< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. (Gewoonte)witwassen, art. 420bis.1.b jo. 420ter.1 Sr. Partiële vrijspraak t.a.v. geldbedragen op de grond dat ‘niet kan worden uitgesloten dat deze bedragen afkomstig zijn uit enig door verdachte zelf begaan misdrijf’. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2842 m.b.t. kwalificatie-uitsluitingsgrond indien bewezenverklaard witwassen bestaat uit verwerven of voorhanden hebben van 'onmiddellijk' uit 'eigen' misdrijf afkomstige voorwerpen. Hof heeft kennelijk beoogd toepassing te geven aan deze rechtspraak. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de bedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een eigen misdrijf van verdachte is niet begrijpelijk gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat afkomst uit een door verdachte zelf begaan misdrijf ‘niet kan worden uitgesloten’ volstaat daartoe niet, mede in aanmerking genomen de in ECLI:NL:HR:2016:2842 aangeduide factoren. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 18/01541

Zitting: 27 november 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 15 februari 2017 partieel vrijgesproken van het ten laste gelegde en de verdachte wegens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 216 uren, subsidiair 108 dagen vervangende hechtenis.

2. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. P.G. Blanken, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, cassatieberoep ingesteld en heeft mr. M. van der Dorst, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel komt met verschillende rechts- en motiveringsklachten op tegen de partiële vrijspraak van het tenlastegelegde witwassen. In het bijzonder klaagt het middel over de vrijspraak van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, te weten het (contante) geldbedrag van € 3.481,- en de geldbedragen van (in totaal) € 92.474,83.

4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 26 november 2012, te 's- Gravenhage, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten:

- een of meer meubelstukken (waaronder een lederen hoekbank en/of een televisiemeubel en/of een of meer tafels en/of stoelen en/of lampen en/of bedden en/of een vloerkleed) en/of

- een of meer stuks audio- en/of videoapparatuur (waaronder een Samsung 3D-tv en/of Samsung LED-tv en/of dvd-speler(s)) en/of

- een wasmachine en/of een elektrische pedaalemmer en/of twee consoles en/of

- een of meer kledingstuk(ken) (waaronder merk Louis Vuitton) en/of sieraden en/of (een) koffer(s) en/of (een) reistas(sen)en en/of (een) herenschoudertas en/of zonnebril(len) (merk Louis Vuitton) en/of

- een geldbedrag (contant) van (in totaal) 3.481 euro en/of

- een of meer geldbedrag(en) (van (in totaal) 92.474,83 euro) en/of een of meer ander(e) geldbedrag(en) en/of/althans (telkens) enig(e) goed(eren),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en), te weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt.”

5. Het hof heeft de verdachte als gezegd partieel vrijgesproken van het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof volgt de rechtbank met betrekking tot de partiële vrijspraken van de geldbedragen € 3.418 [D.A.: ik begrijp € 3.481,-],- en € 414,15.

Het hof zal de verdachte voorts vrijspreken van de overige geldbedragen, nu niet kan worden uitgesloten dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit enig door verdachte zelf begaan misdrijf.”

6. Wat betreft het geldbedrag van € 3.481,- heeft het hof de overweging de rechtbank Den Haag overgenomen. De rechtbank Den Haag heeft in het vonnis van 27 januari 2013 op dit punt het volgende overwogen:

“Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het in zijn woning aangetroffen contante geldbedrag van € 3.481,- heeft witgewassen. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet kan worden uitgesloten dat dit geldbedrag direct afkomstig is uit enig door verdachte zelf begaan misdrijf, terwijl uit het dossier niet blijkt dat met betrekking tot dit geldbedrag witwashandelingen hebben plaatsgevonden. Daar het enkel voorhanden hebben van een geldbedrag dat afkomstig is uit enig eigen misdrijf niet strafbaar is dient verdachte - met in achtneming van het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juli 2013 - te worden vrijgesproken van het witwassen van dit geldbedrag. (…)”

7. Alvorens tot bespreking van het middel over te gaan, zal ik eerst het juridisch kader schetsen waarbinnen de klacht dient te worden behandeld.

8. Voor zover aan de verdachte als gedraging ten laste is gelegd dat hij een voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad als bedoeld in art. 420bis, lid 1, onder b, Sr en art. 420quater, lid 1, onder b, Sr, is in de eerste plaats relevant of aannemelijk is dat het voorwerp afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en vervolgens of dat voorwerp onmiddellijk dan wel middellijk afkomstig is uit dat misdrijf.Het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat – ‘onmiddellijk’ – afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf kan kwalificeren als ‘witwassen’ indien uit de motivering van de bewezenverklaring kan worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtspraak van de Hoge Raad heeft in beginsel geen betrekking op de tenlastelegging en bewezenverklaring van het ‘overdragen’, ‘omzetten’ of ‘gebruik maken’ van een voorwerp dat afkomstig is van een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dit is slechts anders in het bijzondere geval waarin het ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ of ‘omzetten’ van rechtstreeks (‘onmiddellijk’) door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.

9. Gelet op de gebruikte bewoordingen in de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank en de nadere overweging van het hof in het bestreden arrest, heeft het hof kennelijk het oog gehad op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de kwalificatie-uitsluitingsgrond in witwaszaken.

10. In het bestreden arrest ligt besloten dat het hof aannemelijk heeft geoordeeld dat de aangetroffen geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, terwijl niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte naast het verwerven of voorhanden hebben van deze geldbedragen ook de criminele herkomst daarvan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Dat oordeel is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Naast het tenlastegelegde witwassen is immers geen ander misdrijf met betrekking tot deze geldbedragen bewezen verklaard, door welk misdrijf de verdachte de geldbedragen kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Evenmin kan uit de bewijsvoering of de verklaring van de verdachte worden afgeleid dat deze geldbedragen onmiddellijk uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig zijn. Bovendien is naast het ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ ook het ‘overdragen’, ‘omzetten’ en/of ‘gebruik maken’ van de geldbedragen ten laste gelegd, zodat ook in zoverre het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is.

11. Voorts heeft het hof miskend dat een geslaagd beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond niet leidt tot (partiële) vrijspraak, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging.

12. Het middel is terecht voorgesteld.

13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie: HR 17 december 2013:ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:222.

“In die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen, doet zich niet de onder 3.3 bedoelde situatie voor waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daardoor de uit dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Dat brengt mee dat er in beginsel geen grond is de onder 3.3 bedoelde rechtsregels ook toe te passen op dergelijke gevallen, nu het automatisme dat deze rechtsregels beogen tegen te gaan, zich in die gevallen niet voordoet.” Zie HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer, rov. 3.8. Zie ook: HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527, NJ 2016/479.

Zie HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164, RvdW 2014/763, HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, RvdW 2017/1072.

Zie HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 m.nt. Keijzer en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, RvdW 2014/573. Zie ook HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer. In deze zaak was specifiek het ‘overdragen’ en ‘omzetten’ bewezenverklaard. Zie voorts HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis.

Zie: HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer en HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340 m.nt. Keijzer.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature