E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:907
Parket bij de Hoge Raad, 17/00196

Inhoudsindicatie:

Discriminatieverbod; bijstand; gezamenlijke huishouding; verzorgingsbehoefte; (geen) bloedverwantschap.

Niet-huwelijks samenwonenden van wie één (verhuurder) de ander (invalide huurster) op basis van een PGB verzorgt. Strijd met art. 26 IVBPR door verschil in bijstandsnorm tussen (i) niet-huwelijks samenwonenden van wie één een zorgindicatie heeft (gehuwdenbijstand) en (ii) samenwonende tweedegraads bloedverwanten van wie één een zorgindicatie heeft (alleenstaandenbijstand)?

Feiten: de belanghebbende huurt een kamer van een niet-verwante huisgenoot (B). Zij is door herseninfarcten aangewezen op een rolstoel. B zorgt voor haar op basis van een zorgovereenkomst en wordt betaald uit een aan de belanghebbende toegekend PGB. Belanghebbendes bijstanduitkering is ingetrokken omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met B en diens inkomen (uit het PGB) hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden.

In geschil is of de belanghebbende als gehuwd moet gelden in de zin van art. 3(2)(a) Pw, dat als gehuwd c.q. als echtgenoot mede aanmerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding (art. 3(3) Pw) voert, tenzij het gaat om (i) een aan- of bloedverwant in de eerste graad of (ii) een tweedegraads bloedverwant waarbij één van hen een zorgbehoefte heeft. De belanghebbende meent dat art. 3(2)(a) Pw een door art. 26 IVBPR verboden onderscheid maakt tussen tweedegraads bloedverwanten met zorgbehoefte (die worden uitgezonderd van het gehuwden-begrip en hebben daarmee individuele aanspraak op bijstand naar de alleenstaandenorm) en andere niet-huwelijks samenwonenden van wie de een de ander verzorgt (die worden als gehuwd aangemerkt waardoor zij als ‘gezin’ slechts bijstand krijgen als hun gezamenlijke inkomen beneden de norm voor gehuwden blijft).

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard omdat haar geval voor art. 26 IVBPR niet gelijkgesteld kan worden met de in art. 3(2)(a) Pw omschreven uitzonderingen, nu de wetgever het onderscheid tussen met elkaar samenlevende bloedverwanten in de eerste graad en andere samenlevenden bewust en weloverwogen heeft gemaakt en een familieband de situatie anders maakt dan een geval zonder familieband.

De CRvB heeft belanghebbendes hogere beroep daartegen gegrond verklaard, overwegende dat de parlementaire geschiedenis van art. 3(2)(a) Pw geen rechtvaardiging biedt voor verschil in behandeling tussen tweedegraads bloedverwanten en andere ongehuwd samenwonenden als één van hen zorg behoeft; dat die wetgeschiedenis eerder het ontbreken van een rechtvaardiging aangeeft. De CRvB heeft art. 3(2)(a) Pw daarom in belanghebbendes geval wegens strijd met art. 26 IVBPR buiten toepassing gelaten voor zover de uitzondering van de gehuwdengelijkstelling bij zorgbehoefte is beperkt tot tweedegraads bloedverwanten.

B&W betogen in cassatie dat de wetsgeschiedenis laat zien dat de wetgever bloedverwanten in de tweede graad en andere niet-huwelijks samenwonenden met zorgbehoefte niet als gelijke gevallen zag. Zou de Hoge Raad desondanks menen dat zij vergelijkbaar zijn, dan ziet B&W een objectieve en redelijke rechtvaardiging in de argumenten van de amendement-indieners – voor de uitzondering voor tweedegraads bloedverwanten met zorgbehoefte – dat het om een kleine groep en om een "klemmend maatschappelijk probleem" gaat en de budgettaire gevolgen gering zijn. B&W menen overigens dat de CRvB de rechtsvormende taak van de rechter te buiten is gegaan door art. 3(2)(a) Pw buiten toepassing te laten; hij had het aan de wetgever moeten overlaten om een – wellicht andere – oplossing voor eventuele discriminatie te bieden.

A-G Wattel meent met de CRvB dat de wetsgeschiedenis geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid biedt. Op basis van het doel van de regeling en van het doel van de uitzondering(en) op de gehuwdengelijkstelling zijn de enige relevante criteria (i) de combinatie van gezamenlijke huishouding en zorgbehoefte en (ii) de afhankelijkheidsrelatie en zorgverplichting die wel tussen ouders en kinderen verondersteld kan worden, maar niet tussen broers en zussen. Het maatschappelijke probleem van een zorgindicatie ‘verblijf’ is even klemmend bij andere ongehuwd samenwonenden dan tweedegraads bloedverwanten en houdt trouwens geen verband met al dan niet samenwonen. Als voor het onderscheid geen relevante rechtvaardiging is aangevoerd, is een belangenafweging moeilijk uit te voeren. Het gaat bovendien om een – teleologisch dus irrelevant – onderscheid op basis van een verdacht criterium, nl. een aangeboren kenmerk (al dan niet ontbreken van tweedegraads bloedverwantschap). Dat betekent dat zelfs als relevante belangen zouden kunnen worden afgewogen, de margin of appreciation van de nationale wetgever, die als uitgangspunt wide is bij sociaal-economisch beleid, in casu niet zo ruim zou zijn dat elke keuze aanvaardbaar zou zijn die niet devoid of reasonable foundation is.

Mede gezien de eerste instemmende reactie van de regering, ligt de CRvB-uitspraak volgens de A-G niet buiten de rechtsvormende bevoegdheid van de rechter. Als het cassatieberoep van B&W ongegrond wordt verklaard, wordt evenmin enige wetgeverlijke herstelkoers doorkruist, nu de Staatssecretaris in zijn tweede reactie heeft verklaard het arrest af te wachten en zich dus kennelijk conformeert aan het oordeel van de rechter.

Het gaat volgens de A-G echter om een ongerechtvaardigd privilege voor tweedegraads bloedverwanten. Wisselende regeringen hebben steeds verklaard op het vlak van de sociale zekerheid geen rechtvaardiging te zien voor verschillende behandeling van samenwonende tweedegraads bloedverwanten en andere niet-huwelijks samenwonenden. Proliferatie van het privilege is dan een paard achter de wagen. Bovendien kan rechtsherstel door de rechter door buiten toepassing laten van de beperking tot boers en zussen tot ongelijkheid elders leiden. Mede gezien de Arbeidskostenforfait- en Bewindslieden-personenauto-arresten acht de A-G het daarom meer aangewezen dat de rechter bevestigt dat geen rechtvaardiging voor het onderscheid bestaat en de wetgever in de gelegenheid stelt een einde te maken aan het privilege (en daarbij nieuwe ongelijkheden te vermijden).

Conclusie: cassatieberoep gegrond; verstaan dat het discriminatie/privilegeverbod is geschonden.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie