< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Grooming door via WhatsApp berichten aan 14-jarige jongen plaats en tijdstip voor ontmoeting voor te stellen om seks te hebben, art. 248e Sr. Is voorstellen van een concrete plaats en tijd voor het hebben van een ontmoeting en trachten het verwezenlijken van deze afspraak af te dwingen door druk op slachtoffer uit te oefenen, waarbij verdachte en slachtoffer elkaars telefoonnummer hadden, voldoende voor oordeel dat verdachte “enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting” a.b.i. art. 248e Sr? HR: art. 81.1 RO.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03020

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 13 december 2017 wegens “door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00583. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. De drie voorgestelde middelen zien op ’s hofs oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘grooming’ als bedoeld in art. 248e Sr. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 2 oktober 2014 te [plaats] , door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2000), van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk om ontuchtige handelingen te plegen, waarbij hij, verdachte, enige handelingen heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, immers heeft hij, verdachte, daartoe

- meermalen via Skype en/of WhatsApp contact gelegd met voornoemde [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] duidelijk gemaakt dat hij hem graag zou willen ontmoeten en een relatie met voornoemde [slachtoffer] wil en

- met die [slachtoffer] seksueel getinte gesprekken gevoerd via WhatsApp.”

6. De bewezenverklaring steunt op de (4) bewijsmiddelen als genoemd in de aanvulling van 19 juni 2018 op het (verkorte) arrest. Het hof heeft voorts, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen (schuingedrukt en onderstreept in het origineel):

“Bijzondere overwegingen omtrent grooming

[…]

Artikel 248e Sr stelt grooming strafbaar. Het wetsartikel is gebaseerd op artikel 23 van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58) (Verdrag van Lanzarote). Bedoeling was de digitalisering en de ontwikkelingen in de techniek in ogenschouw nemend- op adequate wijze bescherming te bieden aan minderjarigen tegen bedoelingen van pedoseksuelen om daadwerkelijk een situatie te creëren waarin zij seksueel contact met die minderjarigen kunnen hebben.

Artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote luidt:

Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het strafbaar stellen van het doen van een voorstel, door middel van informatie- en communicatietechnologie, door een volwassene aan een kind dat de ingevolge artikel 18, tweede lid, vastgestelde leeftijd niet heeft bereikt, tot een ontmoeting met als vooropgezet doel het plegen van een overeenkomstig artikel 18, eerste lid, onderdeel a, of artikel 20, eerste lid, onderdeel a, strafbaar gesteld feit tegen hem of haar, wanneer dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden.

In het implementatietraject heeft de wetgever gesteld dat de gedraging zoals omschreven in artikel 248e Sr ‘in feite’ een voorbereidingshandeling is, een bijzondere vorm van het voorbereiden van een ander zedendelict (Kamerstukken II 2008/09, 31 810, nr. 3 p. 9 en nr. 7, p. 8), en is er benadrukt dat de uitvoeringshandeling - de finaliserende handeling van grooming - van wezenlijk belang is voor zowel de handhaving als de strafwaardigheid van het handelen:

‘De strafbaarstelling in het Verdrag vereist wel dat het gedrag van de dader zich concretiseert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind gevolgd door ‘material acts leading to a meeting’. Er is voor strafbaarheid derhalve meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou te ver voeren en is bovendien niet goed handhaafbaar. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden.’ (Kamerstukken II 2008/09,31810, nr. 3, p. 6-7).

Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 810, nr. 3) is voor strafbaarheid van “grooming” ex artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht dus vereist dat de communicatiefase, waarbij de dader het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting.

Deze bevindingen en de jurisprudentie (zoals ECLI:NL:HR:2014:3140) leiden kort gezegd tot de conclusie dat vereist is, wil er sprake zijn van een voltooide grooming, dat een ontmoeting wordt voorgesteld met het oogmerk op het plegen van ontuchtige handelingen en dat voorbereidingen, gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting, zijn getroffen. Deze voorbereidingen moeten concrete vormen hebben aangenomen, maar niet is vereist dat ieder onderdeel van de afspraak volledig is ingevuld. Onder omstandigheden, bijvoorbeeld als betrokkenen elkaars telefoonnummer hebben, kunnen ook op onderdelen globale afspraken voldoende zijn.

[….]

Overwegingen omtrent het bewijs

[…]

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feiten en/of omstandigheden:

- verdachte heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, seksueel getinte WhatsApp gesprekken gevoerd en verdachte wist dat [slachtoffer] 14 of 15 jaar was;

- deze WhatsApp gesprekken gingen veelal over seksuele onderwerpen, waarbij verdachte kenbaar maakte dat hij hoopte op een discrete relatie met [slachtoffer] ;

- verdachte heeft bij herhaling bij [slachtoffer] aangedrongen op een ontmoeting. Hij heeft daartoe gevraagd of [slachtoffer] zaterdag overdag kon, aangegeven dat hij, verdachte, vrijdagavond ook alleen was, voorgesteld om [slachtoffer] op te halen in het winkelcentrum van diens woonplaats [woonplaats] en herhaaldelijk gevraagd wanneer hij, verdachte, zou horen of [slachtoffer] kon;

- verdachte en [slachtoffer] woonden in [woonplaats] respectievelijk [woonplaats] ;

- zij wisten dat ook van elkaar. Ze hadden elkaars telefoonnummer.

Gelet op voormelde feiten en/of omstandigheden is het hof van oordeel dat aan bovengenoemd vereiste van “een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting” is voldaan, nu verdachte een concrete plaats en tijdstippen voor het hebben van deze ontmoeting met [slachtoffer] heeft voorgesteld en voorts het verwezenlijken van deze afspraak heeft getracht af te dwingen door druk op [slachtoffer] uit te oefenen. Het doel van verdachte daarbij was, zoals blijkt uit de inhoud van de WhatsApp- gesprekken, het plegen van ontuchtige handelingen (gemeenschap) met [slachtoffer] .

Het enkele feit dat het tijdstip van de ontmoeting nog globaal was (vrijdag of zaterdag aanstaande) doet aan het vorenstaande niet af. Daarbij acht het hof nog van belang dat verdachte en [slachtoffer] elkaars telefoonnummer hadden, zodat op elk gewenst moment het tijdstip bekend kon worden gemaakt.”

7. De middelen klagen over ’s hofs oordeel dat de verdachte enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting als bedoeld in art. 248e Sr. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over ’s hofs overweging dat in het onderhavige geval het uitwisselen van telefoonnummers daartoe voldoende is en over ‘s hofs vaststelling dat de verdachte de minderjarige onder druk heeft gezet om een ontmoeting te gaan hebben.

8. Bij de beoordeling van de middelen stel ik het volgende voorop. Het komt naar verluidt steeds vaker voor dat minderjarigen op het internet worden benaderd met seksueel getinte communicatie, dikwijls door vreemden die zich online aan hen opdringen. De strafbaarstelling van “grooming” als bedoeld in art. 248e Sr, ook wel aangeduid als ‘digitaal kinderlokken’, tracht hiertegen (effectieve) bescherming te bieden. Het artikel richt zich nadrukkelijk op de fase waarin het kind op het internet in chat- en e-mailverkeer door de dader wordt bewerkt en verleid, maar waarin nog geen sprake is van het plegen van daadwerkelijk seksueel misbruik. Voor voltooiing van het delict “grooming” is meer nodig dan alleen een (sterk) seksuele inhoud van de (woordelijke) communicatie en de enkele uitnodiging tot een ontmoeting in persoon. Er moet aanvullend door de verdachte enige handeling worden verricht, gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting met het kind. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte zijn voornemen om fysiek seksueel contact met het kind te hebben, daadwerkelijk wil uitvoeren. In het onderhavige geval gaat het om de vraag of de handelingen van de verdachte als zo’n (aanvullende) handeling kunnen worden aangemerkt.

9. Art. 248e Sr luidde ten tijde van het wijzen van het arrest als volgt:

“Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

10. Art. 248e Sr is ingevoerd ter uitvoering van art. 23 van het Verdrag van Lanzarote dat als volgt luidt:

“Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn voor het strafbaar stellen van het doen van een voorstel, door middel van informatie- en communicatietechnologie, door een volwassene aan een kind dat de ingevolge artikel 18, tweede lid, vastgestelde leeftijd niet heeft bereikt, tot een ontmoeting met als vooropgezet doel het plegen van een overeenkomstig artikel 18, eerste lid, onderdeel a, of artikel 20, eerste lid, onderdeel a, strafbaar gesteld feit tegen hem of haar, wanneer dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden.”

11. Uit het ‘Explanatory Report’ inzake het Verdrag van Lanzarote blijkt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende:

“157. The negotiators felt that simply sexual chatting with a child, albeit as part of the preparation of the child for sexual abuse, was insufficient in itself to incur criminal responsibility. (…) Thus the relationship-forming contacts must be followed by a proposal to meet the child.

(…)

160. In addition to the elements specified above the offence is only complete if the proposal to meet “has been followed by material acts leading to such a meeting”. This requires concrete actions, such as, for example, the fact of the perpetrator arriving at the meeting place.”

12. Voorts is de volgende passage uit de wetsgeschiedenis van art. 248e Sr van belang:

“De strafbaarstelling in het Verdrag [van Lanzarote, D.P.] vereist wel dat het gedrag van de dader zich concretiseert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind gevolgd door «material acts leading to a meeting». Er is voor strafbaarheid derhalve meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase zou te ver voeren en is bovendien niet goed handhaafbaar. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Deze gedragingen onderstrepen de vastheid van het voornemen van de dader om zijn digitaal misbruik daadwerkelijk om te zetten in het plegen van fysiek misbruik. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden. Van strafbaarheid kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de dader zich begeeft naar de voor de ontmoeting afgesproken plek, het slachtoffer van een routebeschrijving naar die plek voorziet of anderszins concrete voorbereidingen treft gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting.”

13. De vraag of bepaalde handelingen kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting als bedoeld in art. 248e Sr, is bij de Hoge Raad eerder aan de orde gekomen. In een zaak die leidde tot HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9941, had het hof vastgesteld dat door de verdachte concrete afspraken waren gemaakt om een kind op 9 of 10 februari 2010 te ontmoeten, dat de verdachte een reisschema voor dit kind had opgesteld en dat hij haar had geïnstrueerd op welke wijze zij naar hem moest reizen. Volgens de Hoge Raad was het hof kennelijk van één samenhangende handeling uitgegaan en had het deze handeling terecht gekwalificeerd als “het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting” als bedoeld in art. 248e Sr. Ook in de zaak die leidde tot HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3140, kwam voornoemde vraag aan de orde. Het hof had in die zaak onder meer vastgesteld dat de verdachte bij herhaling bij het kind op een ontmoeting had aangedrongen en daartoe had voorgesteld elkaar in het bos, bij een winkelcentrum of bij het kind thuis te ontmoeten. Daarbij had de verdachte er herhaaldelijk op aangedrongen dat die ontmoeting snel zou plaatsvinden en het kind onder druk gezet. Tot slot had de verdachte in die zaak in het kader van het concretiseren van een afspraak zijn telefoonnummer gegeven. De Hoge Raad oordeelde daarop dat ’s hofs oordeel dat de genoemde handelingen “waren gericht op het verwezenlijken van de voorgestelde ontmoeting” geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. Uit deze arresten is in de literatuur wel afgeleid dat voor het ‘voorstellen van een ontmoeting’ niet is vereist dat sprake is van aanbod en aanvaarding, en zelfs niet dat het eenzijdige voorstel één bepaald tijdstip betreft, alsmede dat het op uiteenlopende wijze persisteren in het voorstellen van een concrete ontmoeting in zijn algemeenheid beide componenten van de delictsgedraging, te weten het voorstellen van de ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting, lijkt te vervullen.

14. Samengevat blijkt uit het voorgaande dat seksueel getinte communicatie met iemand die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt, op zichzelf genomen nog niet onder het bereik van art. 248e Sr valt. Ook het enkele voorstel tot een ontmoeting met een minderjarige om ontuchtige handelingen te plegen, levert nog geen voltooid delict op. Dit wordt pas anders indien daarnaast enige handeling wordt verricht die is gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting om te komen tot fysiek seksueel contact. Zo’n handeling kan bestaan uit het voorstellen van een plaats en tijd voor de ontmoeting en/of het verstrekken van instructies om naar de plaats van ontmoeting te komen en/of het uitoefenen van druk om de ontmoeting daadwerkelijk te laten plaatsvinden. De lat om te mogen aannemen dat sprake is van enige handeling die is gericht op het verwezenlijken van de ontmoeting, ligt niet hoog. Voldoende is dat met de handeling het voornemen om fysiek seksueel contact met de jeugdige te hebben, in enige mate meer concreet vorm krijgt.

15. Terug naar het onderhavige geval. Het hof heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende vastgesteld:

(i) Namens het kind is aangifte gedaan en is door de ouder van het slachtoffer verklaard dat “hij [de verdachte, D.P.] probeerde [slachtoffer] een beetje te misleiden door afspraakjes met hem te maken. Het doel van die afspraakjes was om seks te hebben met [slachtoffer] .” (bewijsmiddel 1);

(ii) De telefoons van de verdachte en het slachtoffer en de zich daarop bevindende communicatie tussen hen beiden (via WhatsApp en Skype) zijn door de politie veiliggesteld (bewijsmiddel 2);

(iii) Uit de veiliggestelde communicatie als bedoeld onder (ii) blijkt onder meer het volgende. De verdachte verstrekt zijn mobiele nummer om via WhatsApp te kunnen communiceren. De verdachte vraagt op 30 september 2014 (een dinsdag) nog via Skype aan het slachtoffer “wanneer kun je” en geeft zelf aan “weekend” te kunnen. De verdachte appt later “zaterdag overdag?” en “Vrijdag avond ben ik ook alleen”. Als het slachtoffer uiteindelijk antwoordt dan te kunnen, appt de verdachte “Oke kan je ophalen waar woon je ook alweer”. Het slachtoffer antwoordt daarop dat hij in [woonplaats] woont en vraagt of de verdachte in [woonplaats] woont, hetgeen wordt bevestigd door de verdachte. Daarop appt de verdachte “Kan je oppikken winkelcentrum”. Daarop antwoordt het kind: “kan”. Na een paar seksueel getinte berichten vraagt de verdachte nogmaals “vr of za”, “Hoop dat je kunt” en tot twee keer toe, vlak na elkaar, “wanneer hoor ik dat”. Daarna wisselen ze voornamelijk seksueel getinte berichten uit, hebben het over de (reeds bij beiden bekende) omstandigheid dat het kind bijna 15 jaar oud en de verdachte 49 jaar oud is en schrijven ze bij herhaling dat ze elkaar graag willen zien. (bewijsmiddel 3);

(iv) Op 20 november 2014 is de verdachte gehoord en heeft verklaard: “Ik heb gevraagd hoe oud hij is. Hij zei toen ‘15’. Daar is mijn grootste fout, want dat had ik toen moeten afkappen. Voordat ik het wist ging het al over afspreken en om iets leuks te doen. Ik vroeg waar hij woonde, ik zei dat hij in [woonplaats] woonde. Ik gaf aan dat daar een mooi winkelcentrum was.” Voorts heeft de verdachte verklaard: “(…) op een gegeven moment spraken we over afspreken toen vroeg hij waar we dan konden afspreken. Ik stelde voor bij het winkelcentrum. Dat kende hij niet. Hierop stuurde ik dat dit vlakbij de kermis was.” Over het afspreken met het slachtoffer verklaart de verdachte dat hij stuurde “ik kan vrijdag”. Tot slot houdt de verbalisant de verdachte voor dat ook nadat de verdachte erachter kwam dat het slachtoffer bijna 15 jaar oud is, hij nog steeds met hem wilde afspreken en dat het initiatief daartoe van de verdachte vandaan kwam. De verdachte verklaart “Daar blijf ik bij… het is zo doorgeslagen, het had echt niet zo moeten komen.” (bewijsmiddel 4).

16. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen onder meer afgeleid dat de verdachte bij herhaling bij het slachtoffer heeft aangedrongen op een ontmoeting en dat hij daartoe heeft gevraagd of het slachtoffer zaterdag overdag kon en heeft aangegeven dat hij vrijdagavond ook alleen was. Verder blijkt volgens het hof uit de bewijsmiddelen dat de verdachte heeft voorgesteld om het slachtoffer op te halen in het winkelcentrum van diens woonplaats en herhaaldelijk heeft gevraagd wanneer hij zou horen of het slachtoffer kon. Tot slot is gebleken dat verdachte en het slachtoffer elkaars woonplaats wisten en over elkaars telefoonnummers beschikten.

17. Op grond van het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat aan het vereiste van “het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting” is voldaan. De verdachte heeft volgens het hof immers een concrete plaats en tijdstippen voor het hebben van een ontmoeting voorgesteld en getracht het verwezenlijken van deze afspraak af te dwingen door druk op het slachtoffer uit te oefenen. Daarbij heeft het hof overwogen dat het enkele feit dat het tijdstip van de ontmoeting nog globaal was (vrijdag of zaterdag aanstaande) hieraan niet afdoet, nu beiden elkaars telefoonnummer hadden, zodat op elk gewenst moment het tijdstip bekend kon worden gemaakt. Mede gelet op hetgeen ik onder randnummer 14 heb vooropgesteld, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt het eerste middel.

18. Het eerste middel faalt ook voor het overige. ’s Hofs oordeel dat sprake is van ‘een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van handelingen gericht op het realiseren van die ontmoeting’ acht ik, gezien ’s hofs vaststellingen hieromtrent, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat de verdachte om het telefoonnummer van het slachtoffer heeft gevraagd om via WhatsApp zijn gaan communiceren. De verdachte initieert daarop een afspraak met het slachtoffer én geeft aan dat hij hem met de auto kan komen halen, dat zij kunnen afspreken bij een winkelcentrum in de stad waar het slachtoffer woont en geeft voorts aan dat die afspraak diezelfde week op vrijdag of zaterdag plaats zou kunnen vinden. Ook dringt hij er bij het slachtoffer meerdere malen en in verschillende bewoordingen op aan elkaar vrijdag of zaterdag daadwerkelijk te gaan ontmoeten. Voor zover voorts het derde middel klaagt dat niet blijkt dat de verdachte het slachtoffer onder druk heeft gezet, kan het dan ook niet slagen.

19. Het tweede middel maakt tot slot niet duidelijk wat er onbegrijpelijk is aan ‘s hofs overweging dat de verdachte en het slachtoffer elkaars telefoonnummer hadden, zodat op elk gewenst moment het (precieze) tijdstip bekend kon worden gemaakt en het globale tijdstip van de afspraak daarmee geen beletsel vormt om aan te nemen dat de verdachte een handeling heeft verricht gericht op het realiseren van de ontmoeting. Het middel is ondeugdelijk.

20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Zie het arrest van het hof van 13 december 2017, p. 3-5.

Vgl. K. Lindenberg, ‘De strafbaarheid van seksueel getint communiceren met minderjarigen in woord of geschrift: over sexting, poging tot grooming en andere toenaderingen’, DD 2016/4.

Zie: Kamerstukken II 2008/2009, 31 810, nr. 3, p. 6 (MvT).

Zie wederom: K. Lindenberg, ‘De strafbaarheid van seksueel getint communiceren met minderjarigen in woord of geschrift: over sexting, poging tot grooming en andere toenaderingen’, DD 2016/4.

Art. 248e Sr is in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit bij wet van 27 juni 2018 (computercriminaliteit III, Stb. 2018, 322) gewijzigd (inwerkingtreding op 1 maart 2019, Stb 2019, 67). Met de wijziging is het bestanddeel aangaande het redelijkerwijs moeten vermoeden van het nog niet bereikt hebben van de leeftijd van zestien jaar komen te vervallen.

Zie: Trb. 2008, 58.

Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, Lanzarote, 25 oktober 2007, (Explanatory Report), https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/201 .

Zie: Kamerstukken II 2008/2009, 31 810, nr. 3, p. 6-7 (MvT).

Zie: HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9941, r.o. 2.4.

Zie: HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3140, NJ 2015/73 m.nt. N. Keijzer

Zie: K. Lindenberg en A.A. van Dijk, Herziening van de zedendelicten?, Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 182 – 183.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature