E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:81
Parket bij de Hoge Raad, 16/03967

Inhoudsindicatie:

Het geschil ziet op de vraag of (een) belanghebbende (ook) recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling in bezwaar en beroep, indien het bedrag van de (eventuele) vergoeding, op grond van een ‘no cure no pay’-afspraak, gemaakt tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde, in ontvangst is genomen door de gemachtigde en door deze, geheel of gedeeltelijk, wordt behouden als vergoeding voor de verleende rechtsbijstand.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar eigenaar van een onroerende zaak gelegen te [Z]. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking de WOZ-waarde vastgesteld. Tevens is een aanslag in de onroerende-zaakbelasting opgelegd.

Na vergeefs bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij Rechtbank Rotterdam. Dit beroep is namens belanghebbende ingesteld door een gemachtigde, op grond van de door belanghebbende aan de gemachtigde, bij wege van overeenkomst, verstrekte machtiging. Deze behelst voor de honorering van de gemachtigde enige vorm van ‘no cure no pay’ afspraak. In de machtiging is overeengekomen dat belanghebbende zijn gevolmachtigde procesvertegenwoordiger machtigt om een vergoeding voor de geleden processchade, immateriële schade en proceskosten, voor hem op rekening van de gevolmachtigde te ontvangen.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar heeft belanghebbendes verzoek om schadevergoeding, wegens overschrijding van de redelijke termijn, toegewezen. De Heffingsambtenaar heeft hierom tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft zowel de Heffingsambtenaar als de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar, respectievelijk in beroep, geleden immateriële schade, beide voor een bedrag van € 500.

Thans komt het College, onder aanvoering van één middel, in cassatie op tegen de Hofuitspraak. De door het College in cassatie aangevoerde klachten houden het volgende in:

- (i) Er is geen sprake van spanning en frustratie bij belanghebbende, omdat de vergoeding toekomt aan een ‘no cure no pay’-proceskostenbureau.

- (ii) Een dergelijke aan een belanghebbende toekomende vergoeding kan niet, bij overeenkomst, worden overgedragen, wegens strijd met artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek .

- (iii) Er is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in casu niet een dergelijke vergoeding hoeft te worden verstrekt.

De A-G constateert dat het in casu niet gaat om cessie of overdracht van een recht op schadevergoeding, maar om het in ontvangst nemen van het bedrag van de aan belanghebbende toegekende schadevergoeding door de gemachtigde, als vertegenwoordiger van belanghebbende. Daarover merkt de A-G op dat het aan belanghebbende en zijn gemachtigde is om afspraken te maken over de berekening van het honorarium van de gemachtigde en de wijze van uitbetaling. Voor zover hier van belang, hadden partijen ook kunnen afspreken dat toegekende vergoedingen eerst zouden worden uitbetaald aan belanghebbende, waarna deze die vergoedingen in betaling voor verrichte diensten zou overmaken aan de gemachtigde. Volgens de A-G is het niet zo dat het ontstaan van het recht op schadevergoeding afhankelijk kan zijn van de wijze van uitbetaling. De aanwending van de vergoeding neemt niet weg dat een bestuursorgaan of rechter te laat heeft beslist.

Verder wijst de A-G erop dat de grondslag van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, is gelegen in de door een belanghebbende doorstane (veronderstelde) spanning en frustratie wegens de te lange duur van het geschil over de ten aanzien van belanghebbende juiste belastingheffing. In casu was de inzet van bezwaar en beroep, de waardevaststelling van de woning van belanghebbende en de verder daaraan verbonden fiscale gevolgen. De uitkomst van dit geschil ging, wat er ook zij van de inhoud van de volmacht, belanghebbende zelf aan en niet zijn gemachtigde.

Het kan volgens de A-G wel zijn dat een ‘no cure no pay’ afspraak voorkomt dat een belanghebbende ook nog gaat tobben over de te verwachten rekening van zijn gemachtigde, maar de A-G vermag niet in te zien dat door een ‘no cure no pay’ afspraak een einde zou kunnen komen aan spanning en frustratie die een belanghebbende geacht kan worden te hebben omtrent de uitkomst van zijn fiscale geschil.

De A-G meent dat een in een overeenkomst tussen een belanghebbende en zijn gemachtigde gemaakte ‘no cure no pay’-afspraak, onverlet laat dat het in de relatie tussen enerzijds het bestuur en de rechter en anderzijds de belanghebbende, zo blijft dat het de belanghebbende is aan wie recht toekomt op vergoeding van proceskosten en overige (immateriële) schade. Het karakter van dit recht kan volgens de A-G niet wijzigen vanwege contractuele afspraken tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde over uitbetaling of aanwending van het bedrag van de schadevergoeding.

Van bijzondere omstandigheden die in casu aan schadevergoeding in de weg zouden staan, is volgens de A-G niet gebleken.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie