< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Wet Bopz. Machtiging voortgezet verblijf. Geneeskundige verklaring van arts voor verstandelijk gehandicapten. Kan met deze verklaring worden volstaan in geval van gecombineerde diagnose die mede betrekking heeft op psychiatrische stoornis? HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226; HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682. Na mondelinge behandeling aan rechtbank toegezonden wettelijke aantekeningen; schending van hoor en wederhoor?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Zaaknr: 18/02950

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 7 september 2018

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Den Haag

In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend. Mag een arts voor verstandelijk gehandicapten het onderzoek voor de geneeskundige verklaring verrichten indien sprake is van een gecombineerde diagnose? Daarnaast wordt geklaagd over schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 15 maart 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Den Haag verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1963, hierna: betrokkene). Betrokkene verbleef toen in de inrichting voor verstandelijk gehandicapten van Ipse De Bruggen te Zwammerdam krachtens een machtiging tot voortgezet verblijf d.d. 2 april 2017, waarvan de geldigheidsduur verstreek op 3 april 2018. Bij het verzoekschrift was een verklaring gevoegd, op 13 maart 2018 ondertekend door de geneesheer-directeur van de locatie Ipse de Bruggen te Zwammerdam, zijnde de arts voor verstandelijk gehandicapten [betrokkene 1], die betrokkene daartoe heeft onderzocht. In rubriek 3.c van deze verklaring is als diagnose gesteld “lichte tot matige verstandelijke beperking en laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (3 jaar), Schizofrenie met paranoïdie en een gedragsstoornis met impulsdoorbraken”. In rubriek 3.d is als belangrijkste diagnose de verstandelijke handicap aangeduid.

1.2

Op 30 maart 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld en gehoord: betrokkene en zijn advocaat, de GGZ-psycholoog [betrokkene 2] en de behandelend arts voor verstandelijk gehandicapten [betrokkene 3]. Ook waren een gedragswetenschapper en de persoonlijk begeleider van betrokkene aanwezig. Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz niet bij het verzoekschrift zijn overgelegd en dat hij deze stukken nog wil inzien. Verder heeft de advocaat, onder verwijzing naar HR 1 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2226), aangevoerd dat de geneeskundige verklaring is opgesteld door een arts voor verstandelijk gehandicapten terwijl dit, gelet op de diagnose, een psychiater had moeten zijn.

1.3

Bij beschikking van 9 april 2018 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, zijnde een inrichting voor verstandelijk gehandicapten, voor een tijdvak tot en met 3 april 2019. De rechtbank oordeelde dat ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging bij betrokkene een geestesstoornis aanwezig zal zijn, namelijk: “licht tot matige verstandelijke beperking en laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (drie jaar). Schizofrenie met paranoïdie en een gedragsstoornis met impulsdoorbraken. De verstandelijke handicap is daarbij leidend.” Volgens de rechtbank doet de stoornis betrokkene gevaar veroorzaken voor zichzelf, voor anderen en voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Dit gevaar kan niet buiten een instelling voor geestelijk gehandicapten worden afgewend. Betrokkene gaf blijk van verzet tegen zijn opneming en verblijf in de inrichting.

1.4

De rechtbank verwierp het verweer dat de geneeskundige verklaring door een psychiater opgesteld had moeten worden. Zij overwoog:

“Uit het door de advocaat aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 september 2017 volgt dat bij geconstateerde psychiatrische problematiek van een verstandelijk gehandicapte patiënt een psychiater het onderzoek dient over te nemen, of bij het onderzoek betrokken moet worden. In dit geval staat de verstandelijke beperking van de betrokkene op de voorgrond. Dit blijkt uit de verklaring van de GGZ-psycholoog ter zitting, uit de geneeskundige verklaring (waarin staat vermeld dat de belangrijkste diagnose “verstandelijke handicap” is) en uit de omschrijving (bij punt 4) van het gevaar dat betrokkene zou veroorzaken (als gevolg van de verstandelijke beperking en het ermee gepaard gaande geringe ziekte-inzicht en -besef). Verder stond bij de hiervoor verleende machtiging tot voortgezet verblijf d.d. 3 april 2017 de verstandelijke beperking ook op de voorgrond.

Ook blijkt uit de geneeskundige verklaring die toen is overlegd, dat onder andere tot de diagnose schizofrenie is gekomen. Dat in de voorliggende geneeskundige verklaring wederom tot onder andere die diagnose is gekomen, is begrijpelijk omdat (zie hiervoor punt 4 onder d. van de geneeskundige verklaring) die stoornis gedurende het gehele leven van de betrokkene zal blijven.” (blz. 3)

1.5

De rechtbank heeft onder het opschrift ‘Procedure’ vermeld dat een afschrift van de in art. 37a Wet Bopz bedoelde aantekeningen is nagezonden. Onder ‘Beoordeling’ overwoog de rechtbank:

“Het nagezonden afschrift van de wettelijke aantekeningen geneesheer-directeur geeft inzicht in de geestelijke en lichamelijke toestand van de betrokkene en zijn behandeling. Weliswaar bestrijken die aantekeningen de periode april 2017 tot maart 2018 in één keer (en niet periodiek zoals artikel 37a Wet Bopz voorschrijft ), maar wel wordt met de aantekeningen inzicht geboden in het ziekteverloop van de betrokkene, tot welk gevaar de verstandelijke beperking van de betrokkene leidt, wat is ingezet met welk resultaat, en wat het perspectief is. De opmerking van de advocaat omtrent het ontbreken van die aantekeningen behoeft hiermee geen verdere bespreking nu deze aantekeningen onderdeel uitmaken van het dossier.” (blz. 3)

1.6

Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel I bestrijdt het oordeel dat kan worden volstaan met een onderzoek van betrokkene door een arts voor verstandelijk gehandicapten op de grond dat in dit geval de verstandelijke beperking op de voorgrond staat. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank in de aangehaalde overweging een onjuiste uitleg heeft gegeven aan voormelde beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2017, door te oordelen dat niet een psychiater bij de beoordeling van de geestesstoornis betrokken behoefde te worden. Subsidiair klaagt het onderdeel dat het oordeel van de rechtbank op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de arts voor verstandelijk gehandicapten niet slechts de diagnose ‘verstandelijke handicap’ heeft gesteld, maar ook de diagnose schizofrenie en gedragsstoornissen. Wat betreft deze twee laatste diagnoses, kan de arts voor verstandelijk gehandicapten volgens de klacht niet worden beschouwd als ‘medical expert’. Verder wordt aangevoerd dat weliswaar verschillend kan worden gedacht over het antwoord op de vraag welke geestesstoornis ‘leidend’ is, maar dat dit blijkens HR 1 september 2017 niet relevant is.

2.2

De verklaring is, overeenkomstig art. 16 in verbinding met art. 5 Wet Bopz, ondertekend door de geneesheer-directeur. De beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2226) had betrekking op een geval waarin het onderzoek ten behoeve van de geneeskundige verklaring was verricht door een arts voor verstandelijk gehandicapten. De verklaring vermeldde toen als diagnose: schizofrenie en verstandelijke handicap. Na wijziging van de geneeskundige verklaring was alsnog de verstandelijke beperking aangekruist als belangrijkste diagnose. De rechtbank had in die zaak het verzoek tot verlening van een voortgezette machtiging afgewezen omdat de betrokkene (voor het psychiatrische deel van zijn problematiek) had moeten worden onderzocht door een psychiater en niet alleen door een arts voor verstandelijk gehandicapten. Hiertegen was het cassatiemiddel van de officier van justitie gericht. De Hoge Raad overwoog:

‘3.4.2 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

Voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis diende vóór de invoeging op 15 februari 2014 van art. 1 lid 6 Wet Bopz de betrokkene steeds te zijn onderzocht door een psychiater. Zie art. 16 lid 2 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz, alsmede HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420 en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:270, NJ 2014/103. Uit de zojuist genoemde beschikkingen volgt dat het aan de wetgever is hierop een uitzondering te maken, gelet op het grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien.

Met art. 1 lid 6 Wet Bopz heeft de wetgever - voor zover hier van belang - een arts verstandelijk gehandicapten gelijkgesteld met een psychiater “voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft”. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd de arts verstandelijk gehandicapten bevoegd te maken “op zijn eigen deskundigheidsterrein een medisch oordeel [te] vellen over de (gedwongen) opname” (Kamerstukken II 2012-2013, 33 507, nr. 6, p. 14).

3.4.3

In het onderhavige geval is sprake van een geneeskundige verklaring waarin een gecombineerde diagnose is gegeven, bestaande in schizofrenie en een verstandelijke beperking. Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, volgt dat aan art. 1 lid 6 Wet Bopz niet de strekking kan worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten indien de diagnose niet is beperkt tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van de psychiater bestrijkt. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist.

3.4.4

De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - overwogen dat eerdere rechterlijke machtigingen waren verleend om het door betrokkene veroorzaakte gevaar voortvloeiend uit de gediagnosticeerde psychiatrische stoornis weg te nemen, en dat die machtigingen nodig waren om dwangmedicatie mogelijk te maken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ook thans de machtiging is verzocht om zo nodig dwangbehandeling met een antipsychoticum mogelijk te maken. Daarmee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het verzoek tot voortgezet verblijf mede berust op (gevaar verband houdende met) de psychiatrische stoornis van betrokkene. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met haar aldus gemotiveerde oordeel dat niet kon worden volstaan met de verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In het licht van het bovenstaande wordt dit niet anders door de omstandigheid dat de gewijzigde verklaring vermeldde dat de verstandelijke handicap inmiddels de bovenliggende stoornis was.’

2.3

In de huidige zaak heeft de rechtbank uit deze overwegingen van de Hoge Raad afgeleid dat bij geconstateerde psychiatrische problematiek van een verstandelijk gehandicapte een psychiater het onderzoek dient over te nemen althans bij het onderzoek betrokken moet worden. In de huidige zaak luidt de diagnose in de geneeskundige verklaring: “lichte tot matige verstandelijke beperking en laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau, schizofrenie met paranoïdie en een gedragsstoornis met impulsdoorbraken”. In de redenering van de rechtbank kan worden volstaan met een onderzoek door een arts voor verstandelijk gehandicapten omdat de verstandelijke beperking ‘op de voorgrond staat’. Dit laatste blijkt volgens de rechtbank uit de verklaring van de GGZ-psycholoog ter zitting en uit de geneeskundige verklaring waarin de verstandelijke handicap als belangrijkste diagnose is vermeld en (in rubriek 4) het gevaar is omschreven dat betrokkene zou veroorzaken als gevolg van de verstandelijke beperking en het daarmee gepaard gaande geringe ziekte-inzicht en -besef. De rechtbank nam verder in aanmerking dat (ook) bij het verlenen van de voorafgaande machtiging de verstandelijke beperking op de voorgrond heeft gestaan.

2.4

De enkele omstandigheid dat − naast de verstandelijke handicap die zonder twijfel tot het deskundigheidsterrein van een arts voor verstandelijk gehandicapten behoort – ook een andersoortige stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 1 Wet Bopz aanwezig is, maakt de arts voor verstandelijk gehandicapten nog niet onbevoegd om het onderzoek van een verstandelijk gehandicapte te verrichten dat ingevolge art. 16 en art. 5 Wet Bopz noodzakelijk is voor het afgeven van een geneeskundige verklaring: een stoornis met een bijkomstig karakter die niet aan het inleidend verzoek ten grondslag is gelegd, doet niet ter zake. Het gaat erom, welke stoornis aan het verzoek ten grondslag is gelegd. In rov. 3.4.4 van de beschikking van 1 september 2017, hiervoor aangehaald, heeft de Hoge Raad van belang geacht dat (de rechtbank in dat geval tot uitdrukking had gebracht dat) het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf mede berustte op (gevaar verband houdend met) de psychiatrische stoornis van de betrokkene. Met andere woorden: indien het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een rechterlijke machtiging geheel of mede berust op een stoornis van de geestvermogens die buiten het deskundigheidsterrein van een arts voor verstandelijk gehandicapten valt, is (ook) onderzoek door een psychiater vereist. Welke stoornis ‘leidend is’ – met andere woorden: of de verstandelijke handicap dan wel de schizofrenie als belangrijkste diagnose is aangekruist in het formulier – is in deze opvatting niet beslissend, zoals de steller van het middel op blz. 3 van het cassatierekest aanvoert: ook daarvoor is psychiatrische deskundigheid vereist.

2.5

In de JGZ-noot van B.J.M. Frederiks onder de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2017 wordt in punt 5 de vraag opgeworpen hoe de zinsnede “is mede een verklaring van een psychiater vereist” in rov. 3.4.3 moet worden opgevat: “Wordt daarmee bedoeld dat er twee verklaringen nodig zijn? Of volstaat een second opinion van een psychiater ook?”

2.6

Ik wil proberen een voorzet te geven voor beantwoording van die vraag. De arts voor verstandelijk gehandicapten die tot de slotsom komt dat de bij de patiënt aanwezige psychiatrische problematiek zijn deskundigheidsgebied te buiten gaat, kan een psychiater inschakelen als mede-onderzoeker of het onderzoek geheel aan een psychiater overdragen. De Hoge Raad overwoog aan het slot van rov. 3.4.3 dat in zo’n geval “mede” een verklaring van een psychiater is vereist. Naar vaste rechtspraak veronderstelt het in art. 5 Wet Bopz bedoelde onderzoek – behoudens in noodsituaties – een persoonlijk, voorafgaand onderzoek van de betrokkene door de specialist. Hieruit volgt naar mijn mening dat niet zozeer van belang is, op welke wijze het onderzoeksresultaat schriftelijk is weergegeven (in één gezamenlijke geneeskundige verklaring van de arts voor verstandelijk gehandicapten en de psychiater, ieder voor wat betreft zijn aandeel in het onderzoek, óf in twee afzonderlijke medische rapportages). Beslissend is of betrokkene ook door een psychiater persoonlijk is onderzocht indien de verzochte vrijheidsbeneming mede wordt gebaseerd op psychiatrische problematiek die het deskundigheidsterrein van de arts voor verstandelijk gehandicapten te buiten gaat. Het enkel door de arts collegiaal consulteren van een psychiater (het inwinnen van een second opinion zonder dat de geconsulteerde psychiater de patiënt persoonlijk onderzoekt) is in zo’n geval dus niet toereikend.

2.7

Het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie verwijst naar de overgelegde geneeskundige verklaring. In het onderhavige geval kan uit de geneeskundige verklaring niet worden opgemaakt dat enkel de verstandelijke beperking het te duchten gevaar doet veroorzaken. Zo is onder rubriek 3.a (symptomen, gedragingen en feiten waaruit de stoornis blijkt) vermeld:

“Betrokkene is bekend met een matige tot lichte verstandelijke beperking (…) en schizofrenie van het paranoïde type. (…) Vanwege zijn cognitieve beperking kan hij psychotisch decompenseren onder stress, maar dat is de laatste maanden niet meer voorgekomen. Hij is daarnaast bekend met impulsdoorbraken en agressie tegen medecliënten en begeleiders. (…) Hij past fysiek geweld vrij instrumenteel en met voorbedachten rade toe. De paranoïdie is hier debet aan.”

Onder rubriek 4.d (waarom zal gevaar ook na einde geldigheidsduur lopende machtiging aanwezig zijn?) is vermeld:

“De verstandelijke beperking, gedragsstoornissen en schizofrenie zijn stoornissen die gedurende het gehele leven van betrokkene aanwezig zullen blijven.”

2.8

Dan blijft nog de vraag, waar precies de grens ligt van het in de Nota n.a.v. het Verslag bedoelde “eigen deskundigheidsterrein” van de arts voor verstandelijk gehandicapten. Gelet op de omschrijving hiervan in de Wet BIG en in het Besluit geneeskunde voor verstandelijk gehandicapten, geeft de verwerping van het verweer dat ook onderzoek door een psychiater had moeten worden verricht, blijk van een onjuiste rechtsvatting omtrent de eisen die aan het onderzoek worden gesteld. De rechtbank verwijst naar een geneeskundige verklaring die ten grondslag heeft gelegen aan de voorgaande machtiging, uit april 2017, in combinatie met de constatering dat het bij schizofrenie gaat om een stoornis die “gedurende het gehele leven van de betrokkene zal blijven”. Voor zover de rechtbank hierbij voor ogen heeft gehad dat het inschakelen van een psychiater ditmaal achterwege kan blijven omdat een jaar geleden al deze onomkeerbare stoornis van de geestvermogens is vastgesteld, kan deze overweging de beslissing niet dragen. Art. 5 lid 1 in verbinding met art. 16 lid 2 Wet Bopz brengt immers mee dat het onderzoek met het oog op de aan te vragen rechterlijke machtiging “kort tevoren” moet hebben plaatsgevonden. Indien het wenselijk wordt geacht, de bevoegdheid van de arts voor verstandelijk gehandicapten uit te breiden tot het onderzoek naar andere stoornissen van de geestvermogens (dan de verstandelijke beperking) en het daaruit voortvloeiende gevaar, ligt het veeleer op de weg van de wetgever om daaromtrent een regeling te treffen.

2.9

Het voorgaande voert mij tot de gevolgtrekking dat de rechtbank met haar oordeel dat volstaan kon worden met de geneeskundige verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten, hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die worden gesteld aan het medisch onderzoek dat aan de verklaring ten grondslag ligt, hetzij haar oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Onderdeel I slaagt.

2.10

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank het in art. 19 Rv neergelegde beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door haar beslissing mede te baseren op de na afloop van de zitting nagezonden wettelijke aantekeningen zonder (de advocaat van) betrokkene in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren.

2.11

Zoals vermeld in de bestreden beschikking (op blz. 2), heeft de advocaat van betrokkene ter zitting aangevoerd dat de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz ontbreken en dat hij deze nog wil inzien. De rechtbank heeft in haar beschikking (blz. 1, onder ‘Procedure’ en op blz. 3) melding ervan gemaakt dat de bedoelde stukken zijn nagezonden (aan de rechtbank). Volgens het proces-verbaal (blz. 3) zou de rechtbank deze dan doorsturen aan de advocaat van betrokkene. De rechtbank heeft de nagezonden wettelijke aantekeningen uitdrukkelijk in haar beoordeling betrokken. Uit de bestreden beschikking noch uit de gedingstukken valt op te maken dat de advocaat van betrokkene in de gelegenheid is gesteld om op die stukken te reageren. Het moet daarom in cassatie ervoor worden gehouden dat die gelegenheid niet is geboden. De klacht dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

Een fax-kopie van het verzoekschrift tot cassatie is op 9 juli 2018 ter griffie ingekomen, op 12 juli 2018 gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

NJ 2017/338, JGZ 2017/11 m.nt. B.J.M. Frederiks.

Zie het proces-verbaal van 30 maart 2018, blz. 2.

In rov. 3.4.3 van HR 1 september 2017 lees ik geen andere rechtsopvatting.

Een psychiater is in ieder geval bevoegd, ook na de inwerkingtreding van (art. XV van) de Veegwet VWS 2013 (Stb. 2013, 560); zo volgt uit HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682, NJ 2018/242.

Zie onder meer: HR 21 juni 1996, NJ 1997/343 m.nt. J. de Boer; HR 21 februari 2003, NJ 2003/484 m.nt. J. de Boer, BJ 2003/20 m.nt. W. Dijkers; HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9228, NJ 2007/259 m.nt. J. Legemaate, BJ 2006/48.

Kamerstukken II, 2012/13, 33 507, nr. 6, blz. 14.

Uit prod. 7 bij het cassatierekest maak ik op dat de rechtbank de wettelijke aantekening op 3 april 2018 per fax heeft ontvangen, waarna de rechtbank op 9 april 2018 haar beschikking heeft gegeven.

Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1275, JGZ 2017/4 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature