< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Doorrijden na ongeval, art. 7.1.a WVW 1994. Schriftelijk bescheid houdende verklaring van persoon wiens identiteit niet blijkt (anonieme buurtbewoner) in strijd met art. 344a.3 Sv tot bewijs gebezigd, nu verdediging wens te kennen heeft gegeven om deze persoon te ondervragen? HR: art. 81.1 RO.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05377

Zitting 17 december 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

De verdachte is bij arrest van 11 december 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis.

Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste en het tweede middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met de wet tot het bewijs heeft gebezigd een schriftelijk bescheid dat informatie behelst afkomstig van een anonieme persoon, terwijl namens de verdachte de wens te kennen is gegeven om de anonieme persoon te ondervragen en te doen ondervragen. Voorts heeft het hof het gebruik van de anonieme getuigenverklaring, in strijd met de wet, niet nader gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met de wet heeft verzuimd om een uitdrukkelijke beslissing te nemen op het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot het horen van de anonieme getuige. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Elst, gemeente Overbetuwe, op/aan de Grote Molenstraat, op 4 augustus 2014, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [betrokkene 1]) schade was toegebracht.”

3.3.

Deze bewezenverklaring berust op onder meer het volgende bewijsmiddel:

“7. De verklaring van [verbalisant 1], afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 mei 2018, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

U vraagt mij wat ik mij nog van het hele voorval op 4 augustus 2014 kan herinneren. Wij kregen van collega’s de melding dat er een aanrijding had plaatsgevonden, waarbij een getuige een signalement en een kenteken had opgenomen. Mijn collega [verbalisant 2] en ik zijn toen naar het adres van de ten naam gestelde gegaan, Ik weet nog dat we voor de woning stonden op een hofje. Ik herinner mij dat wij bij het oprijden het voertuig links geparkeerd zagen staan en dat er schade aan was. Het was mooi weer. De buurtbewoners zaten of stonden in de tuin. Een buurtbewoner vertelde ons dat even tevoren die jongeman die iets verderop woonde, met het voertuig was thuisgekomen. We zijn naar de woning gegaan en er werd opengedaan door een vrouw. Het bleek dat dit voertuig op dit adres “thuis hoorde”.”

3.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2018 houdt onder meer in dat de voorzitter aldaar de korte inhoud van de stukken van de zaak heeft medegedeeld. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], hoofdagent van Politie Gelderland-Midden en [verbalisant 2], medewerker van Politie Gelderland-Midden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

“Wij, verbalisanten, zijn naar de [a-straat 1] te [plaats] gereden en zagen op een parkeerplaats aan de [a-straat] bovengenoemd voertuig staan. Wij, verbalisanten, liepen rondom het bovengenoemd voertuig om te kijken of het voertuig schade had. Wij, verbalisanten, zagen dat er een buurtbewoonster naar ons toe kwam lopen en hoorde[n] haar zeggen dat de zoon van [a-straat 1] met het voertuig thuis was gekomen. Wij, verbalisanten, hoorden de vrouw zeggen dat de jongen naar de [a-straat 1] was gelopen en samen met zijn moeder om het voertuig was gelopen om haar de schade te tonen.

Tevens hoorden wij de vrouw zeggen dat zij geen getuige verklaring af wilde leggen in verband met angst voor de bewoners van [a-straat 1] te [plaats].”

3.5.

Bij de stukken van het geding bevindt zich het proces-verbaal van verhoor van de verbalisant [verbalisant 1] door de rechter-commissaris van 29 mei 2018 (waarvan, zoals hiervoor onder 3.3 is weergegeven, een gedeelte voor het bewijs is gebezigd). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

“U vraagt mij of ik nog kan achterhalen wie de buurtbewoonster was. Nee, daarvoor is het te lang geleden. Ik kan mij niet precies herinneren welke woning van die buurtbewoonster was. Zij woonde er niet pal naast volgens mij. U laat mij een proces-verbaal van bevindingen lezen van 25 februari 2015. Ik kan mij niet concreet herinneren dat ik dit heb opgemaakt, maar het verhaal komt mij bekend voor. Over de inhoud van het proces-verbaal kan ik ook geen details geven.”

3.6.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2017 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De raadsman vraagt het woord en merkt op:

Ik verzoek om een aanhouding van de behandeling van de zaak.

Ik heb een tijdig een appelmemorie ingediend met daarin het verzoek om getuigen te horen. Het belangrijkste en wellicht het doorslaggevend bewijs in deze zaak is het proces-verbaal van bevindingen van de politie waarin is opgenomen de verklaring van de anonieme getuige. Ik zou graag via de verbalisanten de personalia van die getuige willen achterhalen. Ook wil ik de verbalisanten vragen hoe het kan dat als het proces-verbaal van politie op 5 augustus 2014 is gesloten en is ingekomen bij het parket op 15 september 2015, dit bewuste proces-verbaal van bevindingen er niet bij heeft gezeten. Ik leid daar uit af dat pas later het een proces-verbaal van bevindingen boven water is gekomen en aan het dossier toe is gevoegd. Dat roept vragen op. Wat ook vragen oproept is waarom dit proces-verbaal van bevindingen pas op 25 februari 2015 is opgemaakt en ondertekend terwijl het incident zich heeft afgespeeld in augustus 2014.

Ik heb dan ook vragen aan de agenten waarom dit proces-verbaal niet eerder is opgemaakt, bijvoorbeeld één of twee dagen na het incident.

Ik heb voorts vragen over het tijdstip waarop zij op [a-straat 1] te [plaats] zijn geweest, want zij vermelden dat zij een melding hebben gekregen en naar de [a-straat] zijn gegaan, maar ik wil graag weten hoe Iaat het dan was en wat er op het pleintje is gebeurd.

Voorts wil ik vragen aan de agenten of zij misschien ook gegevens hebben genoteerd van die anonieme getuige? Als dat zo is dan wil ik die anonieme persoon horen want ik wil van haar weten hoe zij weet dat het de zoon is geweest die kennelijk rond de auto heeft gelopen. Het is de meest cruciale schakel in het bewijs richting mijn cliënt.

Mijn cliënt ontkent en daarom heeft de verdediging er alle belang bij om de twee verbalisanten en de anonieme getuige te horen.

De advocaat-generaal reageert en merkt op:

Het appelschriftuur is tijdig ingediend. Daarom is het verdedigingsbelang van toepassing. Er zit alleen een aantekening van het mondeling vonnis in het dossier. Of het proces-verbaal van bevindingen deel heeft uitgemaakt van het door de politierechter gebezigde bewijs weten we dus niet. Ik denk dat er niet aan te ontkomen is om het verzoek van de raadsman toe te wijzen en de zaak naar de raadsheer-commissaris te verwijzen.

Op de vraag van de voorzitter of de vragen aan de verbalisanten ook beantwoord kunnen worden in een aanvullend proces-verbaal, antwoordt de raadsman:

Ik wil de verbalisanten graag zelf met mijn vragen kunnen confronteren bij de raadsheer-commissaris. Ik heb het liefst van hen een zo natuurgetrouwe reactie.

Door de advocaat-generaal en de raadsman wordt aangegeven dat zij geen bezwaar hebben dat het horen van de getuigen geschiedt door een raadsheer-commissaris die thans of toekomstig deel uitmaakt van de zittingscombinatie.

Na een korte onderbreking voor beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de raadsman wordt toegewezen en dat de zaak wordt verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van de verbalisanten:

- [verbalisant 1], (GLM06312) hoofdagent van politie Gelderland-Midden;

- [verbalisant 2], (GLM83718) medewerker van politie Gelderland-Midden.

Als er bij de raadsheer-commissaris duidelijkheid komt over de identiteit van de anonieme getuige en die getuige ook geen probleem heeft met het bekendmaken van die identiteit, dan dient deze getuige ook door de raadsheer-commissaris te worden gehoord.

Mocht de anonieme getuige het bekendmaken van de identiteit wel problematisch vinden dan is het aan de raadsheer-commissaris te bepalen of deze getuige de status van anonieme getuige krijgt en dienovereenkomstig wordt gehoord.

Het hof houdt de behandeling van de zaak aan voor onbepaalde tijd tot een bij nadere appointering te bepalen datum en tijdstip en beveelt de oproeping daartoe aan de verdachte, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.”

3.7.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging -zakelijk weergegeven-:

Uit de appelmemorie blijkt welke kant dit op moet gaan: richting een vrijspraak. De tenlastelegging kan niet wettig en overtuigend worden bewezen vanwege strijdigheid met artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering. De verklaring van de anonieme getuige is het cruciale bewijs. Het is een anonieme getuige en de verklaring is pas later aan de stukken toegevoegd. Het verbaast mij dat agenten niks meer weten als wordt gevraagd hoe dit is gegaan. Het is raar. Waar komt dat proces-verbaal opeens vandaan? Eerst wordt de zaak geseponeerd. Dan volgt een artikel 12 Sv-procedure en dan komt het proces-verbaal uit de lucht vallen. Dat proces-verbaal is van februari 2015, bijna 6 maanden later. Dit roept vragen op en deze vragen zijn onbeantwoord gebleven. De agenten wisten van niks meer.

Uit het dossier kan worden geconcludeerd dat er een man achter het stuur zat. Maar was dat cliënt? Die vraag is gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen waarin de verklaring van de anonieme getuige staat. Artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate kan worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt. Lid 3 stelt voorwaarden. Sub a stelt dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun moet vinden in andersoortig bewijsmateriaal. Dit andersoortige bewijsmateriaal is er niet, de signalementen zijn te vaag. Sub b stelt dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de getuige te ondervragen of te doen ondervragen. Dat is wel verzocht. Indien u vindt van niet, dan doe ik bij deze een voorwaardelijk verzoek daartoe als geen vrijspraak volgt. Ik doe een beroep op artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering en verzoek om vrijspraak. Er is geen ander bewijs dat cliënt heeft gereden.”

3.8.

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

“ De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het antwoord op de vraag of verdachte de bestuurder van de auto is geweest, wordt met name gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen dat de verklaring van een anonieme buurvrouw omvat. Gebruik van dit bewijsmiddel zou strijdigheid opleveren met artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering, zodat het niet kan worden gebezigd voor het bewijs. Voor het overige is er geen bewijs dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal bevindingen, voor zover inhoudende de verklaring van een anonieme buurvrouw, gelet op artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering, niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Anders dan de raadsman, is het hof echter van oordeel dat, ook met uitsluiting van dit bewijsmiddel, er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt daarbij het volgende.

Aangeefster [betrokkene 1] heeft op 4 augustus 2014 aangifte gedaan van een aanrijding op 4 augustus 2014, omstreeks 16.30 uur, waarbij de veroorzaker daarvan is doorgereden. Aangeefster zat in haar Renault Twingo. De veroorzaker van de aanrijding zat (alleen) in een zwarte auto. Het was een licht getinte man met zwart haar, van ongeveer 26 jaar.

Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de betrokken auto na de aanrijding doorreed. Hij zag dat het ging om een zwarte Renault Clio waarvan hij het kenteken heeft onthouden en heeft doorgegeven aan aangeefster. Hij zag dat de bestuurder een man was van onder de 30 jaar.

Getuige [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat de bestuurder van de auto een man tussen de 20 en 40 jaar was. Ook getuige [getuige 3] heeft het over een getinte jongen van een jaar of 25. Getuige [getuige 4] heeft het eveneens over een getinte jongen die alleen in de auto, achter het stuur, zat en tussen de 25 en 30 jaar zal zijn geweest.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 februari 2015 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blijkt dat zij na de melding van het ongeval omstreeks 16.40 uur werden verzocht naar de [a-straat 1] te [plaats] te gaan. De betrokkene bij het ongeval was weggereden met een Renault Clio, kenteken [AA-00-AA] en uit navraag bleek de te naam gestelde van het voertuig, [betrokkene 2], op voornoemd adres te wonen.

Verdachte woont eveneens op dit adres, samen met zijn moeder ([betrokkene 2]). Verbalisant [verbalisant 1] heeft later als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij bij het oprijden -bij voornoemd adres- het voertuig links geparkeerd zag staan en zag dat er schade was. Een buurtbewoner vertelde haar dat even tevoren een jongeman, die iets verderop woont, met het voertuig was thuis gekomen. Toen [verbalisant 1] bij de woning aanbelde, werd open gedaan door een vrouw en bleek dat de auto op dat adres thuis hoorde.

Uit het proces-verbaal van de verkeersongevallenanalyse blijkt dat uit het ingestelde vergelijkende onderzoek wordt geconcludeerd dat de Renault Twingo zeer waarschijnlijk in botsing is geweest met de Renault Clio.

Gelet op het voorgaande en alles in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto die na het ongeval doorreed. Niet is aannemelijk geworden dat iemand anders dan verdachte de auto ten tijde van het ongeval heeft bestuurd. Het hof heeft daarbij vooral gelet op de getuigenverklaringen, waarin eenduidig wordt gesproken over een jonge, mannelijke bestuurder, het gegeven dat verdachte de zoon is van de te naam gestelde van de auto die het ongeluk heeft veroorzaakt, de getuigenverklaring van verbalisant [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris en het korte tijdsverloop tussen de aanrijding en het aantreffen van de betrokken auto op het adres waar verdachte woont. Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen.”

3.9.

Het eerste middel klaagt blijkens de toelichting in het bijzonder dat de als bewijsmiddel 7 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verbalisant [verbalisant 1], afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris, aan de politie verstrekte informatie behelst die afkomstig is van een persoon die anoniem wilde blijven. Dat bewijsmiddel moet daarom worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a Sv. Nu namens de verdachte de wens te kennen is gegeven om deze anonieme persoon te ondervragen of te doen ondervragen, stond art. 344a, derde lid, Sv in de weg aan het gebruik van het bedoelde proces-verbaal van het verhoor bij de raadsheer-commissaris voor het bewijs, aldus de steller van het middel.

3.10.

Art. 344a, derde lid, Sv houdt, voor zover hier van belang, in dat een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, alleen kan meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen. Indien de verdediging de wens kenbaar heeft gemaakt tot het horen van de anoniem gebleven getuige, dan staat art. 344a, derde lid, Sv derhalve in de weg aan het gebruik van het proces-verbaal voor het bewijs. Die wens hoeft niet een uitdrukkelijk (en herhaald) verzoek te zijn, waardoor art. 344a lid 3 Sv een minder strenge eis kent dan geldt voor de verzoeken als bedoeld in art. 267, 288 en 315 Sv.

3.11.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat (onder meer) onbekend gebleven betrokkenen of passanten die een verklaring afleggen bij een verbalisant die daarvan een proces-verbaal opmaakt, worden aangemerkt als een “persoon wiens identiteit niet blijkt” in de zin van art. 344a, derde lid, Sv. Hieronder vallen niet personen wiens persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken.

3.12.

Het hof heeft als bewijsmiddel 7 gebezigd een proces-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris van 29 mei 2018, houdende de verklaring van de verbalisante [verbalisant 1], die – voor zover hier van belang - op haar beurt verklaart hetgeen een getuige, een buurtbewoonster van de verdachte, haar heeft verteld. Uit het hiervoor onder 3.4 weergegeven proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2015 blijkt dat deze getuige “uit angst voor de bewoners van [a-straat 1] te [plaats] geen getuigenverklaring wilde afleggen”. Vandaar dat hetgeen zij alsnog heeft verklaard in een proces-verbaal van bevindingen terecht is gekomen.

3.13.

Blijkens zijn hiervoor onder 3.8 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof vooropgesteld “dat het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende de verklaring van een anonieme buurvrouw, gelet op art. 344a Sv, niet voor het bewijs kan worden gebezigd”. Uit deze overweging leid ik allereerst af dat de betreffende buurvrouw van de verdachte naar het oordeel van het hof kennelijk niet kan worden aangemerkt als een persoon “van wie vaststaat dat zij zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst haar verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken”, en dat zij derhalve moet worden aangemerkt als een “persoon wiens identiteit niet blijkt” in de zin van art. 344a, derde lid, Sv. Dat lijkt mij een feitelijk oordeel dat in cassatie niet – of slechts op zijn begrijpelijkheid – kan worden getoetst. Nu over dit oordeel in cassatie (begrijpelijk) niet wordt geklaagd, wordt de bedoelde getuige ook in cassatie beschouwd als een “persoon wiens identiteit niet blijkt” in de zin van art. 344a, derde lid, Sv. Uit de onder 3.8 weergegeven bewijsoverweging leid ik voorts af dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de anonieme buurvrouw door het hof is verstaan als een verzoek om deze persoon te ondervragen of te doen ondervragen.

3.14.

Het hof heeft geoordeeld dat, ook met uitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van de anonieme buurvrouw, er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, maar heeft vervolgens de verklaring van de anonieme buurvrouw desalniettemin gebruikt in zijn bewijsvoering, te weten in het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris van 29 mei 2018, houdende de verklaring van de verbalisante [verbalisant 1].

3.15.

Nu de verdediging blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2017 heeft verzocht de anonieme buurvrouw als getuige te ondervragen, is ook ten aanzien van het proces-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris sprake van een in art. 344a, derde lid onder b, Sv bedoelde situatie, voor zover daarin wordt verklaard over hetgeen de anonieme getuige tegenover de verbalisant heeft verklaard. Het hof had het proces-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris dan ook niet tot het bewijs mogen bezigen, voor zover dit inhoudt: “Een buurtbewoner vertelde ons dat even tevoren die jongeman, die iets verderop woonde, met het voertuig was thuisgekomen”. Het eerste middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden, omdat ook met weglating van voormelde zin er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat het de verdachte was die het hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor het overige, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de aanvulling op het verkorte arrest, blijkt namelijk dat de politie reeds voorafgaande aan de verklaring van de buurvrouw beschikte over het kenteken van de auto die bij het ongeval met een ander voertuig betrokken was, over het adres van de te naam gestelde van het voertuig en over het signalement van de bestuurder, terwijl het de verbalisanten ambtshalve bekend was dat de verdachte samen met zijn moeder op dit adres woonachtig is.

3.16.

Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

3.17.

Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met de wet heeft verzuimd om een uitdrukkelijke beslissing te nemen op het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot het horen van de anonieme getuige. Blijkens de toelichting doelt de steller van het middel op het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2018 gedane verzoek.

3.18.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2017 heeft het hof geoordeeld dat de anonieme getuige door de raadsheer-commissaris dient te worden gehoord als er bij de raadsheer-commissaris duidelijkheid komt over de identiteit van deze getuige en deze getuige geen probleem heeft met het bekendmaken van die identiteit, en dat, mocht de anonieme getuige het bekendmaken van de identiteit wel problematisch vinden, het aan de raadsheer-commissaris is om te bepalen of deze getuige de status van anonieme getuige krijgt en dienovereenkomstig wordt gehoord. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2018 heeft de verdediging − gelet op de voorwaarde als bedoeld in art. 344a, derde lid, onder b Sv − vervolgens voorwaardelijk verzocht om de anonieme getuige te horen. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, is het verzoek van 27 november 2018 niet uitsluitend afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat geen vrijspraak volgt, maar heeft de raadsman het doen van dit verzoek tevens afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat het hof niet vindt dat “door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de anonieme getuige te ondervragen of te doen ondervragen”. Nu het hof blijkens de weergegeven inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2017 en de inhoud van het bestreden arrest hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk wel dusdanig heeft opgevat, is aan de voorwaarde tot het doen van het verzoek niet voldaan. Het middel, dat er vanuit gaat dat ook ter terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2018 is verzocht om de anonieme getuige te horen, mist derhalve feitelijke grondslag.

3.19.

Het tweede middel faalt.

4. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vgl. HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9774, NJ 2011/451 m.nt. Reijntjes en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2407.

Vlg. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9109, NJ 2006/209 en de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 3 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9109.

Zie o.m. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2407, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:658, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3858, HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3151 en HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9774, NJ 2011/451 m.nt. Reijntjes.

Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416 en HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2082, NJ 2010/390 m.nt. Mevis.

Ik meen dat ik uit de inhoud de hier besproken processen-verbaal van bevindingen respectievelijk verhoor bij de raadsheer-commissaris kan afleiden dat het om één en dezelfde buurtbewoonster gaat. De raadsheer-commissaris laat namelijk blijkens zijn proces-verbaal van verhoor aan de verbalisant het proces-verbaal van bevindingen lezen van 25 februari 2015, naar aanleiding van zijn vraag of de verbalisant nog kan achterhalen wie de buurtbewoonster was en of zij nog kan herinneren welke woning van haar was, welke vragen de verbalisant ontkennend beantwoordt.

Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter van 16 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2307 onder 3.8.

Overigens is dat oordeel niet onbegrijpelijk gelet op de onder 3.5 weergegeven inhoud van het proces-verbaal van verhoor van de verbalisant [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris.

Vgl. onder meer HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9774, NJ 2011/451 m.nt. Reijntjes.

Zie hetgeen ik onder randnummer 3.13 heb opgemerkt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature