< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet Bopz. Machtiging voortgezet verblijf voor dementerende, die ook aan depressie lijdt. Volstaat een geneeskundige verklaring gebaseerd op onderzoek door een specialist ouderengeneeskunde of had het onderzoek (ook) door een psychiater moeten worden verricht (art. 1 lid 6 Wet Bopz)?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04724

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene] ,

(hierna: betrokkene),

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat betrokkene is gediagnosticeerd met dementie en een depressie, maar dat uit de geneeskundige verklaringen niet blijkt dat zij, behalve door de specialist ouderengeneeskunde, ook is onderzocht door een psychiater. De arts ouderengeneeskunde kan niet beschouwd worden als ‘medical expert’ op het gebied van psychiatrie. Geklaagd wordt dat de rechtbank derhalve op basis van deze geneeskundige verklaring geen machtiging tot voortgezet verblijf had kunnen verlenen. Ook wordt geklaagd dat het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank niet is ontvangen en na ontvangst daarvan over de afwijzing van het verzoek om contra-expertise.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 21 juni 2019 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland (hierna: de officier van justitie) aan de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) verzocht een machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in verpleeginrichting De Zorgcirkel, locatie Molenkrocht (bedoeld is kennelijk: Molentocht), te verlenen. Bij dit verzoekschrift zijn twee geneeskundige verklaringen gevoegd. De eerste is ondertekend op 18 juni 2019 door geneesheer-directeur [betrokkene 1] . Uit rubriek 4 (eerste deel) blijkt dat het onderzoek is verricht door specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 2] , waarbij [betrokkene 3] geraadpleegd is als specialist ouderengeneeskunde (rubriek 2). Als diagnose is in rubriek 4d gesteld: vasculaire dementie, DD. Mengvorm van dementie, naast een depressie. De vakjes ”dementieën” en “stemmingsstoornissen, depressieve periode in engere zin met psychotische kenmerken” zijn aangekruist, waarbij “dementieën” als belangrijkste diagnose is gegeven. Uit de rubrieken 4a en 4b blijkt dat bij betrokkene in 2015 dementie is vastgesteld en dat zij in januari 2019 is opgenomen op een Bopz-aangemerkte psychogeriatrische afdeling.

De andere geneeskundige verklaring, die grotendeels overeenkomt met de eerste, is ondertekend op 25 juni 2019 door [betrokkene 4] , plaatsvervangend Bopz arts. Uit rubriek 2 blijkt dat [betrokkene 4] specialist ouderengeneeskunde is en uit rubriek 3 dat het onderzoek is verricht door [betrokkene 2] , specialist ouderengeneeskunde. In rubriek 3c is eveneens de diagnose “vasculaire dementie, DD. Mengvorm van dementie, naast een depressie” gesteld en zijn eveneens de vakjes “dementieën” en “stemmingsstoornissen, depressieve periode in engere zin met psychotische kenmerken” aangekruist, met “dementieën” als belangrijkste diagnose.

1.2

Op 15 juli 2019 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft blijkens de bestreden beschikking gehoord: betrokkene, haar advocaat, de officier van justitie, [betrokkene 1] (specialist ouderengeneeskunde), [betrokkene 5] (sociaal psychiatrisch verpleegkundige), [betrokkene 6] (curator) en [betrokkene 7] (zoon van betrokkene).

1.3

Bij beschikking van 15 juli 2019 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet Bopz verleend, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een verpleeginrichting te doen verblijven tot en met 17 juli 2020 (aansluitend op de vorige machtiging). De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene ook na het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging zal lijden aan een stoornis van de geestvermogens, te weten vasculaire dementie; differentiaal diagnose: mengvorm van dementie, naast een depressie.

(…)

De rechtbank is tot de overtuiging gekomen dat de diagnose tot stand is gekomen overeenkomstig de daaraan te stellen eisen, en dat deze inhoudelijk valide is. Dit gelet op de geneeskundige verklaring van [betrokkene 4] d.d. 25 juni 2019 en de overige inhoud van het dossier. Het verzoek tot het gelasten van een contra-expertise zal dan ook worden afgewezen.

Voorts is de rechtbank met de specialist ouderengeneeskunde van oordeel dat voormelde stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf, te weten het gevaar dat zij maatschappelijk te gronde gaat.

In de thuissituatie ontbrak het zicht op de gezondheidstoestand van betrokkene en op haar functioneren; de ingezette hulpverlening kreeg geen toegang en betrokkene ging niet meer naar de geïndiceerde dagopvang. Ook de curator, die vanwege de wilsonbekwaamheid van betrokkene is benoemd en de belangen van betrokkene dient te behartigen, kon aan haar taak geen uitvoering geven door toedoen van zoon [betrokkene 7] .

Aannemelijk is dat de situatie van betrokkene toen verslechterde.

Daarbij werd het contact met diverse familieleden, waaronder haar andere zoon en een dochter, steeds minder.

Gebleken is dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een verpleeginrichting kan worden afgewend. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de door zoon [betrokkene 7] te bieden of door hem te regelen hulp, het gevaar zou kunnen wegnemen. Gevreesd wordt voor een herhaling van de situatie die tot opname heeft geleid. Daarom dient de huidige plaatsing te worden gecontinueerd.”

1.4

Namens betrokkene is op 15 oktober 2019 (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

1.5

Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg is op 1 november 2019 van de rechtbank ontvangen. Een afschrift is naar de advocaat van betrokkene (en naar de officier van justitie) verstuurd met de mededeling dat zij tot en met 18 november 2019 de tijd krijgt om daarop (indien gewenst) te reageren. Op 13 november 2019 is van de advocaat van betrokkene een aanvullend verzoekschrift ontvangen. De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

1.6

Uit het dossier blijkt dat betrokkene op 29 juni 2018 onder curatele is gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [betrokkene 6] (handelend onder de naam [betrokkene 6] Bewindvoering) tot curator.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat, na de aanvulling daarvan bij faxbericht van 13 november 2019, uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de geneeskundige verklaring die zich in het dossier bevindt, omdat het onderzoek van betrokkene heeft plaatsgevonden door een specialist ouderengeneeskunde, [betrokkene 2] . Niet blijkt dat een psychiater bij het onderzoek betrokken is geweest. Ter toelichting voert het middel aan dat de rechtbank heeft overwogen dat bij betrokkene sprake is van een mengvorm van dementie naast een depressie, waardoor een geneeskundige verklaring van een psychiater noodzakelijk is. De geneesheer-directeur die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend, [betrokkene 1] , is niet bekend in de BIG-registratie maar wordt in een brief aan de officier van justitie aangeduid als geneesheer-directeur/BOPZ-arts. Ook de blijkens de geneeskundige verklaring geraadpleegde arts, [betrokkene 3] , is specialist ouderengeneeskunde. De andere zich in het dossier bevindende geneeskundige verklaring is afgegeven door [betrokkene 4] , eveneens specialist ouderengeneeskunde. Een arts ouderengeneeskunde kan niet beschouwd worden als medical expert op het gebied van psychiatrie. De rechtbank had derhalve op basis van deze geneeskundige verklaring geen machtiging tot voortgezet verblijf kunnen verlenen zonder ook een verklaring van een psychiater te verlangen. Het onderdeel wijst vervolgens op de conclusie van plv. P-G Langemeijer van 19 april 2019. Ten slotte stelt het onderdeel dat de advocaat van betrokkene in eerste aanleg gevraagd heeft om een second opinion door een arts van Centrum 45, omdat zij een traumatisch oorlogsverleden heeft.

2.2

Blijkens artikel 15 in verbinding met artikel 16 lid 1 Wet Bopz moet een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene is opgenomen worden overgelegd bij een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf. In de onderhavige zaak is dat ook gebeurd; de geneeskundige verklaring van 18 juni 2019 is ondertekend door geneesheer-directeur [betrokkene 1] . Zoals hiervoor reeds is beschreven blijkt uit rubriek 4.d van de geneeskundige verklaring van 18 juni 2019 en rubriek 3.c van de geneeskundige verklaring van 25 juni 2019, dat ten aanzien van betrokkene een gecombineerde diagnose is gegeven: vasculaire dementie, DD. Mengvorm van dementie, naast een depressie. Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank zowel de dementie als de depressie ten grondslag gelegd aan haar oordeel dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens. Zij verwijst hierbij (onder meer) naar de geneeskundige verklaring van 25 juni 2019. Dat een depressie een stoornis is die relevant kan zijn in de zin van de Wet Bopz, wordt hier verder niet ter discussie gesteld, zodat ik daar verder niet op in ga.

2.3

In artikel 1 lid 6 Wet Bopz is bepaald dat een specialist ouderengeneeskunde wordt gelijkgesteld met een psychiater “voor zover het de opname of het verblijf van een patiënt met een psychogeriatrische aandoening betreft.” Plv. P-G Langemeijer heeft in zijn conclusie bij HR 14 juni 2019 in dit kader gewezen op de uitspraak van uw Raad van 1 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:165) en als volgt opgemerkt:

“3.4.1 (…) Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling [lees: art. 1 lid 6 Wet Bopz, noot P-G] is beoogd om een zo zorgvuldig mogelijke procedure bij (gedwongen) opname te waarborgen en te voorzien in een wettelijke basis voor de beoordeling door een arts voor verstandelijk gehandicapten. De arts voor verstandelijk gehandicapten is aldus bevoegd gemaakt “op zijn eigen deskundigheidsterrein een medisch oordeel [te] vellen over de (gedwongen) opname” (Kamerstukken II 2012/13, 33507, nr. 6, p 14). Vgl. HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226, rov. 3.4.2.

Aan art. 1 lid 6 Wet Bopz kan niet de strekking worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten indien de stoornis van de geestvermogens die een betrokkene het gevaar doet veroorzaken ter voorkoming waarvan de opname dient, niet is beperkt tot het eigen deskundigheidsterrein van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van een psychiater bestrijkt. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist. Vgl. HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226, rov. 3.4.3 en HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2044, rov. 3.3.2.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat een arts voor verstandelijk gehandicapten die constateert dat de stoornis van de geestvermogens die de te onderzoeken betrokkene het gevaar doet veroorzaken ter voorkoming waarvan de opname dient, niet uitsluitend is gelegen in een verstandelijke handicap maar ook in psychiatrische problematiek, een psychiater dient in te schakelen opdat deze de betrokkene eveneens onderzoekt. De arts voor verstandelijk gehandicapten kan ook het onderzoek geheel aan de psychiater overdragen. In zodanig geval kan immers worden volstaan met een verklaring van een psychiater. Vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682 , rov. 3.4 en HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2044, rov. 3.3.4.”

2.4

De aangehaalde rechtspraak leent zich voor overeenkomstige toepassing op de vraag, in welke gevallen kan worden volstaan met een onderzoek van een specialist ouderengeneeskunde. Dan is de te hanteren maatstaf: of het gevaar, ter voorkoming waarvan de gedwongen opname dient, wordt veroorzaakt door een stoornis die uitsluitend is gelegen in een psychogeriatrische aandoening of tevens gelegen is in een psychiatrische problematiek.”

2.4

Uw Raad heeft in de op bovenstaande conclusie gevolgde uitspraak het beroep verworpen met toepassing van artikel 81 RO. Uit de hierboven geciteerde passages volgt dat als sprake is van zowel een psychogeriatrische aandoening als psychiatrische problematiek die (beide) het gevaar veroorzaken – in de onderhavige zaak is betrokkene gediagnosticeerd met dementie en een depressieve stoornis – (ook) een psychiater ingeschakeld dient te worden die de betrokkene onderzoekt. Uit het dossier, en meer specifiek de twee geneeskundige verklaringen, blijkt niet dat betrokkene is onderzocht door een psychiater. Zoals hierboven is besproken (in punt 1.1) is zij onderzocht door specialisten ouderengeneeskunde ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ). Ook de geneesheer-directeur [betrokkene 1] is blijkens de bestreden beschikking specialist ouderengeneeskunde (zoals het middel eveneens stelt). Dit leidt ertoe dat deze klacht slaagt, nu uit de beschikking niet blijkt dat het gevaar ter voorkoming waarvan wordt verzocht om verlening van een machtiging tot gedwongen opname, uitsluitend wordt veroorzaakt door de verstandelijke handicap.

2.5

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank tot op heden geen proces-verbaal van de zitting heeft verstrekt, ondanks meerdere verzoeken daartoe. Hierdoor was het niet mogelijk het proces-verbaal bij het cassatieberoep te betrekken. De advocaat van betrokkene behoudt zich het recht voor het cassatieverzoek aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal.

2.6

Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg is op 1 november 2019 van de rechtbank ontvangen, waarna de advocaat van betrokkene in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. De advocaat van betrokkene heeft vervolgens een aanvullend cassatieverzoek ingediend met daarin een derde middelonderdeel. Gelet op deze gang van zaken kan het tweede onderdeel niet tot cassatie leiden.

2.7

Het in het aanvullend cassatieverzoek opgenomen derde onderdeel klaagt, onder verwijzing naar de bestreden beschikking (ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om een second opinion of contra-expertise), dat de overtuiging van de rechtbank gebaseerd is op alleen de deskundigheid van de specialist ouderengeneeskunde. Gelet hierop is het onbegrijpelijk dat geen deskundige is benoemd zoals is verzocht, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Ter toelichting wijst het onderdeel op drie passages in het proces-verbaal. Een verwijzing naar de geneeskundige verklaring van [betrokkene 4] van 25 juni 2019 en de inhoud van het dossier is onvoldoende om het verzoek om een second opinion door een arts van Centrum ’45 af te wijzen, mede gelet op het gegeven dat betrokkene niet door een psychiater is onderzocht en sprake is van psychiatrische problematiek en mogelijk een oorlogstrauma.

2.8

Het derde onderdeel vormt grotendeels een herhaling van de klacht in het eerste onderdeel, zodat ik voor de bespreking hiervan verwijs naar hetgeen reeds onder het eerste onderdeel is besproken. Voor zover het onderdeel klaagt dat betrokkene (ook) vanwege een mogelijk oorlogstrauma door een psychiater of arts van Centrum ’45 onderzocht zou moeten worden, kan het niet slagen. Het dossier bevat geen diagnose met betrekking tot (de aanwezigheid van) een oorlogstrauma bij betrokkene. Daarnaast is niet duidelijk of ‘een arts van Centrum ’45’, die betrokkene zou moeten onderzoeken, een psychiater is, hetgeen wel is vereist gelet op de aanwezigheid van dementie en een depressie (zoals besproken bij het eerste onderdeel). Voorts kan na terugwijzing de dan eventueel ingeschakelde psychiater dit mogelijke trauma meenemen. Dit leidt ertoe dat de klachten in het derde onderdeel niet slagen. Nu de klacht in het eerste onderdeel echter slaagt, kom ik tot de volgende conclusie.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2019 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Bestreden beschikking van 15 juli 2019, p. 2.

De verweertermijn liep t/m 7 november 2019.

Deze verweertermijn loopt t/m 28 november 2019.

Zie uittreksel curatele- en bewindregister, overgelegd als productie 9 bij het verzoekschrift in cassatie.

In de brief van 17 juni 2019.

Conclusie plv. P-G Langemeijer van 19 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:508, nrs. 2.3-2.4.

Zie hiervoor in punt 1.1.

Bestreden beschikking van 15 juli 2019, p. 1 (onderaan).

Verwezen wordt naar rov. 2.4.3 (slot) van de beschikking van de Hoge Raad van 1 februari 2019: “Een arts verstandelijk gehandicapten behoeft immers niet een psychiater in te schakelen indien het gevaar ter voorkoming waarvan wordt verzocht om verlening van een machtiging tot gedwongen opname, uitsluitend wordt veroorzaakt door de verstandelijke handicap.”

Conclusie plv. P-G Langemeijer bij HR 14 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:508, nr. 2.3-2.4.

HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:935.

Bestreden beschikking van 15 juli 2019, ro.1.

Conform HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:165.

Zie ook: HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413.

Bestreden beschikking van 15 juli 2019, p. 2, eerste alinea en vijfde alinea.

Proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 15 juli 2019, p. 2 vierde alinea, p. 3 eerste alinea en p. 3 laatste alinea voor het slot.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature