< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Art. 81 lid 1 RO. Bopz. Voorlopige machtiging. Horen psychiater. Overschrijding beslistermijn.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04022

Zitting 25 oktober 2019

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend zonder dat de rechtbank gevolg heeft gegeven aan het verzoek om zich te laten voorlichten door de psychiater die het onderzoek heeft verricht dat aan de geneeskundige verklaring ten grondslag ligt, en deze als deskundige te horen. Verder wordt geklaagd over het overschrijden van de beslistermijn van art. 9 lid 1 Wet Bopz.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) verbleef krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis van Mondriaan Zorggroep te Heerlen. Bij verzoekschrift, op 30 april 2019 ingekomen ter griffie, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Limburg verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

1.2

Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, die op 25 april 2019 was ondertekend door de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis, [betrokkene 1] . Deze heeft betrokkene daartoe laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] . De geneeskundige verklaring vermeldt als diagnose: “psychotische decompensatie bij bekende schizo-affectieve stoornis”. Als stoornissen zijn aangekruist: overige psychotische stoornissen en overige stemmingsstoornissen. Als relevant gevaar wordt in de verklaring genoemd: dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen, dat betrokkene door haar hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen en dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen.

1.3

Bij brief van 8 mei 2019 heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank verzocht zich op de voet van art. 8 lid 4, aanhef en onder g, Wet Bopz te laten informeren door psychiater [betrokkene 2] voornoemd. Zij verzocht deze psychiater tevens als deskundige op te roepen op grond van art. 8 lid 6 Wet Bopz. De advocaat schreef ter toelichting:

“(…) Het gevaar dat cliënte een ander van het leven zal beroven of ernstig letsel zal toebrengen heeft de psychiater kennelijk afgeleid uit een aan hem medegedeelde omstandigheid, te weten dat cliënte enkele keren gedreigd zou hebben de verpleging te slaan. Ik zou van de psychiater willen vernemen welke concrete mededelingen over incidenten tot zijn conclusie hebben geleid dat deze agressie is/was/wordt veroorzaakt door de door hem gediagnosticeerde stoornissen. Kennelijk meent de psychiater dat er een causaal verband bestaat. Over dat causale verband wens ik de psychiater nader te ondervragen. De enkele mededeling in de geneeskundige verklaring dat ‘wanneer patiënte de medicatie staakt, zal het toestandsbeeld weer verergeren, de impulscontrole verminderen en het gevaar voor agressie naar bijvoorbeeld verpleging weer terug komen’ (…) is onvoldoende om te kunnen uitsluiten dat de agressie tegen verpleegkundigen voortkomt uit haar aversie tegen alles wat met Mondriaan te maken heeft, de gedwongen opname en in het bijzonder de depotmedicatie. Op welke gronden meent de psychiater dat cliënte ook agressie tegen anderen dan personen van Mondriaan (zoals de daar werkzame verpleegkundigen) zal veroorzaken?

Het oordeel dat cliënte door haar hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen wordt door de psychiater niet nader toegelicht. Graag verneem ik hoe hij bij dat oordeel komt.

Ten aanzien van het gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen is in de geneeskundige verklaring het volgende te lezen: ‘Patiënte denkt vanuit haar grootheids- en waanbelevingen dat ze een gave heeft. Vanuit deze waan lijkt patiënte de neiging te hebben om te gaan reizen naar Italië. Dit doet zij vanuit een impuls en zonder doordacht plan. Beiden zijn een symptoom van een floride beeld bij schizoaffectieve stoornis. Hierdoor is het zover gekomen dat patiënte een zwervers- en bedelaarsbestaan heeft moeten leven’. Graag verneem ik van de psychiater op grond van welke feiten en omstandigheden hij heeft geoordeeld dat cliënte uit een waan handelt. Wellicht is de psychiater niet op de hoogte van bepaalde feiten en omstandigheden, waardoor aanvullende informatie zou kunnen leiden tot heroverweging van zijn medisch oordeel.

Graag stel ik deze vragen ter zitting aan de rapporteerde [lees: rapporterende] psychiater [betrokkene 2] . Het is uiteraard niet de bedoeling dat u mijn vragen op voorhand aan hem doorstuurt. Het betreft hier uitsluitend een toelichting op mijn verzoek om hem te horen. (…)”

1.4

Op 20 mei 2019 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat en de verpleegkundig specialist J. [betrokkene 3] gehoord. Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat tijdens deze mondelinge behandeling beide hierboven genoemde verzoeken herhaald.

1.5

Bij beschikking van 27 mei 2019 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om het verblijf van betrokkene in het ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van maximaal zes maanden.

1.6

De rechtbank heeft beide verzoeken van de advocaat afgewezen. De gronden van die beslissing zullen hierna worden besproken.

1.7

Namens betrokkene is - tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel I van het middel is gericht tegen de afwijzing van (één van) de door de advocaat gedane verzoeken. In onderdeel II klaagt betrokkene dat het oordeel over de stoornis, het gevaar en het oorzakelijk verband tussen beide rechtens onjuist is, dan wel ontoereikend gemotiveerd. Onderdeel III houdt in dat de rechtbank de beslistermijn, genoemd in art. 9 lid 1 Wet Bopz, niet in acht heeft genomen.

Het niet horen van de psychiater

2.2

Art. 8 lid 1 Wet Bopz regelt het horen van degene ten aanzien van wie een voorlopige machtiging is verzocht. Art. 8 lid 4 Wet Bopz bepaalt dat de rechter zich, zo mogelijk, doet voorlichten door de in dit artikellid genoemde personen en instellingen. Onder g vermeldt dit artikellid “degene die de verklaring, bedoeld in art. 5 Wet Bopz, heeft afgegeven”. Dat was in dit geval de geneesheer-directeur [betrokkene 1] . De psychiater [betrokkene 2] heeft het aan die verklaring voorafgaande psychiatrisch onderzoek verricht.

2.3

De stellige woordkeuze van het vierde lid (“doet zich, zo mogelijk, voorlichten”) suggereert een verplichting voor de rechter om alle in dit artikellid genoemde personen te horen voor zover dat praktisch mogelijk is. In de praktijk wordt dit voorschrift niet zó streng uitgelegd dat de rechter geen machtiging zou mogen verlenen zonder de in dit artikellid genoemde personen te hebben gehoord. In een beschikking van 1 juli 1994, kort na de invoering van de Wet Bopz, verbond de Hoge Raad geen consequenties aan het niet horen van een in art. 8 lid 4 Wet Bopz genoemde persoon. In de desbetreffende zaak werd geklaagd dat de arts die de geneeskundige verklaring had afgegeven niet door de rechter was gehoord. In zijn conclusie betoogde de advocaat-generaal Asser dat de wetsgeschiedenis van de Wet Bopz weliswaar wijst in de richting van een verplichting tot horen, maar dat tijdens de parlementaire behandeling een bijzondere motiveringsplicht bij niet-horen niet nodig is geacht. Voorts merkte Asser op dat de wet niet voorziet in een sanctie indien art. 8 lid 4 Wet Bopz niet is nageleefd. In alinea 2.19 van zijn conclusie maakte Asser de gevolgtrekking dat in cassatie niet met succes kan worden geklaagd over het niet-horen van de geneesheer-directeur. De Hoge Raad overwoog in rov. 3.3 dat het desbetreffende middelonderdeel faalde “op de gronden aangegeven in de conclusie van het OM onder 2.7 t/m 2.19”.

2.4

In zijn noot onder een kort nadien gegeven beschikking schreef De Boer, met verwijzing naar de beschikking van 1 juli 1994, dat op het niet naleven van art. 8 lid 4 Wet Bopz weliswaar geen sanctie staat, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat een hoorplicht bestaat. Blijkens de wetsgeschiedenis behoeft de rechter niet te motiveren waarom hij een in dit artikellid genoemde informant niet heeft gehoord. De Boer vroeg zich af, of cassatie behoort te volgen indien de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat géén hoorplicht bestaat. Met andere woorden: de rechtbank is niet verplicht te motiveren waarom zij een in dit artikellid genoemde persoon niet hoort, maar áls de rechtbank haar beslissing tot niet-horen motiveert, dan mag die motivering niet berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Dijkers stelt daartegenover dat op die manier de ondoelmatigheid van het voorschrift teveel ruimte krijgt. Volgens Dijkers kan de bepaling dat de rechtbank “zo mogelijk” de in dit artikellid genoemde personen hoort, geredelijk worden gelezen in die zin dat de rechtbank “zo nodig” overgaat tot het horen van de in art. 8 lid 4 Wet Bopz genoemde personen.

2.5

De formulering van het vierde lid van art. 8 Wet Bopz lijkt mij te berusten op twee pijlers: enerzijds een instructie van de wetgever aan de burgerlijke rechter om zich in Bopz-zaken niet lijdelijk, maar actief op te stellen en zich zo breed mogelijk te laten informeren alvorens een beslissing te nemen over het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging. Anderzijds gaat het om een door de wetgever aan de burgerlijke rechter toegekende bevoegdheid om (ook ambtshalve) daartoe inlichtingen in te winnen bij de in dit artikellid genoemde personen als zij bereikbaar en beschikbaar zijn, ook al zijn zij niet tevoren formeel aangezegd of opgeroepen als getuige of deskundige. Daarachter steekt kennelijk de gedachte dat de in dit artikellid genoemde personen mogelijk over nuttige informatie beschikken en dat Bopz-zaken steeds spoedeisend zijn. Ten aanzien van patiënten die op grond van een eerdere rechterlijke machtiging reeds onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, beperkt de rechter zich veelal tot het horen van de betrokkene en zijn advocaat en de ter zitting aanwezige of vertegenwoordigde behandelaar. Vanuit een oogpunt van rechtsbescherming is deze praktijk mijns inziens aanvaardbaar, omdat de betrokkene op grond van het zesde lid van art. 8 Wet Bopz altijd nog de mogelijkheid heeft om de rechtbank te verzoeken bepaalde personen als getuige of als deskundige te laten oproepen en te horen.

2.6

Art. 8 lid 6 Wet Bopz bepaalt dat de rechter de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen oproept, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Indien de betrokkene verzoekt om een nieuw onderzoek door een deskundige (bij wijze van contra-expertise), geldt de maatstaf in de navolgende standaardoverweging:

“De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten.”

2.7

Ten overvloede zij vermeld dat ook in het komend recht onderscheid wordt gemaakt tussen het inwinnen van inlichtingen door de rechter bij informanten en, anderzijds, het oproepen van getuigen of deskundigen. Art. 6:1 lid 5 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) heeft betrekking op dit laatste:

“De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze of andere deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat betrokkene door het achterwege blijven daarvan niet in zijn belangen wordt geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de redenen daarvan in de uitspraak.”

2.8

Art. 6:1 lid 6 Wvggz bepaalt dat de rechter bepaalde personen kan verplichten om voor hem te verschijnen. Daartoe behoort (onder d): “de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld”. De wetsgeschiedenis vermeldt hieromtrent slechts:

“In het geval dat de rechter zich (…) nader wil laten voorlichten, bepaalt het zesde lid dat bepaalde personen, zoals de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, de zorgaanbieder of zorgverlener en de leden van de commissie verplicht kunnen worden om in de rechtbank te verschijnen.”

2.9

Art. 6:1 lid 7 Wvggz bepaalt dat indien de rechter zich laat voorlichten in afwezigheid van de betrokkene, de zakelijke inhoud van de verstrekte inlichtingen wordt medegedeeld aan de betrokkene. Ingevolge het bepaalde in het achtste lid worden de betrokkene en de advocaat in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van de mededelingen en verklaringen van de personen, bedoeld in het vijfde lid, of die van andere personen die door de rechter zijn verzocht om informatie te verschaffen.

2.10

In de onderhavige zaak had de advocaat aan de rechtbank verzocht zich op de voet van art. 8 lid 4, aanhef en onder g, Wet Bopz te laten informeren door psychiater [betrokkene 2] en tevens, op grond van art. 8 lid 6 Wet Bopz, verzocht om psychiater [betrokkene 2] als deskundige op te roepen voor de zitting en te horen.

2.11

De rechtbank heeft het eerstgenoemde verzoek afgewezen op de volgende gronden:

“Het verzoek dat de rechtbank zich doet voorlichten door de psychiater die de verklaring heeft afgegeven, wijst de rechtbank af. Het is aan de rechter of hij zich doet voorlichten door de verklarende psychiater en die acht zich voldoende voorgelicht door de geneeskundige verklaring, waarin de informant aangeeft dat hij zich baseert op het patiëntendossier, de anamnese van betrokkene en op eigen psychiatrisch onderzoek. Bovendien blijkt uit deze verklaring dat hij is geïnformeerd door patiënte, door haar psychiater (betrokkene verbleef al in de instelling op grond van een beschikking voortzetting inbewaringstelling) en door de verpleging, waardoor de redenen van wetenschap van de verklarende psychiater bekend zijn.”

2.12

De rechtbank heeft het op art. 8 lid 6 Wet Bopz gebaseerde verzoek afgewezen op de volgende gronden:

“Het verzoek dat de verklarende psychiater tevens als deskundige wordt opgeroepen, wijst de rechtbank af. De systematiek van artikel 8 van de Wet Bopz verzet zich tegen een samengaan van de verklarende psychiater als informant en als deskundige. Het oproepen van getuigen en deskundigen in bopz zaken wordt met opzet behandeld in een apart lid van genoemd artikel. Kennelijk is het de bedoeling van de wetgever dat getuigen en deskundigen iets kunnen toevoegen of afdoen aan de mededelingen van de in artikel 8 lid 4 van de Wet Bopz genoemde informanten. Het kan niet de bedoeling zijn dat de verklarende psychiater zich als deskundige nog eens uitlaat over de eigen verklaring, waar de rechter de keuzevrijheid heeft om zich al dan niet voor te doen lichten door deze psychiater.”

2.13

Onderdeel I richt zich tegen de in het middelonderdeel geciteerde overwegingen van de rechtbank. Daartoe behoort wel de in alinea 2.11 hiervoor geciteerde overweging, maar niet de in alinea 2.12 geciteerde overweging. Dit wijst erop dat het middelonderdeel uitsluitend de vraag aan de orde wenst te stellen of de rechtbank de afwijzing van het op art. 8 lid 4 Wet Bopz gestoelde verzoek op deugdelijke gronden heeft afgewezen. Hierover kan twijfel bestaan. De weergave van de brief van 8 mei 2019 in het cassatierekest vermeldt immers beide verzoeken. De klacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de vragen die zijn geformuleerd in de brief van de advocaat van 8 mei 2019, waarin om “duidelijke specificatie is gevraagd en nadere toelichting, relevant voor de vraag of er voldaan wordt aan de criteria die een vrijheidsberoving [bedoeld zal zijn: vrijheidsbeneming] van verzoekster kunnen legitimeren”. Subsidiair noemt dit middelonderdeel het onbegrijpelijk dat de rechtbank het verzoek tot het horen van de psychiater heeft afgewezen, althans niet toereikend heeft gemotiveerd waarom zij van het horen van “deze belangrijke informant” heeft afgezien. Daarmee ligt de vraag voor, hoe dit middelonderdeel moet worden opgevat.

2.14

In de toelichting op dit middelonderdeel wordt slechts een beroep gedaan op art. 8 lid 4, aanhef en onder g, Wet Bopz; niet op art. 8 lid 6 Wet Bopz. Om die reden houd ik het ervoor, dat onderdeel I niet opkomt tegen de afwijzing van het op art. 8 lid 6 Wet Bopz gebaseerde verzoek. Bovendien is geen concrete klacht gericht tegen de (in alinea 2.12 hiervoor geciteerde) gronden waarop de rechtbank het op art. 8 lid 6 Wet Bopz gebaseerde verzoek heeft afgewezen. Zou het middelonderdeel anders worden geïnterpreteerd, dan is mijns inziens ten aanzien van de afwijzing van het op art. 8 lid 6 gebaseerde verzoek niet voldaan aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt.

2.15

Voor zover onderdeel I is gericht tegen de afwijzing van het op art. 8 lid 4 Wet Bopz gebaseerde verzoek, was de rechtbank op grond van dit artikel wel bevoegd, maar niet steeds verplicht om inlichtingen in te winnen bij de geneesheer-directeur die verklaring had afgegeven of bij psychiater [betrokkene 2] die het aan de verklaring voorafgaande onderzoek had verricht en daartoe deze psychiater (persoonlijk of telefonisch) te horen. De motivering in de bestreden overweging moet in het licht daarvan worden begrepen.

2.16

De rechtbank heeft, blijkens de in alinea 2.11 hiervoor aangehaalde overweging, het verzoek van de advocaat opgevat als een verzoek om van psychiater [betrokkene 2] inlichtingen te krijgen over “de redenen van wetenschap van de verklarende psychiater”. De subsidiaire motiveringsklacht faalt, omdat de rechtbank voor de lezer inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden haar beslissing berust om psychiater [betrokkene 2] niet op de voet van art. 8 lid 4 Wet Bopz te horen. Enerzijds is er de vaststelling dat de rechter daartoe niet verplicht is. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat het horen van psychiater [betrokkene 2] niet nodig is, omdat uit de verklaring zelf al blijkt welke informatiebronnen deze psychiater heeft gebruikt en op welke informatie deze psychiater zijn conclusies baseerde. Die motivering kan de beslissing dragen.

2.17

In haar brief van 8 mei 2019 schreef de advocaat, samengevat, dat zij van psychiater [betrokkene 2] wenste te vernemen:

i. welke concrete mededelingen over incidenten tot de conclusie hebben geleid dat de agressie van betrokkene wordt veroorzaakt door de door hem (psychiater [betrokkene 2] ) gediagnosticeerde stoornissen,

ii. op welke gronden hij van oordeel is dat betrokkene (ook) agressie tegen anderen dan personen binnen de instelling zal veroorzaken,

iii. op welke gronden hij van oordeel is dat betrokkene door haar hinderlijke gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen, en

iv. op grond van welke feiten en omstandigheden hij van oordeel is dat betrokkene uit een waan handelt.

2.18

De rechtbank wijst erop, in een volgende overweging, dat het aan de rechter is om de afweging te maken die leidt tot de beslissing over het inleidende verzoek van de officier van justitie. Dat is waar: de rechter beslist zélf of aan alle vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan en is daarbij niet gebonden aan de gevolgtrekkingen van de psychiater in de geneeskundige verklaring. In de redenering van de rechtbank blijkt uit de overgelegde geneeskundige verklaring al, wat het antwoord van de rapporterende psychiater op de vragen van de advocaat is, hoe deze psychiater aan zijn informatie is gekomen en waarop de conclusies van deze psychiater zijn gebaseerd. Wanneer de verweerder (betrokkene of haar advocaat) het niet eens is met in de geneeskundige verklaring daaraan verbonden gevolgtrekkingen, kan zij – in de redenering van de rechtbank – zelf feiten en argumenten aandragen en, desgewenst, aan de rechtbank verzoeken een andere arts dan de rapporterende psychiater als deskundige te benoemen, waarna het aan de rechter is om de beslissing te nemen.

2.19

Op het eerste gezicht is dit een steekhoudende redengeving van de rechtbank. Toch heb ik hierover mijn twijfels. Ook wanneer de rechter zelf zijn eigen gevolgtrekkingen maakt, steunt hij bij het vaststellen en het wegen van de feiten op het door de procespartijen aangeleverde bewijsmateriaal en de verstrekte inlichtingen. Een verweerder kan er daarom belang bij hebben, zijn eigen standpunt en eigen bewijsmateriaal te zetten tegenover het standpunt van de officier van justitie en het door deze bij het inleidend verzoekschrift gevoegde bewijsmateriaal (waaronder de geneeskundige verklaring). Maar dat is niet het enige mogelijke verdedigingsbelang. Een verweerder die het inleidende verzoek wil tegenspreken kan er ook belang bij hebben, onduidelijkheden in de door de officier overgelegde geneeskundige verklaring te laten ophelderen en/of de inhoud van een door de officier overgelegd bewijsstuk te ontzenuwen. Wanneer, zoals in deze zaak, de officier van justitie niet aanwezig is bij de behandeling in eerste aanleg, kunnen betrokkene en haar advocaat niet ter zitting hierover in discussie treden met de officier van justitie. Dan resteert hen niet veel anders dan rechtstreeks opheldering te vragen aan de arts die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld.

2.20

Indien de Hoge Raad de klacht dat de rechtbank niet toereikend heeft gemotiveerd waarom zij van het horen van “deze belangrijke informant” heeft afgezien, in de zin van het zo-even besproken verdedigingsbelang wil verstaan, zou de bestreden beslissing niet in stand kunnen blijven omdat zij onvoldoende recht doet aan dat belang. In dat geval behoeven de overige klachten in cassatie geen bespreking meer. Zelf lees ik in het cassatieverzoekschrift echter niet een klacht van deze strekking; zie art. 429 lid 2, in verbinding met art. 419 lid 1 Rv.

2.21

Wat betreft de in de brief van de advocaat van 8 mei 2019 gestelde vragen, heeft de rechtbank op de door haar opgegeven gronden tot het oordeel kunnen komen dat uit de geneeskundige verklaring genoegzaam blijkt wat het antwoord van de rapporterende psychiater daarop is en welke bronnen van informatie door de psychiater zijn gebruikt (namelijk: het patiëntendossier, de anamnese, eigen psychiatrisch onderzoek en inlichtingen verkregen van de patiënt zelf, diens behandelend psychiater en de met de verpleging belaste personen). Mijn slotsom is dat onderdeel I faalt.

Motivering van stoornis en gevaar

2.22

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel dat uit de overgelegde stukken en uit de tijdens de mondelinge behandeling verkregen inlichtingen blijkt dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken (zoals nader omschreven in de geneeskundige verklaring). Het onderdeel klaagt dat deze overweging rechtens onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van het verzoek in de brief van de advocaat van 8 mei 2019 om psychiater [betrokkene 2] te horen. Volgens de klacht moet in dit verband mede worden gelet op hetgeen de advocaat van betrokkene ter zitting had aangevoerd. Deze algemene klacht bouwt voort op onderdeel I en faalt op dezelfde gronden.

2.23

Rubriek 4.a van de geneeskundige verklaring hield in dat betrokkene vanuit grootheids- en waanbelevingen denkt dat zij een gave heeft, dat zij vanuit deze waan de neiging lijkt te hebben om te gaan reizen naar Italië en dat zij dit doet vanuit een impuls en zonder een doordacht plan. Hierdoor is het zover gekomen dat betrokkene een zwervers- en bedelaarsbestaan heeft moeten leven. Betrokkene zelf stelt dat ter zitting uitdrukkelijk verweer is gevoerd met betrekking tot “de gebeurtenissen rond Italië” en klaagt dat zij haar bezwaren niet heeft kunnen voorleggen aan psychiater [betrokkene 2] . Verder wordt in dit onderdeel geklaagd dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan het verweer tegen de door de psychiater aangekruiste gevaren en tegen de vermelding in rubriek 4.b van de geneeskundige verklaring dat de kans groot is dat betrokkene zich aan zorg zal onttrekken en weer naar het buitenland zal gaan zonder de juiste zorg en de vermelding dat betrokkene expliciet aangeeft dat zij die intentie heeft. Verder vermeldt de toelichting op dit onderdeel dat - in het verweer van betrokkene − uitdrukkelijk de link is gelegd tussen opsluiting en de reactie van betrokkene daarop en het ontbreken van het benodigde causaal verband (tussen stoornis en gevaar). Het onderdeel mondt uit in de klacht dat de rechtbank niet heeft overwogen welke stoornis zij aanwezig acht en welk gevaar uit die stoornis voortvloeit.

2.24

Mijns inziens legt onderdeel II teveel nadruk op “de gebeurtenissen rondom Italië”. Betrokkene wordt in de bestreden beschikking niet afgerekend op gebeurtenissen in het verleden. Uit de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, blijkt voldoende duidelijk dat het te duchten gevaar hierin bestaat dat, indien de verzochte machtiging niet zou worden verleend, betrokkene geen medicatie meer zal innemen vanwege het ontbreken van ziektebesef. Dit zal volgens de rechtbank leiden tot een verergering van het toestandsbeeld bij betrokkene en het mogelijke gevolg dat zij weer gaat zwerven, al dan niet in het buitenland. Het oordeel van de rechtbank omtrent stoornis, gevaar en het oorzakelijk verband tussen beide behoefde in het licht van de geneeskundige verklaring geen uitvoeriger motivering dan de rechtbank heeft gegeven. Met betrekking tot de klacht dat de door de rechtbank gehoorde verpleegkundige [betrokkene 3] niet de feitelijke grondslag van het verzoek van de officier van justitie kon aanvullen, merk ik op dat [betrokkene 3] als informant in elk geval heeft kunnen verklaren omtrent hetgeen hem bekend was uit eigen waarnemingen. Onderdeel II kan in het licht van het voorgaande evenmin tot cassatie leiden.

Beslistermijn

2.25

Onderdeel III klaagt dat de rechtbank niet binnen de termijn van drie weken, genoemd in art. 9 lid 1 Wet Bopz, een beschikking heeft gegeven. Ter toelichting is aangevoerd dat betrokkene zich tegen haar wil in het psychiatrisch ziekenhuis bevond ten tijde van de indiening van het verzoekschrift van de officier van justitie op 30 april 2019, dat de termijn van drie weken afliep op 21 mei 2019 en dat de rechtbank eerst op 27 mei 2019, derhalve zes dagen te laat, een beschikking heeft gegeven.

2.26

Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift door de officier van justitie verbleef betrokkene onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis. Uit het als bijlage 7 bij het cassatierekest overgelegde overzicht van het openbaar ministerie volgt dat de rechtbank op 11 april 2019 een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling had verleend en dat de einddatum van deze machtiging 2 mei 2019 was. Ingevolge het bepaalde in art. 9 lid 1 Wet Bopz diende de rechtbank binnen drie weken na het indienen van het verzoekschrift, derhalve uiterlijk op 21 mei 2019, een beslissing te geven. Dit is niet gebeurd. De wetgever heeft overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet bedreigd met nietigheid van de (te laat gegeven) rechterlijke beschikking. Het inleidend verzoekschrift is ingediend vóórdat de geldigheidsduur van de lopende verblijfsmachtiging was verstreken. Een verkorting van de maximale geldigheidsduur van de te verlenen machtiging is in dat geval niet voorgeschreven. Onderdeel III faalt.

2.27

Nu geen van de onderdelen slaagt, dient het cassatieberoep mijns inziens te worden verworpen. Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

Zie art. 2 in verbinding met art. 31 lid 1 Wet Bopz.

HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1425, NJ 1994/723 m.nt. J. de Boer. Zie nadien nog: HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:205 (81 RO).

HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1430, NJ 1995/123 m.nt. J. de Boer (onder 5).

W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 8 Wet Bopz, aant. C.4.2.1, voetnoot 335.

Er kan een vergelijking worden gemaakt met het vormvrij horen van ‘informanten’ in een kort geding of in zaken betreffende personen- en familierecht in andere dan echtscheidingszaken; zie art. 800 lid 2 Rv: “Voorts kan de rechter bevelen dat degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen”.

Het vormt tevens een wettelijke grondslag voor de verstrekking van beschermde persoonsgegevens aan de rechtbank.

Vanwege dat spoedeisende karakter is het zelfs mogelijk dat de rechter een in dit artikellid genoemde persoon telefonisch hoort, zij het dat dan wel aan de betrokken patiënt en zijn advocaat gelegenheid moet worden gegeven om kennis te nemen van de aldus verschafte inlichtingen en zich daarover uit te spreken; zie art. 8 lid 8 Wet Bopz en onder meer: HR 2 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8075; NJ 1988/1037; HR 16 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2885, NJ 1999/432; HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0866, NJ 2010/2.

W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 8 Wet Bopz, aant. C.4.2.1.

HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W.J.A.M. Dijkers. Deze maatstaf is vaak herhaald; zie bijv. HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:528, NJ 2015/131, JVggz 2015/11 (rov. 3.4.1) en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2383, NJ 2017/353.

Wet van 24 januari 2018, Stb. 37, nog niet in werking getreden. Zie ook de MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 74.

MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 73. NB: de tekst van de memorie van toelichting ging nog uit van het oorspronkelijke wetsvoorstel, waarin de Commissie als bedoeld in het toenmalige artikel 5:1 een belangrijke rol vervulde bij de voorbereiding van een zorgmachtiging. Bij eerste Nota van wijziging zijn de leden van deze commissie uit deze bepaling geschrapt en zijn andere personen hieraan toegevoegd; zie Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10, blz. 96.

Zie voor de vergelijkbare regels indien een rechterlijke machtiging nodig is op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd; wet van 24 januari 2018, Stb. 36): art. 38 lid 4 en 5 (de rechter laat zich voorlichten door informanten), art. 38 lid 6 (dat inhoudelijk overeenkomt met art. 8 lid 6 Wet Bopz) en art. 38, leden 7 en 8 (toepassing van hoor en wederhoor ten aanzien van de op grond van de voorgaande artikelleden afgelegde verklaringen).

Die eisen houden in dat de rechter moet weten waarover hij heeft te oordelen en de wederpartij moet weten waartegen zij zich heeft te verdedigen. Zie Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/103, met verdere vindplaatsen in rechtspraak en vakliteratuur.

Zie HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0404, NJ 2012/215. De wetgever heeft het rechtsgevolg neergelegd in art. 48 lid 1 Wet Bopz.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature