< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden. Art. 14e.1 Sr. Een rechtelijke uitspraak mag in de regel pas tenuitvoergelegd worden nadat zij onherroepelijk is geworden en de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel m.b.t. de dadelijke uitvoerbaarheid van de o.g.v. art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het o.g.v. art. 14d Sr uit te oefenen toezicht kan – ook volgens de wetsgeschiedenis – voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. Het Hof heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bevolen “gezien het belang van het slachtoffer bij een contact- en locatieverbod en gelet op het belang dat zowel de verdachte als de samenleving heeft bij behandeling, uit het oogpunt van het terugdringen van recidivegevaar”. Door aldus te overwegen heeft het Hof zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 13/05630

Mr. Vegter

Zitting 3 februari 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 14 november 2013 de verdachte ter zake van 1. “verkrachting”, 2. “poging tot zware mishandeling” en 4. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden is de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Voorts heeft het Hof een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij alsmede een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 4 en behelst de klacht dat het Hof het verweer “dat de verdachte nimmer bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ten gevolge van zijn handelingen een ruit zou worden vernield” onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 21 juni 2011 en/of 22 juni 2011 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte meermalen met kracht zijn penis in de anus van [slachtoffer] gebracht en vervolgens heen en weer bewogen terwijl [slachtoffer] aan het huilen was en meermalen heeft gezegd: "ik wil dit niet", bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte - tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Het maakt niet uit, ik draai je nek toch wel om" en "Denk je dat dit je gaat helpen? je hebt tot 00.45 uur" en "voor elk dom ding dat je zegt, krijg je een blauwe plek" en - meermalen met een Ieren broekriem op de knie van [slachtoffer] heeft geslagen en - op het hoofd en de nek van [slachtoffer] is gaan staan, terwijl [slachtoffer] op bed lag en genoemde riem als ware een strop heeft aangebracht rondom de nek en/of de keel van [slachtoffer] en genoemde riem strak heeft aangetrokken en aangetrokken gehouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] geen adem kon halen en - tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Nog 14 minuten en dan zal het nog erger worden dan wat er nu gebeurd is", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2 subsidiair:

hij op 21 juni 2011 en/of 22 juni 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op de nek en het hoofd van [slachtoffer] is gaan staan, terwijl [slachtoffer] op bed lag, en het hoofd van [slachtoffer] heeft vastgegrepen en een leren broekriem als ware een strop heeft aangebracht rondom de nek en/of de keel van [slachtoffer] en meermalen genoemde broekriem strak heeft aangetrokken en aangetrokken gehouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] geen adem kon halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4:

hij in de periode van 1 juni 201 1 tot en met 22 juni 2011 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een bank en een ruit, toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield door met een mes te steken in de bekleding van voornoemde bank en aan de losgesneden bekleding te trekken en door een mobiele telefoon van [slachtoffer] met kracht te gooien tegen een ruit ten gevolge waarvan die ruit is gebarsten.”

5. De bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“De bewijsmiddelen

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4: (…)

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 december 2011. Deze verklaring houdt voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

(…)

Ten aanzien van feit 4:

(…).

Ik heb de telefoon tegen de ruit gegooid. Daarin is toen inderdaad een barst gekomen.

(…)

Ten aanzien van feit 4 voorts:

8. Een ad verbatim uitgewerkt verslag van studioverhoor [slachtoffer], verhoor 3, interviewers: [verbalisant 1] en [verbalisant 2], [pagina 20].

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 augustus 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Was op een dag dat hij (het hof begrijpt: de verdachte) thui- eh kwam hij thuis (het hof begrijpt: aan de [a-straat 1] te Amsterdam). En toen eh had ik de huistelefoon niet opgeborgen. Dus toen vond ie 'm en toen werd ie boos. En toen gooide die 'm naar mij. Maar ik stond voor het raam. Gaat ie zo tegen het ruit aan, echt nou, ik denk wel precies in het midden ook van het ruit. Hij gooide best hard ook, want hij ging door 't ruit heen. Dus hij gooide met kracht. En hij gooit een raam kapot.

9. de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 31 oktober 2013, zakelijk weergegeven:

Ik beken dat ik, ongeveer twee weken voor 21/22 juni 2011 een telefoon naar [slachtoffer] heb gegooid. Die telefoon miste haar en kwam tegen een ruit van de woning terecht waardoor de ruit barstte.”

6. Vervolgens heeft het Hof onder het kopje “Overwegingen ten aanzien van het bewijs”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt overwogen:

“Verweer ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft aangevoerd dat, ten aanzien van de vernieling van de ruit de verdachte nimmer bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de ruit zou sneuvelen. Derhalve dient de verdachte vrijgesproken te worden van dit feit.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Door met kracht een telefoon te gooien in de richting van de aangeefster die voor een ruit stond heeft de verdachte immers de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hiermee een ruit zou raken en dat deze hierdoor zou barsten.”

7. Blijkens de toelichting op het middel blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte “klaarblijkelijk de intentie heeft gehad dat de telefoon niet een ander voorwerp dan aangeefster zou raken”, zodat geen sprake kan zijn van (voorwaardelijk) opzet op vernieling. Ik stel maar meteen voorop dat ook als verdachte die intentie niet had er nog wel sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet.

8. Het Hof heeft zowel de verklaring van verdachte in eerste aanleg (bewijsmiddel 4) als diens verklaring in hoger beroep (bewijsmiddel 9) voor het bewijs gebruikt. Onder verwijzing naar de verklaring tegenover de politie heeft de verdediging in hoger beroep betoogd dat van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de ruit zou sneuvelen geen sprake is geweest en kennelijk wordt dit door de steller van het middel aangemerkt als een verweer. De verklaring van verdachte bij de politie kwam er op neer dat er sprake was van miscommunicatie, omdat [slachtoffer] vroeg om de telefoon, hij de telefoon naar haar heeft gegooid, zij de door verdachte naar haar geworpen telefoon niet heeft opgevangen, kennelijk terwijl dat nu juist wel de bedoeling van verdachte was. Het Hof heeft die verklaring bij de politie niet voor het bewijs gebruikt en het Hof was gelet op de aan de feitenrechter toekomende vrijheid bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen niet gehouden dat nader te verantwoorden. De betwisting van het voorwaardelijk opzet valt niet aan te merken als een verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv en evenmin als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv. Er bestond dus geen verplichting om nader in te gaan op hetgeen is aangevoerd.

9. De bewijsmiddelen zijn overigens toereikend voor het bewijs van opzet. Naast verdachte ’s verklaringen heeft het Hof ook de verklaring van aangeefster [slachtoffer] van 18 augustus 2011 als bewijsmiddel opgenomen. Deze verklaring levert op zich zelf genomen al voldoende bewijs voor het opzettelijk handelen van verdachte op. Verdachte gooide immers met kracht wel precies in het midden van de ruit, aldus de inhoud van het bewijsmiddel. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte in de richting van het [slachtoffer] gooide die midden voor het raam stond. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond heeft aangenomen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de ruit sneuvelde. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof om verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 1, zodat de strafoplegging met onvoldoende redenen is omkleed.

11. Onder het kopje “Oplegging van straf en maatregel” heeft het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt overwogen:

“(…)

In het Pro Justitia rapport van drs. M.R. Weeda, psychiater van 2 december 2011, wordt de conclusie getrokken dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Daarnaast is er sprake van een voorgeschiedenis van psychoses. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was er ook sprake van deze persoonlijkheidsstoornis. Geadviseerd wordt om de verdachte ten aanzien van het (nu) als tweede ten laste gelegde feit, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Geadviseerd wordt tevens om de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel een behandeling bij De Waag op te leggen onder toezicht van de reclassering.

In het Pro Justitia rapport van M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog van 2 december 2011 wordt de conclusie getrokken dat er in de voorgeschiedenis sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis NAO. Er werd een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld in de vorm van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en afhankelijke trekken. Een persoonlijkheidsstoornis is duurzaam aanwezig. Er was daarom ook sprake van deze problematiek in de periode van het ten laste gelegde (indien bewezen).

Ten tijde van de periode van het ten laste gelegde was geen sprake van een psychotische stoornis. Geadviseerd wordt de verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde (indien bewezen).

Geadviseerd wordt tevens om de verdachte, in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke detentie en een verplicht reclasseringscontact, aan te melden voor de schematherapie die plaats kan vinden in De Waag te Amsterdam.

(…)

Het hof neemt het advies van de psychiater Weeda over om de verdachte ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voor de feiten 1 en 4 zal het hof de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beschouwen.

(…)”

12. Blijkens de toelichting op het middel is de steller van mening dat het Hof onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat de verdachte enkel voor het onder 2 bewezenverklaarde als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd, terwijl “de gedragingen en handelingen zoals bewezenverklaard in het tweede bewezenverklaarde feit onderdeel uitmaken van hetgeen bewezen is verklaard onder het eerste bewezenverklaarde”.

13. Ik stel voorop dat tijdens de zitting van het Hof hetgeen nu door de steller van het middel wordt gezien als een discrepantie niet door de verdediging ter sprake is gebracht. Van enig verweer in feitelijke aanleg gevoerd is geen sprake. In de kern vraagt het middel dus een ambtshalve overweging van de rechter die de psychiater in zijn oordeel volgt en die dat oordeel tot het zijne maakt. Een dergelijke motivering zou wellicht aangewezen zijn indien het (ook anderszins) verbazing wekt dat de rechter voor feiten die sterke samenhang vertonen tot een uiteenlopend oordeel over de toerekeningsvatbaarheid komt. Waarom het verbazing wekt dat de verdachte voor het seksuele delict (feit 1) volledig toerekeningsvatbaar is en voor het geweldsdelict (feit 2) verminderd ontoerekeningsvatbaar vermeldt de steller van het middel niet. Dat de omstandigheden gelijk zijn, maakt nog niet dat de delicten hetzelfde zijn, de schuld aan die delicten het zelfde is en de stoornis voor beide delicten dezelfde relevantie heeft. Reeds gelet op deze vaststelling faalt het middel. Overigens is het oordeel over de toerekeningsvatbaarheid in hoofdzaak van feitelijke aard en is voor verdere toetsing van dat oordeel in cassatie geen ruimte. Het oordeel is toereikend gemotiveerd.

14. Het derde middel klaagt over de ontbrekende, althans ontoereikende motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij de veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden.

15. In het dictum van het door het Hof gewezen arrest is over het stellen van bijzondere voorwaarden het volgende opgenomen:

“Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder toezicht en leiding zal stellen van Reclassering Nederland. Vervolgens zal hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag of een andere door de Reclassering aan te wijzen instantie.

Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is op enigerlei wijze contact te leggen of te laten leggen met de benadeelde partij [slachtoffer].

Beveelt dat voormelde voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 100 meter van de straat waar de benadeelde partij [slachtoffer] woont.

Beveelt dat voormelde voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.”

16. Het Hof heeft, onder het kopje “Oplegging van straf en maatregel” nog het volgende overwogen:

“Zowel psychiater Weeda als psycholoog Van Willigenburg adviseren in het kader van bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen dat hij zich zal aanmelden voor therapie bij De Waag. De verdachte is inmiddels begonnen met schematherapie bij De Waag in Haarlem. Drs. F.R.H. Mooij heeft bericht, op 30 oktober 2013, dat inmiddels zeventien behandelgesprekken hebben plaatsgevonden in een frequentie van eenmaal per twee weken. Verdacht komt trouw zijn afspraken na en er is sprake van contactgroei. Mooij denkt dat de duur van de behandeling ongeveer een jaar zal bedragen.

Het hof acht het, uit oogpunt van beperking van het gevaar op herhaling van soortgelijke feiten, van groot belang dat de verdachte genoemde therapie zal volgen. Het hof zal het advies van voornoemde psycholoog en psychiater dan ook volgen en zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden: toezicht door de reclassering en een behandeling bij De Waag. Tevens zal het hof als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf verbinden, zoals eerder opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal, een contactverbod met de benadeelde partij en een locatieverbod.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bevelen, gezien het belang van het slachtoffer bij een contact- en locatieverbod en gelet op het belang dat zowel de verdachte als de samenleving heeft bij behandeling, uit het oogpunt van het terugdringen van het recidivegevaar.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 oktober 2013 is de verdachte eerder onder meer ter zake van mishandeling onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

(…)”

17. Art. 14e, eerste lid, Sr luidt als volgt:

“ De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

18. Evenals in eerder door de Hoge Raad beoordeelde zaken wordt in het bestreden arrest niet met zoveel woorden overwogen dat het bevel dadelijke uitvoerbaarheid is gegeven omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In de rechtspraktijk neemt het kennelijk enige tijd om te laten indalen dat tenminste een vaste formulering, die zulks tot uitdrukking brengt, als zelfstandige overweging in het vonnis of arrest dient te worden opgenomen. Naar ik begrijp is inmiddels hier en daar wel een zogenaamde bouwstenencommissie actief. Op één of andere wijze moet tot uitdrukking komen dat het delict waarvoor is veroordeeld (het indexdelict) gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, nu de wettekst spreekt van ‘wederom’. Daarnaast-en in de kern is dat nog belangrijker- moet tot uitdrukking komen dat er gevaar voor herhaling van een delict is dat gevaar veroorzaakt of gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De wet stelt niet de eis dat het indexdelict en het delict dat mogelijk gepleegd gaat worden hetzelfde of soortgelijk is. Die soortgelijkheid lijkt mij overigens wel de gebruikelijke situatie. De gronden die vereist zijn voor het bevel dadelijke tenuitvoerlegging zullen niet zelden tevens van betekenis zijn voor het stellen van een bijzondere voorwaarde. Het gevaar voor herhaling heeft het Hof in het onderhavige geval uitdrukkelijk ten grondslag gelegd aan de bijzondere voorwaarden, maar de overwegingen van het Hof houden niet met zoveel woorden in dat het herhalingsgevaar tevens de grond vormt voor het bevel dadelijke tenuitvoerlegging.

19. Hoewel ik meen dat de praktijk er goed aan doet om de gronden van de dadelijke uitvoerbaarheid expliciet in vonnis of arrest op te nemen, is er geen grond voor cassatie indien de strafmotivering van het Hof voldoende aanknopingspunten biedt om inzichtelijk te maken dat het bevel dadelijke tenuitvoerlegging aan de wettelijke eisen voldoet. In de bewezenverklaring en opgesomde bewijsmiddelen van het onderhavige arrest ligt zonder meer besloten dat de feiten 1 (verkrachting) en 2 (poging tot zware mishandeling) feiten zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De therapievoorwaarde acht het Hof nodig om herhaling van soortgelijke feiten te voorkomen. Daarin ligt voldoende besloten dat het Hof herhaling van soortgelijke feiten en daarmee dus van feiten die gevaar veroorzaken of gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam aanwezig acht. Hoewel ik mij kan voorstellen dat het herhalingsgevaar in het kader van het bevel dadelijke tenuitvoerlegging van de hier aan de orde zijnde bijzondere voorwaarden nog acuter moet zijn (althans onmiddellijk optreden moet vergen) dan een dergelijk gevaar moet zijn voor oplegging van therapie, meen ik dat het Hof voldoende tot uitdrukking heeft gebracht dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte opnieuw een delict pleegt dat gevaar veroorzaakt of gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Daarbij neem ik in aanmerking dat er tevens sprake is van recidive van een geweldsdelict waarmee het Hof ook bij de motivering van de sanctie rekening heeft gehouden. Het middel faalt.

20. De middelen falen en het eerste en tweede middel kunnen in ieder geval met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie over voorwaardelijk opzet De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer 2012, p. 225 e.v.

In haar rapport van 2 december 2011 adviseerde psychologe Van Willigenburg tot verminderde toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten (1en 2). Psychiater Weeda adviseerde bij rapport van 2 december 2011 tot tenminste verminderde toerekeningsvatbaarheid bij het onder 2 ten laste gelegde.

De psychiater is tot het oordeel gekomen dat betrokkene tenminste voor het geweldsdelict (toen nog aan geduid als het eerste feit) als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Zie p. 18 van zijn rapportage. Als ik het goed begrijp is zijn redenering dat de persoonlijkheidsstoornis in direct verband staat met de impulsieve agressie en daarmee in ieder geval met het geweld. De psychiater laat in het midden of er eveneens een dergelijk verband bestaat met de seksuele gedraging (het zedendelict). Dat verband is dus onzeker en het Hof was het er kennelijk mee eens dat dat onzeker was en daarmee onvoldoende om verdachte ook voor het zedendelict als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Overigens weigerde verdachte mee te werken aan PBC rapportage.

Zie HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:185 (art. 81 RO) en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:3379, NJ 2015/8.

Zie verder Kamerstukken II 2010-2011, 32319, nr. 13, p. 2 en S. Meijer, “De dadelijke uitvoerbaarheid van rechterlijke beslissingen”, DD 2013, 8, p. 72.

Zie HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:185 (art. 81 RO..

Mocht uw Raad oordelen dat het bevel dadelijke tenuitvoerlegging nadere motivering behoeft dan kan de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid de zaak, zoals ook gebeurde in HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:3379, NJ 2015/8, zelf afdoen en het bevel tot tenuitvoerlegging bij voorraad vernietigen. Door de onherroepelijkheid van de veroordeling kunnen vervolgens de bijzondere voorwaarden snel tot leven komen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature