< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Bijzondere kamer als bedoeld in artikel 37, eerste lid, Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie . Personeelsreglement ondersteunend personeel Gemeenschappelijk Hof. Landsverordening materieel ambtenarenrecht Sint Maarten (Lma). Schorsing. Strafontslag. Verplichting ambtenaar tot vergoeding van schade (art. 67, eerste lid, Lma). Voor het

ontstaan van de verplichting tot vergoeding van schade is een beschikking vereist. Bevoegd gezag moet belangenafweging maken. Draagkracht speelt daarbij in beginsel geen rol. Verjaring. De beschikking op grond van art. 67, eerste lid, Lma wordt civielrechtelijk geëxecuteerd. Inhouding op bezoldiging (artikel 104, eerste lid, Lma ). Inhouding vindt plaats

bij beschikking. Art. 6:167 Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

Uitspraak



Registratienummers: SXM2018H00236, SXM2018H00237 en SXM2018H00259

Datum uitspraak: 21 januari 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak

krachtens artikel 37 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de zaken tussen:

[Appellante],

wonende te Sint Maarten,

oorspronkelijk klaagster, thans appellante,

hierna: appellante,

gemachtigde: de advocaat mr. Z.J. Bary,

en

de Beheerraad van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie,

zetelend in alle landen,

oorspronkelijk verweerder, thans geïntimeerde,

hierna: Beheerraad,

gemachtigde: de advocaat mr. L.M. Virginia.

1 Procesverloop

Appellante heeft beroep ingesteld tegen:

- de beschikking van de Beheerraad van 9 maart 2018 tot schorsing bij wijze van ordemaatregel, met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden (hierna: schorsingsbeschikking);

- de beschikking van de Beheerraad van 22 juni 2018 tot oplegging van de disciplinaire straf van ontslag, met onmiddellijke tenuitvoerlegging (hierna: ontslagbeschikking);

- de beschikking van de Beheerraad van 6 juli 2018 tot verplichting tot schadevergoeding tot een bedrag van USD 1.148.160,- en tot inhouding op de bezoldiging van een bedrag van NAf 29.591,71 (hierna: schade- en inhoudingsbeschikking).

Bij uitspraak van 16 oktober 2018 in de zaken SXM201800375-GAZ 20/2018, SXM201800956-GAZ 27/2018 en SXM201801205-GAZ 28/2018 (ECLI:NL:OGEAM:2018:150) (hierna: aangevallen uitspraak) heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna: Gerecht) de beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

De Beheerraad heeft een contra-memorie ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het hoger beroep is op 29 oktober 2019 te Sint Maarten behandeld ter zitting van het Hof. Appellante was aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Bary. De Beheerraad werd vertegenwoordigd door mr. Virginia. Hij werd vergezeld door mr. A.J.J. van Rijen, vice-president van (de vestiging Sint Maarten van) het Hof.

2 Overwegingen

Regelgeving

1. Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2.1.

Appellante was voorafgaand aan de nieuwe rechterlijke organisatie per 10 oktober 2010

in dienst van het land de Nederlandse Antillen en werkzaam bij het toenmalige Gerecht,

sinds 1 januari 1994 als (waarnemend) substituut-griffier en hoofd van de griffie. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: Rijkswet) is zij per 10 oktober 2010 van rechtswege aangesteld bij (de vestiging Sint Maarten van) het Hof. Zij vervulde de functie van vestigingsmanager en was de vestigingsgriffier, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Rijkswet. Als (waarnemend) substituut-griffier en vestigingsgriffier was zij verantwoordelijk voor het financiële beheer van de griffie en het budgetbeheer.

2.2.

De vestiging Sint Maarten van het Hof (hierna ook: vestiging) heeft drie bankrekeningen voor derdengelden: een dollarrekening en een guldenrekening op naam van de griffier en een guldenrekening op naam van het Hof. De rekeningen op naam van de griffier zijn er van oudsher. De rekening op naam van het Hof is er sinds 10 oktober 2010. Tot 10 oktober 2010 waren de (waarnemend) substituut-griffier en het hoofd van de administratie tekenbevoegd, vanaf 10 oktober 2010 de vestigingsmanager en de senior juridisch medewerker en vanaf mei 2015 ook de vice-president, de directeur bedrijfsvoering van het Hof en het hoofd van de financiële administratie van het Hof. Regelmatig werden en worden uitgaven ten laste van de derdengelden rekeningen gedaan door middel van cheques. Die cheques moesten en moeten door twee tekenbevoegden worden getekend. Tot mei 2015 waren er slechts twee tekenbevoegden: appellante en L. P-G, die van 1995 tot 2002/2003 hoofd van de administratie was en sindsdien senior juridisch medewerker.

2.3.

In het kader van het op orde brengen van het financiële beheer is het Hof in 2014 begonnen met het in kaart brengen van de administratie van de derdengelden rekeningen bij de verschillende vestigingen in de boekjaren 2013 tot en met 2017. De onderzoeken op de vestigingen Aruba, Bonaire en Curaçao zijn in november 2017 grotendeels afgerond. Bij de vestiging Sint Maarten is het - aangekondigde - onderzoek gestart in december 2017. Doordat de onderzoekers daarbij weinig medewerking ervoeren en de administratie niet of onvolledig te traceren bleek, ontstond het vermoeden dat sprake was (geweest) van onregelmatigheden. Vervolgens is een intern onderzoek ingesteld naar de deugdelijkheid van het beheer van de derdengelden rekeningen bij de vestiging Sint Maarten. Het onderzoek is uitgevoerd door de controller van het Hof met bijstand van een accountant van Ernst & Young. Meer specifiek is onderzocht of er een administratie is van de inkomende en uitgaande bedragen en of die bedragen verantwoord worden door middel van de documenten die daaraan ten grondslag behoren te liggen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 maart 2018 en een vervolgrapport van 5 juni 2018.

2.4.

Omdat bij het onderzoek grotendeels geen administratie met onderliggende documenten kon worden teruggevonden van de uitgaande bedragen van de derdengelden rekeningen is onderzocht door wie de uitgeschreven cheques zijn verzilverd. Daartoe is bij de bank een overzicht opgevraagd van degenen die in de periode van 2013 tot en met 2017 blijkens hun handtekening voor ontvangst de uitgeschreven cheques hebben verzilverd. Daarbij is het volgende naar voren gekomen:

In 2017 zijn 47 cheques verzilverd, waarvan 46 in contanten. Dat is in 37 gevallen gedaan door E.S., als koerier werkzaam bij een advocatenkantoor, in 4 gevallen door U. N-B, als schoonmaakster werkzaam bij de vestiging, in 4 gevallen door appellante en in 1 geval door een persoon van wie de bank geen handtekening/identificatie heeft aangeleverd. De laatste cheque (van USD 4.040,-) is verzilverd op 24 november 2017.

In 2016 zijn 100 cheques verzilverd, waarvan 80 in contanten. Dat is in 67 gevallen gedaan door E.S., in 9 gevallen door U. N-B en in 4 gevallen door een persoon van wie de bank geen handtekening/identificatie heeft aangeleverd.

In 2015 zijn 71 cheques verzilverd in contanten. Dat is in 51 gevallen gedaan door E.S, in 18 gevallen door U. N-B en in 2 gevallen door appellante.

In 2014 zijn (ten minste) 74 cheques verzilverd in contanten. Dat is in 49 gevallen gedaan door E.S., in 24 gevallen door U. N-B en in 1 geval door een persoon van wie de bank geen handtekening/identificatie heeft aangeleverd.

In 2013 zijn 69 cheques verzilverd in contanten. Hiervan heeft de bank geen handtekening/identificatie aangeleverd.

Al deze cheques zijn als eerste getekend door L. P-G en als tweede door appellante. Alleen van de in 2017 niet in contanten verzilverde cheque (van USD 1.000,-) zijn bewijsstukken aangetroffen. Vaststaat dat deze is uitgeschreven voor een deskundigenrapport. Van de in contanten verzilverde cheques is in geen enkel geval documentatie aangetroffen.

2.5.

De onderzoekers hebben vastgesteld dat in de periode van 2013 tot en met 2017 regelmatig terugkerende opnames voor specifieke bedragen werden gedaan. Zo zijn 43 cheques van USD 5.500,- verzilverd, 22 van USD 4.040,- en 20 van USD 8.800,-. Naar aanleiding daarvan is vervolgens vastgesteld dat in de periode van 2002 tot en met 2012 (nog) 18 cheques van USD 5.500,- zijn verzilverd en in de periode van 2002 tot en met 2011 (van de guldenrekening) 43 cheques van NAf 5.500,- (USD 132.865,-). Al deze cheques uit de periode van 2002 tot en met 2012 zijn als eerste getekend door L. P-G en als tweede door appellante. Niet is onderzocht door wie deze cheques zijn verzilverd.

2.6.

In het kader van het onderzoek zijn, behalve met appellante, gesprekken gevoerd met:

- L. P-G;

- U. N-B;

- S.G., hoofd van de administratie;

- J. E-M., hoofd van de administratie van 2003 tot 2009;

- Z.M., medewerker van de griffie;

- S.S., medewerker van de griffie.

2.7.

In het kader van de strafrechtelijke vervolging van appellante heeft de rechter-commissaris de hierboven genoemde personen en verder E.S. en de voormalige vice-president mr. K. Mans onder ede als getuigen gehoord. Ter zitting in de strafzaak op 26 juni 2019 heeft de rechter de toenmalige vice-president mr. P.A.H. Lemaire onder ede als getuige gehoord.

3.1.

Naar aanleiding van de eerste bevindingen van de onderzoekers is met appellante op 24 januari 2018 een gesprek gevoerd door de president en de directeur bedrijfsvoering van het Hof. In dat gesprek heeft appellante verklaard dat de administratie en archivering van de uitgaven ten laste van de derdengelden rekeningen helemaal bij S.G. berust. S.G. heeft dit in haar verklaring in het kader van het interne onderzoek echter tegengesproken en verder gezegd dat uitgaven helemaal niet geregistreerd worden. Gevraagd naar (het ontbreken van) onderliggende stukken (ook) met betrekking tot de regelmatig terugkerende opnames van USD 5.500,- antwoordde appellante dat het een instructie van de toenmalige president van het Hof betreft ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst in een strafzaak, dat zij (nu) niet wil verklaren aan wie het geld wordt gegeven omdat zij zwijgplicht heeft, en dat zij zich bedreigd voelt. Appellante heeft verder gezegd dat twee door haar met name genoemde rechters van de vestiging daarvan wellicht op de hoogte zijn. In telefonische gesprekken met de onderzoekers hebben beide (voormalige) rechters echter verklaard niets van een dergelijke instructie te weten en het bedrag van USD 5.500,- ook niet te herkennen. Aan het einde van het gesprek heeft appellante ingestemd met het voorstel van de president en de directeur bedrijfsvoering dat zij zes weken verlof opneemt en niet in de Courthouse en in het archief zal komen.

3.2.

Op 28 februari 2018 hebben de onderzoekers (opnieuw) met appellante gesproken, in het bijzonder over de (wijze van) registratie van de uitgaven. Appellante heeft daarop geen concrete antwoorden gegeven, maar verzocht om schriftelijke vragen. Zij heeft verklaard dat de administratie inderdaad niet op orde was, maar dat er nooit richtlijnen zijn opgesteld en opleidingen aangeboden en dat er te weinig personeel was. Opnieuw gevraagd naar de regelmatig terugkerende opnamen van USD 5.500,- heeft appellante haar eerdere verklaring bevestigd. Vragen over andere regelmatig terugkerende opnamen wilde appellante (toen) niet beantwoorden. Zij kon of wilde ook geen voorbeelden geven van gevallen waarin regelmatig terugkerende betalingen zouden (moeten) voorkomen en gaf aan dat dit aan de betrokken rechters moest worden gevraagd. Tijdens het gesprek heeft appellante verwezen naar de door de onderzoekers op haar werkkamer aangetroffen ordner waarin de uitgaven over 2017 werden geregistreerd. In die ordner zijn slechts de bewijsstukken van de op 27 januari 2017 niet in contanten verzilverde cheque van USD 1.000,- aangetroffen. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om samen met de onderzoekers naar ontbrekende stukken te zoeken. Op de na het gesprek op 5 maart 2018 toegezonden vragen heeft appellante op 6 maart 2018 schriftelijk gereageerd. Op de vraag naar de regelmatig terugkerende opnamen van USD 4.040,-, USD 4.400,- en USD 8.800,- heeft appellante geantwoord dat het moet gaan om terugbetalingen, maar dat zij zich dit zomaar uit het hoofd niet kan herinneren.

3.3.

Op 12 maart 2018 heeft appellante in een schriftelijke verklaring aan de president en de directeur bedrijfsvoering haar onvrede geuit over de gang van zaken tijdens het onderzoek, in het bijzonder dat zij niet in de gelegenheid is gesteld in de Courthouse en in het archief bewijsstukken op te zoeken. Verder verklaarde zij dat er wel degelijk voor alle uitgaven onderliggende documenten zijn, maar dat die verspreid in de Courthouse en in het archief (moeten) zijn en voor een deel verloren (moeten) zijn gegaan bij een inbraak in de Courthouse in 2007 en door waterschade in de Courthouse (ook op haar werkkamer) als gevolg van de orkaan Irma in 2017. Appellante heeft opnieuw naar voren gebracht dat cheques altijd werden uitgeschreven in opdracht van rechters en dat door medewerkers op de griffie alles werd geregistreerd.

3.4.

In het onderzoek is verder het volgende naar voren gekomen. Bij brief van 2 september 2016 heeft de hoofdofficier van justitie van Sint Maarten verzocht de verbeurd verklaarde bedragen van NAf 69.571,-, USD 1.133.660,15 en EUR 21.491 over te maken op de bankrekening van de procureur-generaal van Curaçao en Sint Maarten ten behoeve van het Criminaliteitsfonds. Omdat de bank dat vanwege de hoogte van de bedragen had gevraagd, heeft appellante mr. Mans verzocht om in dit geval de (drie) overboekingsformulieren mede te ondertekenen. Na de ondertekening door haar en mr. Mans is op twee van de drie formulieren handmatig het nummer van de te debiteren derdengelden rekening in dollars gewijzigd in dat van de griffierechtenrekening. Appellante heeft erkend dat zij die wijzigingen heeft geparafeerd, maar heeft voor de wijzigingen geen reden gegeven. Uit de gedingstukken blijkt dat op dat moment het totale saldo van de te debiteren derdengelden rekeningen in dollars niet toereikend was. Appellante betwist dat dit het geval is, maar heeft dat niet met feiten gestaafd.

3.5.

E.S., die in het kader van het interne onderzoek niet was gehoord, heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij sinds 1999 voor het advocatenkantoor waarvoor zij werkzaam is naar de Courthouse gaat als koerier. Sinds 2003/2004 verrichtte zij op verzoek ook diensten voor medewerkers van de vestiging, onder wie appellante. Zij verzilverde door appellante uitgeschreven cheques van het Hof in contanten en bracht het geld naar appellante. Als appellante er niet was, dan legde zij het geld op haar bureau of stoel.

3.6.

U. N-B heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij door appellante naar de bank werd gestuurd. Zij wisselde cheques in voor haar en gaf de enveloppe met het geld aan haar. Als appellante er niet was, dan gaf zij het geld niet aan een ander maar legde het op haar bureau. Zij werkt al 20 jaar bij de vestiging en wisselt al cheques in zolang zij daar werkt. Het ging steeds om bedragen van meer dan NAf 1.000,- maar minder dan NAf 10.000,-. Voor andere medewerkers van de vestiging stortte zij ook wel bedragen bij de bank, maar appellante was de enige voor wie zij cheques in contanten inde. Deze verklaring komt overeen met de door U. N-B in het kader van het interne onderzoek afgelegde verklaring.

3.7.

Ter zitting in de strafzaak op 26 juni 2019 heeft appellante herhaald dat de regelmatig terugkerende opnames van eerst NAf 5.500,- en later USD 5.500,- zijn gedaan ter uitvoering van een instructie van de toenmalige (in 2008 overleden) president. Een en ander zou te maken hebben met een inbraak in de Courthouse in 2007, waarbij onder meer geld en sieraden uit de kluis zouden zijn gestolen. Dit zouden derdengelden zijn en de sieraden zouden ook aan derden toebehoren. Toen de persoon zich meldde die op grond van een rechterlijke uitspraak recht had op het geld, zou de president hebben besloten om elke maand eerst NAf 5.500,- en later USD 5.500,- aan die persoon te betalen. Deze bedragen werden aanvankelijk opgehaald door een (in 2012 overleden) deurwaarder. Daarna werden de bedragen van USD 5.500,- elke maand door appellante bij de achterdeur van de Courthouse meegegeven aan een persoon van wie appellante niet weet wie hij is. Gevraagd naar wie haar daarom heeft verzocht, verklaarde appellante dat zij ook dat niet wist. Wie de rechthebbende is, weet zij ook niet. Doordat zij niet meer in haar kantoor kon, heeft zij dat ook niet meer kunnen nagaan.

3.8.

Ter zitting in hoger beroep heeft appellante verklaard dat alles volgens de regels is verlopen. Het geld van de in opdracht van haar in contanten verzilverde cheques is steeds aan de rechthebbenden uitbetaald. Daarvan zijn ook steeds bewijsstukken opgemaakt. Dat die bewijsstukken niet te vinden zijn komt doordat een deel daarvan verloren is gegaan in 2007 en 2017. Dat kan appellante niet worden verweten. Een ander deel moet in het archief liggen. Het verhaal over de instructie van de toenmalige president is niet waar. Dat verhaal heeft zij aan het begin van het interne onderzoek onder druk van de omstandigheden ingebracht en daarvan durfde zij later niet meer terug te komen.

4.1.

Na afloop van het gesprek op 28 februari 2018 heeft mr. Lemaire aan appellante het voornemen tot schorsing uitgereikt. Appellante heeft op 6 maart 2018, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke reactie gegeven. Op 9 maart 2018 is de schorsingsbeschikking gevolgd.

4.2.

Op 28 mei 2018 is aan appellante het voornemen tot ontslag uitgereikt. Appellante heeft op 4 juni 2018, daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke zienswijze gegeven. Nadat bij beschikking van 8 juni 2018 de schorsing van appellante met één maand was verlengd, is op 22 juni 2018 de ontslagbeschikking gevolgd.

4.3.

Op 20 juni 2018 is aan appellante het voornemen tot verplichting tot schadevergoeding en tot inhouding op de bezoldiging uitgereikt. Appellante heeft op 6 juni 2018, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd. Op 6 juli 2018 is de schade- en inhoudingsbeschikking gevolgd. De Beheerraad heeft er daarbij voor gekozen wat de periode van 2013 tot en met 2017 betreft die bedragen mee te nemen die 5 x of meer voorkomen. Dit betreft:

5 x USD 2.500,-

22 x USD 4.040,-

5 x USD 4.400,-

6 x USD 5.000,-

43 x USD 5.500,-

5 x USD 6.015

10 x USD 6.600,-

5 x USD 7.015,-

6 x USD 7.100,-

6 x USD 8.000,-

11 x USD 8.015,-

5 x USD 8.100,-

20 x USD 8.800,-.

Daarnaast zijn meegenomen de 18 x USD 5.500,- uit de periode van 2002 tot en met 2012 en de 43 x NAf 5.500,- (USD 132.865,-) uit de periode van 2002 tot en met 2011. Dit alles opgeteld leidt tot het in de schade- en inhoudingsbeschikking opgenomen bedrag van USD 1.148.160,-.

De schorsingsbeschikking

5.1.

Met betrekking tot de schorsingsbeschikking sluit het Hof zich aan bij het oordeel van het Gerecht en de daaraan in 2.2 van de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

5.2.

Het betoog van appellante dat de Beheerraad gedurende de schorsing onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, waardoor de schorsing te lang heeft geduurd en appellante onnodig lang in onzekerheid heeft verkeerd, volgt het Hof niet. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de Beheerraad niet meer tijd heeft genomen dan de tijd die nodig was om een zorgvuldig onderzoek in te stellen.

5.3.

Voor de stelling van appellante dat de Beheerraad de bevoegdheid tot schorsing heeft gebruikt om appellante te beperken in haar verdedigingsmogelijkheden, bieden de gedingstukken geen aanknopingspunt.

5.4.

Voor zover appellante heeft willen betogen dat de verlenging van de schorsing niet nodig was, kan het Hof dit betoog niet bespreken. Tegen de beschikking van 8 juni 2018 is immers geen beroep ingesteld.

5.5.

De conclusie is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover het de schorsingsbeschikking betreft.

De ontslagbeschikking

Plichtsverzuim

6.1.

De Beheerraad heeft aan de ontslagbeschikking - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat appellante (ernstig) plichtsverzuim heeft gepleegd. Appellante was verantwoordelijk voor het financiële beheer (en het budgetbeheer). Het beheer van de derdengelden rekeningen valt daaronder. Vaststaat dat appellante gedurende een zeer lange periode gelden van de derdengelden rekeningen òf zelf contant heeft geïnd òf door anderen, met name E.S. en U. N-B, contant heeft laten innen en van hen in ontvangst heeft genomen. Appellante stelde zelf de begeleidende brief/bewijs van kwijting/ontvangstbewijs op en kreeg de kopieën van de ondertekende begeleidende brieven/bewijzen van kwijting/ontvangstbewijzen òf zelf van de bank òf via E.S. en U. N-B en bewaarde deze naar eigen zeggen in ordners. Appellante heeft verklaard dat er in alle gevallen een bewijsstuk is (een vonnis of anderszins) waarin het bedrag is opgenomen dat op de corresponderende cheque staat. Hiermee is niet verenigbaar dat ten aanzien van geen van de contant verzilverde cheques onderliggende documentatie is aangetroffen of door appellante is overgelegd. Appellante heeft hiervoor geen bevredigende verklaring kunnen geven. Zij heeft, integendeel, in de loop van de tijd steeds wisselende verklaringen gegeven die aantoonbaar onjuist dan wel ongeloofwaardig en niet te verifiëren zijn. Appellante is hiervoor volledig verantwoordelijk.

6.2.1.

Het Hof is op grond van de volgende overwegingen met het Gerecht van oordeel dat de Beheerraad terecht heeft aangenomen dat sprake is van (ernstig) plichtsverzuim.

6.2.2.

Er is sprake van een opmerkelijk groot aantal terugkerende opnames in contanten via cheques. Voor een derdengelden rekening is het zeer ongebruikelijk en onwaarschijnlijk dat met grote regelmaat betaling van dezelfde bedragen moet plaatsvinden. Het gaat immers steeds om individuele zaken in een specifieke context. Ook het vrijwel altijd contant uitbetalen aan de rechthebbenden is ongebruikelijk en onwaarschijnlijk. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van enkele in het kader van het onderzoek gehoorde medewerkers van de griffie dat uitbetaling in contanten wel eens, maar niet veel voorkomt. Appellante heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven.

6.2.3.

De verklaringen van appellante met betrekking tot de opnames van aanvankelijk NAf 5.500,- en later USD 5.500,- zijn leugenachtig gebleken. Los daarvan zijn die verklaringen hoe dan ook ongeloofwaardig. Appellante heeft daarvoor ook nooit enige onderbouwing gegeven. Het verhaal is bovendien niet in overeenstemming met wel vastgestelde feiten. De gelden waar de cheques op zien, kunnen niet bij de inbraak zijn gestolen: zij stonden immers op de derdengelden rekeningen en kunnen dus niet in de kluis hebben gelegen. Bovendien zijn ook in de periode vóór 2007 al bedragen van NAf 5.500,- (4 x) en USD 5.500,- (4 x) afgeschreven. Dat appellante dit verhaal (ten minste) op 24 januari 2018 tegenover de president en de directeur bedrijfsvoering, op 28 februari 2018 tegenover de onderzoekers, ter zitting in eerste aanleg op 25 september 2018 en ter zitting in de strafzaak op 26 juni 2019 heeft volgehouden en daarvan pas ter zitting in hoger beroep is teruggekomen, tast ook de geloofwaardigheid van andere verklaringen van appellante aan.

6.2.4.

Het is verder opmerkelijk dat alleen van de enige cheque die niet in contanten is verzilverd wel onderliggende documentatie is aangetroffen en van alle andere niet. Appellante betoogt dat bij de inbraak in 2007 (ook) documenten zijn weggenomen waarmee zij de periodieke betalingen zou kunnen staven. Dit is echter niet verifieerbaar. Bovendien is het overgrote deel van de bewuste cheques in de periode na 2007 verzilverd. Ook over die periode is geen documentatie beschikbaar. De verklaring van appellante dat door waterschade in de Courthouse als gevolg van de orkaan Irma in 2017 een deel van de onderliggende documenten verloren is gegaan, is niet verifieerbaar. Deze is bovendien niet in overeenstemming met de verklaring van mr. Lemaire ter zitting in de strafzaak op 26 juni 2019. Die verklaring houdt in dat er tijdens de orkaan Irma geen stukken van de Courthouse verloren zijn gegaan Er is wel wat waterschade geweest, ook in de werkkamer van appellante, maar documenten die nat waren geworden zijn gedroogd en bewaard. Alleen enkele strafdossiers zijn onbruikbaar geworden.

6.2.5.

Het Hof acht verder aannemelijk dat appellante om een tekort op de derdengelden rekeningen te verhullen bedragen heeft laten afboeken van de griffierechtenrekening. Voorts is opmerkelijk dat alle cheques behalve door appellante mede zijn ondertekend door de aan appellante ondergeschikte S.G. en niet door de - daartoe vanaf mei 2015 eveneens bevoegde - vice-president, aan wie appellante ondergeschikt was. Het Hof wijst verder op het gegeven dat appellante na 24 november 2017, en daarmee na de aankondiging van het onderzoek, geen cheques meer contant heeft geïnd of laten innen.

6.2.6.

Niet in geschil is dat appellante de contant geïnde gelden heeft ontvangen. Omdat er geen bewijzen zijn voor de uiteindelijk door appellante betrokken stelling dat die bedragen aan derden zijn uitbetaald, eindigen al deze transacties bij appellante. Nu zij geen (bevredigende) verklaring heeft kunnen geven voor ontbreken van de vereiste onderliggende documentatie en evenmin voor het grote aantal contante opnames en haar verklaringen deels ook aantoonbaar onjuist zijn, heeft appellante de aan haar opeenvolgende functies van (waarnemend) substituut-griffier en vestigingsgriffier verbonden verantwoordelijkheid voor het beheer van de derdengelden rekeningen verwijtbaar niet waargemaakt en verwaarloosd.

6.3.

Het Hof volgt appellante niet in haar betoog dat het interne onderzoek zodanige gebreken vertoont dat de bevindingen daarvan niet aan de vaststelling van het plichtsverzuim ten grondslag mogen worden gelegd. Dat aan het begin van het onderzoek het slot van de deur van appellantes werkkamer is vervangen waardoor zij niet meer in haar werkkamer kon en dat zij als gevolg van de schorsing niet meer in de Courthouse en het archief mocht komen, heeft appellante niet in haar verdediging geschaad. Appellante heeft de onderzoekers immers zelf verwezen naar de ordners waarin zij naar eigen zeggen de onderliggende documenten opborg, maar daarin bevonden zich geen bewijsstukken van de contante opnames. Ook heeft appellante in het gesprek van 24 januari 2018 verklaard dat de administratie bij S.G. zou berusten en heeft zij toen gezegd nog zoekwerk te willen doen, maar niet op kantoor maar bij anderen. In het gesprek van 28 januari 2018 is aangeboden samen op haar werkkamer te kijken naar de ontbrekende stukken, maar daarvan heeft appellante geen gebruik willen maken. Deze stellingname van appellante verdraagt zich ten slotte niet met haar verklaring dat de betrokken stukken deels in 2007 waren gestolen en deels in 2017 onbruikbaar waren geraakt. In dit verband is ook betoogd dat de onderzoekers ten onrechte niet in het archief hebben gezocht naar onderliggende documenten over de periode van 2002 tot en met 2012. Gegeven het ontbreken van enig document over de periode van 2013 tot en met 2017 hoefden zij daarvoor echter geen aanleiding te zien.

6.4.

Dat sprake zou zijn van een arbeidsconflict van appellante met S.G. is niet relevant. Er is geen grond om aan te nemen dat dat de door S.G. afgelegde en voor appellante minder gunstige verklaringen niet juist zijn.

Evenredigheid

6.5.

Omdat de Beheerraad terecht heeft aangenomen dat sprake is van (ernstig) plichtsverzuim, was hij in beginsel bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf aan appellante. Van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat de Beheerraad van die bevoegdheid geen gebruik zou mogen maken, is niet gebleken.

6.6.

Gelet op de aard, de omvang en de tijdsduur van het plichtsverzuim is de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig. Het Hof ziet er niet aan voorbij dat appellante meer dan 40 jaar in dienst is geweest van de vestiging en blijkens de van haar functioneren opgemaakte beoordelingen in het algemeen haar taken goed heeft vervuld en zich, onder soms moeilijke omstandigheden, heeft ingezet voor het (door)functioneren van de vestiging. Anders dan appellante heeft betoogd, weegt dit gegeven echter niet zo zwaar dat de disciplinaire straf van ontslag daardoor niet evenredig zou zijn. Het Hof ziet er ook niet aan voorbij dat (de leiding van) het Hof gedurende een lange reeks van jaren geen administratieve voorschriften en procedures voor het beheer van de derdengelden rekeningen heeft vastgesteld en niet heeft voorzien in adequate toezicht- controlemechanismen. Dit gegeven neemt echter niet weg dat appellante, als hoogste niet-rechterlijke medewerker van de vestiging en als leidinggevende, een - grote - eigen verantwoordelijkheid had.

Conclusie

6.7.

De conclusie is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover het de ontslagbeschikking betreft.

De schade- en inhoudingsbeschikking

Schade

7.1.

Het Hof ziet aanleiding om allereerst een uiteenzetting te geven over het wettelijke stelsel. De in artikel 67, eerste lid, van de Lma bedoelde verplichting tot vergoeding van schade die middellijk of onmiddellijk het gevolg is van onrechtmatige handelingen van de ambtenaar of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, bestaat of ontstaat niet van rechtswege. Daarvoor is een beschikking nodig. Artikel 67, eerste lid, van de Lma geeft aldus het bevoegd gezag de - bijzondere - bevoegdheid om een beschikking te geven waarbij de ambtenaar tot vergoeding van schade wordt verplicht. Als die beschikking in rechte onaantastbaar is geworden, kan zij - onverminderd het bepaalde in hoofdstuk X van de Lma - overeenkomstig de daarvoor geldende algemene wettelijke bepalingen worden geëxecuteerd. De in artikel 67, tweede lid, van de Lma voorziene landsverordening is niet tot stand gekomen, zodat niet is voorzien in een bijzondere wettelijke regeling terzake. De in artikel 67, eerste lid, van de Lma toegekende bevoegdheid bestaat ook ten aanzien van een gewezen ambtenaar. Als het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid is voldaan, moet het een belangenafweging maken om te bepalen of en zo ja tot welk bedrag de verplichting wordt opgelegd. Daarbij kunnen onder meer aan de orde komen de aard, de ernst en de omvang van de handelingen of het nalaten van de ambtenaar, het functioneren overigens van de ambtenaar en de omstandigheden binnen de organisatie waar de ambtenaar zijn functie vervult. Het bevoegd gezag hoeft in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de ambtenaar. De draagkracht kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven.

7.2.1.

Het Hof stelt vast dat in elk geval met betrekking tot alle cheques waarvan vaststaat dat deze zijn verzilverd door E.S., U. N-B of appellante en die door de Beheerraad in de schade- en inhoudingsbeschikking zijn meegenomen, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van de Lma. Het geld is aan appellante gegeven of door haar zelf geïnd, zij heeft geen (geloofwaardige) verklaring kunnen geven voor wat er met het geld is gedaan of gebeurd en zij heeft ook niet gezorgd voor verifieerbare documentatie terzake.

7.2.2.

Met betrekking tot de cheques waarvan niet vaststaat door wie ze zijn verzilverd, overweegt het Hof het volgende. Van de 6 cheques die in de periode van 2014 tot en met 2017 zijn geïnd door een persoon van wie de bank geen handtekening/identificatie heeft aangeleverd, is slechts 1 cheque door de Beheerraad meegenomen. Van die cheque acht het Hof aannemelijk dat deze net als de 42 andere cheques van USD 5.500,- in de periode van 2013 tot en met 2017 in opdracht van appellante is verzilverd, dat het geld aan haar is gegeven en dat die transactie ook bij haar is geëindigd. Van de 69 cheques uit 2013 waarvan niet is onderzocht door wie ze zijn verzilverd, zijn 16 cheques door de Beheerraad meegenomen: 4 x USD 4.040; 2 x USD 4.400; 5 x USD 5.500 en 5 x USD 6.800,-. Omdat het bedrag van USD 4.040,- in de periode van 2013 tot en met 2017 daarnaast nog 20 x voorkomt, het bedrag van USD 4.400,- nog 3 x, het bedrag van USD 5.500,- nog 38 x en het bedrag van USD 6.800,- nog 15 x, acht het Hof aannemelijk dat ook deze cheques in opdracht van appellante zijn verzilverd, dat het geld aan haar is gegeven en dat die transacties ook bij haar zijn geëindigd. De 18 cheques van USD 5.500,- die in de periode van 2002 tot en met 2012 zijn verzilverd mochten om dezelfde redenen eveneens door de Beheerraad worden meegenomen. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat E.S. en U. N-B hebben verklaard dat zij al sinds 1999 en 2003/2004 in opdracht van appellante cheques hebben verzilverd en het geld aan haar hebben gegeven.

7.2.3.

Voor de 43 cheques van NAf 5.500,- komt het Hof tot een ander oordeel. Van het bedrag van NAf 5.500,- is niet één keer komen vast te staan dat dit door appellante is opgenomen of in opdracht van appellante is verzilverd en vervolgens aan haar is gegeven. Weliswaar heeft appellante in haar verklaringen ook opnames van NAf 5.500,- genoemd, maar dat is niet voldoende om aannemelijk te achten dat het geld van deze opnames uiteindelijk bij appellante terecht is gekomen. Dit betekent dat een bedrag van omgerekend USD 132.865,- niet mocht worden meegenomen.

7.2.4.

Aldus resteert een bedrag van USD 1.015.295,-

7.3.

Het betoog van appellante dat het Hof geen schade heeft geleden omdat niemand zich heeft gemeld als rechthebbende op (een deel van) dit bedrag, slaagt niet. Beslissend is dat gelden zijn onttrokken aan een of meer bankrekeningen van het Hof, waarbij aannemelijk is dat die gelden aan appellante zijn overhandigd en waarbij de transacties bij haar zijn geëindigd. Verder is inherent aan een derdenrekening dat bedragen daar langere tijd op staan. Zolang er maar genoeg saldo is, komen er geen klachten van rechthebbenden. Overigens heeft zich wel ten minste één keer een - aanzienlijk - saldotekort voorgedaan.

7.4.

Het beroep van appellante op verjaring slaagt niet. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat een vordering die haar grondslag vindt in artikel 67, eerste lid, van de Lma, (pas) ontstaat met het geven van de op die bepaling gebaseerde beschikking. In dit geval is die beschikking van 6 juli 2018.

Inhouding

7.5.

Met betrekking tot de inhouding heeft appellante een beroep gedaan op artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek . Dat beroep miskent echter dat de hier aan de orde zijnde inhouding niet berust op deze - algemene - privaatrechtelijke bepaling, maar op een - bijzondere - publiekrechtelijke (bestuursrechtelijke) bepaling.

7.6.

Nu tot een bedrag van USD 1.015.295,- is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van de Lma, was de Beheerraad op grond van artikel 104, eerste lid, van de Lma bevoegd tot inhouding van dat bedrag op de bezoldiging van appellante. Appellante heeft niet betwist dat de inhouding (uitsluitend) betrekking heeft op bezoldigingscomponenten als bedoeld in artikel 103, eerste lid, van de Lma.

7.7.

Het Hof overweegt verder dat voor de toepasselijkheid van artikel 104, eerste lid, van de Lma niet is vereist dat de beschikking waarbij de ambtenaar is verplicht tot vergoeding van schade, in rechte onaantastbaar is geworden. Wel kan een op artikel 104, eerste lid, van de Lma gebaseerde beschikking achteraf worden aangetast als de beschikking waarbij de ambtenaar is verplicht tot vergoeding van schade, wordt vernietigd, deze wordt ingetrokken of het door de ambtenaar verschuldigde bedrag wordt verminderd.

7.8.

Voor zover appellante heeft willen betogen dat de Beheerraad ook op andere dan de in de beschikking genoemde en aan haar toekomende inkomensbestanddelen geldbedragen heeft ingehouden, stelt het Hof vast dat dit betoog geen betrekking heeft op de schade- en inhoudingsbeschikking en daarom door het Hof niet kan worden beoordeeld.

Conclusie

7.9.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen de schade- en inhoudingsbeschikking ongegrond is verklaard, dat het beroep tegen de schade- en inhoudingsbeschikking alsnog gegrond moet worden verklaard en dat de schade- en inhoudingsbeschikking moet worden vernietigd voor zover appellante daarbij is verplicht schade tot een bedrag van (43 x NAf 5.500,- =) USD 132.865,- te vergoeden. Voor de goede orde merkt het Hof op dat hieruit voortvloeit dat met deze uitspraak de schade- en inhoudingsbeschikking in rechte onaantastbaar is geworden voor zover appellante daarbij is verplicht schade te vergoeden tot een bedrag van USD 1.015.295,- en is bepaald dat op de bezoldiging van appellante een bedrag van NAf 29.591,71 wordt ingehouden.

Slotoverweging

8. Het Hof ziet aanleiding om te bepalen dat de Beheerraad appellante een vergoeding dient te betalen voor de door haar in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze stelt het Hof naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf 2.800,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep; wegingsfactor 1; waarde per punt NAf 700,-).

3 Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, recht doende in hoger beroep:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de schorsingsbeschikking ongegrond is verklaard;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de ontslagbeschikking ongegrond is verklaard;

vernietigt de aangevallen uitspraak voor daarbij het beroep tegen de schade- en inhoudingsbeschikking ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep tegen de schade- en inhoudingsbeschikking gegrond;

vernietigt de schade- en inhoudingsbeschikking voor zover appellante daarbij is verplicht schade tot een bedrag van (43 x NAf 5.500,- =) USD 132.865,- te vergoeden;

veroordeelt de Beheerraad in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

NAf 2.800,-.

Deze uitspraak is gewezen door mr. T.G.M. Simons, voorzitter en tevens plaatsvervangend lid van het Hof, en mr. J. Sybesma en mr. W.J.A.M. van Brussel, andere personen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie , in tegenwoordigheid van mr. G. Benedictus, griffier. De beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 januari 2020.

w.g. T.G.M. Simons w.g. G. Benedictus

Bijlage

Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie

Artikel 54, tweede en derde lid

2. Gerechtsambtenaren worden op voorstel van het bestuur van het Hof door de Beheerraad aangesteld, geschorst en ontslagen. Zij worden aangesteld bij het Hof.

3. De rechtspositie van de gerechtsambtenaren (...) wordt geregeld door de Beheerraad onder goedkeuring van Onze Ministers.

Personeelsreglement ondersteunend personeel Gemeenschappelijk Hof

Artikel 2.1, eerste tot en met derde lid

1. De indiensttreding van de gerechtsambtenaren geschiedt bij beschikking van het bestuur van het Hof.

2. De aanstelling is voor bepaalde of onbepaalde tijd.

3. Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, zijn op de aanstelling de regels van aanstelling van het Arubaans of Nederlands-Antilliaans (dan wel opvolgend) ambtenarenrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18.1, eerste en tweede lid

1. De gerechtsambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goede gerechtsambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder f

De disciplinaire straffen, welke kunnen worden toegepast zijn:

f. ontslag.

Artikel 18. 5

De disciplinaire straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging wordt bevolen.

Landsverordening materieel ambtenarenrecht

Artikel 67, eerste en tweede lid

1. De ambtenaar, die als zodanig en zonder ter zake rekenplichtig te zijn door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, middellijk of onmiddellijk de overheid schade toebrengt, is verplicht die schade te vergoeden.

2. De vervolging van en het verhaal op de ambtenaar, zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, geschieden volgens regelen, bij landsverordening vast te stellen.

Artikel 103, eerste lid

Onder bezoldiging wordt in dit hoofdstuk verstaan het geldsbedrag, dat een ambtenaar tijdens zijn ambtsbetrekking ter beloning van de door hem bewezen diensten, onder welke benaming ook, geniet, na aftrek van hetgeen hem in mindering wordt gebracht voor verhaal van pensioenbijdragen.

Artikel 104, eerste lid

Op de door de overheid en de openbare lichamen verschuldigde bezoldigingen kan worden ingehouden, hetgeen de ambtenaar aan hen zelf verschuldigd is.

Artikel 107, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder d

1. Bezoldigingen zijn voor inhouding, beslag of korting vatbaar tot een derde gedeelte.

2. Deze beperking geldt evenwel niet ten aanzien van inhouding, beslag of korting:

d. tot verhaal van vergoeding van schade, door de ambtenaar in verband met de uitoefening van de dienst aan de overheid toegebracht door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature