< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanrijding; letselschade; overmacht; feiten ter onderbouwing van overmacht niet komen vast te staan; getuigenbewijs in hoger beroep.

Uitspraak



GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

VONNIS

in de zaak van

de naamloze vennootschap ASKA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, nu appellante,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk eiseres, nu geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols.

Partijen worden hierna Aska en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het Hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg en voor de genomen beslissingen naar de vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 9 juli 2018, 18 februari 2019 en 23 september 2019.

1.2

Aska heeft op 1 november 2019 hoger beroep ingesteld tegen deze vonnissen. Zij heeft in haar memorie van grieven van 12 december 2019 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 23 september 2019 en gevorderd dat het Hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

1.3. [

geïntimeerde] heeft op 31 januari 2020 een memorie van antwoord ingediend, waarin de grieven worden bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Aska in de proceskosten in hoger beroep.

1.5.

Op 26 mei 2020 hebben beide partijen de zaak doen bepleiten aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voorafgaande aan de zitting heeft Aska aanvullende producties overgelegd.

1.6.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Aska is tijdig in hoger beroep gekomen.

2.2.

Tegen de door het Gerecht vastgestelde feiten zijn geen klachten geformuleerd. In zijn vonnis van 9 juli 2018 heeft het Gerecht de feiten als volgt vastgesteld:

- Op 16 juni 2016 is [geïntimeerde] tijdens haar vakantie op Curacao betrokken geraakt bij een verkeersongeval op de Winston Churchilweg ter hoogte van de Mc Donalds te Sta. Maria.

- [ geïntimeerde] zat als bijrijder in een auto, merk Nissan Versa met kenteken 92-8R. Op het moment dat [geïntimeerde] stond voorgesorteerd om linksaf te slaan richting de Mc Donalds, werd zij van achteren aangereden door een pick-up merk Nissan Frontier, kenteken 50–80X. De auto van [geïntimeerde] werd door de botsing voorwaarts gelanceerd. De pick-up is gekanteld op de zijkant terecht gekomen. De pick-up had een remspoor van 9,7 meter.

- [ geïntimeerde] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen, waarvoor zij zich onder medische behandeling heeft gesteld.

- [ geïntimeerde] heeft de LAM-verzekeraar van de pick-up, Aska, aangesproken tot vergoeding van haar schade als gevolg van het ongeval. Aska heeft aansprakelijkheid afgewezen.

Het Hof zal derhalve van deze feiten uitgaan, zulks evenwel met uitzondering van de vaststelling dat het remspoor van 9,7 meter van de pick-up afkomstig was. Uit het beknopt rapport van bevindingen van 21 mei 2020 komt naar voren, hetgeen niet is betwist, dat dit spoor van de (velg van de) Nissan Versa afkomstig was.

2.3.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat Aska aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aska heeft zich verweerd met een beroep op overmacht. Dit verweer heeft het Gerecht in zijn vonnis van 23 september 2019 verworpen. Het Gerecht heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Ook heeft het Gerecht Aska veroordeeld in de proceskosten.

2.4.

Tegen dit oordeel komt Aska op met zes grieven. Deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.5.

Volgens Aska komt haar een beroep op overmacht toe, omdat de aanrijding tussen de Versa (de auto waarin [geïntimeerde] zat) en de Frontier (de auto van de verzekerde van Aska) is veroorzaakt door een derde auto (een witte of goudkleurige Hyundai ) die tegen de Frontier aan reed bij het verlaten van de uitrit van de McDonald’s. De Frontier is daardoor uit zijn baan geduwd, waardoor deze de Versa volgens Aska niet meer kon ontwijken. De verzekerde van Aska hoefde op deze manoeuvre niet bedacht te zijn, omdat het niet toegestaan is vanuit de uitrit linksaf richting Rio Canario af te slaan.

2.6.

Het Gerecht heeft in zijn tussenvonnis van 9 juli 2018 overwogen dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat de door Aska gestelde feiten, indien bewezen, een beroep op overmacht rechtvaardigen. Het Gerecht heeft vervolgens Aska gelegenheid gegeven om bewijs te leveren van feiten op grond waarvan kan worden aangenomen dat het ongeval is te wijten aan overmacht zijdens de Frontier. In dit verband heeft het Gerecht ook het volgende overwogen:

Dat houdt in dat moet komen vast te staan dat de bestuurder van de pick-up rechtens gezien geen enkel verwijt valt te maken ten aanzien van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Voorts spelen fouten van derden enkel een rol als deze fouten voor de bestuurder van de pick-up zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn rijgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden.

Tegen deze overweging zijn – terecht – geen klachten gericht.

2.7.

Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat op basis van de huidige stand van zaken niet bewezen is dat de Frontier door een derde auto (een witte of goudkleurige Hyundai) is aangereden voordat de Frontier inreed op de Versa. Het Hof licht dit oordeel als volgt toe.

2.8.

De verzekerde van Aska (bestuurder van de Frontier) is in eerste aanleg als getuige gehoord. Uit zijn verklaring blijkt dat hijzelf geen auto heeft gezien die hem heeft aangereden. Hij heeft verklaard een klap te hebben gevoeld aan de linkerzijde van zijn auto. Verder heeft hij weliswaar in stellige bewoordingen verklaard over de derde auto (“Ik heb van getuigen, mensen die daar vis verkopen, gehoord dat ik ben aangereden door een goudkleurige Hyundai”. “Andere mensen hebben mij gezegd dat er het een auto was die van de richting van McDonald’s kwam”.” En: “De goudkleurige auto is meteen weggereden.”), maar daaruit blijkt ook dat hij zich baseert op wat “andere mensen” tegen hem hebben gezegd.

2.9.

Aska hecht groot belang aan de verklaring van mevrouw A. [betrokkene 1], die tegenover de plaats van het ongeval woont en aan hetgeen een van de “andere mensen” aan de verzekerde van Aska heeft verteld. [betrokkene 1] heeft tegenover Forensys verklaard dat zij een witte Hyundai heeft gezien, waaruit twee Latijns-Amerikaanse vrouwen stapten, die daarna weer zijn weggereden (productie 2, overgelegd door Aska voorafgaande aan de comparitie). Uit haar verklaring blijkt echter ook dat zij de aanrijding niet zelf heeft gezien. Zij was binnen, heeft geluid van remmen gehoord en is toen naar buiten gegaan. Op dat moment had de aanrijding al plaatsgevonden.

2.10.

In dit verband is van belang dat de bestuurder van de Versa (de heer [betrokkene 2]) zowel in eerste aanleg als ter zitting in hoger beroep de lezing van [betrokkene 1] in zoverre heeft bevestigd dat er ook volgens hem een witte Hyundai aanwezig is geweest en ook dat daaruit na de botsing twee vrouwen zijn gestapt. Deze Hyundai kwam volgens [betrokkene 2] echter niet uit de uitrit van de McDonald’s, maar uit de richting van Rio Canario – en dus uit tegengestelde richting ten opzichte van de Versa en de Frontier – en heeft moeten uitwijken voor de botsing, waarna de Hyundai op de middenberm van de in-/uitrit van de McDonald’s tot stilstand is gekomen. Met andere woorden: ook volgens [betrokkene 2] was er een witte Hyundai, waarin twee vrouwen zaten, maar deze auto had niets met de (oorzaak van de) aanrijding te maken.

2.11.

De enige derde die het ongeval zelf heeft waargenomen en die is geïdentificeerd, is de heer P. [betrokkene 3]. Vast staat dat hij achter de Frontier reed, ook in de richting van Rio Canario. Hij heeft verklaard de aanrijding te hebben gezien. Zijn schriftelijke verklaring (productie 4 bij verzoekschrift) bevat onder andere de volgende passage:

“U houdt mij voor dat er wordt gezegd dat er een andere auto was waarmee de auto van UTS [de Frontier] eerst had gebotst en daarna tegen de auto van de Nederlandse jongen [de Versa] is daarop mijn reactie: dat is niet waar.”

2.12.

Van belang is ook dat het schadebeeld aan de Frontier het relaas van de verzekerde van Aska niet ondersteunt. Vast staat dat aan de linkerzijde van de Frontier (op welke kant de Frontier ook terecht is gekomen nadat hij was gekanteld na de botsing met de Versa) slechts krasschade is geconstateerd. Dit is ook Forensys opgevallen. Zie haar rapportage, overgelegd als productie 2b bij verzoekschrift waarin wordt verklaard dat Forensys aan de linkerkant van de Frontier geen schade heeft waargenomen die er mogelijk op wijst dat een ander voertuig deze veroorzaakt zou hebben:

“Pero Forensys no ta mira riba e vehikulo [Frontier] danjo na su banda robes ku porta indika ku un otro vehikulo lo por a kousa.”

Desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van Aska verklaard dat, omdat de Frontier niet stil stond, “al een klein tikje” volstond om deze uit zijn baan te krijgen. Gelet echter op het (door Aska zelf benadrukte) grote gewicht van de Frontier en de stelling van Aska dat haar verzekerde niet te hard reed, ligt dit zonder enige onderbouwing, die Aska niet heeft gegeven, niet voor de hand. Daar komt bij dat eveneens niet voor de hand liggend is dat de vermeende tik van de Hyundai, waarvan de verzekerde van Aska heeft verklaard plotseling een klap te hebben gevoeld, geen enkele waarneembare schade op de Frontier zou hebben achtergelaten.

2.13.

Ter zitting in hoger beroep heeft Aska nog gewezen op foto’s waarop glasscherven op de weg zijn te zien, kennelijk glas van kapot gereden remlichten (productie 1 bij conclusie van antwoord). Volgens Aska liggen de scherven, die zichtbaar zijn op p. 3 van genoemde productie, op de plaats waarop de vermeende botsing tussen de Hyundai en de Frontier zou hebben plaatsgevonden. Het Hof acht deze stelling speculatief en volgt Aska hierin niet. Evengoed is immers denkbaar dat de hier bedoelde glasscherven liggen op de plek waar de Frontier op de linker achterkant (en tegen het linker achterlicht) van de Versa is gebotst, te meer nu op de foto op enige afstand de op zijn linkerzij liggende Frontier zichtbaar is en aangenomen moet worden dat de Frontier zich na de aanraking met de Versa nog ongeveer tien meter heeft verplaatst. Anders dan Aska heeft gesteld, ligt het glas midden op de weg en niet “helemaal aan de rechterkant van de weghelft bij het trottoir” (pleitnotities hoger beroep, sub 17).

2.14.

Uit dit bewijsmateriaal, in onderlinge samenhang beschouwd, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de Frontier daadwerkelijk door een derde auto is aangereden. Niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk een derde auto bij het ongeval betrokken is geweest. Daarmee ontvalt de grondslag aan het beroep van Aska op overmacht.

2.15.

Aska heeft (ook) in hoger beroep getuigenbewijs aangeboden. In hoger beroep moet een partij tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (HR 9 juli 2004, NJ 2005/270).

2.16.

Tegen deze achtergrond is het Hof van oordeel dat het bewijsaanbod van Aska onvoldoende specifiek is. De bestuurder van de Frontier is al in eerste aanleg als getuige gehoord. Van hem en van [betrokkene 1] bevinden zich in het dossier schriftelijke verklaringen. Aska heeft niet gesteld dat en in hoeverre zij meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Aska heeft evenmin gesteld wie nog meer als getuige gehoord zou(den) kunnen worden. Voor zover Aska het oog zou hebben gehad op de door haar verzekerde in zijn getuigenverklaring genoemde visverkopers, geldt dat Aska niets heeft gesteld omtrent de identiteit van deze personen. Zij heeft ook niet gesteld dat zij mogelijkheden ziet om deze identiteit alsnog te achterhalen. Naar het oordeel van het Hof hadden dergelijke stellingen, in het kader van het vereiste van een voldoende specifiek bewijsaanbod, wel van Aska mogen worden verwacht. Aan (nadere) bewijslevering komt het Hof dus niet toe.

2.17.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden vonnissen moeten worden bevestigd. In het midden kan blijven of het beroep op overmacht zou slagen als zou moeten worden aangenomen dat de Hyundai wel de door Aska geschetste rol zou hebben gespeeld. In dat geval zou, mede in het licht van de in 2.6 weergegeven overweging van het Gerecht, moeten worden beoordeeld of de verzekerde van Aska geen enkel verwijt treft voor wat betreft de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. In dat verband zou nader aan de orde moeten komen hoe hard hij heeft gereden, of hij voldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie ter plekke (met een voor afslaan voorgesorteerde auto voor hem en een in-/uitrit naast hem) en of eventueel foutief gedrag van de bestuurder van de Hyundai zo onwaarschijnlijk was dat hij daarmee geen rekening behoefde te houden. Dat alles, met inbegrip van de daarop betrekking hebbende stellingen van partijen, kan buiten beschouwing blijven.

2.18.

Aska zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de bestreden vonnissen;

- veroordeelt Aska in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op NAf 6.000 aan salaris gemachtigde en NAf 421,76 aan explootkosten;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Th. Veling, M.W. Scholte en W. Geurts-de Veld, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature