke herbeoordeling.

3.2.

De stellers van het middel bespreken in de schriftuur de ontwikkelingen die gedurende de behandeling van onderhavige zaak bij de rechtbank en bij het hof hebben plaatsgevonden ten aanzien van de vraag of de wijze waarop de levenslange gevangenisstraf in Nederland wordt opgelegd en ten uitvoer wordt gelegd in strijd is met art. 3 EVRM. Deze ontwikkelingen zijn door anderen reeds uitvoerig besproken en ik zal hier volstaan met een beschrijving in een notendop.

3.3.

In Nederland is de afgelopen jaren in de literatuur, de jurisprudentie en de politiek veel discussie geweest over de vraag of het in Nederland geldende uitgangspunt dat “levenslang ook levenslang is” in strijd is met het verbod van onmenselijke bestraffing in art. 3 EVRM. Met name naar aanleiding van jurisprudentie van het EHRM en daarop volgende rechtspraak van de Hoge Raad is er een koerswijziging tot stand gebracht, met dien verstande dat er is voorzien in een procedure waarbij na 25 jaren beoordeeld wordt of de levenslang gestrafte in aanmerking kan komen voor invrijheidsstelling door middel van gratiëring. Daartoe is door de minister een Adviescollege levenslanggestraften ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2017 geoordeeld dat het stelsel dat thans geldt met betrekking tot een herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, niet in strijd is met art. 3 EVRM.

3.4.

Het middel borduurt vooral voort op de kritiek die op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 is gekomen. Daarom zal ik hieronder eerst de relevante overwegingen uit dit arrest weergeven:

‘’3.2. Ter beoordeling staat of het Nederlandse recht thans voorziet in een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Daarbij staat de vraag centraal of die mogelijkheid tot herbeoordeling in het algemeen beschouwd van zodanige aard is dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met art. 3 EVRM kan plaatsvinden.

3.3.

Voor de beoordeling van het middel is, naast het in het tussenarrest onder 2 weergegeven juridische kader, ook de navolgende, recent tot stand gebrachte regelgeving van belang.

Op 1 maart 2017 is het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna: Besluit ACL) in werking getreden. Per 1 juni 2017 is dit besluit gewijzigd. Het Besluit ACL voorziet in een regeling ter zake van de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van zogeheten re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, mede met het oog op eventuele gratieverlening. Deze advisering geschiedt door het Adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Adviescollege).

Mede in verband met de totstandkoming van het Besluit ACL zijn met ingang van 1 september 2017 wijzigingen aangebracht in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, die betrekking hebben op de vaststelling van het detentie- en re-integratieplan voor levenslanggestraften alsmede het plaatsen van levenslanggestraften in het Pieter Baan Centrum ten behoeve van onderzoek. Voorts is de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting met ingang van diezelfde datum aangepast in verband met de regeling van het re-integratieverlof voor levenslanggestraften.

3.4.

Op grond van de onder 3.3 genoemde regelgeving vindt de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf – op hoofdlijnen weergegeven – plaats op de navolgende wijze.

a. In alle gevallen waarin een levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is opgelegd, wordt 25 jaar na aanvang van de detentie – te rekenen vanaf het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd – een (eerste) advies uitgebracht door het Adviescollege. Dit advies richt zich op de vraag voor welke re-integratieactiviteiten, als bedoeld in art. 1, aanhef en onder f, Besluit ACL, een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde in aanmerking komt.

b. Uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het uitbrengen van het onder a. genoemde advies wordt de veroordeelde – tenzij hij daaraan geen medewerking wil verlenen – geplaatst in het Pieter Baan Centrum ten behoeve van een onderzoek gericht op risicoanalyse, delictgevaarlijkheid en persoonlijkheidsontwikkeling.

c. Alvorens het Adviescollege overgaat tot het uitbrengen van het onder a. genoemde advies, hoort het de veroordeelde alsmede de nabestaanden en slachtoffers. Het Adviescollege wordt voorzien van de in art. 5, tweede lid, Besluit ACL genoemde informatie, waaronder het penitentiair dossier en in voorkomend geval het verpleegdossier, terwijl het beschikt over bevoegdheden met betrekking tot het inwinnen van informatie en het zich verschaffen van bijstand van deskundigen. De rapportage betreffende het onder b. genoemde, in het Pieter Baan Centrum verrichte onderzoek wordt, indien beschikbaar, aan het Adviescollege toegezonden. Bij zijn advisering hanteert het Adviescollege de in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria: het recidiverisico; de delictgevaarlijkheid; het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie; de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.

d. Op grond van het advies van het Adviescollege neemt de minister overeenkomstig art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten. Indien het Adviescollege tot een negatief advies komt, beslist de minister dienovereenkomstig. Bij een positief advies van het Adviescollege kan de minister gemotiveerd een andere beslissing nemen.

e. Indien de minister beslist tot het aanbieden van re-integratieactiviteiten, worden in het detentie- en re-integratieplan als bedoeld in art. 1c Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden de re-integratieactiviteiten opgenomen waarvoor de veroordeelde in aanmerking komt. Dit zogeheten re-integratieplan is gericht op het geleidelijk toestaan van meer vrijheden aan de veroordeelde teneinde hem in staat te stellen te werken aan de voorbereiding op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving. Het gaat daarbij blijkens de toelichting in het bijzonder om de ondersteuning van de veroordeelde ter zake van "een geldig identiteitsbewijs, onderdak direct na ontslag uit detentie, inkomen uit werk of een (tijdelijke) uitkering om na ontslag uit detentie in het eerste levensonderhoud te kunnen voorzien en indien arbeid niet beschikbaar is een vorm van dagbesteding, inzicht in schuldenproblematiek en het realiseren van (continuïteit van) zorg en een zorgverzekering ". Onderdeel van de re-integratieactiviteiten kan ook het verlenen van verlof zijn. Het betreft daarbij het zogeheten re-integratieverlof, dat is geregeld in art. 20d Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting.

f. Ongeacht de strekking van het onder a. genoemde advies bepaalt het Adviescollege op de voet van art. 4, zesde lid, Besluit ACL bij het uitbrengen van dat advies binnen welke termijn het Adviescollege een vervolgadvies zal uitbrengen. Op diezelfde grondslag kan het Adviescollege zo nodig herhaaldelijk bepalen dat een vervolgadvies zal worden uitgebracht. Deze vervolgadviezen zijn van belang voor de nadere besluitvorming door de minister, op de voet van art. 7 Besluit ACL, omtrent het (alsnog) aanbieden van re-integratieactiviteiten.

g. Uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie wordt de mogelijkheid tot gratieverlening ambtshalve beoordeeld overeenkomstig de in art. 19 Gratiewet vastgelegde procedure. Daarnaast kan de mogelijkheid van gratie worden beoordeeld op grond van een daartoe strekkend verzoek dat door de veroordeelde wordt ingediend. In verband met de beoordeling, ambtshalve of op verzoek, van de mogelijkheid van gratie kan het Adviescollege de minister informeren over de voortgang van de resocialisatie- en re-integratieactiviteiten van de veroordeelde. Voorafgaand aan de beslissing omtrent gratieverlening worden voorts – zowel in geval van ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening als wanneer wordt beslist op een gratieverzoek – de adviezen ingewonnen van het openbaar ministerie en het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Het advies van dat gerecht is met redenen omkleed. Aangenomen moet worden dat de minister voorafgaand aan de beslissing omtrent gratieverlening de veroordeelde hoort en voorts alle inlichtingen inwint die voor de beoordeling van belang zijn.

3.5.1.

Met het oog op de beantwoording van de vraag of het onder 3.4 geschetste stelsel van herbeoordeling, mede gelet op de na de onherroepelijke oplegging van de levenslange gevangenisstraf beschikbare mogelijkheden tot toetsing in de fase van tenuitvoerlegging van die straf, voldoet aan de eisen die op grond van art. 3 EVRM moeten worden gesteld, is in het bijzonder het navolgende van belang.

3.5.2.

Op grond van de rechtspraak van het EHRM heeft als uitgangspunt te gelden dat de (eerste) herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden. Daarmee is niet onverenigbaar dat art. 4, derde lid, Besluit ACL bepaalt dat de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie geschiedt, in aanmerking genomen dat blijkens art. 1, aanhef en sub g, Besluit ACL die termijn reeds aanvangt op het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd. Voorts is de veroordeelde op grond van de Gratiewet te allen tijde bevoegd een verzoek tot gratie in te dienen. Indien een gratieverzoek ter zake van een levenslange gevangenisstraf wordt ingediend na ommekomst van de genoemde termijn van 27 jaar, is het Adviescollege belast met de taak om de minister te informeren over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten.

3.5.3.

Bij de herbeoordeling moet, gelet op de eisen die art. 3 EVRM stelt, de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. De algemene maatstaf die – voor zover hier relevant – op grond van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet wordt aangelegd, houdt in of het aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Met het oog op de toepassing van die maatstaf is van belang dat, in de onder 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling, de beslissing omtrent gratie onlosmakelijk is verbonden met de advisering door het Adviescollege omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten, waarbij deze advisering als "het voortraject van de gratieprocedure" is te beschouwen.

De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening. Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.

3.5.4.

Met betrekking tot de procedurele waarborgen in verband met de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dan wel de beoordeling van een gratieverzoek is het navolgende van belang.

Nadat door het Adviescollege advies is uitgebracht, neemt de minister op de voet van art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het (al dan niet) aanbieden van re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden. Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.

De Gratiewet kent geen termijn waarbinnen een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van gratie wordt genomen. Indien echter niet binnen een redelijke termijn de beslissing wordt genomen ter zake van de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of op een door de veroordeelde ingediend gratieverzoek, kan de burgerlijke rechter op vordering van de veroordeelde gebieden dat binnen een daartoe gestelde termijn die beslissing wordt genomen.

Voorts voorziet de Gratiewet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. Naar ook in parlementaire stukken wordt opgemerkt, kan de veroordeelde echter in verband met die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de redenen die zijn opgegeven voor deze beslissing. Die motiveringsplicht berust, indien een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, op art. 18, tweede lid, Gratiewet. Eenzelfde verplichting tot opgaaf van redenen moet, in het licht van de rechtspraak van het EHRM, worden aangenomen indien de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling niet tot gratieverlening leidt. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het onder 3.4 sub (g) genoemde advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies – naar wordt bevestigd in de parlementaire stukken – in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening.

3.5.5.

Binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf dienen, in overeenstemming met de eisen die art. 3 EVRM stelt, voor de ommekomst van de onder 3.4 sub (a) genoemde termijn van 25 jaar aan de veroordeelde activiteiten – onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies – te worden aangeboden die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen, alsook inzicht te verkrijgen in de relevante en noodzakelijke ontwikkelingsmogelijkheden, ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving en met het oog op de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten na ommekomst van die termijn. De onder 3.3 genoemde regelingen sluiten een zodanig aanbod van activiteiten niet uit, waarbij nog van belang is dat, in verband met het aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan de veroordeelde, reeds in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragsdeskundige rapportage plaatsvindt.

De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.

3.6.

De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de onder 3.3 en 3.4 geschetste regelingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 3.5 is overwogen met betrekking tot de beoordelingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter alsmede de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.’’

3.5.

De eerste deelklacht

3.5.1.

Volgens de stellers van het middel is het thans geldende herbeoordelingsmechanisme in de praktijk in strijd met art. 3 EVRM omdat in de eerste 25 jaren van de levenslange gevangenisstraf geen re-integratieactiviteiten worden aangeboden en omdat de activiteiten die wel worden aangeboden geen “real opportunity” creëren op rehabilitatie en daarmee hoop op invrijheidsstelling.

3.5.2.

Ik vraag mij af of de verplichting tot het aanbieden van re-integratieactiviteiten gedurende de eerste 25 jaar van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, zoals die zijn gedefinieerd in art. 1 onder f van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna Besluit ACL) wel uit de jurisprudentie van het EHRM die door de steller van het middel wordt aangehaald kunnen worden afgeleid.

3.5.3.

Volgens mij speelt hier een definitieprobleem dat de helderheid van de discussie niet ten goede komt. In de schriftuur en ook de literatuur worden de termen resocialisatieactiviteiten en re-integratieactiviteiten nogal eens door elkaar gebruikt terwijl het bij het door het EHRM vereiste “prospect of rehabilitation” in de kern gaat om de vraag welke mogelijkheden de levenslanggestrafte krijgt om zich te ontwikkelen ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving.

3.5.4.

AG Machielse benoemt in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 een aantal aspecten die hieronder kunnen worden geschaard, zoals de mogelijkheden contacten te onderhouden met de buitenwereld en de straftijd op enigerlei wijze positief in te vullen en inspanningen die mogen worden gevergd om het recidiverisico te verminderen. De Hoge Raad verstaat daar in zijn arrest van 19 december 2017 arbeid, scholing en gedragsinterventies onder, ook wel resocialisatie-activiteiten genoemd en die gedurende de eerste 25 jaar dienen te worden aangeboden. De in de jurisprudentie van het EHRM genoemde termen prospects of rehabilitation omvat een breed scala aan omstandigheden die de levenslang gestrafte moeten helpen in aanmerking te komen voor een mogelijke invrijheidsstelling in de toekomst, zonder dat daarbij een precies onderscheid in te maken valt tussen resocialisatie en re-integratie zoals dat in de Nederlandse context gebeurt. Het EHRM laat de lidstaten een ruime margin of appreciation, zowel wat betreft de termijn waarbinnen een herbeoordeling dient plaats te vinden als de vorm waarin dat plaatsvindt, zolang de veroordeelde een reeële mogelijkheid wordt geboden zich voor te bereiden op een terugkeer in de samenleving.

3.5.5.

Onder re-integratie activiteiten worden volgens het Besluit ACL verstaan:

“f. re-integratie activiteiten: activiteiten, inclusief verlof, die aanvullend op de resocialisatieactiviteiten de gedetineerde in staat stellen te werken aan de voorbereiding op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving;”

3.5.6.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 in de hierboven geciteerde rechtsoverweging 3.4. onder e. heeft weergegeven bestaan de re-integratie activiteiten, naast mogelijk re-integratieverlof, uit ondersteuning van de veroordeelde bij het verkrijgen van een geldig identiteitsbewijs, onderdak direct na ontslag uit detentie, inkomen uit werk of een (tijdelijke) uitkering om na ontslag uit detentie in het eerste levensonderhoud te kunnen voorzien en indien arbeid niet beschikbaar is een vorm van dagbesteding, inzicht in schuldenproblematiek en het realiseren van (continuïteit van) zorg en een zorgverzekering.

3.5.7.

Dat deze ondersteuning niet wordt aangeboden gedurende de eerste 25 jaar van de detentie lijkt mij logisch, omdat zij als het ware het sluitstuk vormt van de herbeoordelingsprocedure waarover het Adviescollege op grond van art. 7 Besluit ACL moet adviseren en deze ondersteuning bovendien naar zijn aard verbonden is met het verlaten van de inrichting. Dat de levenslanggestrafte ook gedurende de eerste 25 jaar van zijn detentie de inrichting moet kunnen verlaten kan niet aan de jurisprudentie van het EHRM worden ontleend. Voor zover in de toelichting op de klacht gesteld wordt dat het in strijd is met art. 3 EVRM deze re-integratieactiviteiten niet gedurende de eerste 25 jaar van de detentie aan te bieden, kan deze klacht dan ook niet slagen.

3.5.8.

Als in het middel bedoeld wordt dat het huidige beleid, in strijd met art. 3 EVRM, niet voldoende voorziet in mogelijkheden tot resocialisatie gedurende de eerste 25 jaar van detentie, dan gaat het voorbij aan hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 hierover in rechtsoverweging 3.5.5. heeft opgemerkt. De Hoge Raad vermeldt hierin dat aan de veroordeelde activiteiten dienen te worden aangeboden onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen. De Hoge Raad stelt vast dat de herbeoordelingsregeling dergelijke activiteiten niet uitsluit en dat er ook passende medische en psychiatrische zorg moet worden aangeboden. Beslissingen dienaangaande kunnen getoetst worden in het kader van de beklag- en beroepsregeling van de Penitentiaire beginselenwet, waarin aan de orde kan komen of het detentieverloop in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt.

3.5.9.

Voor de onderbouwing van de klacht dat de Nederlandse overheid niet voldoet aan zijn inspanningsverplichting om gedurende de eerste 25 jaar de levenslanggestrafte in staat te stellen zich te rehabiliteren en in dat verband ook adequate psychologische en/of psychiatrische zorg dient aan te bieden, wordt vooral gewezen op de berichtgeving van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de daarop uitgeoefende kritiek, die grotendeels is geuit voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017. In de schriftuur worden geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hetgeen de Hoge Raad in dat arrest over de resocialisatie-activiteiten en psychiatrische zorg heeft opgemerkt in de praktijk niet wordt uitgevoerd of dat de psychologische en/of psychiatrische zorg gedurende de eerste fase van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf tekort schiet. Evenmin kan ik in de toelichting op het middel feiten of omstandigheden ontwaren die erop wijzen dat er sinds het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 dusdanige wijzigingen zijn opgetreden dat daarmee de levenslange gevangenisstraf (toch) in strijd komt met art. 3 EVRM omdat het stelsel ‘’de facto’’ geen reëel perspectief op vrijlating biedt.

3.5.10.

In de schriftuur wordt gesteld dat al ruim vóór het eerste toetsingsmoment de mogelijkheid tot re-integratie moet worden geboden zodat er een eerdere kans op vrijlating mogelijk is, dan in de huidige regeling besloten ligt. Ik vrees echter dat door de stellers van het middel wat dit betreft méér in de Straatsburgse jurisprudentie wordt ingelezen, dan daaruit kan worden afgeleid.

3.5.11.

Dat het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 door onder anderen Van Hattum en Claessen van kritische kanttekeningen is voorzien en dat de wijze waarop levenslang gestraften worden bejegend (veel) beter zou kunnen worden georganiseerd – een streven dat ik persoonlijk overigens steun – betekent nog niet dat het huidige stelsel niet aan de vereisten van art. 3 EVRM voldoet. Zo ziet Claessen alleen mogelijke strijd van de huidige regeling met art. 3 EVRM, voor zover de regeling (geen) garanties biedt, in de vorm van inspanningsverplichtingen van de overheid, zodat al voorafgaand aan de eerste herbeoordeling zodanige volwaardige rehabilitatie van de levenslanggestrafte mogelijk wordt gemaakt dat hij bij die eerste herbeoordeling een reële kans maakt in vrijheid te worden gesteld. Ik vraag mij echter af in hoeverre nu al kan worden vastgesteld dat de huidige regeling deze garanties op een reële kans niet biedt. Wat dit betreft heeft de Hoge Raad terecht in rechtsoverweging 3.6. van zijn arrest van 19 december 2017 een slag om de arm gehouden door te overwegen dat mogelijk op enig moment kan komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder het nieuwe stelsel in de praktijk nooit wordt verkort en dat dan opnieuw de vraag op tafel ligt of de tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Naar mijn mening biedt de huidige regelgeving voldoende (procedurele) handvatten via de penitentiaire beklagprocedure en de civiele rechter, om dit aan de orde te stellen c.q. aan het licht te brengen. Het hof heeft in onderhavig geval, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, dan ook overwogen dat daarover pas kan worden geoordeeld na verloop van tijd, omdat juist de praktische toepassing van de nieuwe regeling zal uitwijzen of de beslispraktijk in overeenstemming is met de vereisten die voortvloeien uit art. 3 EVRM.

3.5.12.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de eerste deelklacht faalt.

3.6.

De tweede en derde deelklacht

3.6.1.

Geklaagd wordt ook dat gedurende de eerste 25 jaar thans een individueel toezicht- en of controle systeem ontbreekt en geen concrete regelgeving is omtrent de periodieke herbeoordeling. Ook wat deze twee klachten betreft betwijfel ik of deze eisen in de Straatsburgse jurisprudentie kunnen worden ingelezen, met dien verstande dat indien er niet is voorzien in dergelijke regelingen, dit op zichzelf al strijd met art. 3 EVRM oplevert. Het ontbreken ervan betekent immers nog niet dat in individuele gevallen wel afspraken kunnen worden gemaakt over wat de levenslanggestrafte moet doen om zich voor te bereiden op een re-integratietraject. Ook hier geldt hetgeen al in het kader van de eerste klacht is opgemerkt, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 heeft vastgesteld dat aan de veroordeelde activiteiten dienen te worden aangeboden onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen en dat er ook passende medische en psychiatrische zorg moet worden aangeboden. Beslissingen dienaangaande kunnen getoetst worden in het kader van de beklag- en beroepsregeling van de Penitentiaire beginselenwet, waarin aan de orde kan komen of het detentieverloop in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt.

3.6.2.

In de klacht wordt niet overtuigend onderbouwd dat de gestelde voorwaarden waarin het toetsingskader van het huidige stelsel voorziet, niet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit art. 3 EVRM.

3.6.3.

In dit verband wil ik nog wijzen op een recent arrest van het EHRM van 12 maart 2019 in de zaak Petukhov tegen de Oekraïne, waarin onder andere de klacht voorlag dat de levenslange gevangenisstraf waartoe Petukhov veroordeeld was noch de jure noch de facto bekort kan worden.

3.6.4.

In de Oekraïne geldt sinds 2000 een met Nederland vergelijkbaar stelsel waarbij door gratiëring (presidential clemency) omzetting van de levenslange naar een tijdelijke gevangenisstraf mogelijk is na 20 jaar. Daartoe zijn zogenaamde Clemency Procedure Regulations in het leven geroepen en een Clemency Commission, die de aanvragen van levenslanggestraften in dat kader onderzoekt.

3.6.5.

Bij het EHRM wordt geklaagd dat de regeling onvoldoende helder en voorzienbaar is. Zo is het onder meer niet duidelijk vanaf welk moment de 20-jaartermijn moet worden berekend, vanaf het begin van de detentie, of vanaf het moment van de aanvraag. Dat maakt nogal wat uit. In het laatste geval zou dat kunnen betekenen dat de 25 jaarstermijn die uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid aanzienlijk wordt verlengd, namelijk met de tijd die de betrokkene reeds in gevangenschap heeft doorgebracht.

Daarnaast is aangevoerd dat de Clemency Commission niet zodanig is samengesteld dat deze in staat is tot een professioneel onderzoek van de aanvraag, de criteria die gelden om voor clemency in aanmerking te komen vaag zijn geformuleerd en noch de Clemency Commission noch de president een beslissing aangaande een aanvraag hoeft te motiveren. Tot slot is het niet mogelijk de beslissing op een aanvraag door een rechter te laten toetsen.

3.6.6.

Het EHRM refereert in paragraaf 168 van zijn arrest naar de algemene uitgangspunten die het EHRM in de Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk heeft geformuleerd. Ik zal deze voor het lezersgemak hieronder citeren:

‘’(a) General principles laid down in the Court’s case-law

168. The general principles established in the Court’s case-law on life sentences have been summarised, quite recently, in Hutchinson v. the United Kingdom ([GC], no. 57592/08, §§ 42-45, 17 January 2017) and read as follows:

“42. The relevant principles, and the conclusions to be drawn from them, are set out at length in the Vinter judgment (cited above, §§ 103-122; recently summarised in Murray v. the Netherlands [GC], no. 10511/10, §§ 99-100, ECHR 2016). The Convention does not prohibit the imposition of a life sentence on those convicted of especially serious crimes, such as murder. Yet to be compatible with Article 3 such a sentence must be reducible de jure and de facto, meaning that there must be both a prospect of release for the prisoner and a possibility of review. The basis of such review must extend to assessing whether there are legitimate penological grounds for the continuing incarceration of the prisoner. These grounds include punishment, deterrence, public protection and rehabilitation. The balance between them is not necessarily static and may shift in the course of a sentence, so that the primary justification for detention at the outset may not be so after a lengthy period of service of sentence. The importance of the ground of rehabilitation is underlined, since it is here that the emphasis of European penal policy now lies, as reflected in the practice of the Contracting States, in the relevant standards adopted by the Council of Europe, and in the relevant international materials (Vinter and Others, cited above, §§ 59-81).

43. As recently stated by the Court, in the context of Article 8 of the Convention, ‘emphasis on rehabilitation and reintegration has become a mandatory factor that the member States need to take into account in designing their penal policies’ (Khoroshenko v. Russia [GC], no. 41418/04, § 121, ECHR 2015; see also the cases referred to in Murray, cited above, § 102). Similar considerations apply under Article 3, given that respect for human dignity requires prison authorities to strive towards a life sentenced prisoner’s rehabilitation (see Murray, cited above, §§ 103-104). It follows that the requisite review must take account of the progress that the prisoner has made towards rehabilitation, assessing whether such progress has been so significant that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds (Vinter and Others, cited above, §§ 113-116). A review limited to compassionate grounds is therefore insufficient (ibid., § 127).

44. The criteria and conditions laid down in domestic law that pertain to the review must have a sufficient degree of clarity and certainty, and also reflect the relevant case-law of the Court. Certainty in this area is not only a general requirement of the rule of law but also underpins the process of rehabilitation which risks being impeded if the procedure of sentence review and the prospects of release are unclear or uncertain. Therefore prisoners who receive a whole life sentence are entitled to know from the outset what they must do in order to be considered for release and under what conditions. This includes when a review of sentence will take place or may be sought (Vinter and Others, cited above, § 122). In this respect the Court has noted clear support in the relevant comparative and international materials for a review taking place no later than twenty-five years after the imposition of sentence, with periodic reviews thereafter (ibid., §§ 68, 118, 119 and 120). It has however also indicated that this is an issue coming within the margin of appreciation that must be accorded to Contracting States in the matters of criminal justice and sentencing (ibid., §§ 104, 105 and 120).

45. As for the nature of the review, the Court has emphasised that it is not its task to prescribe whether it should be judicial or executive, having regard to the margin of appreciation that must be accorded to Contracting States (Vinter and Others, cited above, § 120). It is therefore for each State to determine whether the review of sentence is conducted by the executive or the judiciary.”

3.6.7.

Bij de toepassing van de hiervoor gemelde uitgangspunten op de zaak zelf overweegt het EHRM onder andere het volgende:

172. The Court notes that the procedure for dealing with requests for clemency is set out in the Clemency Procedure Regulations, approved by a presidential decree to that effect. Among the considerations to be taken into account during the examination of a request for clemency, the regulations refer to “the seriousness of the committed crime, the duration of the sentence already served, the character of the convict, his or her behaviour, the existence of sincere repentance, compensation for or redress of the damage caused, as well as family-related and other circumstances” (…)

173. In the Court’s opinion, the above considerations provide some guidance as to the criteria and conditions for review of a life sentence and could be construed as referring to legitimate penological grounds for the continuing incarceration of prisoners (see and compare with Bodein v. France, no. 40014/10, § 60, 13 November 2014, Murray v. the Netherlands [GC], no. 10511/10, § 100, 26 April 2016, as well as Harakchiev and Tolumov v. Bulgaria, nos. 15018/11 and 61199/12, § 258, ECHR 2014 (extracts), and the Court’s further analysis in Hutchinson, cited above, § 61). It is noteworthy, however, that those considerations are applicable in the context of a broader restriction. Namely, the Clemency Procedure Regulations state that “persons convicted for serious or particularly serious crimes, or having two or more criminal records in respect of the commission of premeditated crimes ... may be granted clemency in exceptional cases and subject to extraordinary circumstances” (see paragraph 86 above). All life prisoners clearly fall within this category (see paragraph 76 above). It is not known what is meant by “exceptional cases” and “extraordinary circumstances”, and there is nothing to suggest that the penological grounds for keeping someone in prison are of relevance for the interpretation of those notions under the legal frameworks as they presently stand in Ukraine.

174. In other words, prisoners who receive a whole life sentence do not know from the outset what they must do in order to be considered for release and under what conditions (see Vinter and Others, cited above, § 122, and Hutchinson, also cited above, § 44).

175. The Court also takes note of the Government’s submission that as of April 2016 there were no life prisoners in Ukraine eligible for presidential clemency, given that the twenty years’ “waiting” period was to be calculated from 2000 when life imprisonment had been introduced in Ukraine and would therefore not expire until 2020 (see paragraph 166 above). However, according to the information provided by the head of the Clemency Department during a media briefing on 6 July 2016, by June 2016 more than seventy life prisoners had already served the required minimum of twenty years in prison and forty of them had requested presidential clemency, but their requests had been rejected (see paragraph 91 above). Such a drastic discrepancy in the authorities’ interpretation of the twenty-year “waiting” period is another indication for the Court of the lack of sufficient clarity and certainty in the applicable criteria and conditions for a life-sentence review under the presidential clemency procedure.

176. Against that background, the Court is inclined to accept the applicant’s argument that the calculation of the twenty-five years’ imprisonment replacing a life sentence as a result of presidential clemency might be open to different interpretations too.

(…)

177. The Court further observes that the procedure in Ukraine requires neither the Clemency Commission nor the President to give reasons in their decisions regarding requests for clemency. The Court has held in its case-law that transparency of a life sentence review may nonetheless be ensured by other means, such as, for example, the established requirement for the Clemency Commission to take account of the relevant case-law of international courts and other bodies on the interpretation and application of international human rights in force in respect of the State in question, and to publish activity reports on a regular basis detailing the examination of requests for clemency (see Hutchinson, cited above, § 61). No such information is made public in Ukraine, except for the general outline of the criteria relevant for the examination of requests for clemency (see paragraph 86 above), to demonstrate how, if at all, those criteria are applied in practice by the President of Ukraine.

(…)

178. The Court acknowledges that having regard to the margin of appreciation which must be accorded to Contracting States in matters of criminal justice and sentencing, it is not its task to prescribe the form (executive or judicial) such a review should take (see paragraph 168 above). It nevertheless considers that in order to guarantee proper consideration of the changes and the progress towards rehabilitation made by a life prisoner, however significant they might be, the review should entail either the executive giving reasons or a judicial review, so that even the appearance of arbitrariness is avoided (see Matiošaitis and Others, cited above, § 181, with further case-law references).

179. In the present case the absence of an obligation on the President of Ukraine and his subordinate authorities to give reasons in their decisions on clemency requests is further aggravated by the lack of any judicial review of those decisions. In such circumstances, the exercise by life prisoners of their right to a review of their life sentence by way of presidential clemency cannot be regarded as surrounded by sufficient procedural guarantees (see Murray, cited above, § 100).

180. Therefore, in the light of the above considerations, the Court considers that in Ukraine the presidential power of clemency is a modern-day equivalent of the royal prerogative of mercy, based on the principle of humanity, rather than a mechanism, based on penological grounds and with adequate procedural safeguards, for review of a prisoner’s situation so that the adjustment of his or her life sentence could be obtained (see and compare with Matiošaitis and Others, cited above, § 173).

181. The Court also reiterates that European penal policy currently places emphasis on the rehabilitative aim of imprisonment, even in the case of life prisoners (see, for example, Matiošaitis and Others, cited above, § 163). Life prisoners are to be provided with an opportunity to rehabilitate themselves. As to the extent of any obligations incumbent on States in this regard, the Court considers that even though States are not responsible for achieving the rehabilitation of life prisoners, they nevertheless have a duty to make it possible for such prisoners to rehabilitate themselves. Were it otherwise, a life prisoner could in effect be denied the possibility of rehabilitation, with the consequence that the review required for a life sentence to be reducible, in which a life prisoner’s progress towards rehabilitation is to be assessed, might never be genuinely capable of leading to the commutation, remission or termination of the life sentence or to the conditional release of the prisoner. The obligation to offer a possibility of rehabilitation is to be seen as an obligation of means, not one of result. However, it entails a positive obligation to secure prison regimes to life prisoners which are compatible with the aim of rehabilitation and enable such prisoners to make progress towards their rehabilitation In this context the Court has previously held that such an obligation exists in situations where it is the prison regime or the conditions of detention which obstruct rehabilitation (see Murray, cited above, § 104, with further references). [onderstreping AG TS].

182. The Court notes that life prisoners in Ukraine are segregated from other prisoners and spend up to twenty-three hours per day in their cells, which are usually double or triple occupancy, with little in terms of organised activities and association (see paragraphs 83 and 107 above). The Government have failed to explain how a prisoner can progress towards rehabilitation in such conditions.

183. The Court also notes that the Government’s observations in the present case did not even mention the issue of social rehabilitation for life prisoners.

184. Consequently, the Court cannot but conclude that the existing regime for life prisoners in Ukraine is incompatible with the aim of rehabilitation. (…)’’

3.6.8.

Het EHRM komt, na te hebben overwogen dat er ook geen gegevens beschikbaar zijn dat er daadwerkelijk levenslanggestraften in aanmerking zijn gekomen voor verkorting van hun straf, tot een schending van art. 3 EVRM.

3.6.9.

Deze zaak biedt inzicht in hoe het EHRM de criteria, die laatstelijk in de zaak Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk zijn geformuleerd, toepast. Daar waar het gaat om voorzienbaarheid en helderheid van de procedure, het vereiste om beslissingen die betrekking hebben op het voortduren of bekorten van een levenslange gevangenisstraf te motiveren, de vereisten die aan een detentieregime kunnen worden gesteld waarin de levenslanggestrafte zich bevindt, en de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, kunnen aan deze uitspraak naar mijn mening geen argumenten worden ontleend dat de Nederlandse regeling in strijd zou zijn met art. 3 EVRM. De Nederlandse regeling voldoet, althans op papier en dus de jure, aan de vereisten die kunnen worden afgeleid uit de toetsing van het EHRM in de zaak Petukhov tegen de Oekraïne. Of dat ook de facto het geval is, zal zoals hiervoor al is opgemerkt nog moeten blijken. Ik meen dat het te vroeg is om hierover al een oordeel te vellen.

3.6.10.

Ook de tweede en derde deelklacht falen.

3.7.

Het eerste middel faalt.

4 Het tweede middel van de verdachte

4.1.

Het tweede middel komt op tegen de strafmotivering en bevat twee deelklachten.

4.2.

De eerste deelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dan aan de verdachte de combinatie van een tijdelijke gevangenisstraf en de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd dient te worden, zonder daarbij acht te hebben geslagen op de contra-rapportages waarop de verdediging haar standpunt heeft gebaseerd. In elk geval is het oordeel van het hof onbegrijpelijk doordat het hof heeft overwogen dat de deskundigen geen basis zien voor een tbs-advies en geen van de deskundigen een terbeschikkingstelling adviseert terwijl uit de contra-rapportages een advies tot tbs met dwangverpleging volgt.

4.3.

De tweede deelklacht houdt in dat het hof nader had moeten motiveren waarom de effectieve bescherming van de maatschappij (tegen de verdachte) de oplegging van de levenslange gevangenisstraf noodzakelijk maakt omdat gelet op de verminderede toerekenbaarheid van de verdachte tbs bij een uitstek een maatregel is die deze bescherming kan bieden. Deze maatregel impliceert immers dat de verdachte pas zal terugkeren in de samenleving wanneer zijn geconstateerde stoornissen succesvol zijn behandeld.

4.4.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Tijdens het hoger beroep is blijkens de pleitnotities zeer uitvoerig en gedetailleerd ingegaan op de op te leggen straf en/of maatregel. Daarbij zijn uitgebreid de rapportages van zowel het Pieterbaancentrum (PBC) als de contra-rapportages van de militair deskundigen Van Casteren en Ligthart, alsmede twee deskundigen van het NIFP ’s-Hertogenbosch, Van Gestel en Vermetten, besproken. Deze deskundigen zagen anders dan het PBC, wel ruimte voor de maatregel van tbs (met dwangverpleging).

4.5.

In dat verband stel ik het volgende voorop. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste (dat wil zeggen meest passende) straf of maatregel is opgelegd en ook niet of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft. In cassatie kan dus niet worden gewogen of de opgelegde straf of maatregel werkelijk gedragen wordt door de opgegeven factoren. Kort samengevat heeft de rechter een ruime straftoemetingsvrijheid, mits hij binnen de door de wet aan de straf gestelde grenzen blijft, de redenen opgeeft die hebben geleid tot de opgelegde straf of maatregel (art. 359 Sv) en de opgelegde straf geen verbazing wekt.

4.6.

Gelet op de hierboven onder 2.1. weergegeven uitvoerige overwegingen van het hof acht ik de strafoplegging dan ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Integendeel. Het hof heeft bijvoorbeeld een aantal factoren, zoals de buitengewone ernst van de feiten, de wijze waarop de verdachte handelde en zijn motieven, benoemd en toegelicht. Daarnaast is het hof uitvoerig ingegaan op de volgens het hof relevante strafdoelen van vergelding, bescherming van de maatschappij en generale preventie die tot de oplegging van de levenslange gevangenisstraf hebben geleid. De klacht dat het hof nader had moeten motiveren waarom een effectieve bescherming van de maatschappij tegen de verdachte de oplegging van de levenslange gevangenisstraf noodzakelijk maakt, faalt daarmee. Het hof heeft de oplegging van de levenslange gevangenisstraf immers niet alleen gebaseerd op het strafdoel van bescherming van de maatschappij maar bijvoorbeeld ook (en primair) op het strafdoel van vergelding en in mindere mate generale preventie. Mede gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid van de rechter, het gegeven dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de meest passende straf is opgelegd en kan worden gewogen of de opgelegde straf werkelijk gedragen wordt door de opgegeven factoren, was het hof dus niet gehouden tot een nadere motivering.

4.7.

Ook de klacht dat het hof geen acht heeft geslagen op de door de verdediging aangevoerde contra-rapportage waarin tbs is geadviseerd of dat het oordeel van het hof in elk geval onbegrijpelijk is omdat het ten onrechte stelt dat geen van de deskundigen tbs heeft geadviseerd, is tevergeefs voorgesteld. Uit de overwegingen van het hof blijkt immers dat dat deze overwegingen ten aanzien van het niet opleggen van de tbs-maatregel ten overvloede zijn gegeven omdat het hof de feiten te ernstig vindt voor de daarvoor vereiste oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf:

‘’(…) Los van de kwestie dat de deskundigen vanwege de beperkte mate van de problematiek geen gedragskundige basis voor een TBS advies zien en geen van de deskundigen een terbeschikkingstelling adviseert, is het hof van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten te ernstig zijn voor de door de verdediging voorgestelde bestraffing.(…)’’

4.8.

De strafoplegging is ook zonder de gewraakte overwegingen en in het licht wat door de verdediging verder nog is aangevoerd niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de straf evenmin, waarbij ik mede in aanmerking neem dat de opgelegde straf zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitgebreid aan de orde is geweest.

4.9.

Het tweede middel faalt.

5 De middelen van de benadeelde partij met betrekking tot feit 1

5.1.

Zowel het eerste als het tweede middel van de benadeelde partij met betrekking tot feit 1 komen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering benadeelde partij, voor zover het gemaakte reiskosten betreft. Dat maakt dat zij zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Het volgende is hierbij van belang.

5.2.

De benadeelde partij heeft een bedrag van totaal 21.850,87 euro aan materiële schade gevorderd. Een deel daarvan, 1.067,87 euro, ziet op reiskosten. Het hof heeft met betrekking tot de vordering, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.850,87, bestaande uit € 20.640,- ter zake van gederfd levensonderhoud, € 1.067,87 ter zake van reiskosten en € 143 - voor de eigen bijdrage aan benadeeldes rechtsbijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij de vervangende hechtenis is vastgesteld op 1 dag. De benadeelde partij heeft zich eveneens opnieuw gevoegd.

De raadsman heeft zich bij pleidooi gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot deze vordering.

De benadeelde partij vordert een vergoeding voor:

- materiële schade

a) kosten voor gederfd levensonderhoud (€ 20.640,-)

b) reiskosten (€ 1.067,87)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 20.640,-. De vordering is ook niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering, voor zover het de reiskosten betreft, anders dan ten behoeve van het bijwonen van de zittingen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(…)

- proceskosten

a) de kosten voor de eigen bijdrage aan juridische bijstand ad € 143,-.

b) reiskosten voor het bijwonen van zittingen.

Het hof acht een vergoeding van de gemaakte reiskosten betrekking hebbend op het bijwonen van de zittingen redelijk. Deze vordering is niet inhoudelijk bestreden. Het hof stelt de schade vast op een bedrag ex aequo et bono van € 400,- Het hof veroordeelt de verdachte dan ook tot betaling van deze kosten.

(…)’’

5.3.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzittingen van hoger beroep van 26 en 27 oktober 2016, p. 8, het volgende:

‘’Mr. Harteveld voert namens de benadeelde partij [benadeelde 1] het woord overeenkomstig het door haar overgelegde stuk, dat aan dit proces-verbaal is gehecht als bijlage II en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoerd.

De benadeelde partij [benadeelde 1] geeft desgevraagd aan dat hij zich aansluit bij hetgeen door zijn advocaat naar voren is gebracht.’’

5.4.

Uit het namens de benadeelde partij hierboven bedoelde overgelegde stuk, p. 2, blijkt, voor zover hier van belang, het volgende:

‘’Reiskosten

6. De moeder van cliënt heeft namens hem, reiskosten gemaakt door het feit. Dit zijn reiskosten die zien op de afwikkeling van de erfenis en nalatenschap van zijn vader, evenals op de reiskosten die cliënt heeft gemaakt ten behoeve van de strafzaak. Uit de rechtspraak volgt genoegzaam dat dergelijke kosten toewijsbaar zijn in een strafzaak, ook aan nabestaanden.’’

5.5.

Volgens het eerste middel heeft het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk geoordeeld dat de vordering, voor zover deze ziet op de gemaakte reiskosten van de moeder anders dan ten behoeve van het bijwonen van de zittingen, een onevenredige belasting oplevert van het strafproces en daardoor niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten eerste voert de steller van het middel aan dat het hof niet nader motiveert waarom dit deel van de vordering een evenredige belasting zou opleveren. In de toelichting wordt gesteld dat de reiskosten als rechtstreekse schade zijn aan te merken omdat de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde deze kosten in het kader van de afwikkeling van de erfenis en de nalatenschap van het slachtoffer heeft gemaakt. Uit rechtspraak volgt volgens de steller van het middel dat kosten die gemaakt worden in verband met de afwikkeling van de nalatenschap voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot wijst de steller van het middel erop dat de wetsgeschiedenis erop duidt dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering beslist en art. 6:97 BW aan de rechter de mogelijkheid biedt de omvang van de schade te schatten.

5.6.

Volgens het tweede voorgedragen middel heeft het hof zich daarnaast niet lijdelijk opgesteld. De vordering is niet door de verdachte betwist en het hof kon gezien de onderbouwing en toelichting van de vordering op eenvoudige wijze vaststellen dat de kosten waren gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de erfenis en nalatenschap van de benadeelde partij.

Juridisch kader

5.7.

Bij de beoordeling van de middelen is het volgende van belang. De benadeelde partij kan op grond van art. 51f lid 1 Sv vergoeding van schade vorderen die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Daarnaast biedt art. 592a Sv de benadeelde partij de mogelijkheid om vergoeding van proceskosten vorderen. Daarop dient door de rechter apart te worden beslist. Het gaat dan om bijvoorbeeld de kosten van rechtsbijstand, eigen loonderving op de dag van de zitting, de kosten van het nemen van afschriften van stukken of gemaakte reiskosten om naar de zitting te komen.

5.8.

Wat betreft het begrip benadeelde partij als bedoeld in art. 51f Sv kan ingevolge lid 1 in beginsel alleen het slachtoffer zelf een vordering tot schadevergoeding indienen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever aanvankelijk aan het begrip slachtoffer een beperkte betekenis heeft toegekend door alleen degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade heeft geleden als slachtoffer te beschouwen. Sinds 1 april 2017 vallen daar ingevolge art. 51a lid 1 onder a sub 2 Sv ook nabestaanden onder. Het begrip ‘slachtoffer’ is daarmee echter nog niet één op één gelijk te trekken met het begrip ‘benadeelde partij’. Bij het overlijden van het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit voorziet art. 51f lid 2 Sv in slechts twee mogelijkheden waarin naast het oorspronkelijke slachtoffer ook nabestaanden zich kunnen voegen als benadeelde partij in het strafproces en bepaalde kosten kunnen vorderen.

5.9.

De eerste mogelijkheid is voorzien in art. 51f lid 2 Sv in verbinding met art. 6:108 BW. Art. 6:108 BW, zoals dit ten tijde van het tenlastegelegde gold, geeft als limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden de kosten van gederfd levensonderhoud en lijkbezorging. Vanaf 1 januari 2019 voorziet het nieuwe art. 6:108 lid 3 BW daarnaast ook in vergoeding van zogenoemde immateriële schade (affectieschade). Deze limitatieve opsomming is te verklaren vanuit het uitgangspunt in het civiele recht dat in beginsel alleen de gekwetste zelf aanspraak kan maken op vergoeding van zijn (materiele en immateriële) schade. Derden hebben slechts recht op schadevergoeding voor zover de wet hen daarop uitdrukkelijk recht op geeft. Het gaat hierbij om zogenoemde verplaatste schade als bedoeld in art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW. In het kader van de strafprocedure was tot 1 januari 2019 alleen art. 6:108 BW relevant omdat art. 51f lid 2 Sv destijds alleen de nabestaanden het recht gaf zich te voegen als benadeelde partij. Sindsdien geeft art. 51f lid 2, laatste volzin, Sv in verbinding met art. 6:107 BW echter ook aan zogenaamde naasten en personen die kosten ten behoeve van het slachtoffer hebben gemaakt het recht zich te voegen als benadeelde partij indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft (maar niet is overleden).

5.10.

De tweede mogelijkheid voor een nabestaande van het slachtoffer om zich te voegen als benadeelde partij en bepaalde kosten te vorderen wordt geboden doordat een nabestaande als erfgenaam onder algemene titel een (reeds bestaande) vordering van het slachtoffer kan verkrijgen. Dit betreft dan een vordering voor schade veroorzaakt bij het (inmiddels overleden) slachtoffer waarvoor een derde (de verdachte) aansprakelijk is. Doordat deze vordering onder algemene titel overgaat op de erfgenaam treedt deze erfgenaam in de positie van de overledene en is de derde aansprakelijk voor deze schade jegens de erfgenaam.

Beoordeling van de middelen

5.11.

Allereerst merk ik op dat het hof, anders dan de steller van het middel meent, niet 400 euro van de gevorderde 1.067,87 euro aan reiskosten heeft toegewezen als rechtstreekse schade (art. 51f Sv) maar een deel van de vordering kennelijk heeft opgevat als vordering tot betaling van proceskosten als bedoeld in art. 592a Sv. Het hof heeft immers op basis van schatting (‘’ex aequo et bono’’) – en zonder nadrukkelijk verzoek van de benadeelde partij daartoe – de verdachte veroordeeld tot betaling van 400 euro aan gemaakte reiskosten door de (moeder van de) benadeelde partij ten behoeve van de strafzaak. Het resultaat in cassatie blijft echter hetzelfde, namelijk dat aan de orde is een bedrag van 667,87 euro aan gestelde reiskosten die de moeder van de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap.

5.12.

Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt kort samengevat dat de nabestaande (van het slachtoffer), als benadeelde partij, alleen vorderingen kan indienen die zien op kosten genoemd in art. 6:108 BW of vorderingen die hij als nabestaande onder algemene titel van het slachtoffer heeft verkregen. Reiskosten van de moeder van de nabestaande van het slachtoffer ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap vallen daar evident niet onder. Dat die reiskosten zijn gemaakt door de moeder in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de nabestaande, maakt dat niet anders. Deze reiskosten vallen immers niet onder de noemer ‘levensonderhoud’ of ‘lijkbezorging’ en kunnen ook niet worden aangemerkt als een (reeds bestaande) vordering die de nabestaande onder algemene titel zou hebben verkregen van het slachtoffer. Ten overvloede merk ik daarbij op dat zij ook niet als proceskosten in de zin van art. 592a Sv kunnen worden aangemerkt.

5.13.

Dat betekent dat het hof niet anders kon dan bovengenoemde gedeelte van de vordering afwijzen, wat er ook zij van het oordeel van het hof dat de behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Door de niet-ontvankelijkverklaring is de benadeelde partij in theorie zelfs beter af omdat – anders dan bij afwijzing – dit in beginsel meer ruimte biedt de vordering alsnog (succesvol) bij de civiele rechter te kunnen aanbrengen. Dat maakt dat de benadeelde partij geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn voorgedragen middelen.

5.14.

De middelen zijn vergeefs voorgesteld.

6 Het middel van de benadeelde partijen met betrekking tot feit 2

6.1.

De benadeelde partijen met betrekking tot feit 2 komen gezamenlijk met eenzelfde middel op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van hun vorderingen, voor zover het immateriële schade betreft. Het volgende is hierbij van belang.

6.2.

De benadeelde partijen hebben, naast een bedrag aan materiële schade, ieder een bedrag van totaal 35.000 euro aan immateriële schade gevorderd. Het hof heeft de gevorderde bedragen aan materiele schade toegewezen en de benadeelde partijen met betrekking tot de door hun gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’Immateriële schade.

Het hof ziet aanleiding de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding van telkens € 35.000,-, bestaande uit € 17.500,- per verloren ouder, hierna gezamenlijk te behandelen. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke bespreking wordt opgemerkt dat de verdediging de vorderingen van deze benadeelde partijen voor wat betreft de gevorderde immateriële schade uitdrukkelijk heeft betwist.

Algemene overwegingen

Het hof stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, beter bekend als het Taxibus-arrest, het volgende voorop. In het onderhavige geval is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, maar kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Gestelde grondslag

Aan de vorderingen is door de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] het verlies van hun ouders, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], ten grondslag gelegd. Het hof begrijpt hieruit dat door de benadeelden genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die zij moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan, zogenoemde affectieschade. Namens de benadeelde partijen is door hun advocaat, mr. Korver, gewezen op de Europese Richtlijn van 12 oktober 2012 (EU-Richtlijn 2012/29/EU, hierna: de Richtlijn), op grond waarvan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking zou komen. Nu de Richtlijn op uiterlijk 16 november 2015 geïmplementeerd had moeten zijn, kunnen de benadeelde partijen een rechtstreeks beroep doen op deze Richtlijn, aldus mr. Korver. Daarnaast heeft de advocaat gewezen op het wetsvoorstel vergoeding van affectieschade (nr. 34.257). Hoewel het slechts een wetsvoorstel betreft wordt namens de benadeelden gesteld dat reeds thans vergoeding van immateriële schade in het strafproces op grond hiervan toewijsbaar is. Hiermee samenhangend heeft de advocaat bepleit dat de benadeelden op grond van artikel 8 EVRM bovendien een zelfstandig recht op schadevergoeding zou toekomen wegens een schending van het in dit artikel neergelegde recht op ‘family life’. Uiterst subsidiair is verzocht om een minimumbedrag van € 5.000,- toe te kennen, nu nabestaanden volgens huidig beleid van het Schadefonds Geweldsmisdrijven dit bedrag ontvangen als een verzoek tot schadevergoeding wordt ingediend.

(…)

Wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade

In lijn met de rechtbank stelt het hof vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient het opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest reeds heeft bepaald dat artikel 8 EVRM evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening - vergoeding van affectieschade - te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in het onderhavige geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal het hof mr. Korver niet volgen in zijn voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

De Richtlijn

Mr. Korver heeft terecht aangegeven dat de implementatietermijn van de Richtlijn verstreken is. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel rechtstreekse werking heeft doch alleen in verticale zin. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen inroepbaar is tussen de burger en de overheid, alleen dan indien de Richtlijn of de desbetreffende Richtlijnbepaling onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Richtlijnen verkrijgen na het verstrijken van de implementatietermijn rechtens geen rechtstreekse horizontale werking. Dit houdt in dat zij niet tegen een burger of particulier ingezet kunnen worden. Reeds gelet hierop faalt het door mr. Korver bepleite rechtstreekse beroep op de Richtlijn voor zover hij dit tegen verdachte heeft willen inroepen.

Beleid Schadefonds Geweldsmisdrijven

Door mr. Korver is uiterst subsidiair verzocht om gelet op het beleid van het Schadefonds een minimumbedrag van € 5.000,- toe te kennen.

Zoals overwogen zal het hof niet vooruitlopen op het toekennen van een vergoeding voor affectieschade. Daarnaast wordt overwogen dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven juist als doel heeft om een financiële tegemoetkoming te geven aan slachtoffers of nabestaanden die hun schade niet op een andere wijze vergoed krijgen. Een ontvangen schadevergoeding door anderen moet achteraf ook worden terugbetaald aan het Schadefonds. Het verzoek wordt afgewezen. (…)’’

6.3.

Zoals gezegd komt het middel op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de gevorderde immateriële schade door de benadeelde partijen. Het middel bestaat uit achtereenvolgens drie deelklachten:

- Ten eerste heeft het hof de gevorderde immateriële schade ten onrechte gekwalificeerd als (alleen) affectieschade, aangezien de immateriële schade niet alleen als affectieschade is gevorderd maar als schade als gevolg van de schending van het recht op ‘family life’ als bedoeld in art. 8 EVRM van de benadeelde partijen.

- Ten tweede heeft het hof ten onrechte nagelaten een beslissing te nemen op de gevorderde immateriële schade met als grondslag art. 8 EVRM, althans heeft het hof die beslissing onvoldoende gemotiveerd omdat het door het hof genoemde Taxibus-arrest dateert van voor de inwerkingtreding van de Richtlijn 2012/29/EU inzake kortgezegd slachtofferrechten.

- Ten derde is volgens de steller van het middel de beslissing van het hof in strijd met heersende rechtspraak.

Beoordeling van het middel

6.4.

Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader onder 5.7-5.10 blijkt dat de wet ten tijde van het tenlastegelegde feit (en voor 1 januari 2019) geen mogelijkheid kende om als nabestaande immateriële schade te vorderen als benadeelde partij in het strafproces. Ook art. 8 EVRM verplichtte destijds en ook nu niet dat in een dergelijke mogelijkheid wordt voorzien en dat heeft het hof onder verwijzing van het Taxibus-arrest van de Hoge Raad, anders dan de steller van het middel meent, ook genoegzaam gemotiveerd. Dat de hiervoor genoemde Richtlijn van een later datum is dan het Taxibus-arrest maakt dat niet anders. Ook overigens getuigt het oordeel van het hof dat de vorderingen voor wat betreft de immateriële schade niet kunnen worden ontvangen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de onder 6.2 weergegeven uitvoerige overwegingen van het hof is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In strijd met heersende rechtspraak is het oordeel van het hof evenmin, waarbij ik opmerk dat het in het door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van het hof Amsterdam van 26 april 2013 (Amsterdamse zedenzaak) ging om de schending van het recht op privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM van het slachtoffer zelf en niet van een nabestaande. Dat betekent dat het middel hoe dan ook faalt, wat er ook zij van het oordeel van het hof dat de gevorderde immateriële schade (alleen) affectieschade betreft.

6.5.

Het middel faalt.

7 Conclusie

7.1.

De middelen van zowel de verdachte als de benadeelde partijen leiden niet tot cassatie en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Brief van de staatssecretaris d.d. 15 februari 2017, Reactie naar aanleiding van petitie ‘Kom in beweging voor levenslang’, nr. 2042814.

Zie met namen W.F. Van Hattum, De Hoge Raad en het reviewmechanisme. Een misplaatste uitnodiging aan levenslanggestraften om re-integratieactiviteiten te ontplooien, NJB 2018/691 en J.A.A.C. Claessen, De levenslange gevangenisstraf in Nederland anno 2018, TPWS 2018/22.

Ik volsta hier met een verwijzing naar de bespreking hiervan in de uitvoerige conclusies van AG Machielse voorafgaand aan de arresten van de Hoge Raad HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. T. Kooijmans (tussenarrest) en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.

Zie Stcrt. 2016, 65365; Stcrt. 2017, 32577 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.

Met vermelding van voetnoten die in deze conclusie onder eigen nummering zullen worden opgenomen.

Verwezen wordt naar: Stcrt. 2016, 65365.

Verwezen wordt naar: Stcrt. 2017, 32577.

Verwezen wordt naar: Stcrt. 2017, 48627.

Art. 1, aanhef en onder g, Besluit ACL.

Art. 4, tweede lid, Besluit ACL.

Art. 12, tweede en derde lid, Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 5-6.

Art. 4, vijfde lid, Besluit ACL.

Art. 5, eerste lid, en 9 Besluit ACL.

Art. 12, derde lid, Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.

Art. 1, aanhef en onder f, Besluit ACL en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 4.

Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 4.

Art. 4, derde lid, Besluit ACL.

Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL en Toelichting, Stcrt. 2017, 32577, p. 2.

Vgl. art. 4, eerste en tweede lid, 5, vierde lid, 6, 7 en 19, eerste lid, Gratiewet.

Art. 7, eerste lid, Gratiewet.

Vgl. art. 5, leden 1 en 2, Gratiewet.

Vgl. in dit verband EHRM 13 november 2014, nr. 40014/10, Bodein tegen Frankrijk, § 61.

Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL.

Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 22 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 10, 16.

Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 354, p. 2 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 8, 15.

Vgl. EHRM 17 januari 2017, nr. 57592/08, Hutchinson tegen Verenigd Koninkrijk, § 59-65 en EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 168.

Art. 7, tweede lid, Besluit ACL.

Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 20 en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 6-7.

Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16, waarin wordt verwezen naar het arrest van het Hof Den Haag van 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952.

Vgl. EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 181, waarin onder "review" tevens wordt begrepen "the executive giving reasons".

Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.

Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 6.

Verwezen wordt hierbij naar Jacobs, ‘Licht aan het einde van de tunnel voor de levenslang gestrafte?’, NTM/NJCM-bull. 2017/15, p. 202; De Hoon, Fraser & Taylor, ‘Levenslange uitzichtloosheid in internationaal perspectief, NTM/NJCM-bull. 2017/16, p.l 18; Van Hattum, ‘Van gratie naar herbeoordeling. Over de verkorting van de levenslange gevangenisstraf, DD 2017/25, p. 251-252; RSJ 28 juni 2016, ‘Advies inzake voornemens tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, kenmerk: RSJ/101/2765/2016/MK/BD en Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:GHDHA:2016:2971, ov. II.

Zie J. Silvis, Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM, Sancties 2018/23.

In zijn tussenarrest voorafgaand aan deze uitspraak, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. T. Kooijmans, verwoordde de Hoge Raad het in rov. 3.3 zo: ”Aan de veroordeelde moeten mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden voordat de herbeoordeling

plaatsvindt, omdat hij zich moet kunnen voorbereiden op een mogelijke terugkeer in de samenleving.”

Zie hiervoor ook de conclusie AG Harteveld in een van de Passagezaken waarin ook cassatieklachten zijn geformuleerd met betrekking tot de opgelegde levenslange gevangenisstraffen, ECLI:NL:PHR:2018:1389, onder 28.5-28.14.

W.F. van Hattum, De Hoge Raad en het reviewmechanisme. Een misplaatste uitnodiging aan levenslanggestraften om re-integratieactiviteiten te ontplooien, NJB 2018/691.

J.A.A.C. Claessen, De levenslange gevangenisstraf in Nederland anno 2018, TPWS 2018/22.

Zie Claessen, a.w. die onder het kopje “Kritische reflectie”.

Zie ook J. Silvis, Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM, Sancties 2018/23.

Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:320, waaruit kan worden afgeleid dat de toetsing door de civiele rechter bepaald geen wassen neus is.

HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.4, 3.5.5 en 3.6.

Vgl. ook conclusie AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:1387, onder 18.8 en conclusie AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:1389, onder 28.5-28.14.

Zie hiervoor ook de conclusie AG Harteveld in een van de Passagezaken waarin ook cassatieklachten zijn geformuleerd met betrekking tot de opgelegde levenslange gevangenisstraffen, ECLI:NL:PHR:2018:1389, onder 28.5-28.14.

EHRM 12 maart 2019, Petukhof tegen de Oekraïne, nr. 41216/13.

Zie pleitnotities van mr. Lut, aangehecht als bijlage VI bij het proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep van 26 en 27 oktober 2016, p. 3-21 en pleitnotities van mr. Lut, aangehecht als bijlage 2 bij het proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep van 22 februari 2018, p. 3-11. In de cassatieschriftuur wordt dit betoog integraal weergegeven.

Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3; HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4; HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en Van Dorst 2018, p. 268.

Van Dorst 2018, p. 268.

Verwezen wordt naar Rb. Noord-Holland 25 juli 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:7224; Rb Roermond 6 juni 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BD3293; Rb Amsterdam 14 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4091 en Rb Rotterdam 25 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3365.

Zie bijv. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9405.

Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 11. Wat betreft de omvang van die ‘’rechtstreekse schade’’ heeft de jurisprudentie laten zien dat daar – anders dan ten aanzien van de kring van gerechtigden – niet al te strikt mee hoeft worden omgegaan, zie bijv. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522.

Zie Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), Stb. 2017, 90 en Stb. 2017, 128.

Dat volgt bijvoorbeeld ook uit de schakelbepaling van art. 51d Sv, hoewel doorgaans de personen genoemd in art. 51f Sv zullen vallen onder het begrip ‘slachtoffer’ als bedoeld in art. 51a Sv, zie T&C op art. 51d Sv, online bijgewerkt t/m 1 juli 2018.

Wat de kosten van lijkbezorging betreft, kunnen naast nabestaanden ook derden daarop aanspraak maken voor zover zij die kosten hebben gedragen, zie art. 6:108 lid 2 BW.

Zie Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, Stb. 2018, 132 en Stb. 2018, 339.

Dit zijn personen als bedoeld in art. 6:107 lid 2 BW.

Art. 6:107 lid 1 onder a BW.

Stb. 2018, 132 en Stb. 2018, 339.

Voor wat betreft immateriële schade (‘ander nadeel’ als bedoeld in art. 6:106 BW) ging deze vordering tot 1 januari 2019 pas onder algemene titel over op de nabestaande wanneer het slachtoffer bij leven aan de aansprakelijke persoon heeft laten weten op vergoeding aanspraak te maken (art. 6:106 lid 2 oud BW).

Of anders gezegd: het slachtoffer zoals bedoeld in art. 51a lid 1 onder a sub 2 Sv. Nabestaanden zijn op grond van zojuist genoemde bepaling immers ook slachtoffer in de zin van de wet.

Voluit Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.

Zie HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 m.nt. Vranken, rov. 6.2-6.3.

Ook dat oordeel acht ik overigens niet onbegrijpelijk. Dat de raadsman er zelf een ander etiket aan heeft gegeven maakt dat niet anders.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature