< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

bev (medeplichtigheid diefstal met geweld) def

Uitspraak



Zaaknummer: H-157/18

Parketnummer: 500.00130/18

Uitspraak: 2 mei 2019 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: Gerecht), van 17 augustus 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedag] [geboortejaar] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. B.L. Lie Atjam, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de straf en – in zoverre opnieuw recht doende – de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, onder aanvulling van de bewijsmiddelen, onder toevoeging van een aantal zinsneden aan bewijsmiddel 3, onder vervanging van bewijsmiddel 4, onder toevoeging van een bewijsoverweging en onder gedeeltelijke vervanging van de overweging met betrekking tot de oplegging van de straf.

Bewijsmiddelen

Het Hof voegt de volgende zinsneden toe aan bewijsmiddel 3:

a. Ik was samen met [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte), [medeverdachte 1] en de man bijgenaamd “[medeverdachte 2]” de beroving gaan plegen. We hebben de grijsgelakte Suzuki Swift gebruikt om de beroving te gaan plegen. [verdachte] was de bestuurder.

Het Hof vult de bewijsmiddelen aan met de volgende verklaringen:

Op 15 mei 2018 werd medeverdachte [medeverdachte 3] door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verhoord. Hij heeft het volgende verklaard:

Ik heb die beroving inderdaad gepleegd. [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte) en zijn nicht (het Hof begrijpt: neef) waren ook bij deze beroving betrokken. [verdachte] was de bestuurder van de auto waarmee wij de beroving gingen plegen.

Op 24 januari 2019 werd medeverdachte [medeverdachte 4] door de rechter-commissaris verhoord. Zij heeft het volgende verklaard.

Ik hoor u zeggen dat het plan eerst zou zijn geweest om Europese Nederlanders te beroven en dat het plan meerdere keren werd veranderd. U vraagt mij wie bij het veranderen van de plannen aanwezig waren. Ik antwoord u als volgt. We zijn met vier man naar de Caracasbaai gereden, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte) en ik. Elke keer dat wij de plannen veranderden zat [verdachte] in de auto.

Het Hof vervangt bewijsmiddel 4 door het volgende bewijsmiddel.

Op 6 april 2018 werd de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] verhoord. Hij heeft het volgende verklaard:

Ik beken de beroving op 5 april 2018 op de [naam mimimarket] te hebben gepleegd. We zijn in een huurauto naar de [naam mimimarket] gegaan. Ik was de bestuurder. [medeverdachte 4] (Het Hof: de medeverdachte [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 3] (Het Hof: de medeverdachte [medeverdachte 3]) gingen naar binnen.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in zijn eerdere verklaringen heeft gelogen. Hij zou in tegenstelling tot zijn eerdere verklaringen, niet betrokken zijn geweest bij de overval. Op die bewuste dag had hij de auto gehuurd om enkel en alleen daarmee rond te rijden. Van de slechte intenties van de medeverdachten was hij niet op de hoogte.

Het Hof overweegt als volgt. Het verweer dat thans in hoger beroep aan de orde is vindt zijn weerlegging in de door het Gerecht en het Hof gebezigde bewijsmiddelen. De door de verdachte in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring vindt bevestiging in de verklaring van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Immers hebben zij beiden bij de politie verklaard over de betrokkenheid van de verdachte bij de beroving en dat hij als bestuurder van de auto optrad. Hierbij komt dat [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte in de auto zat toen de plannen om een overval te plegen werden veranderd. Van redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van voornoemde verklaringen is het Hof niet gebleken. Overigens kunnen voor de lezing van de verdachte ook geen aanknopingspunten aan het dossier worden ontleend.

Oplegging van de straf

Het Hof ziet anders dan de procureur-generaal in de omstandigheid dat de verdachte in hoger beroep geen openheid van zaken heeft gegeven en gelet op zijn proceshouding, ook geen verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft genomen, geen aanleiding om een hogere straf op te leggen dan die hem door het Gerecht is opgelegd. De door het Gerecht opgelegde straf doet, gelet op de straffen die voor dit soort feiten in de regel worden opgelegd, in voldoende mate recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte nog jong is en nog nooit eerder in aanraking is gekomen met politie en/of justitie. Met de oplegging van een voorwaardelijke straf met een proeftijd van drie jaren, wordt de verdachte ingescherpt zich gedurende de proeftijd niet weer aan een misdrijf schuldig te maken.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, M.C.B. Hubben en H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, (zittings)griffier, en op 2 mei 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

mr. H. de Doelder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

Het proces-verbaal van 1ste verhoor (Sociaal) verdachte [medeverdachte 3], d.d. 15 mei 2018, p. 100-104.

Het proces-verbaal van 1ste verhoor (Sociaal) verdachte [verdachte], 6 april 2018, p. 21-26.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature