< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG over de vraag of de vordering tot tenuitvoerlegging in hoger beroep (door het hof) buiten beschouwing kon worden gelaten. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 18/02644

Zitting: 12 maart 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 5 juni 2018 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing van de politierechter op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14. Van hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 16-036386-17 (verder zaak C te noemen) onder 1 is tenlastegelegd, te weten opzetheling van een mobiele telefoon, heeft het hof de verdachte vrijgesproken. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren ter zake van de feiten die zijn bewezenverklaard in de zaken met parketnummers 16-137683-16 (verder zaak A te noemen; aanwezig hebben 0,55 gram cocaïne) en 16-239961-16 (verder zaak B te noemen; verlaten plaats verkeersongeval).

Namens de verdachte heeft mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere, een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel keert zich tegen de beslissing van het hof tot – kort gezegd – het in hoger beroep buiten behandeling laten van de vordering tot tenuitvoerlegging.

De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14 is blijkens (de aanhef van) de processen-verbaal van de terechtzittingen van de politierechter van 5 september 2016 en 10 november 2016 verknoopt met zaak A. Ook na aanhouding van de behandeling van deze zaken door de politierechter, is deze samenkoppeling ongewijzigd gebleven, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2017. In al deze drie processen-verbaal worden enkel die twee parketnummers (in verbinding met elkaar) vermeld.

5. Zaak B was aanvankelijk, op 28 februari 2017, afzonderlijk ter terechtzitting van de politierechter aanhangig gemaakt. Vanuit het openbaar ministerie werd verzocht de behandeling van die zaak aan te houden tot 27 maart 2017, omdat de verdachte op die datum in twee andere strafzaken terecht zou staan (kennelijk de zaken A en C).

6. Vervolgens zijn op de terechtzitting van de politierechter van 10 juli 2017 “de bij afzonderlijke dagvaardingen met parketnummers 16-137683-16 + 16-036386-17 + 16-239961-16 tegen de verdachte aangebrachte zaken” gevoegd en als zodanig behandeld. Gelet op de aanduiding van de parketnummers bovenaan elk blad, hoorde de vordering tot tenuitvoerlegging kennelijk nog steeds bij zaak A. Hetzelfde geldt voor de aantekening mondeling vonnis. Klaarblijkelijk ging ook de raadsvrouw uit van de samenkoppeling van de vordering tot tenuitvoerlegging met zaak A: “Ik verzoek u om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat mijn cliënt vrijgesproken dient te worden van het feit waaraan de vordering tenuitvoerlegging is gekoppeld” (zittingsverbaal, blad 4). Daar staat tegenover dat de officier van justitie op de terechtzitting van 10 juli 2017, voor zover hier relevant, het volgende heeft opgemerkt: “De vordering tenuitvoerlegging is aangebracht onder alle feiten nu het één zaak is geworden” (zittingsverbaal, blad 4). De officier van justitie verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen en om te zetten in een taakstraf van 152 uren. De politierechter sprak de verdachte vrij van een feit in zaak C en veroordeelde hem voor de feiten in de zaken A en B en het andere feit in zaak C (opzetheling). Daarnaast gelastte de politierechter in plaats van gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

7. Namens de verdachte is tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld. Blijkens de “akte instellen hoger beroep” gaat het om een partieel hoger beroep. Hoger beroep is ingesteld “tegen het eindvonnis met betrekking tot parketnummer 16-036386-17 (gev.ttz.) alleen voor wat betreft feit 1 (de opzetheling als bedoeld in zaak C, AG), alsmede tegen de Tul met parketnr. 16-659564-14 door de politierechter in deze rechtbank, locatie Lelystad, op 10 juli 2017 gewezen”. In de appelschriftuur wordt met nadruk opgemerkt dat het appel zich niet richt tegen zaak A, de zaak dus waarmee de vordering tot tenuitvoerlegging verbonden was.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2018 houdt in, voor zover hier van belang:

“De raadsman wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De raadsman geeft aan dat zijn cliënt het niet eens is met de veroordeling ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde en de daaraan gekoppelde straf. Daarnaast voert de raadsman aan dat verdachte zich niet kan verenigen met de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14.

De voorzitter constateert dat uit de in het procesdossier aanwezige stukken omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14, blijkt dat de vordering gekoppeld is aan het onder parketnummer 16-137683-16 ten laste gelegde feit. Dit feit is gezien de inhoud van de akte rechtsmiddel in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hoger beroep is daarin namelijk beperkt tot het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde. In het licht van het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering mag het hof niet oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14. Deze vordering is immers niet aanhangig nu er geen hoger beroep is ingesteld tegen de daaraan gekoppelde hoofdzaak.

De advocaat-generaal reageert:

De vordering tot tenuitvoerlegging is inderdaad niet meer aanhangig.

De raadsman reageert:

De officier van justitie heeft ter zitting in eerste aanleg bepaald dat de vordering tot tenuitvoerlegging betrekking heeft op alle in eerste aanleg behandelde feiten. Ik wens het hoger beroep door te zetten met de in de appelakte genoemde beperkingen. Indien uw hof van oordeel mocht zijn dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de vordering tenuitvoerlegging, dan refereer ik mij aan uw oordeel.”

9. Het arrest van het hof houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de appelakte d.d. 11 juli 2017 is het hoger beroep beperkt ingesteld en richt het zich enkel tegen het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde, alsmede tegen de […] van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14.

Uit de in het procesdossier aanwezige stukken omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging blijkt dat de vordering gekoppeld is aan het onder parketnummer 16-137683-16 ten laste gelegde feit. Het hoger beroep is echter beperkt tot het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde. Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is verder niet gebleken dat het openbaar ministerie de vordering in hoger beroep heeft gewijzigd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet meer aanhangig is, nu er geen hoger beroep is ingesteld tegen de daaraan gekoppelde hoofdzaak.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg bepaald heeft dat de vordering tot tenuitvoerlegging betrekking heeft op alle in eerste aanleg behandelde feiten. De raadsman heeft verklaard dat hij het hoger beroep wil doorzetten met de in de appelakte genoemde beperkingen.

Tevens heeft de raadsman gesteld dat hij zich, voor zover het hof van oordeel mocht zijn dat verdachte in het hoger beroep [niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep], voor zover dit betrekking heeft op de vordering tenuitvoerlegging, aan het oordeel van het hof zal refereren.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering het hoger beroep beperkt mag worden tot één van de gevoegde zaken. Dat brengt mee dat, indien de vordering tot tenuitvoerlegging berust op het zich schuldig hebben gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zoals aangeduid in artikel 14c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en dit nieuwe strafbaar feit door intrekking van het hoger beroep niet aan het oordeel van de appelrechter wordt onderworpen, de appelrechter ook niet mag oordelen over een daarop gegronde vordering tot tenuitvoerlegging. Dit zou slechts anders zijn, indien het openbaar ministerie in hoger beroep de vordering tot tenuitvoerlegging zou hebben gewijzigd (Hoge Raad 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1185).

Het hof is van oordeel dat uit het procesdossier, mede gelet op het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, is gebleken dat de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14 gekoppeld is aan het onder parketnummer 16-137683-16 ten laste gelegde feit. Dit feit is in hoger beroep echter niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof mag daarom ook niet oordelen over de daarop gegronde vordering tot tenuitvoerlegging. In het licht van het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering heeft de verdachte aldus een ontoelaatbare beperking aangebracht in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof zal de verdachte om die reden dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover het betrekking heeft op de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564- 14.

[…]

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14 en stelt vast dat de beslissing van de politierechter op deze vordering, inhoudende de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, onherroepelijk is geworden.

[…]”

10. Het is de vraag of het bestreden oordeel van het hof in lijn is met drie arresten van de Hoge Raad die ik hier kort wil aanhalen. In HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0609, NJ 2001/353 deed zich het volgende voor. In eerste aanleg waren twee inleidende dagvaardingen uitgebracht (drie feiten in zaak A en vier feiten in zaak B) en een vordering tot tenuitvoerlegging (zaak C). De vordering tot tenuitvoerlegging vermeldde als grond (door mij samengevat) dat de veroordeelde zich had schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten zoals tenlastegelegd in zaak A. De rechtbank beval de voeging van de bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken A en B, veroordeelde de verdachte voor alle feiten in zaak A en twee feiten in zaak B, en gelastte daarnaast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De verdachte ging in appel en trok daarna het hoger beroep aangaande zaak B in. In hoger beroep nam de advocaat-generaal het volgende standpunt in (ik, AG, citeer uit het arrest van de Hoge Raad): "3(v) Als de grondslag van de vordering tenuitvoerlegging fungeert niet slechts de in eerste aanleg gevoegde zaak A; het gaat erom of de algemene voorwaarden zijn overtreden. (...) De straf voor de feiten in zaak B dient te worden bepaald op drie maanden gevangenisstraf". De raadsman betoogde daarentegen dat een vrijspraak in zaak A meebracht dat tevens de vordering tot tenuitvoerlegging moest worden afgewezen, nu deze vordering uitdrukkelijk naar zaak A verwees, zodat uitsluitend het in zaak A tenlastegelegde als grondslag voor toewijzing kon dienen. Het hof zag dat anders. Weliswaar sprak het de verdachte van alle feiten in zaak A vrij, maar het wees wel de vordering tot tenuitvoerlegging in zaak C toe. Het motiveerde deze beslissing als volgt: “Waar ter terechtzitting in eerste aanleg de voeging van de afzonderlijk aangebrachte zaken A en B is bevolen en de rechtbank bij gelegenheid van een veroordeling ter zake van de aldus gevoegde tenlastegelegde feiten de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft toegewezen, is voldaan aan de vereisten die door artikel 14g van het Wetboek van Strafvordering (bedoeld zal zijn: Strafrecht, AG) aan de toewijzing van een dergelijke vordering worden gesteld. De strekking van artikel 14g in samenhang met artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering brengt evenwel niet mee dat in het geval het hoger beroep niet alle gevoegde zaken betreft, de toewijzing van meerbedoelde vordering opnieuw afhankelijk wordt gesteld van veroordeling ter zake van het tenlastegelegde in de zaak waarbij zij aanvankelijk aan de rechter werd voorgelegd. In hoger beroep ziet het hof zich derhalve voor de taak gesteld te bezien of het – in het licht van een inmiddels onherroepelijk geworden veroordeling in eerste aanleg en/of een veroordeling in hoger beroep – termen vindt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten". De Hoge Raad oordeelde als volgt:

“4.3. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de woorden "na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie" in de aanhef van het eerste lid van art. 14g Sr tot uitdrukking willen brengen dat de rechter een andere beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling kan geven dan die waartoe de vordering strekt (vgl. Kamerstukken II 1914-1915, MvA 32.1., blz. 11). Nu in het zesde lid van art. 14i Sr is bepaald dat de ingediende vordering door het openbaar ministerie kan worden gewijzigd, moet als bedoeling van de wetgever worden aangenomen dat de hiervoor bedoelde rechterlijke beoordelingsvrijheid haar begrenzing vindt in de grondslag van de vordering. Opmerking verdient dat noch art. 14i, zesde lid, Sr noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat die wijziging plaatsvindt gedurende het onderzoek in hoger beroep, terwijl deze, in aanmerking genomen dat art. 313 Sv hier niet van toepassing is verklaard, niet in schriftelijke vorm behoeft te worden gedaan.

4.4.

Hetgeen hiervoor onder 3 sub (v) is weergegeven moet aldus worden verstaan dat de Advocaat-Generaal bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging aldus heeft gewijzigd dat zij mede is komen te berusten op de grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in zaak B zijn tenlastegelegd.

4.5.

Daarvan uitgaande kon het Hof zonder miskenning van enige rechtsregel de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen, wat er zij van de gronden waarop zijn beslissing steunt.”

De zaak die heeft geleid tot HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1185, NJ 2003/115 zag op twee dagvaardingen (zaken A en B) en een vordering tot tenuitvoerlegging (zaak C). De politierechter voegde de zaken A en B, veroordeelde de verdachte ter zake van de feiten in de (gevoegde) zaken A en B en wees de vordering tot tenuitvoerlegging toe. Namens de verdachte werd hoger beroep ingesteld. Vervolgens werd het hoger beroep ingetrokken voor zover het de zaken A en C betrof. Het hof overwoog onder het hoofd “Omvang van het hoger beroep” dat blijkens mededeling van de raadsman ter ’s hofs terechtzitting het hoger beroep van de verdachte, voor zover dit betrof de zaak A en de van het vonnis waarvan beroep deeluitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak C, voor de aanvang van de terechtzitting was ingetrokken en dat derhalve alleen zaak B aan zijn oordeel was onderworpen. Met dat oordeel had het hof art. 407 Sv niet miskend, aldus de Hoge Raad (ambtshalve), die daarop liet volgen:

“Immers volgens die bepaling mag het hoger beroep worden beperkt tot een van de gevoegde zaken. Dat brengt mee dat, indien de vordering tot tenuitvoerlegging berust op het zich schuldig hebben gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zoals aangeduid in art. 14c, eerste lid, Sr en dit nieuwe strafbaar feit door intrekking van het hoger beroep niet aan het oordeel van de appelrechter wordt onderworpen, de appelrechter ook niet mag oordelen over een daarop gegronde vordering tot tenuitvoerlegging. Dit zou slechts anders zijn, indien het openbaar ministerie in hoger beroep de vordering tot tenuitvoerlegging zou hebben gewijzigd (vgl. HR 20 maart 2001, NJ 2001, 353). De stukken van het geding houden niet in dat dit in het onderhavig geval is geschied. Opmerking verdient nog dat door de intrekking van het hoger beroep de door de Politierechter gegeven last tot tenuitvoerlegging onherroepelijk is geworden zodat het Hof dan ook in zoverre het vonnis van de Politierechter terecht niet heeft vernietigd.”

In HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3348, NJ 2010/73 was het volgende aan de orde. Aanvankelijk was de verdachte bij twee inleidende dagvaardingen – in de zaken B en C – gedagvaard ter terechtzitting van de rechtbank. Ook was hij voor die terechtzitting opgeroepen voor de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging, die (kort gezegd) inhield dat de verdachte (veroordeelde) zich had schuldig gemaakt aan strafbare feiten zoals tenlastegelegd in zaak B. Vervolgens schorste de rechtbank het onderzoek ter voeging en gelijktijdige behandeling van de zaken B en C met een nieuwe zaak, de zaak A. Op de daaropvolgende zitting beval zij de voeging van de zaken A, B en C. De rechtbank sprak de verdachte van zaak B en enkele feiten in de zaken A en C vrij en veroordeelde hem voor de andere feiten in de zaken A en C. Voorts gelastte de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging. In dat verband merkte zij nog op dat de vordering tot tenuitvoerlegging was gevoegd met de behandeling van zaak B, ten aanzien waarvan de verdachte was vrijgesproken, maar dat daarin geen beletsel was gelegen nu op de zitting ook andere feiten waren behandeld ter zake waarvan verdachte wel was veroordeeld. Namens de verdachte werd hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep vorderde de advocaat-generaal: “dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen”. Het hof vatte het hoger beroep als te zijn beperkt tot het in zaak A en in zaak C tenlastegelegde. Vervolgens veroordeelde het hof de verdachte ter zake van die feiten en wees het voorts de vordering tot tenuitvoerlegging toe, daarbij (onder meer) overwegende:

“Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu in de vordering staat vermeld dat de verdachte zich in de proeftijd van het hierboven genoemde vonnis heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging in zaak B. Nu de rechtbank heeft beslist dat hij wordt vrijgesproken van de feiten zoals tenlastegelegd in zaak B had de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging moeten afwijzen. Het Hof stelt vast dat ter terechtzitting van de rechtbank zaak B is gevoegd met de zaken A en C. Het hof zal hierdoor bij de beoordeling of de vordering tenuitvoerlegging kan worden toegewezen acht slaan op de feiten zoals deze zijn tenlastegelegd in de zaken A en C. De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld zijn gepleegd op 12 november 2006 (zaak A subsidiair) en 10 februari 2007 (zaak C feit 1), en vallen derhalve binnen de proefperiode van de door de politierechter in de rechtbank Haarlem opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zal mitsdien, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, gelasten."

De Hoge Raad overwoog:

“3.5. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de Advocaat-Generaal bij de behandeling van de zaak in hoger beroep door bevestiging te vorderen van het vonnis van de Rechtbank (waarin de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging was gegrond op de bewezenverklaring in zaak A subsidiair en C onder 1) de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging aldus heeft gewijzigd dat zij erop is komen te berusten dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in de zaken A en C zijn tenlastegelegd. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.”

11. Wat betekent het voorgaande nu voor de onderhavige zaak? Anders wellicht dan de officier van justitie, heeft in ieder geval de advocaat-generaal bij het hof de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging niet willen wijzigen. De advocaat-generaal heeft, naar het hof heeft vastgesteld, ter ’s hofs terechtzitting immers naar voren gebracht dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet meer aanhangig was omdat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de daaraan gekoppelde hoofdzaak. Er was voor de advocaat-generaal ook geen reden voor wijziging (uitbreiding) van de grondslag in die zin dat zij mede kwam te berusten op (ook) een andere grond dan die welke in de vordering is vermeld. Het feit (feit A) waaraan de vordering tot tenuitvoerlegging is gekoppeld, was immers (zoals het hof heeft overwogen) in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen en voor dat feit was de verdachte al door de politierechter veroordeeld.

12. Naar mijn inzicht is het bestreden oordeel van het hof noch onjuist noch onbegrijpelijk.

13. Het middel faalt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Een blik achter de papieren muur leert dat de vordering tot tenuitvoerlegging slechts twee parketnummers noemt, te weten: 16-659564-14, dit is het parketnummer van de vordering zelf, en 16-137683-16, dit is het parketnummer van de daarmee samenhangende strafzaak.

Daarbij bevond zich dus ook de nieuwe zaak met parketnummer 16-036386-17 (zaak C).

In dezelfde zin de appelschriftuur.

De door mij tussen haakjes geplaatste en kennelijk in de overweging van het hof per abuis weggevallen woorden ontleen ik aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 mei 2018, waarin vermeld staat: “[…] Indien uw hof van oordeel mocht zijn dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de vordering tenuitvoerlegging, dan refereer ik mij aan uw oordeel.”


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature