< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Profijtontneming, w.v.v. uit ripdeals gepleegd door internationale bende en uit soortgelijke feiten (art. 36e.2 Sr). Toerekening w.v.v. Had Hof bij verdeling van w.v.v. pondspondsgewijze verdeling moeten toepassen over in totaal 13 personen i.p.v. pondspondsgewijze verdeling over personen die direct bij desbetreffende ripdeal betrokken waren? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01071.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01072 P

Zitting 17 december 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij promis-arrest van 19 februari 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 281.225,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/01071. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gereageerd op een door de raadsman gevoerd verweer, inhoudende dat bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel een pondspondsgewijze verdeelsleutel dient te worden toegepast over in totaal dertien personen en dat artikel 6 EVRM is geschonden. De verwerping van het verweer en /of de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of de oplegging van de betalingsverplichting is/zijn op grond van dit gevoerde verweer onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.

5. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2019 gehechte pleitnotities. Deze houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Door het Openbaar Ministerie is aan cliënt de hoofdrol toebedeeld in een omvangrijke, internationaal opererende bende die zich toelegde op ripdeals, hetgeen door de rechtbank zonder meer is gevolgd.

2. De verdediging stelt dat uit het omvangrijke dossier blijkt het onaannemelijk is dat cliënt de hoofdrol heeft vervuld, en dat als er al een rol door cliënt is vervuld - quod non - dit slechts als een bijrol kan worden aangemerkt, zoals minimaal tien medeverdachten in het dossier een bijrol hebben vervuld.

3. Volgens matrix 2 van het dossier (pagina 51-53, nummering rechtsboven) vindt in 63 van de in totaal 67 zaken een eerste ontmoeting van een potentiële benadeelde plaats met een van de aliassen [naam 1] / [naam 2] /etc. (hierna: aliassen).

4. Uit matrix 1 op pagina 46-48 volgt dat een van deze aliassen slechts in 25 van de in totaal 67 zaken door een benadeelde wordt herkend van een foto.

5. Aangezien het aantal (potentiële) benadeelden dat de foto van cliënt niet herkent als een van de aliassen opvallend hoog is, namelijk in 42 van de 67 zaken, dient naar het oordeel van de verdediging te worden geconcludeerd dat de aliassen in 67% van de gevallen door andere personen dan cliënt zijn vertolkt. (…)

11. Nu de leidersrol van de organisatie, bij absentie van cliënt in meer dan 67% van de zaken, derhalve veel meer past bij [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , dient te worden geconcludeerd dat cliënt niet het grootste gedeelte van de buit per zaak kan hebben ontvangen, nu het tegendeel slechts is gebaseerd op de leugenachtige verklaringen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , afgelegd voor het Landesgericht Wien.

12. Mocht u besluiten dat cliënt wel heeft deelgenomen aan een aantal zaken, net als alle, minimaal tien medeverdachten, dan is het naar het oordeel van de verdediging, gezien de feiten en omstandigheden zoals hierboven gesteld, aannemelijk dat hij pond-pondsgewijs heeft gedeeld in de revenuen.

(…)

21. De recherche Ravensburg, als autoriteit aan te merken in de samenstelling van het dossier met betrekking tot dit internationale web van ripdeals en verdachten, heeft in het dossier een lijst samengesteld waarin 31 personen van Slavische afkomst zijn opgenomen (pagina 412-413).

22. Tevens stelt de recherche Ravensburg in het begeleidend schrijven van voornoemde lijst, dat zij een fotomap op CD-ROM ter beschikking stellen, waarin “foto’s van de nu geïdentificeerde tien verdachten als ook van verscheidene andere, tot nu toe niet geïdentificeerde mededaders (...)” worden getoond (pagina 406).

23. Derhalve is volgens de recherche Ravensburg sprake van een criminele organisatie waarin minimaal tien en zeer waarschijnlijk veel meer, dan wel meer dan dertig personen actief zijn.

24. Naar het oordeel van de verdediging is zeer onwaarschijnlijk is dat een ‘kaaskop’ (cliënt) aan het hoofd zal staan van een criminele organisatie die volledig uit meer dan dertig mannen van Slavische afkomst bestaat.

25. Tenslotte wijst de verdediging op het feit dat het kennelijk een eenvoudig klusje is voor een oplichtersbende om de identiteit van een ander aan te nemen. Het alias [naam 1] lijkt immers gebaseerd op een werkelijk bestaand persoon. Een valse naam met bijbehorende visitekaartjes kan iedereen aannemen, terwijl het ronduit ongeloofwaardig is dat niemand van de omvangrijke oplichtersbende de werkelijke identiteit van cliënt zou kennen.

26. Derhalve dient al helemaal getwijfeld te worden aan de deelname van cliënt aan de ‘soortgelijke feiten’, nu deze zaken niet verder zijn onderzocht door de Nederlandse politie en justitie, doch slechts op grond van een vergelijkbare modus operandi aan cliënt worden toegerekend.

27. De modus operandi kan, gezien het bovenstaande, volstrekt niet als exclusief worden aangemerkt, aangezien in meer dan 67% van de zaken cliënt niet als deelnemer kan worden aangemerkt.

VERDEELSLEUTEL BUIT

28. Op pagina’s 412 en 413 worden in totaal 34 personen in het omvangrijke onderzoek van de recherche Ravensburg aangemerkt als verdachte. Allen, op cliënt na, hebben een Slavische achternaam die duidt op een herkomst vanuit de Balkanlanden.

29. Nu de recherche Ravensburg deze personen met foto’s heeft opgenomen in een fotomap ter herkenning in zaken met betrekking tot rip-deals, dient te worden geconcludeerd dat deze 34 verdachten worden gelinkt aan de vele rip-deals, die een modus operandi vertonen die vergelijkbaar is met de zaken in het onderhavige dossier. Daaraan dient nog te worden toegevoegd de verdachte [betrokkene 35], die aan meerdere zaken in het EAB wordt gelinkt.

30. Van deze lijst zijn ieder geval 11 personen op een of andere wijze als verdachte genoemd in de 10 zaken die aan cliënt worden toegerekend. Bovendien worden daarnaast nog de volgende verdachten aangemerkt: [betrokkene 13] (zaak [betrokkene 5] ), [betrokkene 14] , [betrokkene 15] en [betrokkene 16] (allen zaak [betrokkene 4] ).

In totaal derhalve 15 verdachten waarvan daderschap wordt vermoed.

31. Uit het dossier van de recherche Ravensburg en het EAB blijkt dat, behalve [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , in ieder geval de navolgende verdachten in het grootschalige onderzoek naar voren kwamen: [betrokkene 13] , [betrokkene 17] , [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 13] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] en [betrokkene 24] . In totaal 12 medeverdachten, behalve cliënt.

32. Naar het oordeel van de verdediging is in alle aan cliënt ten laste gelegde, dan wel soortgelijke, zaken sprake van deze oplichtersbende. Nu achter de schermen werkzaamheden zijn verricht door verdachten die niet door de aangevers zijn benoemd, doch uit het dossier blijkt dat zij allen deelnemer waren in deze criminele organisatie, dienen zij allen, in ieder geval 13 verdachten, inclusief cliënt, te worden aangemerkt als mededelers in de buit.

33. Derhalve dient een pond-pondsgewijze verdeelsleutel te worden toegepast over 13 verdachten, tenzij uit het dossier een andere verdeling van de buit blijkt, zoals hierna per individuele zaak nader wordt toegelicht.

Zaak [betrokkene 4] (€ 160.000)

34. In het P-V van de recherche Ravensburg (pagina 173) wordt gesteld dat [betrokkene 11] en [betrokkene 12] uit de rip-deal van [betrokkene 4] een bedrag ad € 60.000 hadden gekregen. Derhalve dient dit bedrag te worden verminderd op de hoofdsom van € 160.000, alvorens een pond-pondsgewijze verdeelsleutel op het resterende bedrag wordt toegepast.

35. Bovendien herkent aangever [betrokkene 4] eveneens de navolgende personen: [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] en [betrokkene 16] (pagina 176).

Nu al deze verdachten eveneens zullen hebben meegedeeld in de buit, onderbouwt dit de stelling van de verdediging, in navolging van hetgeen de recherche Ravensburg reeds heeft geconcludeerd, dat er minimaal 10 medeverdachten zijn die hun aandeel in de ripdeal hebben bijgedragen. Aan hen zal eveneens een percentage van de resterende hoofdsom (€ 160.000 minus € 60.000 ( [betrokkene 11] / [betrokkene 12] )) moeten worden toegerekend, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 100.000 gedeeld door 11 medeverdachten (13 in totaal, minus [betrokkene 11] en [betrokkene 12] die hun deel ad € 60.000 reeds hebben toegeëigend), kan worden toegerekend, zijnde: € 9.090,90.

Zaak [betrokkene 3] (€ 25.000)

36. Getuige [betrokkene 3] vordert € 25.000. Uit het EAB blijkt dat in dit onderzoek ook [betrokkene 17] als verdachte is aangemerkt, zodat naar het oordeel van de verdediging de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten dient te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.923,07 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 5] (€ 30.000)

37. Volgens de matrix op pagina 47 wordt cliënt niet herkend door aangever. Derhalve dient deze vordering te worden afgewezen.

Zaak [betrokkene 1] (€ 30.000)

38. Naar het oordeel van de verdediging dient de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.307,67 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 2] (€ 50.000)

39. Naar het oordeel van de verdediging dient de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.846,15 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 6] (€ 6o.ooo)

40. Naar het oordeel van de verdediging dient de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 4.615,38 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 7] (€ 100.000)

41. Naar het oordeel van de verdediging dient de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 7.692,30 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 9] (€ 81.274.50)

42. In deze zaak heeft [betrokkene 11] zijn aandeel in de vordering benadeelde partij reeds voldaan, zoals door het Landesgericht Wien is geoordeeld. Immers, bij [betrokkene 11] is een bedrag van € 59.500 aangetroffen en in beslag genomen en aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag is naar rato verdeeld over een vijftal benadeelden, waaronder aangever [betrokkene 9] (€ 18.725,41). Derhalve dient de resterende vordering pond-pondsgewijs verdeeld te worden over 12 verdachten, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 6.772,88 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 8] (€ 200.000)

43. Naar het oordeel van de verdediging dient deze vordering te worden afgewezen, nu zij eerstens slechts is gebaseerd op een vergelijkbare modus operandi, terwijl zij echter in Saronno, Italie heeft plaatsgevonden, hetgeen duidt op een ripdeal zonder de deelname van cliënt, nu de modus operandi die aan cliënt wordt toegedicht, zich telkens afspeelt in Nederland, te weten Amsterdam (of Maastricht). De enkele foto-herkenning is ten enenmale onvoldoende als bewijsmiddel, nu evengoed [betrokkene 26] het alias kan hebben vertolkt, hetgeen veel beter past binnen het werkgebied van de oplichtersbende zonder deelname van cliënt.

44. Mocht u deze redenatie niet volgen, dan dient naar het oordeel van de verdediging de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 13 verdachten te worden toegepast, zodat aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 15.384,62 kan worden toegerekend.

Zaak [betrokkene 10] (€ 100.000)

45. Het vaststaande feit dat aangever [betrokkene 10] (Faktum 35, vordering tot ontneming van € 100.000) als gevolg van het vonnis van het Landgericht Wien deels schadeloos is gesteld ten bedrage van € 18.865,85, voortkomend uit het beslag dat is gelegd op het bij [betrokkene 11] aan getroffen geldbedrag ad € 59.500 (zie vordering benadeelde partij [betrokkene 9] ), en dit feit NIET in de onderhavige vordering tot ontneming is meegenomen en verrekend ten voordele van cliënt (immers cliënt wordt in casu nog steeds de hoofdsom van € 100.000 ten laste gelegd), tast de betrouwbaarheid van de onderhavige vordering in haar geheel aan. Derhalve dient de vordering te worden afgewezen.

46. Mocht u deze redenatie niet volgen, dan dient naar het oordeel van de verdediging de pond-pondsgewijze verdeelsleutel over 12 verdachten te worden toegepast (aangezien [betrokkene 11] zijn aandeel ad € 18.865,85 reeds uit het onder hem beslagene heeft voldaan), zodat een totaalbedrag aan vordering resteert ad € 81.134,15, waarvan aan cliënt een wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 6.761,17 kan worden toegerekend.

Tussenconclusie: In totaal dient op grond van de hierboven genoemde zaken een wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 58.304.34 aan cliënt te worden toegerekend.

BENADEELDEN INMIDDELS (DEELS) SCHADELOOS GESTELD?

47. De verdediging is van oordeel dat alle verdachten, gezien het lange tijdsverloop tussen de pleegdata (2004/2005/2006) en heden, inmiddels door de justitiële autoriteiten van Duitsland, dan wel Oostenrijk, dan wel Italië, zijnde de landen waarin de oplichtersbende haar werkveld pleegde te hebben, zullen zijn gearresteerd en berecht voor een of meerdere van de tientallen ripdeals.

48. Uit de veroordeling van het Landesgericht Wien blijkt immers dat zowel [betrokkene 9] als [betrokkene 10] zich hebben gevoegd als benadeelde partij, hetgeen zij tevens hebben gedaan in de onderhavige vordering.

49. Derhalve moet ernstig rekening worden gehouden dat niet alleen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] , maar ook de overige benadeelden zich in meerdere strafzaken tegen andere verdachten, waaronder [betrokkene 13] , [betrokkene 17] , [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 13] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] en [betrokkene 24] , zullen hebben gevoegd met hun vordering.

50. Het vaststaande feit dat aangevers [betrokkene 10] en [betrokkene 9] als gevolg van het vonnis van het Landgericht Wien deels schadeloos zijn gesteld, onderschrijft de redenering dat niet alleen zij, maar ook de overige benadeelden in een of meerdere landen hun vordering zullen hebben ingediend.

51. Aan de betrouwbaarheid van de huidige hoogte van de vorderingen dient temeer worden getwijfeld, nu blijkt uit het dossier dat, op de zaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] na, alle aan cliënt ten laste gelegde (soortgelijke) feiten blijkbaar in minimaal twee verschillende landen (immers voorzien van een Faktum nummer) tot opsporing, vervolging en mogelijk (deels) schadeloosstelling van de aangevers kan hebben geleid.

52. Bovendien is de zaak [betrokkene 5] tevens overgedragen vanuit Duitsland (Faktum 24) aan het Openbaar Ministerie Wenen (pagina 514), hetgeen duidt op vervolging in Oostenrijk.

53. Het vermoeden dat er inmiddels (deels) schadeloosstelling is gevolgd in een of meer van de onderhavige (soortgelijke) zaken wordt mede gevoed, behalve door de onbetrouwbare vordering van [betrokkene 10] , nu hij immers reeds voor een deel schadeloos werd gesteld door het Landesgericht Wien, alsmede door het feit dat inmiddels meer dan tien jaren zijn verstreken waarin de opsporing, vervolging en afdoening van de onderhavige zaken kan zijn gerealiseerd in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland of Italië, al naar gelang een of meerdere bovengenoemde zaken in deze landen tot vervolging en berechting heeft geleid van een oplichtersbende waarin (ook) anderen dan cliënt hebben deelgenomen.

54. Het is zeer waarschijnlijk dat in de bovengenoemde landen de opsporing van de minimaal tien en mogelijk zelfs meer dan dertig verdachten tot vervolging en berechting heeft geleid, waarna een schadeloosstelling is gevolgd of een ontnemingsvordering is toegewezen, terwijl een of meerdere benadeelden, in navolging van de onbetrouwbare [betrokkene 10] , dit niet aan de Nederlandse autoriteiten hebben medegedeeld.

55. Derhalve is het zeer waarschijnlijk dat de door de benadeelden gevorderde bedragen niet langer overeenkomen met de huidige werkelijkheid, nu zij immers hun vordering in alle bovengenoemde landen hebben kunnen indienen, zoals ook [betrokkene 9] en [betrokkene 10] hebben gedaan bij het Landesgericht Wien.

56. Hier wreekt zich immers het feit dat vorderingen van benadeelde partijen kennelijk niet alleen in alle landen kunnen worden ingediend waar opsporing van deze feiten plaatsvindt, doch tevens kunnen worden ingebracht als ‘soortgelijke feiten’, terwijl deze feiten niet (eveneens) in die landen zijn onderzocht.

57. Deze soortgelijke zaken, zoals in casu [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [betrokkene 10] , zijn derhalve sowieso te beschouwen als vorderingen benadeelde partij die in ieder geval zullen zijn aangebracht in andere landen, nu zij niet als zodanig zijn aangebracht in Nederland.

58. De kans dat zij inmiddels deels, dan wel volledig zullen zijn voldaan als gevolg van veroordelingen in het buitenland, in samenhang bezien met het feit dat het onderhavige dossier sinds de samenstelling kennelijk nooit meer van een update is voorzien, dat de soortgelijke zaken qua opsporing en vervolging volledig in buitenlandse handen is gebleven, alsmede dat de soortgelijke benadeelden kennelijk niet eens op de hoogte zijn van het feit dat hun schadepost ook in Nederland is ingebracht (zie [betrokkene 10] ), leidt naar het oordeel van de verdediging tot een toerekening van (in ieder geval het soortgelijke) wederrechtelijk verkregen voordeel dat de toets van betrouwbaarheid en validiteit niet doorstaat, waardoor de door het Europese Hof gegarandeerde recht op een fair trial ex artikel 6 EVRM wordt geschonden.

59. Tussenconclusie: naar het oordeel van de verdediging dient het wederrechtelijk verkregen voordeel dat voortkomt uit de soortgelijke zaken te worden afgewezen.”

6. Het hof heeft onder “schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel”, voor zover hier relevant, het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Bewijs/aanwijzingen

In de Rapportage berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 4 mei 2015 wordt het voordeel van veroordeelde berekend aan de hand van een tiental aangiften tegen hem. Het hof zal bij de beoordeling dezelfde structuur hanteren. De aangiften genummerd als de zaken 2, 3, 4, 6 en 9 zien op de vijf feiten waarvoor [betrokkene] bij arrest van 19 februari 2019 door dit hof is veroordeeld. De overige aangiften zien op soortgelijke strafbare feiten, waaromtrent volgens het openbaar ministerie voldoende aanwijzingen bestaan dat die door [betrokkene] zijn begaan.

Uit het dossier komt naar voren dat sinds 2004 in verschillende landen in Europa een internationale bende actief is geweest die ripdeals pleegde dan wel personen oplichtte. Voor het gemak zal hierna telkens worden gesproken van ‘ripdeals’. In 2005 werd duidelijk dat de bende hoofdzakelijk vanuit Wenen in Oostenrijk opereerde en dat de daadwerkelijke ripdeals veelal in Nederland en in Italië plaatsvonden.

Uit de verhoren ter terechtzitting in de rechtbank te Wenen komt naar voren dat diverse medeverdachten hebben verklaard dat de man die zich [naam 1] noemde de leider van de groep was. Hij was degene die aanwijzingen gaf, de bende faciliteerde en de buit verdeelde.

De inmiddels voor ripdeals veroordeelde [betrokkene 11] heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in Wenen verklaard dat de man die zich [naam 1] noemde het grote brein en de leider was van de ripdealbende. [naam 1] was bij de ripdeals telkens op de achtergrond aanwezig en wachtte tot de zaak afgewikkeld was. Nadat de zaak was afgerond verdeelde [naam 1] het geld .

Het hof heeft in de onderliggende strafzaak geoordeeld dat veroordeelde zich valselijk en in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als [naam 1] en [naam 3] . Tevens heeft het hof in de onderliggende strafzaak geconcludeerd dat veroordeelde degene is die zich heeft voorgedaan als [naam 2] .

Het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat ook in de andere door het openbaar ministerie in zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgenomen zaken, voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde uit zaken die soortgelijk zijn aan de zaken waarvoor de veroordeling in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden, voordeel heeft genoten. Ter verduidelijking passeren alle zaken hierna nog een keer de revue.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier komt niet duidelijk naar voren wat de rollen van de betrokkenen precies hebben ingehouden en op welke manier de opbrengsten onderling zijn verdeeld. Om die reden gaat het hof steeds per zaak uit van het aantal verdachten dat blijkens het dossier betrokken is geweest en zal het hof steeds per zaak het totaalbedrag aan genoten voordeel delen door dat aantal betrokken verdachten.

Zaak 1: [betrokkene 1]

Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in 2004 via een persoon genaamd [betrokkene 27] in contact kwam met een persoon die zich uitgaf als zijnde [naam 1] . Deze [naam 1] gaf aan als tussenpersoon te fungeren. Uiteindelijk leidden de besprekingen tot een afspraak op 24 juni 2004 te Amsterdam. Hierbij zou door aangever een contante geldsom ter hoogte van € 30.000,00 gedeponeerd worden bij een notaris. Vlak voor het tijdstip waarop de afspraak bij de notaris zou plaatsvinden, belde [naam 1] aangever met de mededeling dat iemand anders aangever naar de notaris zou brengen. Nadat aangever de tas met € 30.000,00 aan een persoon genaamd [betrokkene 28] had overhandigd, teneinde hem in de gelegenheid te stellen de echtheid van het geld te testen, sprong [betrokkene 28] in een auto en reed hij hard weg. Aangever kon daarna geen contact meer krijgen met [naam 1] en het geld bleef weg. Bij de zaken 1 en 7 werden dezelfde telefoonnummers gebruikt. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ), een persoon die zich [betrokkene 27] noemt en een onbekende persoon die de tas meeneemt (om op echtheid te testen) ter zake van zaak 1 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 30.000,00, gelet op de aangifte van [betrokkene 1] , het gebruik van dezelfde telefoonnummers in de zaken 1 en 7, de overeenkomst in werkwijze in de onderhavige zaak met die in de andere zaken en de verklaring van [betrokkene 11] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 1 een voordeel heeft genoten van € 30.000,- / 3 = € 10.000,00.

Zaak 2: [betrokkene 2]

Aangever [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op een bepaald moment in contact kwam met [naam 1] . Deze was geïnteresseerd om drie woningen van hem te kopen. Alvorens tot de koop over te gaan, bedong [naam 1] dat aangever € 50.000,00 in contanten zou wisselen voor 100.000,00 Engelse ponden. Daartoe werd een afspraak in een hotel gemaakt. Toen aangever in het hotel aankwam, belde [naam 1] dat hij door een file verlaat was, maar dat een zakenpartner reeds aanwezig was om de deal alvast te beklinken. Eenmaal in het restaurant kwam aangever in contact met deze zakenpartner. Deze laatste verzocht om het geld te mogen testen en daarop verliet aangever met de zakenpartner van [naam 1] het hotel. Op de parkeerplaats liep de zakenpartner naar een auto. Toen aangever zijn geld wilde laten zien en daartoe zijn tas op de bijrijdersstoel zette, griste de bestuurder van de auto het geld uit de tas en gingen de bestuurder en de zakenpartner er vandoor. Aangever kon daarna geen contact meer krijgen met [naam 1] en het geld bleef weg. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ), zijn zakenpartner en de bestuurder ter zake van zaak 2 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 50.000,00, gelet op de aangifte van [betrokkene 2] , de veroordeling van [betrokkene] in de hoofdzaak en de verklaring van [betrokkene 11] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 2 een voordeel heeft genoten van € 50.000,- / 3 = € 16.666,67.

Zaak 3: [betrokkene 3]

Aangever [betrokkene 3] heeft het volgende verklaard. Eind september 2004 bood hij zijn woning op internet te koop aan. Vervolgens nam een persoon genaamd [naam 1] contact met hem op. Hij was geïnteresseerd in de woning en aangever sprak met hem af in Maastricht. De koop werd overeengekomen. In de tussentijd werd door aangever en [naam 1] overeengekomen dat aangever de woning na de verkoop voor een bepaalde periode zou huren tegen de contante huurprijs van € 25.000,00. Bij de afspraak op 21 juli 2005 had aangever dit bedrag bij zich. Bij aankomst in het afgesproken hotel belde [naam 1] dat hij verlaat was en dat aangever alvast kon onderhandelen met de in het hotel aanwezige financieel adviseur van [naam 1] . De persoon die zich uitgaf voor financieel adviseur van [naam 1] vroeg of hij het geld mocht testen. Aangever stemde daarmee in, waarop deze persoon met medeneming van het geld het restaurant verliet en verdween. Aangever kon daarna geen contact meer krijgen met [naam 1] en het geld bleef weg. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zicht voordeed als zijnde [naam 1] ) en de financieel adviseur van die [naam 1] ter zake van zaak 3 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 25.000,00, gelet op de aangifte van [betrokkene 3] , de veroordeling van [betrokkene] in de hoofdzaak en de verklaring van [betrokkene 11] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 3 een voordeel heeft genoten van € 25.000 - / 2 = € 12.500,00.

Zaak 4: [betrokkene 4]

Aangever [betrokkene 4] heeft het volgende verklaard. Hij zocht investeerders in zijn bedrijf en is in contact gekomen met [naam 1] van de firma [A] uit Zug (Zwitserland). Uiteindelijk werd een deal overeengekomen waarbij aangever € 160.000,00 in kleine coupures zou wisselen tegen hetzelfde bedrag in coupures van € 500,00. Afgesproken werd dat de geldwissel zou plaatsvinden bij een notaris te Maastricht. Het lukte [naam 1] naar eigen zeggen niet om op tijd bij de notaris aanwezig te zijn. Aangever heeft het geld toen overgedragen aan een kompaan van [naam 1] , een Spanjaard, die ook bij eerdere afspraken aanwezig was in ruil voor - naar later bleek - valse biljetten van € 500,00. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ) en zijn Spaanse kompaan ter zake van zaak 4 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 160.000,00, gelet op de verklaring van [betrokkene 4] , de veroordeling van [betrokkene] in de hoofdzaak en de verklaring van [betrokkene 11] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 4 een voordeel heeft genoten van € 160.000,00 / 2 = € 80.000,00.

Zaak 5: [betrokkene 5]

Aangever [betrokkene 5] heeft het volgende verklaard. Zijn bedrijf was op zoek naar financieringsmogelijkheden en kwam in contact met [naam 1] van het bedrijf [B] uit Zug (Zwitserland). Uiteindelijk werd een deal overeengekomen waarbij op 9 juni 2004 in Amsterdam een eerste deelbetaling ter hoogte van € 200.000,00 zou plaatsvinden, tegen overdracht van € 30.000,00 als onderpand. Het lukte [naam 1] naar eigen zeggen niet om bij de notaris aanwezig te zijn en aangever werd door [naam 1] naar een café gestuurd. In het café heeft aangever het geld overgedragen aan een kompaan van [naam 1] in ruil voor - naar later bleek - valse biljetten van € 500,00.

Bij de zaken 5 en 8 werden dezelfde telefoonnummers gebruikt.

Bij de zaken 5, 7 en 8 werd gebruik gemaakt van de firmanaam [B] uit Zug (Zwitserland).

Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ) en zijn kompaan ter zake van zaak 5 voordeel hebben genoten, gelet op de aangifte van [betrokkene 5] , het gebruik van dezelfde telefoonnummers in de zaken 5 en 8, het gebruik van dezelfde firmanamen in de zaken 5, 6 en 7, de verklaring van [betrokkene 11] en de overeenkomst in werkwijze in de onderhavige zaak en in de andere zaken. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 5 een voordeel heeft genoten van € 30.000,00 / 2 = € 15.000,00.

Zaak 6: [betrokkene 6]

Aangever [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij in mei 2005 werd benaderd door een persoon die zich [naam 1] noemde. [naam 1] gaf aan dat hij bestuurder was van de firma [A] Ltd. te Zug (Zwitserland). Aangever zocht een investeerder en [naam 1] was geïnteresseerd. [naam 1] bedong dat aangever 1% van de investeringssom, te weten € 60.000,00, fiduciair zou deponeren. Op 6 juli 2005 ging aangever voor dit doel naar Amsterdam. Vlak voor het tijdstip waarop de afspraak bij de notaris zou plaatsvinden, belde [naam 1] aangever met het verzoek om elkaar voorafgaand aan de afspraak te ontmoeten in een hotel. Toen aangever in de lobby van het hotel aankwam, belde [naam 1] dat twee collega’s aangever zouden opwachten en dat hijzelf er ook zo zou aankomen. Toen een van de twee personen aangever verzocht om het geld te mogen zien, overhandigde aangever het geld. Omdat aangever op dat moment door [naam 1] werd gebeld, verloor hij de twee personen even uit het oog, waarna het duo spoorslags verdween. Vervolgens kreeg aangever geen contact meer met [naam 1] .

Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ) en zijn twee collega’s ter zake van zaak 6 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 60.000,00, gelet op de verklaring van [betrokkene 6] , de veroordeling van [betrokkene] in de hoofdzaak en de verklaring van [betrokkene 11] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 6 een voordeel heeft genoten van € 60.000,00 / 3 = € 20.000,00.

Zaak 7: [betrokkene 7]

Aangever heeft het volgende verklaard. Door een tussenpersoon kwam aangever in contact met [naam 1] van het bedrijf [B] Ltd. [naam 1] bedong dat aangever een geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 bij een bank zou deponeren. Op 2 juli 2004 ging aangever met dit doel naar Amsterdam. Vlak voor het tijdstip waarop de afspraak bij de bank zou plaatsvinden, belde [naam 1] aangever en werd aangever naar een andere locatie geleid. Uiteindelijk ging aangever vanuit deze locatie met twee kompanen van [naam 1] naar een horecagelegenheid, alwaar met toepassing van geweld het geld van aangever werd afgenomen.

Bij de zaken 1, 5 en 7 werden dezelfde telefoonnummers gebruikt.

Bij de zaken 5, 7 en 8 werd gebruik gemaakt van de firmanaam [B] uit Zug (Zwitserland).

Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ) en zijn twee kompanen ter zake van zaak 7 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 100.000,00, gelet op de beschrijving van de feiten door [betrokkene 7] , het gebruik van dezelfde telefoonnummers in de zaken 1, 5 en 7, het hanteren van dezelfde firmanaam in de zaken 5, 7 en 8, de verklaring van [betrokkene 11] en de overeenkomst in werkwijze in de onderhavige zaak met die in de andere zaken. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 7 een voordeel heeft genoten van € 100.000,00 / 3 = € 33.333,33.

Zaak 8: [betrokkene 8]

Aangever heeft het volgende verklaard. Aangever kwam door een tussenpersoon in contact met [naam 1] . Deze [naam 1] zou president zijn van de raad van beheer van de bedrijven [B] AG en [A] AG. [naam 1] bedong dat aangever op 12 augustus 2005 naar een hotel in de buurt van Saronno (Italië) zou komen met een geldbedrag van € 200.000,00, zijnde het voorschot voor een geplande investering door [naam 1] . Aldaar werd aangever niet ontvangen door [naam 1] , maar door een kompaan van [naam 1] . Toen aangever zijn geld toonde, griste de kompaan het geld weg en verdween hij.

Bij de zaken 5, 7 en 8 werden dezelfde telefoonnummers gebruikt. Bij de zaken 5, 7 en 8 werd gebruik gemaakt van de firmanaam [B] uit Zug (Zwitserland) en bij de zaken 4, 6 en 8 werd gebruik gemaakt van de firmanaam [A] . Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 1] ) en zijn kompaan ter zake van zaak 8 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 200.000,00, gelet op de aangifte van [betrokkene 8] , het gebruik van dezelfde telefoonnummers in de zaken 5, 7 en 8, het hanteren van dezelfde firmanaam [B] in de zaken 5, 7 en 8, dezelfde firmanaam [A] in de zaken 4, 6 en 8, de verklaring van [betrokkene 11] en de overeenkomst in werkwijze in de onderhavige zaak met die in de andere zaken. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 8 een voordeel heeft genoten van € 200.000,00 / 2 = € 100.000,00.

Zaak 9: [betrokkene 9]

Aangever [betrokkene 9] heeft verklaard dat hij in augustus 2005 werd benaderd door een man genaamd [betrokkene 31] , die optrad namens [C] AG. te Zug (Zwitserland). Via deze man kwam aangever in contact met een man die zich uitgaf als [naam 3] . Het bedrijf zou willen investeren in het bedrijf van [betrokkene 9] . De investering in de vorm van een lening zou worden bekrachtigd bij een notaris te Amsterdam. Als tegenprestatie zou aangever € 100.000,00 contant in kleine coupures meenemen en daar hetzelfde bedrag in coupures van € 500,00 voor terugkrijgen. Op 15 september 2005 zou te Amsterdam de afspraak bij de notaris en bovenbeschreven geldwissel plaatsvinden. Kort voor de afspraak nam [naam 3] contact op met aangever. Hij kon wegens een auto-ongeluk niet zelf bij de geldruil aanwezig zijn. Een zoon van [betrokkene 31] zou voor hem de geldruil uitvoeren waarna vervolgens de sessie bij de notaris zou kunnen plaatsvinden. Aangever ging samen met een collega genaamd [betrokkene 29] naar de afgesproken bank. Eenmaal binnen werden zij gebeld dat ene [betrokkene 30] , zoon van [betrokkene 31] , buiten op hen stond te wachten. Door deze [betrokkene 30] werden drie biljetten van € 500,00 uit een aktetas overhandigd. Nadat deze biljetten door de bank waren gecontroleerd en echt bleken, werd door [betrokkene 29] € 100.000,00 overhandigd aan [betrokkene 30] en kreeg [betrokkene 29] in ruil daarvoor de vorengenoemde aktetas. Daarna bleek dat de aktetas gevuld was met valse biljetten.

Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 3] ) en [betrokkene 30] ter zake van zaak 9 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 100.000,00, gelet op de verklaring van [betrokkene 9] , de veroordeling van [betrokkene] in de hoofdzaak en de verklaring van [betrokkene 11] . Voor zover [betrokkene 30] en [betrokkene 31] al te onderscheiden personen zijn, acht het hof het redelijk dat, gezien de rol die verdachte in de organisatie inneemt, aan hem de helft van het voordeel wordt toegeschreven. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 9 een voordeel heeft genoten van € 100.000,00 / 2 = € 50.000,00.

Zaak 10 [betrokkene 10]

Aangever [betrokkene 32] heeft het volgende verklaard. Naar aanleiding van een door hem geplaatste advertentie voor het werven van investeerders werd aangever in oktober 2005 benaderd door een man genaamd [betrokkene 33] . Dit leidde tot een eerste ontmoeting in Den Haag op 9 november 2005 tussen aangever, zijn compagnon [betrokkene 10] en een man genaamd [naam 2] . Tijdens deze ontmoeting werd een vervolgafspraak gepland op 23 november 2005 te Amsterdam. Aangever en [betrokkene 10] zouden die dag € 100.000,00 bij een notaris deponeren. Een kompaan van [naam 2] , genaamd [betrokkene 34] , zou de deal bij de notaris afsluiten. Bij een filiaal van de ABN-AMRO bank zou een geldwissel plaatsvinden alvorens de uiteindelijke geldsom bij de notaris gedeponeerd zou worden. Op enig moment trok [betrokkene 34] de geldkoffer uit handen van aangever en sprong in een gereedstaande auto.

Aangever en [betrokkene 10] hebben [betrokkene] tijdens een fotoconfrontatie herkend als de man die zich voordeed als [naam 2] .

Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] (die zich voordeed als zijnde [naam 2] ) en zijn kompaan [betrokkene 34] ter zake van zaak 10 voordeel hebben genoten ten bedrage van € 100.000,00, gelet op de aangifte van [betrokkene 32] , de fotoherkenning, de verklaring van [betrokkene 11] en de overeenkomst in werkwijze in de onderhavige zaak met die in de andere zaken. Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene] ter zake van zaak 10 een voordeel heeft genoten van € 100.000,00 / 2 = € 50.000,00.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat [betrokkene] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen. Schatting totaal wederrechtelijk verkregen voordeelHet hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vaststellen op € 281.225,41. Hiertoe overweegt het hof als volgt.Opgeteld bedraagt het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene] € 387.500,00:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde bij arrest van 19 februari 2019 is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [betrokkene 9] ten bedrage van € 81.274,59, alsmede tot het betalen van schadevergoeding aan [betrokkene 3] ten bedrage van € 25.000,00. Het hof zal deze aan de benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op het geschatte voordeel in mindering brengen. ”

7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en gelet op de parlementaire geschiedenis bij artikel 36e Sr, dient bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Dat is niet anders indien meerdere personen hebben geprofiteerd van gepleegde strafbare feiten. In dergelijke gevallen is het voor de rechter niet altijd mogelijk direct de omvang van het voordeel van elk van die personen vast te stellen. Hij zal dan op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden personen hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen kan worden toegerekend. Indien niet duidelijk is hoe het verkregen voordeel is verdeeld, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend over de daders. De pondspondsgewijze verdeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de criminele praktijk vaak evenredig wordt verdeeld.

8. Het voorgaande betekent geenszins dat de rechter, indien er meerdere daders zijn, verplicht is om tot een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen en evenmin dat pondspondsgewijze verdeling altijd het uitgangspunt moet zijn indien wel tot een verdeling wordt gekomen. De omstandigheden van het geval zijn beslissend. Of de rechter gehouden is zijn oordeel omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel nader te motiveren, hangt onder andere af van de procesopstelling van de betrokkene en van hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

9. Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.

10. Terug naar de voorliggende zaak. In de hiervoor onder randnummer 6 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat uit het dossier naar voren komt dat sinds 2004 in verschillende landen in Europa een internationale bende actief was die ripdeals pleegde. Diverse medeverdachten hebben verklaard dat de man die het alias ‘ [naam 1] ’ bezigde, de leider van de groep was. Hij was degene die aanwijzingen gaf en bij de ripdeals was hij telkens (op de achtergrond) aanwezig. Zodra de zaak tot een goed einde was gebracht, verdeelde [naam 1] het geld. In de onderliggende strafzaak (tevens de hier in cassatie samenhangende zaak 19/01071) heeft het hof geoordeeld dat het de betrokkene was die zich heeft voorgedaan als [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] , en heeft het hof hem ten aanzien van vijf feiten (de zaken 2, 3, 4, 6 en 9 in de hier voorliggende zaak) veroordeeld. Het hof acht het, gelet op dezelfde aliassen, dezelfde telefoonnummers, dezelfde firmanaam en dezelfde modus operandi die in vijf andere zaken zijn gebruikt en de verklaringen van een medeverdachte aannemelijk dat de betrokkene ook uit die zaken wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

11. Het middel komt op tegen de verdeelsleutel die het hof heeft toegepast. In de toelichting wordt betoogd dat het voordeel moet worden verdeeld tussen in ieder geval dertien personen, waaronder de betrokkene, nu het hof spreekt over een internationale bende en uit het Europees aanhoudingsbevel (EAB) volgt dat in totaal twaalf medeverdachten in het onderzoek naar voren kwamen. Het is aannemelijk dat deze ‘bendeleden’ achter de schermen ook werkzaamheden hebben verricht en daarnaast allen deelnamen aan dezelfde criminele organisatie, zodat in ieder geval in totaal dertien personen moeten hebben medegedeeld in de buit, aldus de stellers van het middel.

12. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel steeds pondspondsgewijs verdeeld over de personen die direct bij een zaak betrokken waren, nu aanknopingspunten voor een andere verdeling ontbraken. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de betrokkene aan het hoofd stond van een internationaal opererende bende die ripdeals pleegde. Bij elke ripdeal speelde hij een cruciale rol. Hoeveel personen in elke zaak hebben gedeeld in het voordeel is in gevallen als deze niet altijd exact vast te stellen. Het hof heeft daarom op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval per zaak bepaald over hoeveel personen het voordeel moet worden verdeeld. Dat mocht het hof doen.

13. Het hof was evenmin gehouden tot een nadere motivering van diens oordeel, ook niet in het licht van hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging in essentie niet meer heeft aangevoerd dan dat uit het dossier en het EAB in totaal twaalf medeverdachten naar voren zijn gekomen en dat aannemelijk is dat zij achter de schermen ook werkzaamheden hebben verricht. Dat standpunt is echter niet nader onderbouwd met documenten of anderszins. Bovendien wil het enkele feit dat uit het dossier en het EAB meerdere namen naar voren komen niet zeggen dat al deze personen een rol (van betekenis) hebben gehad in de ripdeals en hebben gedeeld in het wederrechtelijk verkregen voordeel.

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, m.nt. Reijntjes; HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63; HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7961, NJ 2008/317, en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364, NJ 2016/10.

Vgl. bijv. recentelijk HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1921.

HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63; HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1921.

D. Emmelkamp, T. Felix & N.G.H. Verschaeren, De ontnemingsmaatregel, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 43.

HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19, en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961, NJ 2013/517.

Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491, NJ 2015/62, m.nt Reijntjes.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature