< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG over de vraag of ook de mede tenlastegelegde feiten meetellen bij de bepaling van het aantal misdrijffeiten, zoals bedoeld in de Richtlijn ISD.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03180

Zitting 12 november 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

De verdachte is bij arrest van 13 juli 2018 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “diefstal”, 2. “mishandeling” en in de zaken met parketnummers 03/700254-16 en 03/700285-16, telkens “diefstal”, veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en dienaangaande schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze als in het arrest is omschreven.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders heeft opgelegd, nu de Advocaat-Generaal bij het Hof de oplegging van deze maatregel niet heeft gevorderd.

3.2.

Ingevolge art. 38m, eerste lid, Sr kan de rechter, onder de in dat artikellid genoemde voorwaarden, op vordering van het openbaar ministerie de maatregel tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen.

3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De advocaat-generaal spreekt het requisitoir uit en deelt mede:

Ik ben het eens met het vonnis van de rechtbank. Zowel met de bewezenverklaring als de verwerping van het beroep op noodweer, de opgelegde ISD-maatregel als de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Sinds de procedure in eerste aanleg is er geen verbetering in de situatie van verdachte gekomen. Ook na het vonnis van de rechtbank is verdachte doorgegaan met het plegen van delicten.

Verdachte geeft de schuld van zijn handelen aan de slechte buurt in [plaats] waar hij woont. Verdachte moet de hand in eigen boezem steken. De problemen liggen toch echt bij hemzelf en niet bij anderen. Verdachte schetst een mooi toekomstperspectief met werk en verhuizing maar heeft dit verder op geen enkele wijze onderbouwd. Ik vorder dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De advocaat-generaal legt zijn op schrift gestelde vordering aan het hof over.”

3.4.

De door de Advocaat-Generaal bij het Hof aan het Hof overgelegde schriftelijke vordering, die zich bij de gedingstukken bevindt, houdt onder meer het volgende in:

“De advocaat-generaal bij het ressortsparket te ’s-Hertogenboschgezien het vonnis, op 23 december 2016 door de Meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te Limburg rechtdoende in strafzaken, gewezen tegen

(…)

vordert, dat het gerechtshof

(…)

- het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen”

3.5.

Het vonnis van de Rechtbank van 23 december 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het hoofdje “De beslissing” het volgende in:

“(…)

Maatregel

legt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde op een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar”

3.6.

In aanmerking genomen dat bovengenoemde stukken inhouden dat de Advocaat-Generaal bij het Hof het eens is met de door de Rechtbank opgelegde ISD-maatregel, dat zijn op schrift gestelde vordering ertoe strekt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank zal bevestigen en het vonnis van de Rechtbank als beslissing inhoudt dat aan de verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd, kan uit genoemde stukken genoegzaam worden afgeleid dat de Advocaat-Generaal bij het Hof de oplegging van de ISD-maatregel heeft gevorderd. Het middel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4. Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders heeft opgelegd, omdat het Hof bij de beoordeling of sprake is van een “zeer actieve veelpleger” ten onrechte de bewezenverklaarde gevoegde misdrijffeiten in de zaken met de parketnummers 03/700254-16 en 03/700463-15 heeft meegewogen.

4.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman spreekt het pleidooi uit en deelt mede:

“ Het primaire standpunt is dat oplegging van een ISD-maatregel niet mogelijk is. Er wordt niet voldaan aan de in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders)” opgenomen definitie van een zeer actieve veelpleger. Meer in het bijzonder is niet voldaan aan het vereiste dat moet blijken van tenminste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. In dit kader mag geen acht worden geslagen op de thans aan het oordeel van het hof onderworpen gevoegde ten laste gelegde misdrijffeiten onder de parketnummers 03/700463-15, 03/700285-16 en 03/700254-16. Dit houdt in dat het eerste misdrijffeit gelegen voor 29 mei 2016 van 2014 is, derhalve gelegen buiten de peilperiode van 12 maanden voorafgaande aan [26] mei 2016. Ik verwijs in dit kader naar ECLI:NL:RBAMS:2011 :BP8896.”

4.3.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het hoofdje “ISD-maatregel” het volgende in:

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een ISD-maatregel niet mogelijk is omdat niet wordt voldaan aan de in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders)” opgenomen definitie van een zeer actieve veelpleger. Meer in het bijzonder zou niet zijn voldaan aan het vereiste dat moet blijken van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging aangevoerd dat in dat kader geen acht mag worden geslagen op de thans aan het oordeel van het hof onderworpen gevoegde ten laste gelegde misdrijffeiten onder de parketnummers 03/700463-15, 03/700285-16 en 03/700254-16. Volgens de verdediging is dan het eerste misdrijffeit gelegen voor 29 mei 2016, de zaak met parketnummer 03-700314-14. Welk feiten dateren van 2014, derhalve gelegen buiten voormelde peilperiode van 12 maanden vanaf 29 mei 2016.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat in deze zaak toepasselijk is de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders)”, geldend vanaf 01-01-2014. Deze richtlijn vervangt de richtlijn zoals deze gold in de periode van 01-07-2009 t/m 31-12-2013.

De belangrijkste wijzigingen in de richtlijn ten opzichte van de vorige richtlijn zijn:

-een verbreding van de kwalificatiecriteria voor veelplegers, zeer actieve veelplegers en stelselmatige daders; door in plaats van processen-verbaal misdrijffeiten te tellen

-een andere definitie van het laatste pleegjaar

Het hof stelt voorop dat de Richtlijn dient te worden beschouwd als ‘recht’ in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO). In het geval van oplegging van de ISD maatregel dient dan ook te zijn voldaan aan zowel de eisen van de wet zoals die voortvloeien uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht als aan de eisen van de Richtlijn. Beginselen van behoorlijke rechtspleging staan er aan in de weg dat de rechter, die vaststelt dat een vordering tot oplegging van de ISD maatregel in strijd is met de Richtlijn, niettemin de ISD maatregel oplegt.

Volgens de Richtlijn kan een ISD maatregel worden opgelegd aan zeer actieve veelplegers die aan een aantal voorwaarden voldoen. Een zeer actieve veelpleger in de zin van voornoemde richtlijn is een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

De vraag in de onderhavige zaak is, of aan de eis dat ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf is voldaan.

Voor zover de verdediging als uitgangspunt voor deze telling heeft genomen het aantal opgemaakte processen-verbaal gaat zij uit van een onjuiste lezing van voormelde richtlijn. Kenmerkend daarin is - zoals hiervoor weergegeven - niet de telling van het aantal opgemaakte processen-verbaal maar van het aantal misdrijffeiten.

Het gevolg hiervan kan zijn dat een proces-verbaal met daarin meerdere misdrijffeiten reeds voldoende kan zijn om te voldoen aan het criterium van (actieve) veelpleger.

Toegepast in de onderhavige zaak stelt het hof vast dat het meest recente misdrijffeit dateert van 29 mei 2016 (parketnummer 03/700285-16). Verder blijkt van meerdere misdrijffeiten in de periode teruggerekend over 12 maanden vanaf 29 mei 2016. Te weten 11 mei 2016 (parketnummer 03/700254-16), 4 september 2015 en 15 juni 2015 (parketnummer 03-700463-15). Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan voornoemde in de richtlijn gestelde voorwaarde.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat gevoegde misdrijffeiten niet mogen meetellen, stelt het een eis die naar het oordeel van het hof niet in vorenstaande richtlijn wordt gesteld. Het hof verwerpt het andersluidende standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is niet betwist, zoals de rechtbank op juiste wijze heeft vastgesteld, dat naast de voorwaarden uit voormelde richtlijn tevens is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 38m Wetboek van Strafrecht. ”

4.4.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:- Art. 38m, eerste lid, Sr:

“De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:

1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en

3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.”

- Onderdeel 2 en 3 van de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders), Stcrt. 2013, 35061 (hierna: Richtlijn):

“2. Definities

In deze richtlijn worden de volgende definities gehanteerd:

a. Een veelpleger is een persoon van 18 jaar of ouder die in zijn gehele criminele verleden processen- verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor in totaal meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

b. Een zeer actieve veelpleger is een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

c. Een stelselmatige dader is een persoon die op grond van art. 38m Sr in aanmerking komt voor een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en die bovendien valt onder de in deze richtlijn gegeven definitie van een zeer actieve veelpleger.

De definities hebben betrekking op alle misdrijffeiten waarvoor een proces-verbaal is opgemaakt dat is ingestuurd aan het OM. Misdrijffeiten in een proces-verbaal die door het OM zijn afgedaan met een technisch sepot mogen niet worden meegeteld. Dat geldt ook voor misdrijffeiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Misdrijffeiten door de betrokkene als minderjarige gepleegd binnen de relevante pleegperiode (tot maximaal vijf jaren voorafgaand aan het gepleegde feit) tellen wel mee. (…)

Als de veroordeelde na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel opnieuw een misdrijf pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan opnieuw een ISD-maatregel worden gevorderd mede op grond van de eerdere veroordelingen. Het is dus niet zo dat de eerdere veroordelingen slechts één keer zouden mogen meetellen. Wel geldt dan opnieuw de voorwaarde dat de veroordelingen, waarvan de ISD-maatregel er dan één is, dateren van maximaal vijf jaar voorafgaand aan het nieuwe misdrijffeit en deze ook ten uitvoer zijn gelegd.

(...)

3. De vordering van de ISD-maatregel

3.1. Uitgangspunten

(…)

Als de verdachte een stelselmatige dader is zoals bedoeld in deze richtlijn, dan overweegt de officier van justitie de vordering van de ISD-maatregel.”

4.5.

Uit de onder 4.4 weergegeven bepalingen volgt dat aan een aantal eisen moet zijn voldaan, voordat sprake is van een stelselmatige dader als bedoeld in de Richtlijn tegen wie de oplegging van de ISD-maatregel kan worden gevorderd. Er dient niet alleen te zijn voldaan aan de eisen die art. 38m Sr aan het opleggen van deze maatregel stelt, maar bovendien moet zijn voldaan aan de eisen die in de Richtlijn worden gesteld aan de definitie van een “zeer actieve veelpleger”, te weten een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Beginselen van een behoorlijke procesorde staan er immers aan in de weg dat een rechter, die vaststelt dat een vordering is gedaan in strijd met de Richtlijn, niettemin de ISD-maatregel oplegt (vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9943, NJ 2010/130).In de huidige Richtlijn is in de toelichting op de definities opgenomen dat als de verdachte is vrijgesproken van het misdrijffeit ter zake waarvan proces-verbaal is opgemaakt, dat misdrijffeit niet mag worden meegeteld. Eerder had de Hoge Raad al uitgemaakt dat een redelijke, met het doel van de toenmalige Richtlijn (voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers, Stcrt. 2008,19) overeenstemmende uitleg van het vereiste dat in het peiljaar tenminste één proces-verbaal tegen de verdachte is opgemaakt - welk vereiste kennelijk samenhangt met de omstandigheid dat de rechtvaardiging van de ISD-maatregel is gelegen in de frequentie, hardnekkigheid en intensiteit van het criminele gedrag - meebrengt dat in een geval waarin de verdachte in een later stadium is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt géén sprake is van een proces-verbaal in de hiervoor weergegeven zin. Nadien is met betrekking tot het in de huidige Richtlijn opgenomen vereiste dat over een periode van vijf jaren processen-verbaal zijn opgemaakt tegen de verdachte voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, uitgemaakt dat dit vereiste niet meebrengt dat de verdachte ter zake van die misdrijffeiten ten tijde van de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel onherroepelijk is veroordeeld.

4.6.

Blijkens het onder 4.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting is het door de verdediging ingenomen standpunt dat bij de beoordeling of is voldaan aan het vereiste van een “zeer actieve veelpleger” géén acht mag worden geslagen op de gevoegde feiten onder de parketnummers 03/700463-15, 03/700285-16 en 03/700-254-16 gegrond op het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 maart 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP8896. In dit vonnis verwijst de Rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885, NJ 2011/340. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit dit arrest lijkt te volgen dat de Hoge Raad de zaak niet zou hebben gecasseerd, indien het feit waarvoor de verdachte terecht stond ook zou mogen worden aangemerkt als “peiljaar-feit”. Zou dit wel het geval zijn, dan zou immers alsnog aan de eisen van de toen geldende Richtlijn zijn voldaan. De steller van het middel leidt uit het casseren dan ook af dat het feit waarvoor de verdachte is gedagvaard niet als “peiljaar-feit” mag worden aangemerkt. Zou dat anders zijn, dan is bij een verdachte die zich ter terechtzitting voor een strafbaar feit dient te verantwoorden, vrijwel altijd aan het (destijds geldende) vereiste dat ten minste één proces-verbaal in het peiljaar dient te zijn opgemaakt voldaan. Een dergelijke opvatting zou niet stroken met de ratio van het opnemen van het vereiste in de Richtlijn als constitutief vereiste voor het aanmerken van een persoon als ‘stelselmatige dader’. Geklaagd wordt dat het Hof daarom ten onrechte de bewezenverklaarde gevoegde feiten die zijn tenlastegelegd onder de parketnummers 03/700254-16 en 03/700463-15 in aanmerking heeft genomen bij zijn beoordeling of is voldaan aan de eis van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.

4.7.

Het Hof heeft zich in verband met de beantwoording van de vraag of de verdachte aan de in de Richtlijn genoemde definitie van een “zeer actieve veelpleger” voldoet, voor de vraag gesteld gezien of aan het in dat verband geldende vereiste dat de verdachte over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, is voldaan. Het Hof heeft bij deze telling - met juistheid - het aantal misdrijffeiten, en niet het aantal opgemaakte processen-verbaal, zoals dat in de voorloper van de huidige Richtlijn werd vereist, als uitgangspunt genomen. Als pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit heeft het Hof het misdrijffeit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/700285-16 genomen, te weten 29 mei 2016. Dat ook is voldaan aan het vereiste van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, gerekend vanaf genoemde pleegdatum, wordt door het Hof gegrond op de misdrijffeiten in de zaken 03/700254-16 (11 mei 2016; gevoegd) en 03/700463-15 (4 september 2015 en 15 juni 2015). De opvatting van de verdediging dat gevoegde misdrijffeiten niet in de telling mee zouden mogen tellen, vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in de Richtlijn.

4.8.

Ik stel voorop dat het oordeel van het Hof dat is voldaan aan het vereiste van meer dan tien misdrijffeiten over een periode van vijf jaren, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, en het oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in art. 38m Sr, in cassatie niet worden betwist. In cassatie speelt enkel de vraag of gevoegde misdrijffeiten (waarvan niet is vrijgesproken) mee mogen tellen bij de beantwoording van de vraag of aan het vereiste van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, gerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, is voldaan.

4.9.

Evenals het Hof meen ik dat voor de opvatting dat gevoegde misdrijffeiten niet mogen meetellen bij de invulling van het vereiste van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, geen steun is te vinden in (de bewoordingen van) de Richtlijn. Voor een dergelijke opvatting is ook geen steun te vinden in het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885, NJ 2011/340. In die zaak werd het arrest van het Hof door de Hoge Raad vernietigd, omdat het Hof bij de beantwoording van de vraag of aan het toen geldende vereiste van ten minste één proces-verbaal in het zogenaamde peiljaar (het afgelopen kalenderjaar) was voldaan, een proces-verbaal mee had laten tellen waarin een feit was opgenomen waarvan de verdachte in een later stadium (voorafgaand aan de terechtzitting) was vrijgesproken. Dat het meetellen van een dergelijk misdrijffeit niet is toegestaan is - zoals hiervoor onder 4.5 al ter sprake kwam - in de huidige Richtlijn verankerd. In genoemde zaak was er géén ander proces-verbaal uit het zogenaamde peiljaar voorhanden, zodat niet was voldaan aan het vereiste van ten minste één proces-verbaal in het peiljaar. Dat het tenlastegelegde “peil-feit” zelf niet meetelde bij de berekening spreekt voor zich, nu dit feit immers de basis vormt voor de vaststelling welk jaar als peiljaar heeft te gelden. Dit arrest zegt dus niets over het al dan niet mogen mee tellen van gevoegde misdrijffeiten (waarvan niet is vrijgesproken). Ook overigens bestaat geen goede grond voor de aan het middel ten grondslag liggende opvatting. Voeging (art. 259 juncto art. 412 lid 4 Sv) dient immers niet alleen de proceseconomie en de doeltreffendheid van het onderzoek ter terechtzitting, maar dient ook het belang van de verdachte, in die zin dat herhaalde strafvervolgingen tegen dezelfde verdachte (moeten) worden voorkomen. Bovendien zou de aan het middel ten grondslag liggende opvatting meebrengen dat het Openbaar Ministerie, dat de vordering van de ISD-maatregel overweegt, zichzelf in de vingers zou snijden door misdrijffeiten, gelegen binnen twaalf maanden vanaf de pleegdatum van het tenlastegelegde peilfeit, gevoegd aan te brengen, dan wel - zoals in het onderhavige geval – het de dupe zou zijn is van een beslissing van de rechter om niet gevoegd aangebrachte misdrijffeiten in het belang van het onderzoek alsnog te voegen. Het kan niet de bedoeling zijn dat voeging de oplegging van een ISD-maatregel frustreert. Tot slot verhoudt de in het middel gehuldigde opvatting zich niet met de reeds genoemde omstandigheid dat de strekking van het vereiste van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, is gelegen in de frequentie, hardnekkigheid en intensiteit van het criminele gedrag.

4.10.

Het middel faalt.

5. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Hier zal bedoeld zijn: 29 mei 2016.

Dit is herhaald in HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:953, NJ 2017/233.

HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885, NJ 2011/340.

HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:953, NJ 2017/233.

De strafbare feiten in de zaken met parketnrs. 03/700254-16 en 03/700285-16 zijn ter terechtzitting in

eerste aanleg van 12 december 2016 gevoegd met de zaak met parketnr. 03/700463-15.

Van de twee andere in deze zaak gevoegde feiten (d.d. 1 september 2015 resp. 15 juni 2015; feit 2 en

3 op de tenlastelegging) is de verdachte door de Rechtbank vrijgesproken, zodat het Hof deze

misdrijffeiten terecht niet in de telling heeft betrokken.

Bezien vanuit de positie van de verdachte getuigt het van een behoorlijk vervolgingsbeleid om in een

geval waarin een verdachte meerdere feiten heeft begaan, welke (nagenoeg) gelijktijdig aan het

Openbaar Ministerie bekend zijn geworden, deze feiten in één dagvaarding op te nemen, tenzij het

belang van het onderzoek (proces-economie of doeltreffendheid van het onderzoek) zich daar

uitdrukkelijk tegen zou verzetten. Het belang van een verdachte bij zoveel mogelijk gelijktijdige

berechting is door de wetgever onderkend door bij samenlopende feiten speciale regels op te stellen.

Melai/Groenhuijsen, aant. 3 op art. 259 Sv.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature