< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG over de vraag of een beslissing tot het bepalen van de straf a.b.i. art. 423.4 Sv is begrepen onder de vernietiging door de HR wat betreft de strafoplegging. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:2021.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer17/02107

Zitting 19 november 2019

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is – na terugwijzing van de zaak door Uw Raad – bij arrest van 7 april 2017 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen’ en 2. ‘valsheid in geschrift’ veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt blijkens de toelichting dat het hof, na de terugwijzing van de zaak door Uw Raad, niet alleen een straf had moeten opleggen voor de feiten 1 en 2, maar tevens op grond van art. 423, vierde lid, Sv een straf had moeten bepalen voor de feiten 3, 4 en 5.

4. Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, zal ik de procesgang, delen uit het pleidooi en delen uit het bestreden arrest die voor die beoordeling van belang zijn weergeven. Ook zal ik ingaan op art. 423, vierde lid, Sv en rechtspraak van Uw Raad inzake terugwijzingsopdrachten.

De procesgang, het pleidooi en het bestreden arrest

5. De procesgang is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.

i. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2013 de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van feit 2 de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

ii. Nadat de verdachte tegen dat vonnis onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het hoger beroep bij akte ingetrokken ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5.

iii. Het hof heeft bij arrest van 19 november 2014 het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd. Het hof heeft de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft op de voet van art. 423, vierde lid, Sv de straf voor de in eerste aanleg bewezen verklaarde feiten 3, 4 en 5 bepaald op een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

iv. De verdachte heeft tegen dat arrest van het hof onbeperkt beroep in cassatie ingesteld.

v. Uw Raad heeft bij arrest van 6 september 2016 het arrest van het hof van 19 november 2014 vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

vi. Het hof heeft vervolgens het thans in cassatie bestreden arrest van 7 april 2017 gewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en feit 1 bewezen verklaard. Het hof heeft de verdachte ter zake van feit 1 en – het bij arrest van het hof van 19 november 2014 bewezenverklaarde – feit 2 veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

6. Inzake de strafmaat heeft de raadsman ter terechtzitting van het hof van 24 maart 2017 het volgende aangevoerd:

‘Dat brengt mij tot slot op de hoogte van een op te leggen straf. De zaak is terugverwezen door de Hoge Raad voor zowel feit 1, als de straftoemeting, wat betekent dat op het gebied van de strafmaat weer alles mogelijk is.

Wat betreft de hoogte en soort straf dient er een straf uit te komen die niet hoger is dan het reeds ondergane voorarrest, al dan niet gecombineerd met een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf. De straf die eerder door uw hof is opgelegd is wat betreft de verdediging te hoog.

Die straf is in de eerste plaats hoog omdat deze niet in verhouding staat tot wat in soortgelijke zaken aan straffen wordt opgelegd. Ik wijs u hof in dat kader op een aantal andere uitspraken. (…)Mijn cliënte heeft een aanzienlijk hogere straf opgelegd gekregen dan de personen in de soortgelijke zaken die ik net noemde. Ik heb geprobeerd te achterhalen wat daarvoor de reden kan zijn. Het kan in ieder geval niet liggen aan het strafblad van mijn cliënte. Dat is helemaal blanco. Het kan ook niet gelegen hebben aan haar reclasseringsrapportage. Als ik deze rapportage goed lees dan is de reclassering zeer positief gestemd over de zelfredzaamheid van mijn cliënte en haar toekomstperspectief. Sterker nog, de reclassering adviseert zelfs primair om een werkstraf op te leggen.

Dat positieve toekomstbeeld is terecht gebleken. Er zijn na deze affaire geen nieuwe veroordelingen bijgekomen en cliënte heeft op dit moment een eigen bedrijf bestaande uit een escape-room. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur zou het einde van dit bedrijf zijn. Daarnaast zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ervoor zorgen dat zij ook de mantelzorg over haar moeder niet meer kan voeren.

Ik tel daarbij op dat deze zaak er niet een is waarbij het faillissement dat eraan ten grondslag ligt bewust is veroorzaakt omdat de BV is leeggetrokken of iets dergelijks. [A] was het levenswerk van cliënte en haar broer en zij hebben hier altijd hard voor gewerkt.

Tot slot kun je je afvragen welk strafdoel nog gediend zou worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nieuwe misstanden hebben zich niet voorgedaan en de vergeldende werking van straf verliest zijn glans wel als de straf meer dan 8 jaar na het vergrijp volgt.Ik meen met de reclassering dat voor de feiten waarvoor cliënte veroordeeld zal worden kan worden volstaan met een gevangenisstraf conform voorarrest, de maximale taakstraf van 240 uur met daarbij eventueel nog een voorwaardelijke gevangenisstraf.’

7. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Strafmotivering’, voor zover van belang, het volgende in:

‘De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat, gelet op de terugwijzing door de Hoge Raad voor zowel feit 1 als de straftoemeting, voor wat betreft de strafmaat de volledige straf (het hof begrijpt : ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5) bij de strafbepaling thans weer aan de orde is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

De verdediging heeft destijds bij akte van 8 juli 2014 het hoger beroep voor wat betreft de feiten 3, 4 en 5 ingetrokken. Ter zake van deze feiten heeft het hof in het arrest van 19 november 2014 een straf bepaald. Van dit arrest is onbeperkt cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de term "strafoplegging" niet ziet op de straf die het hof bij arrest van 19 november 2014 reeds heeft bepaald ter zake van de feiten 3, 4 en 5. De straf voor deze feiten (een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest) is bepaald en is na verwijzing niet meer aan de orde. Wel zal het hof een (nieuwe) straf dienen op te leggen voor de feiten 1 en 2. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van goederen aan de boedel van het failliete bedrijf [A] , waaraan zij voor het faillissement mede leiding gaf. Hierdoor is de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt en zijn (mogelijk) crediteuren van de onderneming benadeeld. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals bij arrest van het hof van 19 november 2014 bewezen verklaard. Hiermee heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd.

Ten gunste van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ook ziet het hof in het inmiddels sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten verstreken tijdsverloop aanleiding om tot een andersoortige straf te komen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.’

8. Het dictum van het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

‘Het hof:

(…)

ten aanzien van feit 1 en 2:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet haar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ingevolge het arrest van dit hof van 19 november 2014:

stelt vast dat de verdachte ter zake van de feiten 3 primair, 4 en 5 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) ter zake van materiële schade is toegewezen en dat de verdachte is veroordeeld om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij en dat de verdachte is verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, welke bij genoemd arrest van dit hof op nihil zijn begroot;

stelt vast dat aan de verdachte de verplichting is opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en dat bij genoemd arrest is bepaald dat indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

stelt vast dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.’

Artikel 423, vierde lid, Sv

9. Uit art. 407, eerste lid, Sv volgt dat het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld. Indien echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen zijn, dan kan het hoger beroep ingevolge het tweede lid tot het vonnis voor zover dit één of meer van deze gevoegde zaken betreft, worden beperkt. Deze mogelijkheid van partieel appel is in het Gewijzigd Ontwerp geïntroduceerd. Bij die gelegenheid is ook de bepaling toegevoegd die thans in art. 423, vierde lid, Sv is neergelegd. De redactie van dat artikellid lijkt geïnspireerd op een bepaling die al in de regeling van de herziening was opgenomen: ‘Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald’ (art. 451 GO; op ondergeschikte punten redactioneel aangepast ten opzichte van het ORO). Daarover werd in de memorie van toelichting opgemerkt:

‘Gewoonlijk zal daartoe de rechter er mede kunnen volstaan, de aanvankelijk opgelegde hoofdstraf tot zeker beloop te verminderen. Doch het is ook zeer wel denkbaar, dat hij in de gegrondheid der aangevraagde herziening ter zake van het eene feit reden vindt om voor het andere feit of de andere feiten straf van eene andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf toe te passen. Een en ander is aan zijn beleid overgelaten.’

10. Art. 423, vierde lid, Sv luidt: ‘Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.’ De ruimte voor het gerechtshof bij de toepassing van art. 423, vierde lid, Sv is niet onbeperkt. In HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 overwoog Uw Raad:

‘Indien bij samenloop van feiten niet tegen het vonnis in zijn geheel maar slechts tegen een of meer van die feiten hoger beroep is ingesteld, zal het hof - in geval van vernietiging ten aanzien van de sanctieoplegging - op de voet van art. 423, vierde lid, Sv voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de sanctie moeten "bepalen". Dit betekent dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen. Het staat het hof niet vrij daarbij omstandigheden te betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest.’

11. In lijn daarmee casseerde Uw Raad in HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen. Het hof had, bij het bepalen van de straf voor twee feiten die buiten het hoger beroep waren gehouden, met verschillende omstandigheden rekening gehouden die in eerste aanleg niet aan de orde waren geweest (zoals de proceshouding van de verdachte in hoger beroep). Eerder al casseerde Uw Raad in HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5835, NJ 2007/492. Aan de verdachte was in eerste aanleg wegens een buiten het hoger beroep gehouden feit een rijontzegging opgelegd van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk. Het hof bepaalde de duur van de rijontzegging in hoger beroep op negen maanden. Uw Raad overwoog:

‘Daarbij heeft het Hof miskend dat art. 423, vierde lid, Sv uitsluitend een regeling geeft voor het in die bepaling omschreven geval, te weten dat in eerste aanleg voor de daar berechte feiten een hoofdstraf is uitgesproken en wegens de beperking van het hoger beroep tot een of meer van die feiten, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf de noodzaak ontstaat ook de hoofdstraf voor het feit of die feiten waartoe het hoger beroep zich niet heeft uitgestrekt opnieuw te bepalen (vgl. HR 18 september 1989, LJN AD0875, NJ 1990, 59). Daaruit volgt dat het aan het Hof niet vrijstond aan de bijkomende straf, zoals door de Politierechter opgelegd, te tornen.’

12. Eerder leidde Krabbe uit HR 4 december 1962, ECLI:NL:HR:1962:125, NJ 1963/260, m.nt. Van Berckel af dat het gerechtshof wel ‘een zekere eigen speelruimte’ heeft. De verdachte in deze zaak was door de rechtbank wegens valsheid in geschrift en (kort gezegd) het doen van een onjuiste belastingaangifte tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld. De veroordeling wegens het doen van een onjuiste belastingaangifte was in hoger beroep niet aan de orde. Het hof sprak vrij van de tenlastegelegde valsheid in geschrift en bepaalde de straf wegens het doen van een onjuiste belastingaangifte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een geldboete van vijfhonderd gulden. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het gerechtshof niet voor een andere hoofdstraf had mogen kiezen. Uw Raad overwoog, na aanhaling van art. 423, vierde lid, Sv:

‘dat aan het middel ten grondslag ligt de stelling dat het den appèlrechter bij toepassing van evengenoemd voorschrift niet vrijstaat een andere soort van straf op te leggen dan die, waartoe aanvankelijk in eersten aanleg werd veroordeeld;

dat deze stelling, tot welker aanvaarding de tekst van art. 423 vierde lid niet dwingt, - ook niet voorzover die tekst bezigt het begrip „bepalen" – geenszins geschraagd wordt door de geschiedenis der totstandkoming dezer wettelijke bepaling;

dat immers in de van Regeringswege gegeven toelichting op het tweede lid van het huidige art. 476 Sv. (oorspronkelijk Regeringsontwerp, art. 451) het navolgende werd betoogd:

„Wanneer tengevolge van samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is opgelegd, is niet uit te maken welk deel dier straf voor elk dier feiten komt.

Wordt nu herziening gevraagd en toegelaten voor al die feiten, dan zal de toepassing van het in het eerste lid nedergelegde beginsel geen moeilijkheden opleveren. Anders is het, indien herziening wordt gevraagd t.a.v. slechts één dier feiten en deze gegrond wordt bevonden. Dan zal straf voor het ander of de andere feiten noodzakelijk opnieuw moeten worden bepaald. Gewoonlijk zal daartoe de rechter er mede kunnen volstaan, de aanvankelijk opgelegde hoofdstraf tot zeker beloop te verminderen. Doch het is ook zeer wel denkbaar, dat hij in de gegrondheid der aangevraagde herziening ter zake van het ene feit reden vindt om voor het andere feit of de andere feiten straf van een andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf toe te passen. Een en ander is aan zijn beleid overgelaten".;

dat de in de laatste twee volzinnen der in de bovenweergegeven toelichting kenbaar gemaakte zienswijze mede als van belang kan worden aangemerkt voor de uitlegging van het voorschrift, hetwelk eerst in een latere fase van de parlementaire behandeling in art. 399 van het gewijzigd ontwerp van wet werd neergelegd en hetwelk uiteindelijk is vervat in art. 423 vierde lid van het thans vigerende wetboek;

dat bovendien aanvaarding van de meer-bedoelde stelling van req., bepaaldelijk in gevallen, waarin in eersten aanleg met toepassing van art. 57 Sr. ter zake van twee feiten één straf is uitgesproken en de ernst van het feit, ten aanzien waarvan beroep is ingesteld, die van het feit, ten aanzien waarvan zulks niet het geval is, in belangrijke mate overtreft, den appèlrechter, indien hij van oordeel mocht zijn dat de veroordeling t.a.v. eerstbedoeld feit niet in stand kan blijven, zou kunnen nopen ter zake van het feit, waarvan de veroordeling in stand blijft, een zwaardere straf toe te meten dan die, welke naar zijn oordeel door den rechter in eersten aanleg zou zijn opgelegd, indien hij uitsluitend ter zake van dat feit een veroordeling zou hebben uitgesproken;

dat een dergelijke met een juiste strafrechtspleging niet strokende uitlegging van het voorschrift niet geacht kan worden door den wetgever te zijn bedoeld, tenzij een uitdrukkelijke wettelijke bepaling tot een tegengestelde uitkomst zou dwingen, hoedanige bepaling echter noch in art. 423 Sv. noch elders in de wet voorkomt;

dat derhalve het middel niet tot cassatie kan leiden;’

13. Deze beslissing van Uw Raad vindt een sterke basis in de wetsgeschiedenis, maar komt ook overigens gelukkig voor. Zij spoort met latere rechtspraak van Uw Raad in zoverre daarin telkens centraal heeft gestaan dat het gerechtshof niet van de eigen opvattingen omtrent de strafwaardigheid van de buiten het hoger beroep gehouden feiten dient uit te gaan, maar zich dient af te vragen wat de rechtbank zou hebben opgelegd voor die feiten. Wel staat het arrest uit 1962 op gespannen voet met de in HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 gekozen bewoordingen, in zoverre daar gesproken wordt over ‘beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen’.

14. Het is niet geheel duidelijk of Uw Raad met de keuze voor deze formulering afstand heeft willen nemen van de benadering in het arrest uit 1962. In het arrest uit 2010 wordt niet aan het arrest uit 1962 gerefereerd. In de conclusie van A-G Hofstee wel, maar daarbij wordt niet in twijfel getrokken dat in de omstandigheden als in dat arrest aan de orde waren een andere hoofdstraf mocht worden bepaald. In het arrest uit 2010 ging het er vooral om dat het hof nieuwe omstandigheden bij het bepalen van de straf had betrokken en de door de rechtbank opgelegde terbeschikkingstelling niet had overgenomen. Dat kan aanleiding hebben gegeven tot de gekozen formulering, waarin ook de maatregel voorkomt. Denkbaar lijkt al met al ook dat de in het arrest uit 2010 gebezigde bewoordingen zijn gekozen in aansluiting op de betreffende casus, en dat Uw Raad daarmee niet terug heeft willen komen op het arrest uit 1962. In die benadering staat centraal of de beslissing de noodzaak meebrengt de hoofdstraf, bijkomende straf of maatregel opnieuw te bepalen.

15. Dat Uw Raad in het arrest uit 2010 niet alleen spreekt over hoofdstraffen, maar ook over bijkomende straffen en maatregelen, maakt voorts duidelijk dat – al dan niet analogische – toepassing van art. 423, vierde lid, Sv ook in de rede kan liggen bij andere sancties dan hoofdstraffen. Dat blijkt waar het de bijkomende straffen betreft bij de ontzetting van rechten. Art. 60, aanhef en onder 1o, Sr maakt duidelijk dat de straffen van ontzetting van dezelfde rechten ‘worden opgelost in één straf’. Van groter praktisch belang is de mogelijkheid dat een maatregel voor meer dan één feit is opgelegd. Art. 60 Sr geeft daarvoor geen regel. In de praktijk worden enkele maatregelen wel voor meer dan één feit opgelegd. Indien het hoger beroep slechts tegen een deel van die feiten is ingesteld, dient het hof bij ‘vernietiging ten aanzien van de straf’ bij het bepalen van de straf ook over de maatregel te beslissen.

16. Het bepalen van de straf vindt voorts niet alleen plaats in de situatie waarin het hoger beroep slechts tegen één of meer van gevoegd tenlastegelegde feiten wordt ingesteld. Uit HR 4 mei 1942, ECLI:NL:HR:1942:6, NJ 1942/615 volgt dat art. 423, vierde lid, Sv in voorkomende gevallen ook dient te worden toegepast indien onbeperkt hoger beroep is ingesteld en dit beroep partieel, ten aanzien van één of meer gevoegde feiten, niet-ontvankelijk wordt verklaard. In dit verband kan erop worden gewezen dat de wetgever met ingang van 1 maart 2007 de mogelijkheid heeft geopend dat een ingesteld hoger beroep bij het ontbreken van bezwaren niet-ontvankelijk wordt verklaard (art. 416, tweede en derde lid, Sv). Uw Raad heeft uit die wettelijke mogelijkheid en de toelichting daarop afgeleid dat een ingesteld hoger beroep (binnen de grenzen van art. 407, tweede lid, Sv) partieel niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien tegen dat deel van de veroordeling geen bezwaren bestaan of de bezwaren niet zijn gehandhaafd. In dat geval wordt in voorkomende gevallen eveneens op de voet van art. 423, vierde lid, Sv de straf bepaald voor de feiten ter zake waarvan het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Welbeschouwd gaat het hier (ook) om toepassing naar analogie: het hoger beroep is wel ‘ingesteld’ ten aanzien van de feiten waar een straf voor wordt bepaald.

17. Ondertussen kan zich niet alleen bij meerdaadse samenloop de situatie voordoen dat de strafrechter voor gevoegde feiten één hoofdstraf heeft opgelegd. De Jong en Krabbe bespraken in 1979 respectievelijk 1983 rechtspraak uit de jaren ’30 waaruit viel af te leiden dat art. 423, vierde lid, Sv geen straftoemeting mogelijk maakte in de situatie waarin de rechtbank eendaadse samenloop of voortgezette handeling had aangenomen, het hoger beroep zich tot het zwaardere feit beperkte en de verdachte daarvan in hoger beroep werd vrijgesproken. In HR 20 juni 1932, ECLI:NL:HR:1932:36, NJ 1932, p. 1661 m.nt. Taverne overwoog Uw Raad dat art. 423, vierde lid, Sv ‘op het oog heeft het geval, dat voor elk dier meerdere feiten straf is opgelegd en dan ook slechts in dat geval de mogelijkheid bestaat voor elk feit het gedeelte der opgelegde straf te bepalen, hetwelk geacht moet worden voor dat feit te zijn toegemeten’. Uit de toepassing van art. 56 Sr door de kantonrechter volgde, zo overwoog Uw Raad, dat alleen straf was opgelegd volgens de strafbepaling van het zwaardere feit; de strafbepaling van het lichtere feit was buiten toepassing gebleven. De Jong en Krabbe leidden uit deze rechtspraak af dat indien bij eendaadse samenloop of voortgezette handeling alleen hoger beroep was ingesteld tegen de veroordeling wegens het zwaardere feit, en de verdachte daarvan in hoger beroep werd vrijgesproken, geen straf meer kon worden vastgesteld voor het lichtere feit. Krabbe gaf de wetgever in overweging art. 423, vierde lid, Sv zo te wijzigen ‘dat dergelijke verrekeningen, met name indien in eerste aanleg art. 55 of 56 Sr is toegepast, alsnog mogelijk worden’. De Jong meende dat al dan niet analogische toepassing van art. 423, vierde lid, Sv in deze situatie mogelijk was.

18. De recente rechtspraak van Uw Raad op het terrein van de samenloop brengt mee dat de door De Jong en Krabbe besproken rechtsvraag weer actueel is geworden. Eendaadse samenloop is niet langer een betrekkelijk theoretische mogelijkheid; Uw Raad heeft in een aantal arresten aangegeven ’s hofs oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop niet zonder meer begrijpelijk te vinden. Bij wijze van illustratie kan worden gewezen op HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, NJ 2019/116 m.nt. Mevis, waarin het medeplegen van een poging tot doodslag en openlijke geweldpleging bewezen waren verklaard. Dit arrest laat zien dat de rechtsregel die in het arrest van 20 juni 1932 geformuleerd werd in een zaak waarin in eerste aanleg het fietsen zonder licht en onder invloed van alcoholhoudende drank bewezen was verklaard, ook in heel andere casusposities kan spelen.

19. Het is voorstelbaar als Uw Raad wachten op de wetgever mede in dat licht geen aantrekkelijke optie vindt. Denkbaar lijkt mij, de wet aldus uit te leggen dat in geval – om bij de laatste casuspositie te blijven – (1) in eerste aanleg het medeplegen van een poging tot doodslag en openlijke geweldpleging bewezen is verklaard, en deze feiten in eendaadse samenloop zijn begaan, en (2) het hoger beroep wordt beperkt tot het medeplegen van de poging tot doodslag en daarvan wordt vrijgesproken, (3) voor het hof de noodzaak bestaat alsnog de straf te bepalen die de rechtbank, in het geval alleen de openlijke geweldpleging bewezen was verklaard, vermoedelijk passend had geacht. De ratio van art. 423, vierde lid, Sv pleit voor die uitleg. Het verband met art. 407 Sv maakt duidelijk dat de daarin omschreven regel toepassing dient te vinden in alle situaties waarin wegens toepasselijkheid van een samenloopbepaling één hoofdstraf voor gevoegde feiten is opgelegd. Daarbij vormt het (historisch) verband met het voormalige art. 476 Sv en het huidige art. 478 Sv een toereikende verklaring voor de gekozen formulering (die op ‘samenloop van meerdere feiten’ ziet). Voorts eist art. 423, vierde lid, Sv niet dat de vernietigde straf mede is gebaseerd op de strafbepaling waaronder het lichtere feit is of had kunnen worden gekwalificeerd. De straf voor het andere feit of de andere feiten wordt bepaald ‘in geval van vernietiging ten aanzien van de straf’ (waar deze ook op was gebaseerd). Voor het geval deze uitleg naar het oordeel van Uw Raad niet met de letter van art. 423, vierde lid, Sv overeen te brengen zou zijn (redactie en wetshistorie zijn daarvoor nog steeds argumenten) komt toepassing naar analogie mij – met De Jong – wenselijk voor.

20. Toepassing van art. 423, vierde lid, Sv, al dan niet naar analogie, bij eendaadse samenloop en voortgezette handeling, zou meebrengen dat het bepalen van de straf niet altijd neerkomt op het verdelen van de in eerste aanleg opgelegde straf over de binnen en buiten het hoger beroep vallende strafbare feiten. Bij eendaadse samenloop is slechts de strafbepaling waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld toegepast. De ‘verrekeningen’ waar Krabbe over spreekt, komen er op neer dat het hof bij een vrijspraak in hoger beroep van het zwaardere feit nagaat welke straf de rechtbank zou hebben opgelegd op basis van de lichtere kwalificatie. Naar het mij voorkomt zou deze wijze van bepalen van straf niet in strijd behoeven te worden geacht met de in HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 geformuleerde regel. Het hof kan beslissen dat een deel van de hoofdstraf geacht wordt door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is of zijn onderworpen, ook als dat deel door de eerste rechter (tevens) voor een ander (het zwaardere) feit is opgelegd.

21. Als de straf wegens buiten het hoger beroep gehouden gevoegde feiten bij eendaadse samenloop en voortgezette handeling aldus bepaald wordt, ligt het in de rede dat de strafbepaling bij meerdaadse samenloop op dezelfde wijze plaatsvindt. Dit temeer nu de grens tussen eendaadse en meerdaadse samenloop niet heel scherp is. Maar ook los daarvan: in de wettelijke regeling van de meerdaadse samenloop ligt besloten dat de in eerste aanleg opgelegde straf voor de feiten die buiten het hoger beroep zijn gehouden en de feiten die aan het hof zijn voorgelegd geen optelsom van straffen per feit behoeft te zijn. Art. 57 Sr bepaalt dat het maximum van de gevangenisstraf bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd niet meer dan een derde boven het hoogste maximum mag uitkomen. Voor dit stelsel van gematigde cumulatie is gekozen omdat zuivere cumulatie van de toepasselijke hoofdstraffen zou leiden tot ‘te groote hardheid’. Als de wetgever had gewild dat voor elk misdrijf afzonderlijk straf wordt opgelegd, had hij voor een ander stelsel gekozen, waarin voor art. 423, vierde lid, Sv geen plaats was geweest.

22. Dan resteert de vraag of de rechter bij het bepalen van de straf voor de feiten die buiten het hoger beroep zijn gehouden rekening dient te houden met beslissingen die hij neemt inzake de feiten waarover hij in hoger beroep heeft te oordelen.

23. Een aanwijzing voor een bevestigend antwoord kan uit de wettelijke regeling worden afgeleid. Art. 423, vierde lid, Sv maakt duidelijk dat bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten wordt bepaald ‘in geval van vernietiging ten aanzien van de straf’. Dat duidt erop dat de wetgever het mogelijk acht dat het hof ook bij een partieel appel de straf die de rechtbank heeft opgelegd bevestigt. Het is niet helemaal duidelijk hoe dit begrepen moet worden. De beslissingen inzake de feiten die buiten het hoger beroep zijn gehouden zijn niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Als bevestigen slechts mogelijk wordt geacht bij beslissingen die aan ’s hofs oordeel zijn onderworpen, kan het hof de straf slechts bevestigen voor zover deze is opgelegd wegens de feiten die in hoger beroep aan de orde zijn. Maar hoe dat ook zij: uit de wettelijke regeling volgt dat de enkele omstandigheid dat een feit buiten het hoger beroep is gehouden en het vonnis in zoverre onherroepelijk is, het hof er niet toe dwingt daarvoor geïsoleerd een straf te bepalen. Als het hof de straf (voor zover aan zijn oordeel onderworpen) bevestigt, blijft de straf die de rechtbank voor het geheel van de feiten heeft opgelegd in stand. Voor zover die straf is opgelegd wegens buiten het hoger beroep gehouden feiten, gaat het daarbij om een straftoemetingsbeslissing waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de feiten waar het hof in hoger beroep opnieuw over oordeelt. Bij die regeling past dat het hof in het geval het tot een vernietiging van het bestreden deel van het vonnis komt, bij het bepalen van de straf ook rekening houdt met de beslissingen die het inzake dat bestreden deel neemt. De keuze tussen bevestigen en vernietigen van de opgelegde straf kan een ‘technische’ oorzaak hebben; aanpassing van de bewezenverklaring op ondergeschikte punten bijvoorbeeld. Het spreekt niet aan als een door technische oorzaken ingegeven vernietiging een andere straf zou opleveren.

24. Een en ander kan aan de hand van de casus van het arrest uit 1962 worden verduidelijkt. Als het hof tot een identieke bewezenverklaring van de valsheid in geschrift was gekomen had de door de rechtbank opgelegde drie maanden gevangenisstraf in stand kunnen blijven. Als het hof tot een op ondergeschikte punten andere bewezenverklaring van de valsheid in geschrift was gekomen had het, als het bij de strafbepaling ter zake van het doen van onjuiste aangifte met de bewezenverklaring van valsheid in geschrift rekening diende te houden en de strafwaardigheid van beide feiten samen net zo inschatte als de rechtbank, tot een verdeling kunnen komen. Om een voorbeeld te noemen: één maand gevangenisstraf voor het doen van een onjuiste aangifte, twee maanden gevangenisstraf voor de valsheid in geschrift. Als de straf voor het doen van onjuiste aangifte volledig los van de wegens valsheid in geschrift opgelegde straf moet worden bepaald, zou het hof daar destijds een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete, thans mogelijk een taakstraf of (ingeval na het arrest uit 2010 niet een andere hoofdstraf mag worden bepaald) wellicht alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor hebben bepaald. Daarnaast had het hof dan een straf dienen op te leggen voor de valsheid in geschrift.

25. Daarmee is nog een argument gegeven voor het standpunt dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de opgelegde straf. Die benadering leidt tot een meer aansprekende en betere straftoemeting. Wat het aansprekende betreft kan worden gewezen op de casus waarin in eerste aanleg veroordeeld is wegens het medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging, in eendaadse samenloop begaan. In geval het hoger beroep wordt beperkt tot het medeplegen van de poging tot doodslag en de rechter bij het bepalen van de straf ter zake van openlijke geweldpleging geen rekening zou dienen te houden met de beslissingen die hij inzake het medeplegen van de poging tot doodslag neemt, zou hij ook in het geval hij het medeplegen van de poging tot doodslag bewezen verklaart tevens een straf dienen te bepalen voor de openlijke geweldpleging. Zo’n opgeknipte straf spreekt niet aan en staat ook op gespannen voet met de samenloopregeling, ingevolge welke de straf aan het zwaarste feit wordt gekoppeld. Uit oogpunt van kwaliteit van straftoemeting is van belang dat de optelsom van de bepaalde en de opgelegde straf anders kan zijn al naar gelang bij het bepalen van de straf al dan niet rekening wordt gehouden met de opgelegde straf (zie vorig randnummer).

26. Aan de hand van de casus van het arrest uit 1962 kan ook worden verduidelijkt dat het in de rede kan liggen om, in het geval een arrest waarin een beslissing uit hoofde van art. 423, vierde lid, Sv is vervat gecasseerd wordt, na terugwijzing een andere straf te bepalen. Stel dat het hof in die casus in hoger beroep tot een op ondergeschikte punten andere bewezenverklaring van valsheid in geschrift was gekomen en, met vernietiging van de strafoplegging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand had bepaald voor het doen van een onjuiste aangifte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden had opgelegd wegens de valsheid in geschrift. Stel voorts dat het hof na cassatie alsnog had vrijgesproken van de valsheid in geschrift. Indien het na cassatie oordelende hof, net als het hof in het arrest uit 1962, inschat dat de rechtbank bij een veroordeling wegens alleen het doen van een onjuiste aangifte met een korte voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete had volstaan, zou het hof de straf voor dat feit na cassatie alsnog op andere wijze moeten (kunnen) bepalen.

27. Met het voorgaande is niet gezegd dat een benadering waarin het bepalen van de straf volledig los staat van het (daarna) opleggen van de straf wegens de feiten die in hoger beroep aan de orde zijn niet denkbaar is. Het bepalen van de straf wordt in die benadering een volledig zelfstandige beslissing die – al valt zij daar in de tijd mee samen – naar de inhoud feitelijk aan de beslissingen inzake de feiten die in hoger beroep aan de orde zijn vooraf gaat. Bij het opleggen van de straf voor de feiten die in hoger beroep wel aan de orde zijn kan vervolgens met de bepaalde straf rekening worden gehouden als ware het een beslissing die conform art. 63 Sr in de strafoplegging wordt verdisconteerd. Ik meen evenwel dat een uitleg waarin het hof bij het bepalen van de straf rekening dient te houden met de beslissingen die het neemt inzake de feiten die in hoger beroep opnieuw aan de orde zijn, vanwege de eerder genoemde redenen betere papieren heeft.

Terugwijzingsopdrachten

28. In HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 heeft Uw Raad de volgende beschouwing over de reikwijdte van de partiële vernietiging opgenomen:

‘4.1. Indien, zoals in dit geval, de bestreden uitspraak 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging' wordt vernietigd, zijn in die vernietiging in beginsel en tenzij in het desbetreffende arrest anders is vermeld, begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel.

In zo een vernietiging zijn ook begrepen:

- de beslissingen als bedoeld in art. 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen;

‘ - de beslissingen als bedoeld in art. 361a Sv omtrent een vordering inzake de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en een vordering inzake de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling.

4.2. In zo een vernietiging wat betreft de strafoplegging zijn echter – anders dan wanneer mede wordt vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring – niet begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 361 Sv omtrent een vordering van de benadeelde partij, nu de beslissingen omtrent die vordering worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij. Dit brengt mee dat ook wanneer de vordering van de benadeelde partij in het vernietigde arrest (gedeeltelijk) niet is toegewezen, die beslissing niet is begrepen in de vernietiging 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging'.

Een en ander sluit aan bij de omstandigheid dat de benadeelde partij wier vordering (gedeeltelijk) niet is toegewezen, bevoegd is om op de voet van art. 437, derde lid, Sv een schriftuur in te dienen ingeval cassatieberoep is ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak. Voor de duidelijkheid wijst de Hoge Raad erop dat van deze beslissingen omtrent een vordering van de benadeelde partij moeten worden onderscheiden de beslissingen omtrent het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Voor de beslissingen omtrent het opleggen van een dergelijke maatregel geldt hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen.’

29. Met deze beslissing verduidelijkt Uw Raad wat is bedoeld in het geval (zoals in het betreffende arrest) de bestreden uitspraak wordt vernietigd ‘maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging’ en daarmee wat het gerechtshof te doen staat indien de zaak daarnaar wordt verwezen of teruggewezen ‘opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan’.

30. Uw Raad neemt daarbij de ‘beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel’ als vertrekpunt. Maar daaraan wordt een belangrijke uitbreiding gegeven doordat wordt bepaald dat in zo een vernietiging zijn begrepen de beslissingen als bedoeld in de artikelen 353 en 354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen. Art. 353 Sv verplicht tot het nemen van een beslissing over een met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Het gaat hierbij om de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen of aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dan wel om de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende. Art. 354 Sv betreft ontoegankelijk gemaakte gegevens. Het gaat bij deze artikelen derhalve om beslissingen die geen beslissing inzake een straf of maatregel inhouden. Voor zover voorwerpen aan de verdachte zijn teruggegeven, gaat het zelfs om beslissingen waar hij vermoedelijk blij mee is. In een vernietiging wat betreft de strafoplegging zijn ook begrepen de beslissingen als bedoeld in artikel 361a Sv omtrent een vordering inzake de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en omtrent een vordering inzake de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling. Ook dat zijn geen beslissingen die de oplegging van een straf of maatregel inhouden.

31. Uw Raad licht niet toe waarom deze beslissingen in een vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ begrepen zijn, maar er laten zich wel redenen bedenken. De beslissing inzake de op te leggen straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf worden veelal in samenhang genomen. Als de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen, kan dat leiden tot een lagere straf. Ook de beslissingen inzake inbeslaggenomen voorwerpen en de strafoplegging hangen samen. Als de beslissing tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen in stand blijft, kan de rechter die na terugwijzing of verwijzing heeft te oordelen deze niet meer onttrekken aan het verkeer. Door de genoemde beslissingen standaard in de vernietiging inzake de strafoplegging te begrijpen, wordt bereikt dat de rechter die na verwijzing of terugwijzing over de strafoplegging heeft te oordelen daarbij maximale armslag heeft en zich tegelijk van de samenhang tussen deze beslissingen bewust is. Dat het begrip ‘strafoplegging’ ruim wordt opgevat, heeft voorts als voordeel dat Uw Raad zich niet in elke strafzaak heel precies behoeft te verdiepen in en uit te laten over de taak van de rechter na terug- of verwijzing.

32. Verduidelijkt wordt dat de beslissingen omtrent een vordering van de benadeelde partij niet in de vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ zijn begrepen. Dat wordt door Uw Raad op twee argumenten gebaseerd. Het eerste is dat de beslissingen omtrent die vordering worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij. Uw Raad doelt met vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ kennelijk alleen op beslissingen in het strafgeding. Het tweede argument is dat de benadeelde partij bevoegd is om een schriftuur in te dienen ingeval cassatieberoep is ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak. Aldus is de mogelijkheid van ‘civielrechtelijke tegenspraak in de strafcassatieprocedure’ verzekerd. Als de benadeelde partij dat heeft nagelaten en de verdachte geen klachten naar voren heeft gebracht die tot vernietiging van deze beslissing hebben geleid, is er geen aanleiding de rechter waar de zaak naar verwezen of teruggewezen wordt, ertoe te verplichten deze beslissing over te doen omdat de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging wordt vernietigd.

33. Enkele malen heeft Uw Raad een uitzondering gemaakt op de geformuleerde regel. In HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, NJ 2015/346 m.nt. Keulen was de verdachte veroordeeld wegens twee gekwalificeerde diefstallen, poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en overtreding van art. 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. Uw Raad vernietigde de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van de poging tot doodslag en de strafoplegging, maar bepaalde dat de schadevergoedingsmaatregelen die ten behoeve van de slachtoffers van beide diefstallen aan de verdachte waren opgelegd niet in die vernietiging begrepen waren. Uw Raad noemde als argument ‘de belangen van de benadeelde partijen’. De argumenten die voor het meenemen van deze beslissingen in de vernietiging op het punt van de strafoplegging pleiten (armslag voor de rechter na terugwijzing; bewustheid van het totale sanctiepakket) legden het kennelijk daartegen af. Daarbij heeft Uw Raad wellicht meegewogen dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel veelal zonder nadere afweging aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij wordt gekoppeld.

34. De verheldering die Uw Raad in HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 heeft gegeven van de beslissingen die door een vernietiging wat betreft de strafoplegging geraakt worden, heeft er niet toe geleid dat het sindsdien altijd goed gaat. Vooral bij de schadevergoedingsmaatregel gaat het regelmatig niet zoals het moet; de rechter waar de zaak naar teruggewezen wordt, legt deze niet altijd opnieuw op. Ook in deze zaak is dat het geval. Het hof ‘stelt vast’ dat ingevolge het arrest van 19 november 2014 de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot het genoemde bedrag is toegewezen en dat een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Wat de vordering tot schadevergoeding betreft is dat gelet op genoemd arrest een overbodige mededeling, bij de schadevergoedingsmaatregel laat de rechter na deze met zoveel woorden opnieuw op te leggen.

35. Over dit gebrek in de bestreden uitspraak wordt niet geklaagd. Maar ook als daar wel over geklaagd was had deze fout niet tot cassatie geleid, zo kan uit HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3622, NJ 2015/135 m.nt. Van Kempen worden afgeleid. Het hof had na terugwijzing de schadevergoedingsmaatregelen niet opnieuw opgelegd. Uw Raad overwoog dat nu die eerder opgelegde maatregelen waren vernietigd en daarmee vervallen, het belang van de verdachte bij zijn klacht niet evident was. Het beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard.

36. Ook andere fouten die de rechter na terugwijzing maakt als gevolg van misvattingen omtrent de taak die hem is opgedragen leiden niet altijd tot cassatie. In HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1416 was de verdachte door het hof in 2012 veroordeeld wegens een misdrijf en twee overtredingen; Uw Raad had het bestreden arrest in 2015 vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van het misdrijf en de strafoplegging. Het hof had na terugwijzing alleen over het misdrijf geoordeeld; de verdachte werd daarvan vrijgesproken. Nu voor de overtredingen in het eerdere arrest afzonderlijk straf was opgelegd meende het hof dat die beslissingen in stand waren gebleven. Uw Raad oordeelde, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, dat in de vernietiging ook ‘de beslissingen omtrent het opleggen van straf ter zake van andere bewezenverklaarde feiten, ook als dit overtredingen zijn’ begrepen waren. Maar nu de wegens beide overtredingen opgelegde straffen door Uw Raad waren vernietigd en daarmee vervallen, was het belang van de verdachte bij zijn klacht dat het hof had verzuimd opnieuw over de strafoplegging ter zake van de overtredingen te beslissen niet evident.

37. In de zaak die leidde tot HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1416 was het resultaat dat twee overtredingen – eerder bestraft met twee werkstraffen van tien uren en een rijontzegging van drie maanden – na terugwijzing onbestraft bleven. Dat is niet heel schokkend. Maar er is weinig fantasie voor nodig om casusposities te bedenken waarin de gevolgde benadering tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Zo kan zich de situatie voordoen waarin de beslissingen inzake een tenlastegelegde overtreding en de strafoplegging zijn vernietigd, terwijl die strafoplegging deels zag op ernstige misdrijven. De misvatting van het hof zou er dan, indien deze door het openbaar ministerie niet wordt doorzien, toe kunnen leiden dat ernstige misdrijven onbestraft blijven.

38. In andere context staat Uw Raad inmiddels aan hoven toe om deels zelf een nieuwe straf op te leggen en deels de strafoplegging door een andere rechter in stand te laten. In HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, NJ 2018/173 had het hof de door de rechtbank opgelegde straffen en maatregelen deels bevestigd en deels vernietigd. Het hof had het vonnis vernietigd ten aanzien van de oplegging van gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, de verdachte zes jaar gevangenisstraf opgelegd en de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen en het vonnis voor het overige bevestigd. In dat vonnis was de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Die beslissingen bleven derhalve in stand. Uw Raad overwoog ‘dat art. 423 Sv op zichzelf niet in de weg staat aan een gedeeltelijke vernietiging en een gedeeltelijke bevestiging van de beslissing(en) van de rechtbank ten aanzien van de sanctieoplegging’ en voegde daar nog aan toe:

‘3.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het arrest van het hof dient niet onverenigbaar te zijn met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank, en uit het arrest van het hof moet in samenhang met het vonnis van de rechtbank, voor zover dit is bevestigd, ondubbelzinnig blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan de verdachte zijn opgelegd. In het licht daarvan alsmede teneinde – ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging – misverstanden te voorkomen, verdient het in voorkomende gevallen aanbeveling dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat.’

39. Deze benadering brengt mee dat Uw Raad de beslissing van gerechtshoven inzake de straftoemeting soms dient uit te leggen. Een voorbeeld is te vinden in HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431. Het hof had overwogen zich te verenigen met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berustte, ‘behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering’. Het hof overwoog vervolgens dat het een lagere gevangenisstraf oplegde dan de rechtbank in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en dat het anders dan de rechtbank aan het voorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf geen bijzondere voorwaarden verbond. Verder gaf het hof aan zich te verenigen met de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen opnieuw op te leggen nu de redactie in het vonnis van die maatregelen ‘naar het oordeel van het hof voor onduidelijkheid kan zorgen’. Op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden, die door de rechtbank was toegewezen, besliste het hof niet (expliciet) opnieuw. Uw Raad overwoog naar aanleiding van de klacht, inhoudend dat het hof had verzuimd te beslissen op de vordering tot tenuitvoerlegging, althans dat onduidelijk was welke beslissing het hof op die vordering had genomen:

‘2.3.2. Mede gelet op de omstandigheid dat het Hof blijkens zijn (…) overwegingen de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen slechts heeft herhaald omdat de door de Rechtbank gebezigde formulering "voor onduidelijkheid kan zorgen", moet de beslissing van het Hof aldus worden gelezen dat het zijn oordeel over de hoogte en modaliteit van de op te leggen gevangenisstraf in de plaats heeft gesteld van het door de Rechtbank dienaangaande gegeven oordeel en dat het Hof het vonnis van de Rechtbank voor het overige heeft bevestigd, ook voor zover daarin de tenuitvoerlegging is gelast van de op 2 oktober 2012 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Hierdoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.’

40. Mede tegen de achtergrond van deze rechtspraak valt er naar het mij voorkomt veel voor te zeggen ook de straftoemeting door het hof na cassatie waar mogelijk naar zijn bedoeling te interpreteren. Die benadering klinkt al door in HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:59. Uw Raad had in die zaak in 2011 een arrest uit 2009 vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van twee tenlastegelegde feiten en de strafoplegging. Die vernietiging raakte ook beslissingen op vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen. Na terugwijzing had het hof onder meer overwogen: ‘Ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging verwijst het hof naar het eerdere gewezen arrest van dit hof d.d. 8 september 2009.’ Uw Raad overwoog dat het hof na terugwijzing van de zaak terecht opnieuw beslist had omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging en door aldus te overwegen tot uitdrukking had gebracht dat die beslissing op dezelfde gronden steunde.

41. Daarbij teken ik nog aan dat uit het dictum van het hof dat in die zaak na cassatie had geoordeeld, blijkt dat het hof heeft overwogen: ‘Ten overvloede herhaalt het hof hierna hetgeen met betrekking tot de benadeelde partijen (…), de schadevergoedingsmaatregel en de gevorderde ten uitvoerlegging is bepaald in het arrest van (het) hof van 8 september 2009’. Die passage heeft er niet aan in de weg gestaan dat Uw Raad in de verwijzing naar het eerder gewezen arrest een nieuwe beslissing omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging heeft gezien.

Bespreking van het middel

42. De steller van het middel meent dat het hof niet alleen een straf had moeten opleggen voor de feiten 1 en 2, maar tevens een straf had moeten bepalen ex art. 423, vierde lid, Sv. En dat het hof daarbij niet gebonden was aan hetgeen daarover eerder in het arrest van 19 november 2014 was bepaald. Dat het hof het te bepalen deel van de straf opnieuw had kunnen vaststellen op drie maanden met aftrek doet daar volgens de steller van het middel niet aan af.

43. In eerdere arresten van Uw Raad is, als ik het goed zie, niet met zoveel woorden beslist of de beslissing ingevolge art. 423, vierde lid, Sv door vernietiging wat betreft de strafoplegging geraakt wordt. Uit HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8016, NJ 2011/135 volgt wel een aanwijzing. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van de feiten 1 en 3 en de verdachte ter zake van feit 2 veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf waarvan vier voorwaardelijk. Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep betrof de vrijspraak ter zake van feit 1. Het hof verklaarde dat feit bewezen en legde voor feit 1 tien maanden gevangenisstraf op. Daarnaast bepaalde het hof de straf voor het onder 2 door de rechtbank bewezenverklaarde feit op vier maanden gevangenisstraf. Uw Raad overwoog dat het hof ten onrechte een straf had bepaald voor feit 2; het had dienen te volstaan met strafoplegging ter zake van feit 1. En Uw Raad vernietigde vervolgens ‘de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging’. Het spreekt vanzelf dat de beslissing waarbij de straf op grond van art. 423, vierde lid, Sv bepaald was in die vernietiging begrepen was. Juist die beslissing leidde tot de vernietiging.

44. Maar ook los van deze beslissing meen ik dat het in de rede ligt aan te nemen dat in de vernietiging van het arrest van 19 november 2014 wat betreft ‘de strafoplegging’ besloten ligt dat ook de beslissing van het hof die de straf inzake de feiten 3, 4 en 5 op 3 maanden gevangenisstraf bepaalde, vernietigd is. Uit de verheldering van de reikwijdte van deze formulering in HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 volgt dat Uw Raad onder deze formulering ‘alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel’ begrijpt. Daarmee is de beslissing tot het bepalen van de straf sterk verwant. Daar komt bij dat andere beslissingen waarvan het in stand blijven het hof zou kunnen belemmeren om de zaak na terugwijzing optimaal ‘op het bestaande hoger beroep’ opnieuw te berechten en af te doen door deze vernietiging worden geraakt. Het ligt in de rede daaronder ook de beslissingen uit hoofde van art. 423, vierde lid, Sv te laten vallen. Er zijn situaties denkbaar waarin het hof, gelet op de beslissingen die het verder neemt, bij het bepalen van de straf ter zake van de buiten het hoger beroep gebleven feiten anders uit kan komen.

45. Daarmee is niet gezegd dat de andere keus niet voorstelbaar is. Het bepalen van de straf is taalkundig iets anders dan het opleggen van straf en in veel gevallen zal er geen aanleiding zijn om in het licht van de uitkomsten van de berechting na cassatie een andere straf te bepalen. De consequentie van die keus zou evenwel zijn dat Uw Raad in elke strafzaak waarin het hof straf heeft bepaald ter zake van buiten het hoger beroep gehouden feiten, moet inschatten of de mogelijke uitkomsten van de strafzaak na terug- of verwijzing kunnen meebrengen dat aanpassing van de eerder bepaalde straf in de rede ligt. Dat komt weinig aantrekkelijk voor, ook vanwege het signaal dat in die benadering van cassatie van de bepaalde straf uit zou kunnen gaan.

46. Als het bepalen van de straf in het begrip ‘strafoplegging’ als uitgelegd in HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 besloten ligt, zoals ik aanneem, impliceert dat niet dat de verdachte de beslissing van het hof uit hoofde van art. 423, vierde lid, Sv niet van het cassatieberoep zou kunnen uitsluiten. Richtinggevend bij de beslissing of die beperking van het cassatieberoep kan worden aanvaard zijn vervolgens de in HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59 m.nt. Mevis gegeven regels, in het bijzonder de regel dat ‘moet worden vermeden dat de verwijzingsrechter als gevolg van het beperkte cassatieberoep niet meer in staat zou zijn (...) naar behoren (opnieuw) recht’ te doen op het bestaande hoger beroep (rov. 2.3). Te verwachten valt overigens niet dat de verdachte er veelvuldig behoefte aan zal hebben deze beslissing uit te sluiten.

47. Het hof is wel van een beperkte lezing van het begrip strafoplegging uitgegaan; de straf voor de feiten 3, 4 en 5 ‘is bepaald en is na verwijzing niet meer aan de orde’. Tegen deze achtergrond is denkbaar om in lijn met eerdere rechtspraak te volstaan met de vaststelling dat de beslissing in het arrest van 19 november 2014 tot bepaling van de straf voor de feiten 3, 4 en 5 door Uw Raad is vernietigd en dat het hof daar niet een nieuwe beslissing voor in de plaats heeft gesteld. De verdachte heeft in dat geval geen belang bij het beroep in cassatie. Het bestreden arrest bevat evenwel geen enkele aanwijzing dat het hof de feiten 3, 4 en 5 straffeloos heeft willen laten; dat stond het hof ingevolge art. 423, vierde lid, Sv ook niet vrij. Het gaat bij deze feiten, kort gezegd, om het opzettelijk gebruik maken van een valse loonberekening, werkgeversverklaring , salarisspecificatie en kopie van een paspoort (feit 3), het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 152 hennepplanten (feit 4) en diefstal in vereniging van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij (feit 5). Het hof stelt in het dictum vast dat voor die feiten in het eerdere arrest een gevangenisstraf van drie maanden is bepaald. Anders dan bij de schadevergoedingsmaatregel is ook niet zonneklaar uit eerdere rechtspraak van Uw Raad af te leiden dat de beslissing uit hoofde van art. 423, vierde lid, Sv door de vernietiging van de strafoplegging geraakt wordt. Voor zover dat in deze een rol mag spelen, valt het openbaar ministerie derhalve veel minder te verwijten dat het de onjuistheid van ’s hofs beslissing niet heeft doorzien. Nu uit het dictum ondubbelzinnig blijkt welke straffen en maatregelen volgens het hof als resultaat van de berechting in zijn totaliteit zijn opgelegd, kan de beslissing ook zo worden gelezen dat het hof deze straffen en maatregelen zelf heeft opgelegd (de schadevergoedingsmaatregel) dan wel bepaald (de gevangenisstraf van drie maanden) in zoverre zij door de eerdere vernietiging van de strafoplegging zijn vervallen.

48. De vraag is vervolgens of het middel uitgaande van deze lezing van het bestreden arrest tot cassatie dient te leiden. Vernietiging van het bestreden arrest is naar het mij voorkomt alleen aangewezen als de verdachte in zijn belangen is geschaad doordat het hof de eerder opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de eerder bepaalde straf zonder meer heeft overgenomen.

49. Geconstateerd kan worden dat de raadsman in hoger beroep in zijn pleidooi niet heeft beargumenteerd waarom het hof bij het bepalen van de straf anders uit zou moeten komen dan in 2014. De raadsman stelt dat op het gebied van de strafmaat ‘alles weer mogelijk is’, maar dat is niet het geval. Het hof was in 2017, net als in 2014, bij het bepalen van de straf gehouden in te schatten welke straf de rechtbank voor de betreffende feiten zou hebben opgelegd. Dat geeft de steller van het middel feitelijk ook toe: ‘Wel juist is dat het Hof daarbij geen nieuwe omstandigheden die op het moment van het ‘bepalen’ van de straf actueel zijn, had kunnen betrekken.’

50. De straffen die het hof in het bestreden arrest heeft opgelegd en de strafmotivering wekken ook niet het vermoeden dat het hof, als het de straf voor de feiten 3, 4 en 5 opnieuw had bepaald, anders uit was gekomen dan in 2014. Dat het hof de eerder opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 6 voorwaardelijk heeft veranderd in een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden berust niet op een andere waardering van de ernst van deze feiten. Het hof ziet in 2017 (mede) in het inmiddels verstreken tijdsverloop sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om tot een andersoortige straf te komen dan door de advocaat-generaal gevorderd. Het tijdsverloop na de berechting in eerste aanleg speelt bij het bepalen van de straf geen rol, zo volgt ook uit HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 en HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen.

51. In de toelichting op het middel wordt ook niet toegelicht wat het hof aanleiding had kunnen geven om de straf voor de feiten 3, 4 en 5 anders te bepalen dan in 2014. Naar het mij voorkomt mag van de steller van een middel dat over schending van een terugwijzingsopdracht als in de onderhavige zaak klaagt, worden gevraagd dat enige toelichting op het belang bij cassatie wordt verschaft. De beslissingen waar het bij die schendingen om gaat, zijn beslissingen waarbij het gerechtshof gewoonlijk geen behoefte heeft aan een nieuwe afweging. Dat de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel wordt afgestemd op het (inmiddels onherroepelijk) toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij, spreekt voor veel rechters vanzelf. Ook bij het bepalen van de straf ligt het gewoonlijk niet in de rede dat een andere inschatting wordt gemaakt van de straf die de rechtbank voor de buiten het hoger beroep gebleven feiten zou hebben opgelegd. Slechts bij uitzondering zal dat anders liggen. Dat zich in de onderhavige zaak een dergelijke uitzondering voordoet, wordt in de schriftuur niet gesteld, laat staan beargumenteerd.

52. Het middel faalt.

53. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken nadat het cassatieberoep op 20 april 2017 is ingesteld, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.

54. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021.

ECLI:NL:GHDHA:2014:4625.

Art. 383 ORO luidde nog: ‘Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld’. De hogere rechter zou niet gebonden kunnen worden ‘door beslissingen die hij onjuist acht of die gegrond zijn op feiten van welker bestaan hij niet overtuigd is en dit geldt ook – zij het in mindere mate – als meer strafbare feiten zijn te laste gelegd. Ook dan wordt door partieel appel inbreuk gemaakt op de ondeelbaarheid van het vonnis, daar de beslissing omtrent de straf noodwendig rekening heeft gehouden met de verschillende capita accusationis; practische moeilijkheden zijn ook dan te duchten met name als in een vonnis over meerdere capita accusationis beslist is, doch uit hoofde van de bepalingen omtrent samenloop (artikelen 56-58 Wetboek van Strafrecht) slechts ééne straf is opgelegd’ (Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 150). Zie over de historische achtergrond van de introductie van het partieel appel J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 183-188.

Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 2, concept-artt. 383 en 399. Zie voor de achtergrond van deze aanpassing het Verslag (Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 66). Over het nieuw voorgestelde vierde lid van concept-art. 399 wordt opgemerkt: ‘Het nieuwe laatste lid houdt verband met het partieel appèl en spreekt voor zich zelf’ (p. 67).

In het Wetboek van Strafvordering was deze bepaling lange tijd in art. 476 Sv te vinden. Sinds de inwerkingtreding van de Wet hervorming herziening ten voordele (Wet van 18 juni 2012, Stb. 275) is zij te vinden in art. 478 Sv.

Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 160.

Zie voor kritiek op deze passage A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1925, deel 2, p. 386-387 en 528-529.

H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1983, p. 198.

Zo begrijp ik ook A-G Machielse, conclusie bij HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734, NJ 2000/646 m.nt. Schalken, onder 18, waar hij ook een verhelderend voorbeeld geeft. Zie ook J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering, 12e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 526.

Denkbaar is ook dat Uw Raad zich heeft laten inspireren door Van Veen, die in zijn noot onder HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0875, NJ 1990/59 opmerkt het waarschijnlijk te achten ‘dat de bedoeling van de wetgever het meest wordt benaderd indien men aanneemt dat de appelrechter (…) niet aan de hoofd en bijkomende straffen mag komen, die de eerste rechter heeft opgelegd voor de feiten, waarover zich het appel niet uitstrekt.’ In het arrest uit 1989 zelf lees ik, met A-G Machielse, geen verbod op het bepalen van een andere soort hoofdstraf dan de rechtbank had opgelegd (conclusie bij HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734, NJ 2000/646 m.nt. Schalken).

Ook in HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen, waarin Uw Raad de in 2010 gekozen formulering herhaalde, was geen sprake van een situatie waarin een andere hoofdstraf in beeld kwam.

Vgl. HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:953, NJ 2017/233 (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders); HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:340 (vrijheidsbeperkende maatregel); HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:903 (terbeschikkingstelling).

Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531 m.nt. Mevis.

Zie voor voorbeelden van toepassing van art. 416, tweede lid, in combinatie met art. 423, vierde lid, Sv door het hof: HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229 m.nt. Vellinga en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:710, NJ 2015/188.

Van toepassing naar analogie kan ook sprake zijn in het geval van terug- of verwijzing na een partieel cassatieberoep; vgl. HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8240, NJ 2005/54. Die – zich in de onderhavige zaak niet voordoende – situatie laat ik in de tekst verder buiten beschouwing.

D.H. de Jong, ‘Partieel appel bij gevoegde zaken’, VR 1979, p. 102-103; Krabbe, a.w., p. 198-199.

De Jong en Krabbe verwezen voorts naar HR 15 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9438, NJ 1932, p. 289 m.nt. Taverne (Oude kijk in ’t Jatstraat). Daarin wees Uw Raad op het in art. 56 Sr gehuldigde absorptie-stelsel. Zie ook HR 24 juni 1947, ECLI:NL:HR:1947:118, NJ 1947/451. Een andere benadering van art. 55 en 56 Sr is evenwel ook denkbaar; vgl. Machielse die in een wat ander verband stelt: ‘Het komt mij (…) voor dat in eendaadse samenloop voor beide feiten wordt gestraft, zij het binnen een door de wetgever beperkt kader’ (Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 9 op art. 55 Sr, actueel t/m 17 juli 2017).

Dat ook bij eendaadse samenloop sprake kan zijn van gevoegde zaken is nader toegelicht door De Jong, a.w., p. 97 e.v.. De Jong wijst erop dat de wetgever van 1926 vermoedelijk alleen bij voortgezette handeling en meerdaadse samenloop van voeging wilde spreken.

A.w., p. 103. En gaf in een noot een voorzet voor een aangepaste wetsbepaling.

Vgl. ook HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068, NJ 2019/117 m.nt. Mevis (medeplegen poging tot diefstal met braak en medeplegen zaaksbeschadiging) en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 m.nt. Mevis (poging tot doodslag en zware mishandeling).

Bij herziening zal dit onderdeel van de formulering niet snel een belemmering voor een adequate procesvoering opleveren. Na verwijzing door de Hoge Raad kan het gerechtshof ter zake van het betreffende feit de noodzakelijke beslissingen nemen (artt. 471, 472 Sv).

Dat het hof zich in deze gevallen bij het bepalen van de straf op de lichtere kwalificatie dient te baseren, is een sterk argument om dubbel te kwalificeren. Zie voor een voorstel in andere richting F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren, Den Haag: BJu 2018, p. 307 e.v.. Uw Raad laat de feitenrechter op dit punt thans de keus (vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, NJ 2019/116 m.nt. Mevis).

H.J. Smidt en J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: Tjeenk Willink 1891, deel I, p. 481. Zie nader De Graaf, a.w., p. 90. In het wetsvoorstel herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken wordt aan een stelsel van gematigde cumulatie vastgehouden; wel wordt het maximum bij de gevangenisstraf verhoogd tot ‘de helft boven het hoogste maximum’ (Kamerstukken II 2017/18, 34 126, A). In de Eerste Kamer bestaat evenwel weerstand tegen de gekozen benadering.

Vgl. over de keus tussen vernietigen en bevestigen nader HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.nt. Mevis.

Vgl. in dit verband HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 waarin de rechtbank de verdachte ter zake van elf gevoegde feiten tot een gevangenisstraf van twaalf maanden had veroordeeld. Uw Raad overwoog: ‘De akte rechtsmiddel houdt in dat het hoger beroep van de verdachte is gericht tegen de feiten 1 en 3 en de opgelegde straf. In aanmerking genomen dat in geval van berechting van in eerste aanleg gevoegde zaken ingevolge art. 407, tweede lid, Sv het hoger beroep kan worden beperkt tot het vonnis voor zover dit een of meer der gevoegde zaken betreft, had het Hof de verdachte niet mogen ontvangen in zijn appel, voor zover dit was gericht tegen de straf voor zover die was opgelegd ter zake van de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen feiten.’

Vgl. Krabbe, a.w., p. 197, die de wettelijke regeling op dit punt zou willen aanpassen: ‘Maar vernietigt de rechter in hoger beroep het vonnis uitsluitend omdat hij niet kan bevestigen wegens een in eerste aanleg begaan vormverzuim ter terechtzitting of wegens een vormfout in het vonnis (…), dan lijkt het splitsen van de straf in twee delen, waarna de optelsom gelijk wordt aan de in eerste aanleg opgelegde straf, erg veel van het goede’. Krabbe gaat er blijkbaar van uit dat de bepaalde en de opgelegde straf bij vernietiging op elkaar worden afgestemd.

Vgl. in dit verband ook de conclusie voorafgaand aan HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3356. A-G Bleichrodt veronderstelt dat het hof ‘de onderlinge verhouding tussen de feiten 1 en 2 in het licht van de sanctiebepaling’ zal hebben betrokken (randnummer 27). Feit 1 was niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Dat daarmee rekening mag worden gehouden is ook het standpunt dat wordt ingenomen in aant. 36 op art. 423 Sv (actueel t/m 1 oktober 2006) in A.L. Melai, Het Wetboek van Strafvordering, voortgezet onder redactie van M.S. Groenhuijsen, T. Kooijmans, F.C.H. Kristen, Deventer: Kluwer, losbladig: ‘De rechter in hoger beroep kan voor de bepaling van de straf ter zake van overgebleven feiten betekenis toekennen aan de omstandigheid dat – achteraf beschouwd – van één of meer strafbare feiten niet is gebleken dat deze door de verdachte zijn begaan (…). Dat kan gemakkelijk voor de overgebleven – niet aan het appel onderworpen – feiten leiden tot een nadere overweging van de strafsoort naast de hoogte of duur daarvan.’

Uitgaande van de gedachte dat het hof de straf bepaalt zoals de rechtbank zou hebben gedaan in het licht van de beslissingen die het hof neemt inzake de andere feiten die bij de rechtbank aan de orde waren, ligt het in de rede dat het hof een straf oplegt voor het medeplegen van de poging tot doodslag en in het kader van het bepalen van de straf voor de openlijke geweldpleging geen straf vaststelt. Voor de openlijke geweldpleging wordt alleen een straf bepaald als niet veroordeeld wordt wegens het medeplegen van de poging tot doodslag.

Dat Uw Raad er in het algemeen gesproken aan hecht dat beslissingen inzake straftoemeting in samenhang worden genomen, kan worden afgeleid uit de hierna te bespreken rechtspraak bij vernietiging van de strafoplegging. Mogelijk mag uit HR 9 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0343, DD 96.160 – nog steeds – worden afgeleid dat Uw Raad van oordeel is dat het hof bij het bepalen van de straf inderdaad rekening mag/moet houden met de beslissingen die het neemt inzake de andere gevoegde feiten die bij de rechtbank aan de orde waren. De rechtbank had (in strijd met de regeling van art. 57 Sr) voor de feiten in de zaken A en B afzonderlijk straf opgelegd. Het hoger beroep beperkte zich tot de feiten in zaak B. Het hof liet na voor het feit in zaak A een straf te bepalen maar formuleerde wel een overweging die met die strafbepaling in verband kon worden gebracht. Uw Raad begreep die overweging aldus ‘dat het Hof voor wat betreft het onvoorwaardelijk gedeelte van de in de zaak A opgelegde gevangenisstraf is uitgegaan van de door de Rechtbank bepaalde straf – te weten twaalf maanden of 360 dagen – en dat het voorts – gegeven de in zaak B op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van twee weken – het voorwaardelijke gedeelte van de in de zaak A op te leggen gevangenisstraf heeft willen beperken met twee weken’. Uw Raad bepaalde daarop de straf in zaak A in het licht van ’s hofs bedoelingen en kwam daarbij uit op een andere straf dan in eerste aanleg door de rechtbank was opgelegd. A-G Van Dorst had voorgesteld dat Uw Raad de straf in zaak A zou bepalen conform de door de rechtbank opgelegde straf.

Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8016, NJ 2011/135, waar een straf was bepaald voor een buiten het hoger beroep gehouden feit, en hoger beroep was ingesteld tegen de vrijspraak voor een ander feit.

Vgl. ook HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:310 voor een geval waarin, evenals in de onderhavige zaak het geval was, het arrest van het hof werd vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van één van de door het hof bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging.

Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Wolters Kluwer, Deventer: 2018, p. 110.

Dat argument werd ook genoemd in HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213. Het werd niet genoemd maar speelde vermoedelijk ook in HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180; HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2769; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646, NJ 2017/181; HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:724.

Dat was daarentegen niet het geval in HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.

Vermoedelijk met het oog daarop herinnert Uw Raad de feitenrechter dan ook weleens expliciet aan de reikwijdte van de vernietiging ten aanzien van de strafoplegging op dit punt; vgl. bijvoorbeeld HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:310 en HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443, NJ 2018/244 m.nt. Mevis, al lijkt dat in deze twee zaken mede te zijn ingegeven door de daaraan voorafgaande conclusies.

Eerder leidde in HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6936, NJ 2010/574 m.nt. Mevis een klacht over een vergelijkbare miskenning van de terugwijzingsopdracht nog wel tot vernietiging.

Zie ten aanzien van het trachten te voorkomen van ‘ongelukken’ na terugwijzing: Van Dorst, a.w., p. 109, noot 383.

Zie nader over de toepassing door de appelrechter van art. 423, eerste (en derde) lid, Sv: J.J.I. de Jong, ‘De techniek van het bevestigen en vernietigen van het vonnis waarvan beroep’, TPWS 2019/25.

Min of meer vergelijkbaar zijn HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1032 en HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1412. Zie eerder het reeds vermelde HR 9 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0343, DD 96.160, voor een zaak waarin art. 423, vierde lid, Sv van toepassing was en waarin Uw Raad de overwegingen van het hof naar zijn bedoelingen interpreteerde.

Vgl. ook HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:615 waarin Uw Raad de ‘bepaling’ van de straf door het hof begreep als ‘oplegging’ daarvan.

Vgl. ook HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2979, NJ 2016/71 m.nt. Keulen waarin het arrest werd vernietigd ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging, daaronder begrepen de bepaling van de straf ter zake van de feiten 2, 3, 4 primair en 6 alsmede de strafoplegging en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel’. De bepaling van de straf werd hier expliciet onder de strafoplegging begrepen. Zie ook de vernietiging in de zaak van de medeverdachte (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2821). A-G Knigge (conclusie bij HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen, onder 7.3) had eerder het standpunt ingenomen dat het bepalen van de straf op grond van art. 423, vierde lid, Sv niet onder de strafoplegging begrepen is.

Ik attendeer er nog op dat het omgekeerde niet geldt; de enkele omstandigheid dat het hof een straf na cassatie opnieuw moet bepalen brengt niet mee dat de strafoplegging integraal moet worden overgedaan (vgl. HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0875, NJ 1990/59 m.nt. Van Veen). Dat spoort met de hier verdedigde opvatting; het hof kan inschatten wat de rechtbank, gegeven de beslissingen die in hoger beroep zijn genomen, voor de buiten het hoger beroep gehouden feiten zou hebben opgelegd.

Wat dit laatste betreft, bestaat er een verschil met het na terugwijzing niet opnieuw opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Ik wijs daarbij nog op het eerder vermelde HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:59.

Dat het toegewezen deel van de vordering en het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel doorgaans op elkaar zijn afgestemd komt in ander verband ook tot uitdrukking in HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. Vellinga, rov. 2.3.3.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature