< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Personen- en familierecht. Machtiging tot uithuisplaatsing. Recht op contra-expertise, art. 810a lid 2 Rv. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Zaaknr: 18/04652 mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 1 februari 2019 Conclusie inzake:

[de moeder]

tegen

Stichting Jeugdbescherming Overijssel

Deze zaak betreft de verlenging van een uithuisplaatsing van twee kinderen. Heeft het hof het verzoek van de moeder om contra-expertise (art. 810a lid 2 Rv) mogen afwijzen?

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

1.1.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en [de vader] (hierna: de vader) zijn twee dochters geboren (hierna gezamenlijk: de kinderen):

- [de oudste dochter] , geboren op [geboortedatum] 2014 (hierna ook: de oudste dochter);

- [de jongste dochter] , geboren op [geboortedatum] 2016 (hierna ook: de jongste dochter).

1.1.2.

De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

1.1.3.

De kinderen zijn onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming Overijssel (gerekestreerde in cassatie, hierna: de GI), en uit huis geplaatst. De oudste dochter is geplaatst in het gezin van de grootouders van vaderszijde. De jongste dochter is geplaatst in een neutraal pleeggezin.

1.1.4.

De moeder heeft uit een eerdere relatie twee dochters, geboren op [geboortedatum] 2009 en [geboortedatum] 2010. Deze dochters wonen bij de moeder en stonden tot 16 december 2017 onder toezicht van de GI. Op hen heeft deze procedure geen betrekking.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 19 oktober 2017 heeft de GI de kinderrechter in de rechtbank Overijssel verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen, telkens met één jaar. Onder verwijzing naar eerdere beslissingen van de kinderrechter heeft de GI het standpunt ingenomen dat eerst een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder dient te worden afgenomen, voordat sprake kan zijn van een terugplaatsing van de kinderen bij haar.

1.3

Bij tussenbeschikking van 6 december 2017 heeft de kinderrechter alvast de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 16 december 2018 en de machtigingen tot hun uithuisplaatsing verlengd tot 16 februari 2018. De kinderrechter hield iedere verdere beslissing aan. De kinderrechter overwoog, voor zover in cassatie van belang (toegespitst op de uithuisplaatsing en het benodigde persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder):

“Ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing stelt de kinderrechter vast dat de GI kennelijk nog geen duidelijk beeld heeft van het perspectief van de kinderen. De jeugdbeschermer heeft pas op de dag van de zitting de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek van moeder onder ogen gekregen en dit onderzoek is nog niet intern besproken. Het is daarom nog niet bekend welke conclusie de GI verbindt aan de resultaten van het onderzoek. (…) De GI zal zich, mede aan de hand van de bij de ouders afgenomen onderzoeken, een beeld moeten vormen van hun mogelijkheden en zal, kijkend naar de belangen van de kinderen, binnen twee maanden een beslissing moeten nemen over hun perspectief.

De kinderrechter acht het in het belang van [de kinderen] dat zij in het pleeggezin blijven wonen zolang er geen duidelijkheid is over hun perspectief. Daarom zullen de machtigingen tot uithuisplaatsing worden verlengd met twee maanden onder aanhouding van iedere verdere beslissing.”

1.4

Bij brief van 29 januari 2018 heeft de GI het in de tussenbeschikking bedoelde persoonlijkheidsonderzoek van de moeder in het geding gebracht. Het betreft een op initiatief van de moeder (na verwijzing door haar huisarts) door psychodiagnostisch adviescentrum PACT afgenomen onderzoek. Volgens de GI is dit onderzoek van onvoldoende waarde, omdat geen observatie heeft plaatsgevonden van het contact tussen de moeder en de kinderen; er is geen zicht op de opvoedingsvaardigheden van de moeder. De GI heeft zorgen over een mogelijke terugplaatsing bij de moeder, die al de zorg draagt voor twee andere dochters en geen netwerk heeft waarop zij kan terugvallen. Er is een aanvraag gedaan bij orthopedagogisch centrum Ambiq voor observatie van de moeder met haar vier kinderen. De resultaten daarvan spelen geen rol bij de vraag of terugplaatsing mogelijk is, maar wel bij de mate waarin omgang tussen moeder en kinderen zal plaatsvinden. De GI heeft inmiddels de beslissing genomen dat de kinderen niet meer worden teruggeplaatst bij de moeder.

1.5

Ter zitting van de kinderrechter van 7 februari 2018 heeft de moeder aangevoerd dat de GI medio november 2017, toen de resultaten van het onderzoek door PACT bekend werden, aan de bel had moeten trekken, als de GI een ander soort onderzoek nodig had. Het maakt niet uit of er verlengd wordt voor twee of drie maanden, maar de moeder wil een onderzoek waarmee de juiste antwoorden verkregen kunnen worden.

1.6

Bij eindbeschikking van 14 februari 2018 heeft de kinderrechter de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 16 december 2018. De kinderrechter overwoog, voor zover in cassatie van belang:

“(…) Gelet op de gehele voorgeschiedenis van hulpverlening, die onvoldoende vruchten heeft afgeworpen, en de informatie die ter zitting naar voren is gekomen, deelt de kinderrechter de visie van de GI dat het perspectief van de minderjarigen binnen hun huidige pleeggezinnen ligt. De kinderen ontwikkelen zich goed en zij gaan zich steeds meer hechten aan de pleegouders. Vader kan zich enigszins verenigen met het perspectief van de kinderen, maar moeder niet. Moeder stelt dat uit haar persoonlijkheidsonderzoek niet duidelijk naar voren komt wat haar opvoedingsvaardigheden zijn en dat de GI dat nader had moeten onderzoeken in plaats van nu te stellen dat zij geen inzicht hebben in de opvoedingsvaardigheden van moeder. De kinderrechter is van oordeel dat een terugplaatsing bij moeder niet mogelijk is, gelet op de problematiek en de houding van moeder jegens hulpverlening en vader. (…)

Gebleken is dat de minderjarigen goed op hun plek zitten in de pleeggezinnen en dat er goed contact met beide ouders is. De komende periode zullen de jeugdbeschermers moeten inzetten op onderzoek waaruit moet blijken of er meer omgang mogelijk is met ouders, rekening houdende met de belangen van de minderjarigen. Het observatieonderzoek bij Ambiq zal gaan uitwijzen of moeder tijdens de omgangsmomenten met [de kinderen] in staat is om zorg te dragen voor vier kinderen tegelijk. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de jeugdbeschermers tezamen met ouders en eventueel met hun advocaten tot een juiste en passende omgangsregeling zullen komen.”

1.7

De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Zij heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, verzocht:

i) primair: de eindbeschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen af te wijzen;

ii) (meer) subsidiair: een nader (NIFP-)onderzoek te gelasten op grond van art. 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.8

De moeder heeft haar onder (ii) vermelde verzoek in het beroepschrift van 30 maart 2017 als volgt onderbouwd:

“VERZOEK ARTIKEL 810 a RV.

Gezien bovenstaande doet moeder een verzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv .

(…)

Moeder is van mening dat zij geen kansen heeft gehad en niet de juiste hulp en begeleiding heeft gekregen. Ook is moeder van mening dat een door een deskundige uit te voeren onderzoek niet belastend is voor de minderjarigen gezien de minderjarigen nog jong zijn en geen onderzoek hebben ondergaan, waarvan men kan zeggen dat het belastend is om nogmaals een onderzoek te verrichten.

Tevens is de moeder van mening dat de benoeming van een deskundige mede zal leiden tot een andere beslissing van deze zaak, nu volgens moeder onvoldoende onderzoek is gedaan. Volgens moeder zal een gedegen onderzoek door een deskundige dan ook leiden tot een andere beslissing in deze zaak. Ook verzet volgens moeder het belang van de minderjarigen zich niet tegen het instellen van een onderzoek.

(…)

Moeder is van mening dat het verzoekschrift van de GI de beslissing niet kan dragen en verzoekt Uw Gerechtshof dan ook om op grond van artikel 810 a lid 2 RV om een contra expertise te laten plaats vinden door een deskundige die door de rechter is toegewezen, aangezien moeder meent dat nader onderzoek tot een andere beslissing in deze kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet (moeder denkt aan een NIFP onderzoek).”

1.9

Bij verweerschrift in hoger beroep van 23 april 2018 heeft de GI als volgt gereageerd op het onder (ii) vermelde verzoek van de moeder:

“Naar aanleiding van inmiddels afgenomen persoonlijkheidsonderzoek bij moeder stelt de jeugdbescherming Overijssel het niet noodzakelijk dat er nog verder onderzoek bij moeder persoonlijk wordt afgenomen.

[De kinderen] ontwikkelen zich goed binnen de huidige opvoedsituatie.

Pleegouders van [de kinderen] dragen er in samenwerking met de jeugdbescherming zorg voor dat het contact tussen [de kinderen] en beide ouders goed is.

Er zal een observatietraject van start gaan met als doel om een stabiele, passende, veilige en voorspelbare omgang tussen moeder en de kinderen neer te zetten.”

1.10

Ter zitting van het hof van 5 juni 2018 heeft de GI haar standpunt herhaald dat het perspectief van de kinderen niet langer het wonen bij de moeder is. De GI is wel bereid te bezien of de omgang tussen deze kinderen en de ouders kan worden uitgebreid, maar een thuisplaatsing is niet aan de orde. De zorg over de eerdere relatiestrubbelingen tussen de vader en de moeder is weg, nu hun relatie verbroken is. De GI heeft ook geen zorgen over de praktische vaardigheden van de moeder, maar wel over haar emotionele vaardigheden. De eerste observatie door Ambiq is goed verlopen.

1.11

Bij beschikking van 2 augustus 2018 heeft het hof de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd. Het hof overwoog, voor zover in cassatie van belang:

“5.5 Het hof acht zich op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Het hof zal derhalve het meer subsidiaire verzoek van de moeder een dergelijk onderzoek te gelasten afwijzen.

Het hof is met de rechtbank – en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen onderzoek, overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de kinderen] in een voorziening voor pleegzorg nog steeds noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. Voor zover de moeder stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, acht het hof dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. De moeder kampt met persoonlijke problematiek. Uit alle destijds gedane zorgmeldingen bleek dat de moeder een functionele en zakelijke opvoedingsstijl hanteerde, waarbij de nodige affectie jegens de kinderen ontbrak. De moeder heeft daarna de aangeboden hulp vaak direct geweigerd, maar ook reeds ingezette hulp weer stopgezet, waarna de (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen is gevolgd. Gelet op de problematiek van de moeder en haar houding naar de hulpverlening en de vader, kan thans geen sprake zijn van terugplaatsing van de kinderen bij haar. Het gaat nu goed met de kinderen in de pleeggezinnen, waar de kinderen de voor hen noodzakelijke rust, veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid geboden krijgen. De moeder heeft een sterke neiging tot manipulatief gedrag en verliest daarbij structureel het belang van de kinderen uit het oog. Bij een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder bestaat gegronde vrees voor een terugkeer van de spanningen, alsmede van het manipulatieve gedrag van de moeder, met het risico dat de moeder daarbij wederom de kinderen zal inzetten. Voorts bestaat in dat geval het risico dat de verzorging en opvoeding van vier kinderen voor de moeder, die thans immers ook de zorg heeft voor [de dochters uit een eerdere relatie], gelet op de beschreven problematiek, een te grote belasting oplevert.

5.6

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de uithuisplaatsing de continuïteit en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen niet is gewaarborgd. (…)”

1.12

Namens de moeder is – tijdig – cassatieberoep ingesteld. De GI heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

In cassatie staat, evenals in appel, alleen de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing ter discussie; niet de verlenging van de ondertoezichtstelling. Meer in het bijzonder klaagt de moeder over de afwijzing van haar verzoek om een deskundigenonderzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Volgens het middel miskent het hof dat een dergelijk verzoek niet kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich voldoende voorgelicht acht (zoals het hof overweegt in de eerste volzin van rov. 5.5). Voor zover het hof het oog heeft op een andere afwijzingsgrond, is zijn oordeel bij gebreke van enige motivering onbegrijpelijk. Het slagen van de klachten leidt ertoe dat ook de oordelen van het hof over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing niet in stand kunnen blijven, aldus het middel.

2.2

Ter inleiding citeer ik de maatstaven die de Hoge Raad heeft geformuleerd in een beschikking uit 2014, waarop het middel een beroep doet:

“3.3.2 Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).

3.3.3

Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.4 (…)

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.”

2.3

In de rechtsliteratuur wordt, mede tegen de achtergrond van deze beschikking, aangenomen dat art. 810a lid 2 Rv een beperking inhoudt van de vrijheid die de rechter normaliter – buiten de context van kinderbeschermingsmaatregelen als de onderhavige – toekomt bij de beslissing om al dan niet een deskundige te benoemen. Ratio hiervan is het in rov. 3.3.2 van de geciteerde beschikking bedoelde beginsel van ‘equality of arms’. Het gaat erom dat de ouder in staat wordt gesteld om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad voor de Kinderbescherming – of, zo voeg ik toe, de gecertificeerde instelling als uitvoerder van de maatregel (vgl. art. 1.1 van de Jeugdwet) – heeft aangevoerd over de noodzaak van de verzochte maatregel van jeugdbescherming. Conform deze ratio wordt aangenomen dat art. 810a lid 2 Rv niet is beperkt tot gevallen waarin een recent onderzoeksverslag ten grondslag ligt aan de verzochte maatregel.

2.4

Art. 810a lid 2 Rv spreekt (voor zover hier van belang) over “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”. Daaronder vallen ook zaken waarin, zoals hier, niet de ondertoezichtstelling als zodanig, maar alleen de daaraan gekoppelde uithuisplaatsing ter discussie staat. Het wettelijk stelsel houdt immers in dat een uithuisplaatsing (art. 1:265a e.v. BW) slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:254 e.v. BW). Dienovereenkomstig verklaarde de staatssecretaris bij de behandeling van het amendement dat tot invoering van art. 810a lid 2 Rv heeft geleid (waarvan hij zelf overigens geen voorstander was):

“Bij de uithuisplaatsing geldt het amendement al, aangezien dit een vervolg is op de ondertoezichtstelling.”

De al genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol, aangezien een uithuisplaatsing als kinderbeschermingsmaatregel nog dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.

2.5

Over de betekenis van art. 810a lid 2 Rv in procedures over de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing merk ik het volgende op. Een machtiging tot uithuisplaatsing is – evenals een ondertoezichtstelling in het algemeen – bedoeld als een tijdelijke maatregel, voor gevallen waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn in staat zullen zijn de verzorging en opvoeding weer op zich te nemen (art. 1:255 lid 1, aanhef en onder b, BW). Verlengingen zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder(s) zijn in de visie van de wetgever niet mogelijk. Ontbreekt perspectief op terugplaatsing, dan is een beëindiging van het ouderlijk gezag aangewezen (art. 1:266, aanhef en onder a, BW). Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, dient het verzoek tot verlenging vergezeld te gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (art. 1:265j lid 3 BW). De achterliggende gedachte is dat het na zoveel tijd de vraag is, of nog perspectief bestaat op terugplaatsing.

2.6

Uit het voorgaande volgt dat het hof in dit geval had moeten beoordelen of het in alinea 1.8 geciteerde verzoek van de moeder (a) voldoende concreet en (b) ter zake dienend was. Zo ja, dan had het hof dat verzoek moeten toewijzen, tenzij het hof (c) toewijzing van het verzoek strijdig achtte met het belang van de kinderen. Uit de eerste alinea van rov. 5.5 kan mijns inziens niet worden afgeleid dat − en hoe − het hof een en ander heeft beoordeeld. De overweging dat het hof zich “voldoende voorgelicht” acht, lijkt te zijn geënt op de algemene maatstaf voor toewijsbaarheid van een verzoek om een deskundigenbericht (art. 194 e.v. Rv). Volgens de genoemde beschikking uit 2014 is die algemene maatstaf niet toereikend voor de afwijzing van een verzoek om nader onderzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv. In zoverre geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting; in ieder geval is dat oordeel in het licht van de geldende maatstaven onvoldoende gemotiveerd.

2.7

Waar de moeder in appel zo nadrukkelijk een beroep op art. 810a Rv had gedaan – zie het citaat in alinea 1.8 hiervoor – moet de mogelijkheid onder ogen worden gezien dat het hof in het vervolg van rov. 5.5 impliciet het oordeel heeft willen neerleggen dat hetzij het verzoek van de moeder om contra-expertise niet voldoende concreet en ter zake dienend was, hetzij de inwilliging van dat verzoek in strijd zou zijn met het belang van de kinderen (de twee, in alinea 2.2 hiervoor genoemde afwijzingsgronden). Ik verken hieronder deze mogelijkheden.

2.8

In rov. 5.2 heeft het hof het verzoek van de moeder als volgt weergegeven:

“Nu de rechtbank zich reeds heeft uitgelaten over het perspectief van de kinderen, te weten dat zij in de pleeggezinnen blijven, is daarmee naar de mening van de moeder het perspectief al bepaald. Zij ziet hierin aanleiding om een contra-expertise te laten plaatsvinden.”

Deze weergave zou erop kunnen duiden dat het hof het verzoek van de moeder om contra-expertise aldus heeft opgevat, dat het was toegespitst op een dreigende beëindiging van het gezag wegens het ontbreken van een perspectief op terugplaatsing (vgl. art. 1:266 e.v. BW). In deze zaak was de beëindiging van het gezag (nog) niet aan de orde. Dat was echter niet de reden om het verzoek van de moeder ter zijde te stellen: in (de derde volzin van) rov. 5.5 heeft het hof het oordeel van de kinderrechter uitdrukkelijk overgenomen. Kennelijk is ook het hof van oordeel dat het vooruitzicht is dat deze kinderen permanent in de pleeggezinnen zullen blijven omdat thuisplaatsing bij de moeder niet mogelijk is, zoals de kinderrechter overwoog. Hiervan uitgaande, is niet zonder meer duidelijk waarom het verzoek van de moeder – zoals in rov. 5.2 weergegeven door het hof – niet ter zake dienend werd geacht. Met haar verzoek om een contra-expertise heeft de moeder kennelijk tegenover dat perspectief een ander perspectief willen stellen waarin een thuisplaatsing bij de moeder niet wordt uitgesloten.

2.9

Het hof overweegt verder dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de kinderen, met het oog op “de voor hen noodzakelijke rust, veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid” (rov. 5.5) en “de continuïteit en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen” (rov. 5.6). Heeft het hof een eventuele inwilliging van het verzoek om contra-expertise impliciet in strijd geacht met het belang van de kinderen? Ik teken hierbij aan dat gevallen waarin de rechter het te verrichten onderzoek op zichzelf te belastend heeft geacht voor het kind, in de praktijk relatief zeldzaam zijn. Sterker nog, uit het in alinea 1.2 e.v. besproken procesverloop blijkt dat ook de GI in deze zaak aanvankelijk aanstuurde op een deskundigenonderzoek. De GI baseerde zich daarbij op eerdere beslissingen van de kinderrechter. In de loop van de procedure is de moeder echter geconfronteerd met de door de kinderrechter en het hof onderschreven opvatting van de GI, dat het verblijfsperspectief van de kinderen inmiddels binnen de pleeggezinnen is komen te liggen. De meergenoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv brengt dan mee dat de moeder, mits haar verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldeed, in staat dient te worden gesteld om met behulp van een (nader) deskundigenonderzoek weerwoord te bieden aan die opvatting van de verzoekende instelling. Tegen die achtergrond acht ik het oordeel dat het hof zich ‘voldoende voorgelicht’ acht, niet voldoende voor de gevolgtrekking dat het gevraagde nader onderzoek in strijd is met het belang van de kinderen.

2.10

De slotsom is dat de klachten slagen en dat na verwijzing alsnog zal moeten worden beoordeeld of het op art. 810a Rv gebaseerde verzoek, met inachtneming van de in alinea 2.2 geciteerde maatstaven, toewijsbaar is.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

Zie de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2018, onder 3.1 en 3.2, zoals verbeterd bij beschikking op grond van art. 31 Rv van 27 september 2018.

De desbetreffende uitspraken zijn overgelegd als bijlagen bij het inleidend verzoekschrift. Daaruit blijkt het volgende. De oudste dochter is onder toezicht gesteld bij beschikking van 16 december 2015. De machtiging tot uithuisplaatsing van de oudste dochter is verleend bij beschikking van 15 juni 2016 (na een spoedmachtiging van 6 juni 2016). De jongste dochter is onder toezicht gesteld bij beschikking van 31 augustus 2016 (na een voorlopige ondertoezichtstelling van 6 juni 2016, verlengd bij beschikking van 15 juni 2016). De machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste dochter is verleend bij beschikking van 8 maart 2017 (na een spoedmachtiging van 28 februari 2017). De ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing zijn achtereenvolgens verlengd.

Zie de bestreden beschikking, onder 4.2, en blz. 2 van de tussenbeschikking in eerste aanleg van 6 december 2017.

Zie blz. 1-2 van het verzoek betreffende de oudste dochter, onder verwijzing naar de als bijlage aangehechte beschikking van 31 mei 2017 (op blz. 2), en blz. 3 van het plan van aanpak betreffende de jongste dochter, onder verwijzing naar de als bijlage aangehechte beschikking van 8 maart 2017 (op blz. 2).

Zie blz. 3 van de tussenbeschikking van 6 december 2017.

Aldus de stellingname van de GI bij brief van 29 januari 2018 en ter zitting van de kinderrechter van 7 februari 2018 (zie blz. 2 - 3 van het in appel, als productie 12 bij de brief van 4 mei 2018, overgelegde proces-verbaal), zoals samengevat weergegeven op blz. 2 van de eindbeschikking van 14 februari 2018.

Aldus de stellingname van de moeder ter zitting van de kinderrechter van 7 februari 2018 (zie blz. 2 van het proces-verbaal), zoals verkort weergegeven op blz. 2-3 van de eindbeschikking van 14 februari 2018.

Zie blz. 3 van de eindbeschikking van 14 februari 2018.

Het subsidiaire verzoek om de uithuisplaatsing te verlengen met een kortere termijn dan een jaar heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ingetrokken (zie rov. 5.6 van de bestreden beschikking).

De afkorting staat voor: Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie.

Zie blz. 13-15 van het beroepschrift (met weglating van de juridische onderbouwing).

Zie blz. 7 verweerschrift in hoger beroep. Het in het citaat genoemde “persoonlijkheidsonderzoek” is het onder 1.4 bedoelde PACT-onderzoek, waaruit de GI citeert.

Zie blz. 3-4 van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 5 juni 2018.

Met “het risico dat de moeder daarbij wederom de kinderen zal inzetten” doelt het hof op de in rov. 5.3 weergegeven stellingname van de GI, dat in 2016 het risico bestond “dat de moeder de kinderen zou inzetten om de vader te laten terugkeren in het gezin”.

Vgl. rov. 5.2, derde volzin, van de bestreden beschikking.

Vgl. de derde alinea van het cassatiemiddel, op blz. 4 van het cassatierekest.

HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie voor het vervolg na cassatie en verwijzing HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3564, RvdW 2016/55 (klachten over afwijzing van het verzoek met toepassing van art. 81 RO verworpen). Zie meer recent in gelijke zin HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, NJ 2018/267 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.9.2.

Zie bijv. B.E.S. Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2017), aant. 2; en R.Y. Nauta, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2018), aant. 1 en 2d.

Zie de conclusie van A-G Lückers voor HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RvdW 2018/791, onder 2.26 (en onder 2.24 voor een inventarisatie van de rechtsliteratuur).

Handelingen II 1993/94, 22 487 (24 februari 1994), blz. 4152. Zie in gelijke zin B.E.S. Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2017), aant. 4.

Een ondertoezichtstelling duurt in beginsel hoogstens een jaar (art. 1:258 BW) en kan, zolang aan de voorwaarden is voldaan, telkens met hoogstens een jaar worden verlengd (art. 1:260 BW).

Zie MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, blz. 9, 10 en 23. Zie voorts bijv. M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW (2018), aant. 5 onder b, en art. 1:266 BW (2018), aant. 4. Vgl. over de vraag of bij gebreke van een perspectief op terugplaatsing kan worden afgezien van gezagsbeëindiging: J. Huijer en I. Wijers, ‘De aanvaardbare termijn in jeugdbeschermingszaken’, FJR 2016/40, blz. 164-169.

Zie MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, blz. 33-34. Zie voorts bijv. M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265j BW (2018), aant. 7.

Vgl. HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993, NJ 2002/73, rov. 3.3.3: “dat het aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten of hij wil overgaan tot het benoemen van een deskundige en dat het hem dus vrij staat een verzoek tot het bevelen van een deskundigenbericht af te wijzen”.

Vgl. S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2018, nr. 136a, waar de plaatsing in een “perspectiefbiedend pleeggezin” als “voorbode voor beëindiging van het gezag” wordt aangemerkt.

Vgl. HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2445, RvdW 2017/987, waarin een dergelijk oordeel met toepassing van art. 81 RO in stand werd gelaten (vgl. ook de conclusie, onder 2.8 en 2.11).

Zie recent voor een vergelijkbaar geval Hof Arnhem-Leeuwarden 3 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:30, waarin het verzoek ex art. 810a lid 2 Rv toewijsbaar werd geacht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature