< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. Deelneming aan terroristische organisatie. Verlenen van geldelijke steun voldoende?

Van deelneming aan een organisatie a.b.i. de art. 140 en 140a Sr kan slechts sprake zijn indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 en ECLI:NL:HR:2012:BW5161). De opvatting dat het eerste vereiste voor deelneming aan een organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr (het behoren tot het samenwerkingsverband) niet geldt voor de in lid 4 resp. lid 3 van de bepalingen omschreven gedraging van het verlenen van geldelijke steun, zodat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr deelneming aan die organisatie oplevert, is onjuist. I.c. geeft ’s Hofs oordeel dat uit de gedragingen van verdachte niet z.m. kan worden afgeleid dat zij behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Overige opm.: de in art. 140.4 en art. 140a.3 Sr omschreven gedragingen zullen veelal kunnen worden gerangschikt onder andere delictsomschrijvingen, zoals art. 289a.2 of art. 421 Sr.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 16/01963

Zitting: 20 december 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 8 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977 , meermalen gepleegd ”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met de aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr, waarvan elf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De verdachte is vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde – kort gezegd – (medeplegen van) deelneming aan (een) terroristische organisatie(s) en (medeplegen van) deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie.

2. Namens het openbaar ministerie en de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld.

3. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 19 mei 2016 aan de verdachte betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

4. Namens het openbaar ministerie is één middel van cassatie voorgesteld. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

5. Het middel richt zich tegen de vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

6. Aan de verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat:

1:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 maart 2010 te Amsterdam, althans op een of meer plaatsen in Nederland, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Turkije en/of Pakistan tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet op de wijze zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht ) aan een of meer organisatie(s), te weten de IJU (Islamic Jihad Union/ Islamic Jihad Group) en/of de DTM (Deutsche Taliban Mujahideen), die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

- het voorhanden hebben en/of overdragen van een of meer wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of 5 van de Wet wapens en munitie) en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht ), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht ) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van eerder vermelde misdrijven;

2:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 maart 2010 te Amsterdam, althans op een of meer plaatsen in Nederland, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Turkije en/of Pakistan, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten de IJU (Islamic Jihad Union/Islamic Jihad Group), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 jo artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 198/2008 van de Commissie van 3 maart 2008.”

7. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“6. Vrijspraak

6.1 Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

6.1.1 Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- de verdachte had de volle wetenschap van het terroristisch oogmerk van de organisaties van Manavbasi, DTM en IJU.

- de verklaringen van de verdachte dat zij van niets afwist zijn ongeloofwaardig, nu zij blijkens de bij haar thuis aangetroffen spullen en bezochte internetadressen zeer uitvoerig in de materie van de gewapende strijd is gedoken;

- de verdacht heeft willens en wetens geld geworven en (middels vier money transfers via Western Union) gedoneerd en heeft daarmee in juridische zin deelgenomen aan de organisaties IJU en DTM.

6.1.2 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, nu:

- primair niet kan worden vastgesteld dat de door de verdachte overgemaakte bedragen door de tussenpersonen zijn doorgestuurd en ook niet dat deze bedragen vervolgens daadwerkelijk zijn ontvangen door de IJU en/of de DTM;

- subsidiair de verdachte geen (terroristisch) oogmerk heeft gehad zoals dat is vereist voor deelname aan een criminele c.q. terroristische organisatie.

De verdediging concludeert dat hetgeen over de verdachte bekend is in het dossier haar geen strafbare deelnemer maakt en verzoekt het hof derhalve om de verdachte vrij te spreken.

6.1.3 Beoordeling door het hof

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte (opzettelijk) heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit bestendige jurisprudentie volgt dat er voor deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie twee vereisten gelden. 1) De verdachte dient lid te zijn van of te behoren tot het gestructureerde samenwerkingsverband.

2) Voorts dient de verdachte een aandeel te hebben in gedragingen, dan wel gedragingen te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

Bij de invoering van de Wet Terrorismebestrijding is een vierde lid aan artikel 140 Sr toegevoegd, ingegeven door het streven de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan terroristische organisaties scherper te markeren. Het derde lid van artikel 140a Sr verklaart deze toevoeging van overeenkomstige toepassing. De toevoeging luidt als volgt:

Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

Dit artikellid beoogde een verduidelijking te zijn van het begrip deelneming, maar voegde daar overigens niets aan toe en deed daar niets aan af. Aan de hierboven genoemde twee vereisten dient derhalve te worden voldaan.

Voor wat betreft het voornoemde eerste vereiste merkt het hof op dat de verdachte, om onder het bereik van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht te vallen, lid moet zijn geweest van of hebben behoord tot het betreffende duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. De verdachte heeft weliswaar in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand veel interesse gehad in en onderzoek gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties, wier gedachtengoed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij lid was van of behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM. Zij heeft naar het oordeel van het hof als buitenstaander geld opgestuurd naar tussenpersonen die waren verbonden aan deze organisaties.

Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde deelneming aan een of meerdere terroristische organisaties en het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

6.2 Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het hiervoor onder 6.1.3 overwogene volgt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte lid was van of deel heeft uitgemaakt van de IJU. Daar vloeit uit voort dat evenmin bewezen kan worden de deelneming van de verdachte aan de voortzetting van de verboden organisatie IJU, zoals onder 2 ten laste gelegd. Derhalve zal het hof de verdachte eveneens vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.”

8. Art. 140 Sr luidt:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd. 4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”

Art 140a Sr luidt:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of gelboete van de vijfde categorie.

2. Oprichters, leiders, of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing. ”

9. In deze zaak staat de betekenis van het begrip deelneming, in het bijzonder in verhouding met het vierde lid van art. 140 Sr centraal. De Hoge Raad oordeelde dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr slechts sprake kan zijn “indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.”

10. In het criterium van de Hoge Raad zijn de betrokkenheid bij het samenwerkingsverband enerzijds en het hebben van een aandeel in of ondersteunen van dat verband anderzijds twee nevengeschikte vereisten. De betrokkenheid bij het samenwerkingsverband drukt een soort lidmaatschapsvereiste uit. Het gaat uiteraard niet zonder meer om de vereisten die voor een lidmaatschap van een vereniging gebruikelijk zijn, maar louter sympathiseren met het samenwerkingsverband wordt niet gezien als toereikend voor het oordeel dat er sprake is van deelneming. Het hebben van een aandeel of het ondersteunen wordt wel aangemerkt als het gedragsvereiste. Er moet sprake zijn van enige naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Een ‘lidmaatschap’ dat louter passief is, zal niet zonder meer deelneming opleveren.

11. Hoewel er sprake is van twee nevengeschikte vereisten kunnen deze feitelijk fungeren als communicerende vaten. Uit een zeer actief aandeel of zeer actieve steun (gedragsvereiste) kan immers in het algemeen afgeleid worden dat er sprake is van betrokkenheid bij het samenwerkingsverband (lidmaatschapsvereiste). Anders gezegd het aandeel of de steun kan van een zodanig gewicht zijn dat daarmee tevens de betrokkenheid vast staat. In de onderhavige zaak beperkt de tenlastelegging het samenwerkingsverband tot de IJU (feit 1 en 2) en de DTM (feit 1). Die beperking betekent dat dus verder buiten beschouwing moet blijven of er een (kleiner) verband kan worden bewezen bestaande uit een of meer (natuurlijke) personen aan wie de giften van verdachte ten goede zijn gekomen.

12. De onderhavige zaak spitst zich toe op de betekenis van het vierde lid van art. 140 Sr. Het derde lid van art. 140a Sr verklaart dit lid van overeenkomstige toepassing. Voor de bewezenverklaring van feit 1 is art. 140, vierde lid, Sr derhalve zonder meer van belang. De bewoordingen van de wet beperken het vierde lid tot deelneming als omschreven in het eerste lid. Deelneming aan de voortzetting als bedoeld in het tweede lid wordt niet met zoveel woorden vermeld. Over de vraag of het vierde lid van art. 140 Sr van toepassing is op het tweede lid heeft het hof zich in het bestreden arrest niet uitgelaten, terwijl de rechtbank in eerste aanleg uitdrukkelijk heeft geoordeeld tot toepasselijkheid. Dat oordeel van de rechtbank lijkt mij onder meer op systematische gronden juist.

13. Omdat in deze zaak vast staat dat verdachte geldelijke steun (een al dan niet religieus geïnspireerde donatie) heeft verleend, gaat het hier nu in het bijzonder om de vraag of dat op zich zelf reeds voldoende is/kan zijn voor deelneming of dat daarenboven de betrokkenheid bij het samenwerkingsverband nog een afzonderlijk vereiste is. De steller van het middel meent allereerst dat “reeds het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie kan worden aangemerkt als deelneming, als bedoeld in die artikelen” (bedoeld is: art. 140 en 140a Sr; PV).

14. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar enkele passages in de wetsgeschiedenis. Ik meen te kunnen volstaan met verwijzing naar die passages in een noot. De steller van het middel sluit de citaten uit de parlementaire stukken af met twee constateringen: “Uit de hier vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever van oordeel was dat het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie al snel kan worden aangemerkt als deelneming in de zin van art. 140a Sr” (schriftuur p. 8) en “Uit het hiervoor aangehaalde wordt duidelijk dat de wetgever nog steeds van oordeel is dat financiering van een terroristische organisatie ook strafbaar is als deelneming aan een dergelijke organisatie als bedoeld in art. 140a Sr” (schriftuur p. 9).

15. De door de steller van het middel getrokken conclusies zijn mijns inziens beide juist. Uit die conclusies vloeit echter bepaald niet zonder meer voort dat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie kan worden aangemerkt als deelneming. Voor zover de steller de rechtsklacht dus stoelt op de door hem uit de wetsgeschiedenis getrokken conclusies, faalt het middel reeds nu die conclusies niet leiden tot de slotsom dat geldelijke steun aan een terroristische organisatie reeds op zich zelf is aan te merken als deelneming aan die organisatie. Het hof heeft – om het zo te zeggen – overwogen dat de wetsgeschiedenis in tegenovergestelde richting wijst: er is met de toevoeging van het vierde lid aan art. 140 Sr een verduidelijking beoogd van het begrip deelneming, maar de wijziging deed overigens aan het begrip deelneming niets af en niets toe. Dat standpunt nam het hof reeds in in de zogenaamde Hofstadzaken. Dit punt kwam in die zaken niet uitdrukkelijk ter toetsing van de Hoge Raad, maar ik zal aan de hand van de wetsgeschiedenis toelichten dat het standpunt van het hof juist is.

16. Uit de toelichting op de Nota van wijziging, waarin de minister voorstelde het huidige vierde lid aan art. 140 Sr toe te voegen, volgt dat daarmee uitvoering werd gegeven aan het voornemen, zoals geuit in een notitie van 5 november 2002, om op het niveau van de wet de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan om het even welke terroristische organisaties scherper te markeren, hetgeen kon worden bereikt door het begrip ‘deelneming’ in art. 140a Sr nader te verduidelijken door te bepalen dat daaronder mede wordt verstaan het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. Uitgangspunt was een wijziging van art. 140 Sr, waar in het voorgestelde art. 140a Sr naar werd verwezen. Daarbij is aangetekend dat de voorgestelde begripsomschrijving geenszins een beperking van het begrip deelneming inhoudt, zoals ook uit de tekst (‘mede begrepen’) voortvloeit, doch slechts een verduidelijking. Voorts wordt in de nota naar aanleiding van het verslag opgemerkt dat de omstandigheid dat in de (eerste) Nota van wijziging een nadere verduidelijking van het begrip deelnemen in art. 140 Sr is opgenomen, niet impliceert dat de daardoor bestreken gedragingen voordien niet onder het bestanddeel ‘deelneming’ vielen. De toevoeging van deze begripsbepaling aan art. 140 Sr heeft slechts de strekking nader te verduidelijken dat deze gedragingen ook onder het bestanddeel deelneming vallen. Tijdens de (voortzetting van de) mondelinge behandeling merkte de minister nog op dat financiering van terroristische organisaties al snel als deelneming daaraan kan worden gezien en dat dit daarom ‘geldt’ als vierde lid van artikel 14 0. Ook deze uitlating wijst in de richting dat financiering niet zonder meer deelneming oplevert.

17. Dat door de toevoeging van het derde lid van art. 140a Sr en het vierde lid van artikel 140 Sr niet is beoogd te breken met de rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip deelneming, valt voorts nog te illustreren aan de hand van de gang van zaken betreffende een motie van het kamerlid Albayrak. Het amendement strekte ertoe de toevoeging van lid 4 aan art. 140 Sr en lid 3 aan art. 140a Sr, zoals voorgesteld in de Nota van wijziging, ongedaan te maken. De toelichting op het amendement luidt als volgt:

“Dit amendement beoogt de duidelijkheid die de Hoge Raad heeft gecreëerd ten aanzien van het deelnemen aan een criminele organisatie in stand te houden. De verwijzing in artikel 140a lid 3 naar lid 4 van artikel 140 kan de indruk wekken dat er een uitzondering wordt beoogd op de door de Hoge Raad geformuleerde eisen van deelneming aan een criminele organisatie die luiden 1) dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en 2) dat de deelnemer een aandeel moet hebben in of ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de organisatie. Aangezien het genoemde lid slechts verwarring schept is het overbodig en onwenselijk.”

18. Minister Donner ontraadde het amendement, terwijl hij de strekking ervan bepaald niet weerspreekt. Hij merkte op: “Juist door het amenderen wordt er gesuggereerd dat er iets anders is bedoeld dan de Hoge Raad tot nu toe in de bepaling leest.” In het midden kan blijven of juist is dat het amendement voor de kennelijk door minister Donner gevreesde verwarring zou zorgen. Duidelijk is dat niet is beoogd met de voorstellen uit de Nota van wijziging af te wijken van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad.

19. Het in de schriftuur verdedigde standpunt dat financiële steun reeds zonder meer voldoende is voor deelneming heb ik in de literatuur niet aangetroffen, maar veeleer (soms expliciet) het tegendeel. De opvatting van de steller van het middel dat (uit de wetsgeschiedenis volgt dat) reeds het verlenen van geldelijke steun strafbaar is als deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr en aldus een uitzondering is beoogd op de door de Hoge Raad geformuleerde eisen van deelneming, deel ik niet. Het hof heeft de juiste maatstaf aangelegd, zodat het oordeel van het hof niet op een onjuiste rechtsopvatting berust.

20. De steller van het middel formuleert vervolgens nog een andere rechtsklacht. Indien er vanuit wordt gegaan dat het hof het juiste criterium voor deelneming heeft toegepast, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting nu te hoge eisen zijn gesteld aan de bewezenverklaring van deelneming, aldus de steller van het middel. Hierboven heb ik al betoogd dat het hof het juiste, aan de rechtspraak van de Hoge Raad ontleende criterium voor deelneming heeft voorop gesteld. Ik begrijp de klacht – die mij geen (zuivere) rechtsklacht lijkt – zo dat het criterium verkeerd is toegepast nu het in 14 maanden vier maal geldelijke steun verlenen aan een terroristische organisatie deelneming oplevert, omdat een structurele bijdrage is geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk van die terroristische organisatie.

21. Hierboven wees ik er al dat op dat de deelname of steun (gedragsvereiste) mijns inziens zodanig gewicht kan hebben dat daaruit ook de betrokkenheid (lidmaatschapsvereiste) blijkt. Inderdaad kan met de steller van het middel aangenomen worden dat een structurele bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie een sterke aanwijzing oplevert voor voldoende betrokkenheid zodat de slotsom deelneming aan die organisatie kan zijn. Wanneer daarvan sprake is zal echter van geval tot geval moeten worden beoordeeld en is dus volledig afhankelijk van de omstandigheden van het dat geval. Ik illustreer dat aan de hand van arresten uit de Hofstadzaak: HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132, BW5136, BW5161 en BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Buruma.

22. In deze arresten worden voor het geval de verdachte behoort tot de organisatie en in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en terroristische misdrijven, handelingen opgesomd die in elke geval deelnemingshandelingen zijn omdat deze onder die omstandigheden moeten worden beschouwd als een aandeel in, dan wel ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Ik herhaal die lijst met handelingen hier niet, maar stel vast dat financiële steun aan een terroristische organisatie niet wordt genoemd. Ik citeer nu eerst voor de verschillende gevallen de vaststellingen op grond van de bewijsmiddelen die wel (BW5136 en BW5178) respectievelijk niet (BW5132 en BW5161) voldoende werden geacht voor deelneming aan een terroristische organisatie:

(BW5136)

- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij de gewelddadige jihad werd gepropageerd en het martelaarschap werd verheerlijkt, waarbij werd opgeroepen om ongelovigen te haten, en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop zelfmoordaanslagen en liquidaties te zien zijn;

- geschriften heeft verzameld, met anderen heeft besproken en/of heeft geciteerd waarin verzet en/of geweld tegen de democratie en het omverwerpen van tot de democratische rechtsorde behorende structuren wordt gepropageerd;

- pogingen heeft ondernomen om anderen voor de jihad te werven;

- in chatgesprekken heeft gesproken over de noodzaak met name genoemde politici te slachten, en in zulke chatgesprekken anderen heeft opgeroepen om een training in Afghanistan en Pakistan te volgen zoals hijzelf had gedaan;

- zich verheugd heeft betoond bij het vooruitzicht politieambtenaren, ministers, soldaten en officieren te mogen afslachten, en heeft laten weten nog heel wat mensen op zijn dodenlijstje te hebben.”

(BW5178)

- “met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond;

- zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen;

- actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld ‘How to catch a wolf’, waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen.”

(BW5132)

- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken;

- zich tijdens zulke bijeenkomsten en ook overigens heeft ingespannen om het door hem aangehangen gedachtegoed betreffende de islam en de verspreiding daarvan op anderen over te brengen;

- tijdens zulke bijeenkomsten om geld heeft gevraagd ter ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten;

- voorts heeft het Hof vastgesteld dat in het pand dat de verdachte tezamen met anderen bewoonde documenten en beeldmateriaal aanwezig was met betrekking tot de gewelddadige jihad.”

(BW5161)

- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien zijn;

- geschriften heeft verzameld en documenten van internet heeft gedownload met betrekking tot de gewelddadige jihad;

- aan elektronisch berichtenverkeer heeft deelgenomen waarin die gewelddadige jihad wordt gepropageerd; en ook

- beeldmateriaal en vlaggen heeft verzameld die met de gewelddadige jihad in verband te brengen zijn.”

23. In beide laatste gevallen zijn er wel aanwijzingen in de richting van deelname en ondersteuning zoals het bijwonen van de genoemde bijeenkomsten. In BW5132 wordt onder meer het werven van geldelijke steun genoemd. De steller van het middel wijst er op dat de vergelijking die het hof met deze vaststelling in BW5132 maakt, mank gaat. Ik ga er hier maar vanuit dat het hof een vergelijking heeft gemaakt, maar wijs er overigens op dat mij daarvan niet is gebleken. Inderdaad gaat het in BW5132 niet om geldelijke steun aan de organisatie, maar het geld is bestemd voor ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten. Dat het hof voor het verschil geen oog heeft gehad, zie ik niet in. In BW5161 valt op dat het nader omschreven downloaden en e-mailen onvoldoende is. Het gedrag van verdachte in de onderhavige zaak is daarmee min of meer vergelijkbaar.

24. Het komt mij gelet op deze rechtspraak voor dat de beslissing van het hof om het viermaal in veertien maanden verlenen van financiële steun niet aan te merken als deelneming aan een terroristische organisatie niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Het is mede afhankelijk van feiten en omstandigheden waaronder de hoogte van donatie die het hof overigens bij de motivering van de vrijspraak niet met zoveel woorden heeft genoemd.

25. Het laatste klachtonderdeel betreft de begrijpelijkheid van de vrijspraak door het hof in het licht van de vaststellingen van het hof in het kader van het derde feit. Er is inderdaad vrijgesproken van deelneming al dan niet op de wijze zoals bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr en dus ook van deelneming in mogelijk andere vormen van deelname en ondersteuning dan financiële steun. Het hof heeft bij de vrijspraak in aanmerking genomen dat verdachte in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand veel interesse heeft gehad in en onderzoek heeft gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties, wier gedachtengoed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen. Het komt mij voor dat het hof hiermee te kennen heeft gegeven wel degelijk ook rekening te hebben gehouden met hetgeen in het kader van het derde feit uitdrukkelijk en met zoveel woorden is vastgesteld. Dat het hof die interesse en dat onderzoek echter niet van voldoende gewicht heeft geoordeeld om het aan te merken als deelneming aan een criminele organisatie acht ik mede in het licht van de hierboven al besproken rechtspraak in de Hofstadzaak niet onbegrijpelijk.

26. Het middel faalt.

27. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep en dat het beroep van het openbaar ministerie wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:GHDHA:2016:586. Zie voor de beslissing in eerste aanleg: rechtbank Rotterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5254.

Het criterium werd reeds gebruikt in een niet gepubliceerd arrest in de bekende Mariënburchtzaak. Zie de noot van Corstens onder 6.5 bij HR 16 oktober 1990, NJ 1991/442. Zie voorts onder meer HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Buruma, HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21 en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225.

Zie uitgebreid A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr , Nijmegen 2011, p. 53-77.

M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, Arnhem 1995, p.56/57.

Het financieren van terrorisme is zelfstandig strafbaar gesteld in art. 421 Sr.

Kamerstukken II, 2002/03, 28666, nr. 1, p. 6, Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 6, p.12, Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 7, Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 10, p. 9/10 en 19/20, Handelingen II, 4 december 2003, 33-2343, Kamerstukken II, 2012/13, 33478, nr. 3, p. 1, 3 en 7 en Kamerstukken II, 2012/13, 33478, n.6, p. 10.

Zie HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Buruma waarin de overweging van het hof wordt geciteerd.

Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 7. Het heeft er alles van weg dat het amendement is geïnspireerd door de bijdrage van Buruma tijdens een hoorzitting van de Tweede Kamer. Zie Kamerstukken II, 2003/04, 28463, nr. 29. Vgl. ook Y. Buruma en E.R. Muller, Wet terroristische misdrijven in perspectief, NJB 2003, p. 2138-2145.

Kamerstukken II, 2002/03, 28666, nr. 1.

Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 10, p. 19-20.

Handelingen II, 2003-2004, 33-2343.

Kamerstukken II, 2002/03, 28463, nr. 18.

Handelingen II, 2003-2004, 33-2343. Vgl. ook idem 33-2351 waarin de minister opmerkt dat de reikwijdte van deelneming wordt verduidelijkt.

J.M. Lintz, De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht, Nijmegen 2007, p. 184, M.M. Dolman, Boekbespreking J.M. Lintz. De plaats van de wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht, DD 2008/27, A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr , Nijmegen 2011, p. 76, J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer 2015, p. 441 en J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 3 bij art. 140 Sr (bijgewerkt tot 1 september 2004).

Deze benadering past niet naadloos in de door de Hoge raad gekozen bewoordingen. De Hoge Raad spreekt immers over handelingen voor het geval de verdachte tot een organisatie behoort. Dat lijkt er op te duiden dat eerst moet worden vastgesteld dat verdachte tot een organisatie behoort.

Zie ook K. Veegens, Het 10-jarig bestaan van de Wet Terroristische misdrijven, Stand van zaken in de jurisprudentie, DD 2014/31.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature