E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2015:2304
Parket bij de Hoge Raad, 15/03090

Inhoudsindicatie:

Verlenging van de eenmalige crisisheffing. Biedt art. 32bd Wet LB voldoende wettelijke basis? Schendt de terugwerkende kracht van de verlenging van de eenmalige crisisheffing art. 1 Protocol I EVRM? Zo ja, welk rechtsherstel? Schending van het gelijkheidsbeginsel?

Feiten: De belanghebbende houdt zich bezig met consultancy en markt- en opinieonderzoek. Zij heeft in 2013 aan twee van haar werknemers een loon van meer dan € 150.000 betaald, dat in beide gevallen deels bestaat uit een bonus op basis van begin 2012 afgesproken targets en deels uit regulier loon. Aan een van de twee medewerkers is in 2013 bovendien uitbetaald op basis van een (virtueel) aandelenplan. Op de loonaangifte maart 2014 heeft de belanghebbende € 41.302 aan crisisheffing afgedragen over in 2013 uitbetaald loon.

De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze afdracht en heeft de Inspecteur verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan Rechtbank Noord-Holland. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hof Amsterdam heeft (met verwijzing naar zijn oordeel in belanghebbendes hoger beroep over de eerste eenmalige crisisheffing) geoordeeld dat de crisisheffing weliswaar een atypisch element uitmaakt van de loonbelasting, maar dat de heffing wel wettelijke basis heeft. Ad art. 1 Protocol I EVRM heeft het Hof (eveneens met verwijzing naar zijn eerdere uitspraak) geoordeeld dat de verlenging van de eenmalige crisisheffing in overeenstemming is met het nationale recht, op proportionele wijze een legitiem doel dient en dat maatstafbepaling aan de hand van het in een voorafgaand kalenderjaar genoten loon, mogelijk leidende tot heffing over feiten die liggen vóór een tijdstip waarop de betrokkenen konden voorzien dat die feiten tot belastingheffing zou leiden ̶ gelet op de ernstige budgettaire problemen ̶ de balance niet alsnog unfair maakt. Het Hof ziet ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep ongegrond verklaard.

De belanghebbende betoogt in cassatie dat art. 32bd Wet LB onvoldoende basis biedt voor de verlengde crisisheffing en dat die in strijd is met art. 1 Protocol I EVRM omdat zij niet voldoet aan het vereiste van lawfulness, willekeurig uitpakt, door haar terugwerkende kracht niet foreseeable is in haar toepassing en geen legitimate aim heeft omdat een budgettaire rechtvaardiging onvoldoende is om een dergelijke ingrijpende maatregel te rechtvaardigen. Bovendien meent belanghebbende dat het eigendomsrecht is geschonden omdat de tweede crisisheffing ̶ in weerwil van eerdere toezeggingen ̶ ingevoerd is met terugwerkende kracht. Deze terugwerkende kracht kan volgens haar niet gerechtvaardigd worden op grond van budgettaire argumenten. Er is geen fair balance geslagen tussen het individuele en het algemene belang. Ten slotte beroept de belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel.

A-G Wattel wijst op de volgende verschillen tussen de eerste eenmalige crisisheffing en haar eenmalige verlenging: (i) bij de eerste crisisheffing is de terugwerkende kracht nog wel ter sprake gebracht door de Eerste Kamer, maar door de regering ontkend, terwijl de terugwerkende kracht van de tweede crisisheffing door de (mede)wetgever wezenlijk is genegeerd, (ii) de terugwerkende kracht van de verlenging schond niet slechts de gerechtvaardigde algemene verwachting van burgers dat niet onvoorzienbaar terugwerkend belasting zal worden geheven over voorbije tijdvakken, maar ook nog twee concrete en specifiek voor deze belastingplichtigen geldende gerechtvaardigde verwachtingen, nl. die gebaseerd op een wettelijke horizonbepaling en die gebaseerd op de aankondiging van regeringswege dat de heffing niet verlengd werd, en (iii) de voorzienbaarheidsdatum van de verlenging lag (daardoor) later (17 september) dan die van de eerste eenmalige crisisheffing (25 mei). Volgens hem is de tweede eenmalige crisisheffing pas op Prinsjesdag 17 september 2013 voldoende aangekondigd en voldoende voorzienbaar geworden in de zin van de EHRM-rechtspraak om als voldoende aangekondigd te gelden.

Doordat de wetgever is voorbijgegaan aan de terugwerkende kracht van de tweede eenmalige crisisheffing is geen rechtvaardiging gegeven voor die – ruim voorbij het aankondigingstijdstip – terugwerkende kracht, laat staan een obvious and compelling reason (EHRM A.,B.,C., and D. v UK) c.q. een specific and compelling reason (EHRM N.K.M. v Hungary, Gáll v Hungary en R.Sz. v Hungary). Daardoor heeft geen afweging plaatsgevonden van enig algemeen belang bij die onvoorzienbaar terugwerkende kracht tegenover de ‘impact’ van die terugwerking ‘on the position’ van de belanghebbende, zodat volgens de A-G sprake is van “an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1” in de zin van EHRM M.A. a.o. v. Finland en van schending van de in N.K.M. v Hungary, Gáll v Hungary en R.Sz. v Hungary door het EHRM gestelde eis dat ‘those who act in good faith on the basis of law should not be frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’.

A-G Wattel constateert dat het EHRM nog nooit onvoorzienbaar terugwerkende belastingheffing aanvaard heeft ten laste van belanghebbenden te goeder trouw die niets met gekunsteld antifiscaal gedrag te maken hadden en niets van dien aard hoefden te verwachten. Het EHRM heeft daarentegen onvoorzien terugwerkende belastingheffing op algemeen budgettaire gronden afgewezen in twee (à vier) gevallen.

De veronderstelling dat het louter budgettaire belang bij de crisisheffing ook moet gelden voor de onvoorzienbaar terugwerkende kracht van de verlenging van deze crisisheffing leidt zijns inziens dan ook tot niets, nu het algemene belang bij belastingopbrengst geen specific and compelling reason is voor onvoorzienbare terugwerkende kracht en overigens het budgettaire belang bij het zeer beperkte deel van de verlengde crisisheffing dat in strijd met art. 1 Protocol 1 EVRM is geheven, verwaarloosbaar is bij afweging tegen de financiële ‘impact’ voor de door die onvoorzienbaar terugwerkende heffing getroffen rechthebbenden op ongestoord genot van eigendom.

Nu volgens art. 93 en 94 van de Grondwet de Nederlandse wet slechts buiten toepassing dient te blijven voor zover deze onverenigbaar is met rechtstreeks werkend volkenrecht, meent de A-G dat rechtsherstel ter zake van de terugwerkende kracht betekent dat niet kan worden geheven over het deel van het loon dat vóór 17 september 2013 reeds de € 150.000 overschreed, maar wel over het loondeel boven € 150.000 voor zover het na 17 september 2013 werd genoten.

Conclusie: Middelen 1, 2, 3, 5 en 6 verwerpen, middel 4 gegrond verklaren en de zaak verwijzen ter zake van de berekening van het te bieden rechtsherstel.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie