< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Advies uitlevering verzoek Verenigde Staten van Amerika. Verdeling bevoegdheden tussen het adviserende Hof als uitleveringsrechter en de Gouverneur die op het verzoek beslist. Verweren m.b.t. het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verzuimen vrijheidsbeneming en advies over toelaatbaarverklaring uitlevering. Verweren m.b.t. rechtmatigheid bewijsgaring en het Hof als uitleveringsrechter.

Uitspraak



Strafzaken over 2021

Zaaknummer: HAR 106 /2021

Datum: 16 november 2021

gegeven op het verzoek ex artikel 13 Uitleveringsbesluit van Aruba, Cura çao en Sint Maarten van:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans alhier gedetineerd,

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Het advies

1.1

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba brengt hierbij op grond van artikel 8 lid 2 jo artikel 15 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Cura çao en Sint Maarten (hierna te noemen: het Uitleveringsbesluit) advies uit over het verzoek van de Verenigde Staten van Amerika strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon, gebaseerd op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (hierna: het Uitleveringsverdrag), alsmede de Overeenkomst van 25 juni 2003 tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Unieverdrag).

2 2. De procedure

2.1

Het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon is conform artikel 8 lid 1 van het Uitleveringsbesluit langs diplomatieke weg ingediend. De procureur-generaal van Sint Maarten heeft op 10 september 2021 een verzoek als bedoeld in artikel 13 van het Uitleveringsbesluit bij het Hof ingediend en de desbetreffende stukken aan het Hof overgelegd.

2.2

Het verzoek en het verhoor van de opgeëiste persoon is op 2 november 2021 behandeld in raadkamer van het Hof, op verlangen van de opgeëiste persoon achter gesloten deuren. Verschenen zijn de procureur-generaal mr. M.L.A. Angela, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. E.F. Sulvaran.

2.3

Ter zitting is namens de opgeëiste persoon verweer gevoerd.

2.4

De procureur-generaal heeft zich op de voet van artikel 13 van het Uitleveringsbesluit – onder verwijzing naar zijn schriftelijke conclusie van 1 november 2021 - op het standpunt gesteld dat de gevoerde verweren door het Hof verworpen dienen te worden en dat de gevraagde uitlevering toelaatbaar is.

2.5

Het Hof heeft aangezegd dat het advies heden gegeven zal worden.

3 3. De overgelegde stukken

Bij het uitleveringsverzoek behoren de volgende stukken:

i. een diplomatic note van 16 augustus 2021 van het Department of State van de Verenigde Staten van Amerika (hierna ook: de Verenigde Staten) betreffende het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon;

ii. een aanbiedingsbrief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (kantoor Curaçao) van 18 augustus 2021, gericht aan de advocaat-generaal te Sint Maarten, waarbij zijn gevoegd 5 gecertificeerde en gewaarmerkte uitleveringsverzoeken, waaronder het verzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

iii. het affidavit in support for extradition van 13 juli 2021, voorzien van bijlagen:

a. het arrestatiebevel van 12 mei 2021;

b. een overzicht van de wettelijke bepalingen geldend in de Verenigde Staten van Amerika betreffende de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, en waartoe de uitlevering van de opgeëiste persoon thans wordt verzocht;

iv. het proces-verbaal van de rechter-commissaris inzake de voorgeleiding van de opgeëiste persoon, en de daaraan ten grondslag liggende vordering beoordeling rechtmatigheid aanhouding;

v. a. het proces-verbaal “Big Apple” van het Korps Politie Curaçao (Divisie Georganiseerde Criminaliteit, Team 3);

b. het proces-verbaal van de rechter-commissaris inzake huiszoeking;

c. het proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Divisie Georganiseerde Criminaliteit) betreffende met de opgeëiste persoon gevoerde gesprekken;

vi. een ‘quick scan’ opgesteld door psychiater F.G.M. Heijtel en een e-mail van dr. A.H.E. Madura;

vii. een Nederlandse vertaling van de documenten vermeld onder iii.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Identiteit van de opgeëiste persoon

Op basis van de verstrekte gegevens en het onderzoek daarvan tijdens de behandeling van het verzoek concludeert het Hof dat de opgeëiste persoon degene is van wie uitlevering wordt verzocht.

4.2.

Genoegzaamheid van de stukken

Het Hof is van oordeel dat de hiervoor onder 3 genoemde stukken voldoen aan de vereisten die op grond van het Uitleveringsbesluit, het Uitleveringsverdrag en het Unieverdrag vervuld dienen te zijn om tot uitlevering te kunnen komen. Op deze plaats verwijst het Hof naar wat hierna onder het kopje Verweren is overwogen.

4.3.

Feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht

De Verenigde Staten verzoekt de uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op zijn (verdere) vervolging ter zake van de feiten, als omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek.

In dit verzoek is een uiteenzetting van feiten opgenomen waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht die te hebben begaan. Het gaat daarbij om zijn lidmaatschap van een organisatie, welke organisatie erop is gericht zendingen cocaïne binnen het grondgebied van de Verenigde Staten te (doen) brengen, en op witwassen, sinds 2017. Gebleken zou zijn van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het binnen het grondgebied van de Verenigde Staten (doen) brengen van zendingen cocaïne, waaronder (per vliegtuig): 32 kilo cocaïne in maart 2017, 64 kilo cocaïne in mei 2017 en 6 kilo cocaïne in november 2019.

De Grand Jury heeft op 21 april 2021 naar aanleiding van de resultaten van een door de autoriteiten van de Verenigde Staten ingesteld strafrechtelijk onderzoek een tenlastelegging (aanklaagdocument) geformuleerd tegen de opgeëiste persoon, inhoudend:

Samenzwering tot internationale distributie van cocaïne

Samenzwering tot de invoer van cocaïne

Internationale distributie van ongeveer 32 kilo cocaïne

Internationale distributie van ongeveer 64 kilo cocaïne

Internationale distributie van ongeveer 6 kilo cocaïne

4.4.

Vereiste van dubbele strafbaarstelling

Naar het recht van Curaçao zijn de feiten als onder 4.3. vermeld, indien zij in Curaçao zouden zijn gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht (deelneming aan een criminele organisatie) en artikel 3 jo. 11 van de Opiumlandsverordening 1960 (opzettelijk handelen in strijd met een of meer van de in artikel 3 geformuleerde verboden ), al dan niet met toepassing van artikel 1:11 9 (poging tot misdrijf), 1:123 (daderschap in de vorm van deelneming) en/of 1:124 (medeplichtigheid aan een misdrijf) van dat wetboek.

De feiten zijn naar het recht van de Verenigde Staten strafbaar gesteld en bedreigd met een gevangenisstraf van een jaar, of van langere duur. Zodoende is voldaan aan het vereiste van artikel 2 lid 1 sub a van het Uitleveringsbesluit.

4.5.

In beslag genomen goederen

Onder de opgeëiste persoon zijn op 19 augustus 2021 de navolgende goederen in beslag genomen:

- zijn paspoort;

- twee mobiele telefoons (Apple en Samsung);

- twee simkaarthouders;

- aantekeningen.

Deze goederen kunnen naar hun aard en bezien in het licht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht in het geval van uitlevering als stukken van overtuiging worden afgegeven aan de autoriteiten van de Verenigde Staten.

4.6.

Verweren

4.6.1.

Inleidende overweging

De door de raadsman betrokken stelling dat anders dan de Nederlandse rechter de rechter in Curaçao is geroepen tot het geven van een “integraal” oordeel over de rechtmatigheid van de gevraagde uitlevering wordt door het Hof niet gevolgd. Uit de parlementaire geschiedenis van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba volgt, dat de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht, en in het bijzonder ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Volgens de regeling in het Uitleveringsbesluit kan een opgeëiste persoon slechts worden uitgeleverd als het Hof als uitleveringsrechter in de vorm van een tot toewijzing strekkende advisering de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, en die uitlevering vervolgens door de Gouverneur bij beslissing is toegestaan. Kortom, een verdeling van bevoegdheden die meebrengt dat de beoordeling door het Hof als uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering in zoverre is beperkt. Aspecten die door het Hof niet bij de advisering zijn betrokken en die vervolgens door de Gouverneur volgens de mening van de opgeëiste persoon niet of verkeerd bij diens beslissing zijn gewogen kunnen door hem aan de rechter in kort geding worden voorgelegd, in het bestek van een vordering die ertoe strekt de uitlevering te verbieden omdat (de tenuitvoerlegging van) de beslissing van de Gouverneur jegens hem onrechtmatig is.

4.6.2.

Het Uitleveringsbesluit als ontoereikende grondslag

De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon bepleit dat het Uitleveringsbesluit voor onverbindendverklaring gereed ligt, met als gevolg dat reeds op die grond door het Hof negatief dient te worden geadviseerd. Daartoe is in de kern aangevoerd dat in dat Uitleveringsbesluit basale mensenrechten niet zijn gewaarborgd. Volgens artikel 3, eerste lid, sub b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn buitenlandse betrekkingen aangelegenheden van het Koninkrijk. Beslissingen op uitleveringsverzoeken dienen aldus te worden gerubriceerd. Heeft Nederland de procedure van uitlevering wettelijk geregeld, voor Curaçao geldt dat de burger nog steeds in afwachting is van een wettelijke regeling. De rijkswetgever is schromelijk in gebreke gebleven, met als gevolg dat moet worden teruggevallen op het sterk gedateerde en gemankeerde Uitleveringsbesluit, waarin – naar het Hof het verweer begrijpt – het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces niet althans onvoldoende is gewaarborgd. Anders dan in Nederland, waar het de Minister is die op het uitleveringsverzoek beslist, houdt de regeling in het Uitleveringsbesluit in dat het de Gouverneur is, die als een ondemocratische figuur (immers in de Staten niet aanspreekbaar) beslist. Daarbij komt, dat het de Gouverneur de bevoegdheid ontbreekt om een uitlevering te weigeren, ook in het geval waarin het Hof over de verzochte uitlevering een positief advies heeft uitgebracht, aldus de raadsman.

Het Hof stelt voorop dat in eerdere soortgelijke zaken door de Hoge Raad is beslist dat het Uitleveringsbesluit voldoet aan een “wettelijk voorgeschreven procedure”, zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 aanhef jo. sub f van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het Hof wijst in dat verband voorts op wat door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is verwoord in zijn conclusie van 11 oktober 2016 onder 6.1. :

6.1.

De steller van het middel erkent dat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 november 20032 heeft geoordeeld dat de opvatting dat als wettelijk voorgeschreven procedure in de zin van art. 5, eerste lid, EVRM slechts een bij wet in formele zin geregelde procedure kan gelden, geen steun vindt in het recht. Eveneens wordt er in de toelichting op gewezen, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 oktober 20053 – onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba – heeft overwogen dat “de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad” en deze overweging ook nadrukkelijk heeft betrokken op de vraag hoe de inhoud van de summiere procedurele regeling van het Uitleveringsbesluit moet worden ingevuld.

De grondslag van dit onderdeel van het verweer komt in de kern neer op een breed onderbouwde verzuchting dat en waarom de rijkswetgever laakbaar in gebreke is gebleven met de totstandkoming van een regeling bij landsverordening, en dat het verbijsterend is dat met het Statuut in de hand een koninkrijksaangelegenheid ook bij algemene maatregel van rijksbestuur kan worden afgedaan. Zo bezien heeft ook de Hoge Raad zich in het even bedoelde arrest uit 2003 door de inhoud van het antieke Uitleveringsbesluit op het verkeerde been laten zetten, aldus de raadsman.

In het licht van de jurisprudentiële stand van zaken oordeelt het Hof dat niet met vrucht het verbindende karakter van de regeling in het Uitleveringsbesluit kan worden betwist. Dit wordt niet anders als daarbij in het bijzonder de ten aanzien van de opgeëiste persoon gevolgde procedure wordt betrokken.

4.6.3.

De vrijheidsbeneming

Door de raadsman is in het bijzonder aandacht gevraagd voor de onrechtmatigheid van de aanhouding van de opgeëiste persoon, als ook voor gebreken die kleven aan de kennisgevingen zoals bedoeld in artikel 12 van het Uitleveringsbesluit. Deze verzuimen dienen niet alleen te leiden tot opheffing van de uitleveringsdetentie, maar staan bovendien in de weg aan de daadwerkelijk overdracht van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon staat vast dat niet strikt de hand is gehouden aan de voorschriften in het Uitleveringsbesluit, in het bijzonder niet aan het voorschrift van artikel 12 van dat besluit.

Het Hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat met het bestaan van verzuimen die kleven aan de (procedure van) de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon niet is gegeven dat het Hof tot het niet toestaan van de gevraagde uitlevering heeft te adviseren. Het Hof stelt voorts vast dat schending van die voorschriften in dat besluit niet is bedreigd met een sanctie die is gerelateerd aan de vrijheidsbeneming van personen wier uitlevering wordt gevraagd noch aan de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

Het Hof verwerpt dan ook dit onderdeel van het verweer, gelet op het voorgaande, en stelt ook overigens vast dat geen sprake is van een schending van een fundamenteel recht.

4.6.4.

Optreden buitenlandse opsporingsambtenaren

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat zowel het gegeven dát hij in het bestek van de tegen hem ingebrachte verdenkingen is benaderd door buitenlandse opsporingsambtenaren, als de daarbij gevolgde procedure buitenwettelijk en daardoor onrechtmatig is geweest. De Amerikanen hebben ten onrechte van een niet-bevoegde officier van justitie vrij spel gekregen om de opgeëiste persoon in de allereerste fase te verhoren, welk gegeven willens en wetens is achtergehouden voor de rechter-commissaris. De waarborgen van adequate informatievoorziening en verslaglegging zijn niet althans onvoldoende in acht genomen. De autoriteiten hadden stappen moeten ondernemen om het gevoel van intimidatie en beperkingen weg te nemen opdat de opgeëiste persoon niet onnodig werd geconfronteerd met Amerikaanse agenten. Dit klemt temeer, omdat deze gesprekken/verhoren - als het zover komt - worden geopenbaard tijdens terechtzittingen in de Verenigde Staten. Omdat de Amerikaanse autoriteiten daaraan geen boodschap zullen hebben en die in de sleutel van verweren vervatte bezwaren zullen falen, is het Hof het enige forum waar deze bezwaren kunnen worden beoordeeld, aldus – samengevat – de raadsman.

Ook dit onderdeel van het verweer faalt. Het Hof stelt vast dat de feitelijke gang van zaken waarop de raadsman het oog heeft, is neergelegd in een proces-verbaal dat zich bij de stukken in het dossier bevindt. Gelet daarop kan in het midden blijven of sprake is geweest van een verhoor in strafvorderlijke zin, of van slechts een gesprek, omdat daaraan in het licht van de onderhavige procedure en het door het Hof te geven advies geen betekenis toekomt. Het Hof verwijst daartoe naar wat inleidend is overwogen over de verdeling van bevoegdheden tussen het Hof als uitleveringsrechter en de Gouverneur, aan wie de beslissing tot uitlevering toekomt. Voorts heeft te gelden, dat het Hof als uitleveringsrechter geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat. De door de raadsman geformuleerde prognose dat de Amerikaanse autoriteiten daaraan geen boodschap zullen hebben noch zijn inschatting van de mate van kwetsbaarheid van de opgeëiste persoon doet aan het vorenoverwogene af. Het Hof overweegt voorts en ambtshalve dat wat door de raadsman op dit punt naar voren is gebracht niet leidt tot het oordeel dat zich het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM voordoet, terwijl evenmin vast is komen te staan dat aan hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

4.6.5.

Ongenoegzaamheid der stukken

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat de tegen hem ingebrachte beschuldigingen onvoldoende specifiek zijn, in termen van plaats en tijd. Het Hof vermag niet in te zien dat de hiervoor weergegeven omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, bezien tegen de achtergrond van de grondslag van de onderliggende uiteenzetting daarvan, onvoldoende specifiek is. Voor zover de stelling dat beschuldigingen feitelijk niet kúnnen kloppen een onschuldbewering inhoudt, heeft te gelden dat die bewering slechts hout snijdt indien het Hof zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, tot de overtuiging komt dat de opgeëiste persoon onverwijld heeft aangetoond onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. De onderbouwing van wat op dit onderdeel is aangevoerd kan niet tot dat oordeel van het Hof leiden.

4.6.6.

Ne bis in idem

Namens de opgeëiste persoon is betoogd dat de eerste twee feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd mede gedragingen inhouden die ook afzonderlijk als feiten 3 tot en met 5 zijn tenlastegelegd. Aldus dreigt meervoudige bestraffing voor hetzelfde gedrag, zodat de uitlevering het risico op dubbele sanctionering voor hetzelfde materiele feit inhoudt. Deze op termijn te verwachten schending van het ne bis in idem beginsel levert thans een flagrante rechtsschending op, aldus de raadsman.

De (redactie van de) feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd dwingt niet tot de lezing daarvan zoals door de raadsman is verwoord, reeds omdat de in algemene termen gegoten verwijten van samenzwering enerzijds en distributie van zekere hoeveelheden cocaïne anderzijds een eigen (strafrechtelijke) betekenis en verwijt inhouden. En in het veronderstelde geval van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM heeft te gelden dat nu de Verenigde Staten partij zijn bij het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) een effectief rechtsmiddel is gegarandeerd. Derhalve faalt ook dit verweer.

4.6.7.

Dubbele waarborg

De justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten hebben zich volgens de raadsman niet garant verklaard dat de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de strafrechter zal mogen terugkeren naar Curaçao om zijn straf alhier te ondergaan. Er is niet méér gegarandeerd dan dat de autoriteiten zich niet zullen verzetten tegen zijn overdracht naar Nederland indien hij zijn straf aldaar deugdelijk kan ondergaan. Dit een en ander is ontoereikend en in elk geval geen waarborg in de betekenis van artikel 4 van het Uitleveringsbesluit.

Het oordeel van het Hof over de juistheid van de lezing door de raadsman kan in het midden blijven. De beslissing over de vraag of de uitlevering van de opgeëiste persoon bij gebreke van een terugkeergarantie behoort te worden geweigerd is in artikel 4 van het Uitleveringsbesluit voorbehouden aan de Gouverneur.

4.6.8.

Humanitaire overwegingen

Namens de opgeëiste persoon is met verwijzing naar artikel 7, tweede lid, van het Uitleveringsverdrag betoogd, dat zijn gezondheidstoestand zich verzet tegen uitlevering. Die toestand levert een bijzondere omstandigheid op die uitlevering onverenigbaar maakt met humanitaire overwegingen.

Het Hof merkt andermaal op dat ook hier van belang is wat inleidend is overwogen. De door de raadsman bedoelde humanitaire omstandigheden staan niet in de weg aan een toelaatbaarverklaring van de uitlevering. Volgens de door de raadsman aangehaalde verdragsbepaling is het niet aan het Hof, maar wél aan de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat – in casu de Gouverneur – om uitlevering te weigeren indien zij redenen heeft om van oordeel te zijn dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire overwegingen. Daarom gaat het Hof aan dit verweer voorbij.

4.7.

Slotsom

Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval voldaan is aan de in het Uitleveringsverdrag en Uitleveringsbesluit gestelde vereisten voor toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering. Van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg staan is niet gebleken. Dat verzoek komt derhalve voor inwilliging in aanmerking.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

CONCLUSIE EN ADVIES

Het Hof:

concludeert dat op grond van het Uitleveringsverdrag, het Unieverdrag en het Uitleveringsbesluit, de uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op (verdere) vervolging in de Verenigde Staten van Amerika voor de feiten zoals in het hiervoor onder 3 onder i vermelde uitleveringsverzoek toelaatbaar is. De onder de opgeëiste persoon in beslag genomen goederen, zoals hiervoor vermeld onder 4.5. komen in aanmerking voor afgifte als stukken van overtuiging.

adviseert de Gouverneur van Curaçao om de opgeëiste persoon ter zake van de onder 4.3 genoemde feiten uit te leveren aan de Verenigde Staten van Amerika en dat de goederen zoals opgesomd onder 4.5. als stukken van overtuiging zullen worden afgegeven.

Dit advies is gegeven door mrs. R. Veldhuisen, W.J. Geurts-de Veld en R.L.M. van Opstal, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en op 16 november 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare zitting van het Hof in Curaçao.

Hoge Raad, 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698.

Hoge Raad, 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0355.

Parket bij de Hoge Raad, 11 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1139.

Hoge Raad, 27 juni 1978, NJ 1979, 71.

Hoge Raad, 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3540 en de conclusie van de procureur-generaal, ECLI:NL:PHR:2014:2257.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature