< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

uitbetaling tegoeden, ongefundeerde verweren, compliance

Uitspraak



Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummers: CUR201801932 – CUR2018H00270

Uitspraak: 8 januari 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

BANCO DEL ORINOCO N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigden: mr. T.E. Matroos en mr. C.A.W. van den Broek,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

SUPERMERCADO CARACAS S.A.,

gevestigd in Venezuela en met gekozen domicilie in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mr. A. Huizing en mr. E.J.J. Huizing.

Partijen worden hierna Banco del Orinoco en Supermercado genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van hoger beroep van 1 augustus 2018 is Banco del Orinoco in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 juli 2018 uitgesproken vonnis in kort geding van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 16 augustus 2018 ingekomen memorie van grieven heeft Banco del Orinoco grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Supermercado alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Supermercado in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord, ingediend op 1 oktober 2018, heeft Supermercado de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof Banco del Orinoco niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen dan wel die aan haar zal ontzeggen, met bevestiging van het vonnis waarvan beroep, kosten rechtens.

1.4

Op 13 november 2018 hebben de gemachtigden van partijen een schriftelijk pleidooi ingediend.

1.5

Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Banco del Orinoco exploiteert een bank. Supermercado heeft een spaarrekening met rekeningnummer 503607 bij Banco del Orinoco, waarop het saldo op 4 juli 2018 US$ 25.914,76 bedroeg. Daarnaast houdt Supermercado een termijndeposito aan bij Banco del Orinoco, waarvan het saldo laatstelijk US$ 200.082,19 bedroeg.

2.2

Supermercado heeft verschillende keren om uitkering van haar tegoeden gevraagd. Banco del Orinoco heeft daar niet op gereageerd. In haar inleidende verzoekschrift heeft Supermercado betaling gevorderd van US$ 225.855,87, het toenmalige gezamenlijke saldo van de beide tegoeden, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.3

Het Gerecht heeft de vordering toegewezen.

2.4

Banco del Orinoco is in hoger beroep opgekomen tegen de veroordeling tot betaling van het bedrag uit hoofde van het termijndeposito. Zij heeft als eerste aangevoerd dat in artikel 5 van de deposito-overeenkomst is bepaald dat het termijndeposito automatisch onder dezelfde voorwaarden zal worden verlengd als de klant niet uitdrukkelijk binnen vijf dagen voor de vervaldatum aan Banco del Orinoco te kennen geeft het termijndeposito niet te willen verlengen en dat artikel 4 van de deposito-overeenkomst meebrengt dat eerdere opzegging niet mogelijk is.

2.5

Banco del Orinoco heeft ter onderbouwing van dit betoog verwezen naar productie 2 bij de memorie van grieven, waartoe (onder meer) de deposito-overeenkomst met de genoemde artikelen zou behoren. Productie 2 bevat echter geen document dat zou kunnen worden aangemerkt als een deposito-overeenkomst met de genoemde artikelen. Wel heeft het Hof aangetroffen een op 27 juni 2014 gedateerde aanvraag van Supermercado voor een termijndeposito van 150.000 dollar (?) en een ‘certificado de deposito’ van hetzelfde bedrag uitgegeven aan Supermercado. Dit certificaat bevat wel een artikel 4, maar dat betreft niet de opzegging, en geen artikel 5. Banco del Orinoco heeft verder naar voren gebracht dat het termijndeposito als vervaldatum 30 augustus 2018 zou hebben. Ter staving hiervan heeft Banco del Orinoco verwezen naar productie 3 bij memorie van grieven. Uit deze noch de overige door Banco del Orinoco overgelegde producties kan die vervaldatum 30 augustus 2018 worden afgeleid. Integendeel, de als productie 3 door Banco del Orinoco overgelegde aanvraag van Supermercado van een letter of credit vermeldt als ‘fecha de vencimiento’ van het termijndeposito: 27 januari 2017. In de memorie van antwoord heeft Supermercado erop gewezen dat Banco del Orinoco in eerste aanleg nog had gesteld dat de vervaldatum 30 juli 2018 was en dat de betreffende contractvoorwaarden niet zijn overgelegd. Op 7 november 2018 heeft Banco del Orinoco nadere stukken overgelegd maar een afschrift van een deposito-overeenkomst die de bedoelde artikelen 4 en 5 bevat en die meer duidelijkheid geeft over de vervaldatum ontbreekt ook daarbij.

2.6

Nu Supermercado heeft betwist dat de gestelde voorwaarden voor opzegging zijn overeengekomen en Banco del Orinoco haar stelling ter zake niet heeft onderbouwd, kan niet van de gestelde voorwaarden worden uitgegaan. Dit brengt mee dat het verweer van Banco del Orinoco, dat het termijndeposito niet rechtsgeldig is opgezegd en de vordering om die reden niet opeisbaar is, moet worden verworpen. Op zichzelf is aannemelijk dat het termijndeposito niet op ieder willekeurig moment opeisbaar is voor Supermercado. In aanmerking genomen echter dat uit de stukken kan worden afgeleid dat het termijndeposito op 26 juni 2014 is aangegaan en dat onweersproken is dat Supermercado sinds juli 2017 herhaaldelijk en zonder enige reactie haar tegoed bij Banco del Orinoco heeft opgeëist, terwijl Banco del Orinoco (thans) zelf stelt dat de vervaldatum 30 augustus 2018 is en van enig (ander) obstakel voor opeisbaarheid niet is gebleken, moet worden geconcludeerd dat de vordering opeisbaar is. De grieven falen in zoverre.

2.7

Banco del Orinoco heeft verder aangevoerd dat Supermercado op 6 april 2018 met de aan Banco del Orinoco gelieerde Banco Occidental de Descuento (hierna: Banco Occidental) een kredietovereenkomst heeft gesloten voor de duur van een jaar die automatisch en onder dezelfde voorwaarden wordt verlengd als een van de partijen niet voor de beëindigingsdatum uitdrukkelijk opzegt.

2.8

Supermercado heeft niet betwist dat er een kredietovereenkomst is gesloten met de Banco Occidental en dat het termijndeposito in het kader van die lening als zekerheid is verstrekt. Zij heeft echter aangevoerd dat de verleende kredieten zijn afgelost, dat zij inmiddels al een jaar probeert haar geld terug te krijgen en dat de kredietovereenkomst dan ook geen valide reden is om uitkering van het tegoed te weigeren.

2.9

Het had gelet op dit verweer op de weg van Banco del Orinoco gelegen om meer inzicht te verschaffen in de aard van de kredietfaciliteit en de rol die het termijndeposito daarin heeft gespeeld. In het bijzonder had zij moeten toelichten waarom de kredietovereenkomst aan uitbetaling van het tegoed uit hoofde van het termijndeposito in de weg zou staan als, zoals Supermercado onweersproken heeft gesteld, alle verbintenissen uit de kredietovereenkomst zijn nagekomen. Uit de door Banco del Orinoco overgelegde productie 4 bij memorie van grieven kan weliswaar worden afgeleid dat tussen Supermercado en Banco Occidental een kredietovereenkomst is afgesloten, maar dat die is ingegaan op 6 april 2018 en een looptijd zou hebben van een jaar en / of jaarlijks stilzwijgend zou worden verlengd heeft het Hof zonder nadere toelichting niet uit dit document kunnen afleiden. De als productie 3 overgelegde stukken, die betrekking hebben op het verstrekken van een ‘carta de credito’ aan Supermercado met als zekerheid het termijndeposito en op de cessie van het vorderingsrecht door Supermercado van het vorderingsrecht uit hoofde van het termijndeposito, (lijken te) dateren van januari 2017. De samenhang tussen die kredietbrief en de cessie enerzijds en de kredietovereenkomst anderzijds spreekt ook overigens niet vanzelf en had dus nader moeten worden toegelicht. Nu dit alles niet uit de verf is gekomen en vast staat dat Supermercado al meer dan een jaar haar tegoed tracht op te eisen bij Banco del Orinoco en dus in zoverre van stilzwijgende verlenging in ieder geval geen sprake kan zijn, heeft Banco del Orinoco haar standpunt dat de kredietovereenkomst en in verband daarmee verstrekte zekerheden in de weg staan aan uitbetaling van het tegoed van het termijndeposito, naar het voorlopig oordeel van het Hof, onvoldoende onderbouwd. Ook voor het overige worden de grieven verworpen.

2.10

Banco del Orinoco heeft tot slot erop gewezen dat zij ingevolge de Landsverordening identificatie bij dienstverlening (LvId) en de Landsverordering melding ongebruikelijke transacties (LvMot), voorschriften van de Centrale Bank en intern beleid verplicht is bepaalde documenten van haar cliënten in bezit te hebben, een en ander ter bestrijding en voorkoming van witwassen, financiering van terrorisme en andere strafbare gedragingen (hierna: complianceverplichtingen). Hoewel dit verweer niet in een grief is verwerkt, begrijpt het Hof dat bedoeld wordt dat Banco del Orinoco niet tot uitbetaling van het tegoed kan worden verplicht omdat niet al deze documenten in haar bezit zijn.

2.11

Ook dit betoog slaagt niet. Vooropgesteld wordt dat noch de door Banco del Orinoco aangehaalde regelgeving noch de door haar overgelegde overeenkomsten met Supermercado haar onder alle omstandigheden de bevoegdheid geven om een op zichzelf rechtmatige claim van Supermercado tot uitbetaling van een bij Banco del Orinoco aangehouden tegoed te weigeren. Daar komt bij dat het - zachtst gezegd - onevenwichtig is om bij het aangaan van de verbintenis niet om de bedoelde documenten te vragen en als het op uitbetaling aankomt het ontbreken daarvan aan een klant tegen te werpen. Ook van belang is dat Banco del Orinoco pas op 15 juni 2018, dus bijna een jaar nadat Supermercado voor het eerst terugbetaling van het tegoed had gevraagd en ruim vier en een half jaar na het aangaan van het termijndeposito, in een algemeen e-mailbericht (waarvan Supermercado de ontvangst heeft betwist) aan (kennelijk) een groot deel van haar klanten heeft verzocht om documenten, zonder daarbij te specificeren welke stukken zij van Supermercado in het bijzonder nodig had om aan de bedoelde complianceverplichtingen te voldoen. Tot slot weegt mee dat er geen enkele concrete aanwijzing is dat Supermercado zich schuldig zou maken of in verband te brengen zou zijn met de in 2.10 bedoelde strafbare gedragingen. Onder deze omstandigheden moet, voorlopig oordelend, het ontbreken van de bedoelde documenten in de administratie van Banco del Orinoco geheel aan haarzelf worden toegeschreven en kan dit geen grond opleveren voor het weigeren van de uitbetaling van het tegoed.

2.12

Het bestreden vonnis zal worden bevestigd. Banco del Orinoco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Supermercado worden veroordeeld.

BE S L I S S I N G

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt Banco del Orinoco in de proceskosten van Supermercado in hoger beroep, begroot op NAf 16.500,- aan gemachtigdensalaris (3 punten maal tarief 8) en NAf 493,26 aan betekeningskosten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 8 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature