< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft op 15 april 2020 aangifte omzetbelasting over het tijdvak maart 2020 gedaan, maar de verschuldigde belasting niet betaald. Ter zake van dat niet-betalen heeft de Inspecteur een verzuimboete van NAf. 2.500 opgelegd. Bij het Gerecht is in geschil of de verzuimboete had mogen worden opgelegd. De casus speelt zich af net nadat het Covid-19 virus is uitgebroken. Eind maart 2020/begin april 2020 heeft de regering van Curaçao maatregelen uitgevaardigd om de sociaal-economische effecten als gevolg van de Covid-uitbraak te verzachten. Op basis van twee publicaties, gedateerd 24 maart 2020 (een aankondiging van de steunmaatregelen) en 27 maart 2020 (een summier overzicht) heeft belanghebbende afgeleid dat zij de omzetbelasting verschuldigd over de maand maart 2020 niet zou hoeven te voldoen en dat ter zake van dat niet-voldoen geen verzuimboete zou worden opgelegd. In een publicatie van 3 april 2020 in de Landscourant van Curaçao – die belanghebbende niet heeft gelezen – waarin de steunmaatregelen nader zijn uitgewerkt, had belanghebbende evenwel kunnen lezen dat de steunmaatregelen gelden voor de tijdvakken april tot en met juni 2020, en derhalve niet voor het tijdvak maart 2020. Het Gerecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan de publicaties van 24 en 27 maart 2020 en dat de Inspecteur terecht een boete van Afl. 2.500 heeft opgelegd vanwege het niet tijdig betalen. Het Gerecht oordeelt dat de boete passend en geboden is. Wel ziet het Gerecht in de overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve aanleiding de verzuimboete te verminderen. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boete met 10% matigen. Het vorenstaande brengt mee dat de opgelegde boete zal worden verminderd tot NAf 2.250. De ambtshalve matiging van de verzuimboete wegens termijnoverschrijding is geen aanleiding voor een gegrondverklaring van het beroep. Het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak



Uitspraak van 15 september 2023

BBZ nr. CUR202203643

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 27 januari 2021 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak maart 2020. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd.

1.2

Belanghebbende heeft op 11 maart 2021 bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete.

1.3

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2021 het bezwaar ongegrond verklaard en de verzuimboete gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende heeft op 20 december 2021 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 23 augustus 2023 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2023 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A], directeur van belanghebbende, vergezeld van [B]. Namens de Inspecteur is verschenen, [C].

1.7

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en deze met bijlagen overlegd.

2 FEITEN

2.1

Op 24 maart 2020 heeft de regering van Curaçao een solidariteitspakket aangekondigd om de sociaal economische effecten van het COVID 19 virus op de samenleving te verzachten.

2.2

Kort daarna heeft het Ministerie van Financiën van Curaçao een formulier uitgevaardigd (ongedateerd), te weten een A-4tje, waarin de fiscale maatregelen worden vermeld.

2.3

Op 3 april 2020 is in de Landscourant van Curaçao de ‘Aanschrijving Solidariteitspakket aan steunmaatregelen inzake COVID-19’ gepubliceerd, waarin de aangekondigde steunmaatregelen nader zijn uitgewerkt. In § 2.5 is een steunmaatregel uitgevaardigd inzake de (niet-)oplegging van verzuimboetes.

2.4

Belanghebbende heeft op 15 april 2020 voor het tijdvak maart 2020 aangifte omzetbelasting gedaan naar een verschuldigde belasting van NAf 71.565.

2.5

De Inspecteur heeft op 27 januari 2021 voor het tijdvak maart 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 71.565. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van NAf 2.500 vanwege het niet (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de verzuimboete terecht is opgelegd.

4 OVERWEGINGEN

4.1

Op grond van artikel 14 ALL is de belastingplichtige gehouden de in een tijdvak verschuldigde belasting die op aangifte dient te worden voldaan binnen vijftien dagen na afloop van het tijdvak overeenkomstig de aangifte te betalen bij de Ontvanger. De over het tijdvak maart verschuldigde omzetbelasting diende op grond hiervan uiterlijk 15 april 2020 op de rekening van de Ontvanger te zijn bijgeschreven.

4.2

Vaststaat dat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak maart 2020 op 15 april 2020 nog niet had betaald.

4.3

Belanghebbende voert aan dat zij op basis van de door het Ministerie van Financiën vanwege COVID-19 doorgevoerde fiscale maatregelen er vanuit mocht gaan dat de verschuldigde belasting niet direct betaald hoefde te worden. Ter onderbouwing verwijst zij naar de publicatie van 24 maart 2020 en het formulier zoals vermeld onder 2.2. Belanghebbende is er op basis van deze uitlatingen van de overheid vanuit gegaan dat aan haar vanwege de te late betaling van de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak maart 2020 geen verzuimboete zou worden opgelegd.

4.4

Naar het Gerecht begrijpt, doet belanghebbende daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de Inspecteur dan wel de Ontvanger in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439).

4.5

Het Gerecht overweegt ter zake van het beroep op het vertrouwensbeginsel als volgt.

4.5.1

Op het formulier van 24 maart 2023 is vermeld dat de regering met een solidariteitspakket komt dat bedoeld is om de sociaal-economische effecten van het COVID-19 virus op de samenleving te verzachten, waaronder fiscale stimuleringsmaatregelen. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende aan dit formulier geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen. De enkele aankondiging dat de regering met een solidariteitspakket komt, is daartoe onvoldoende.

4.5.2

Kort na de onder 4.5.1 vermelde aankondiging is het ongedateerde formulier zoals vermeld onder 2.2 uitgevaardigd. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat dit formulier dateert van 27 maart 2020. Nu de Inspecteur, desgevraagd op zitting, die datum niet heeft weersproken, zal het Gerecht van genoemde datum uitgaan. Op het formulier van 27 maart 2020 is vermeld dat het Ministerie van Financiën vanwege de impact van COVID-19 een aantal fiscale maatregelen gaat doorvoeren om financiële ademruimte te creëren. Deze maatregelen worden gepresenteerd in een overzicht met behulp van symbolen en een korte beschrijving in eenvoudig taalgebruik. Belanghebbende beroept zich op de volgende maatregelen: “Boetes voor niet of niet tijdige betaling van (niet)-belasting worden niet opgelegd” en “Mogelijkheid tot sluiten van nieuwe betalingsregeling voor alle belastingen en niet-belastingen door getroffen bedrijven en zelfstandigen in liquiditeitsproblemen”. Op het formulier is verder vermeld dat de fiscale maatregelen bestemd zijn voor bedrijven, particulieren en zelfstandige ondernemers. Daarnaast wordt de periode april t/m juni 2020 genoemd.

4.5.3

Belanghebbende stelt onder meer dat zij in april 2020 haar aangifte omzetbelasting voor het tijdvak maart 2020 heeft ingediend, derhalve binnen de genoemde periode van april t/m juni 2020 en dat zij op grond van de aankondiging van 24 maart 2020 en het formulier van 27 maart 2020 erop mocht vertrouwen dat aan haar geen verzuimboete zou worden opgelegd.

4.5.4

In de nadien verschenen Landscourant van Curaçao van 3 april 2020, jaargang 2020, Editie no. 14 is over het solidariteitspakket aan steunmaatregelen inzake COVID-19 – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen.

Ҥ 2.2 De mogelijkheid tot het sluiten van nieuwe betalingsregelingen voor alle belastingen en niet-belastingen

Op basis van artikel 8 van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen, artikel 6 van de Invorderingslandsverordening 1954 en artikel 50, eerste lid, van de Landsverordening omzetbelasting 1999 is de Ontvanger bevoegd om op verzoek van een belastingplichtige, ter zake van de verschuldigde belasting uitstel van betaling of een betalingsregeling overeen te komen.

Steunmaatregel

De Ontvanger kan op verzoek van een belastingplichtige nieuwe betalingsregelingen overeenkomen voor alle belastingen en niet-belastingen die door de Ontvanger worden geïnd. De voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen luiden als volgt:

 De belastingplichtige moet een schriftelijk verzoek sturen naar invorderingsteam@gobiernu.cw en daarin aangeven voor welke belastingmiddelen uitstel van betaling gewenst is en toelichten dat de COVID-19 uitbraak betalingsproblemen veroorzaakt;

 Na ontvangst van het verzoek zal de Ontvanger de invorderingsmaatregelen opschorten en een betalingsregeling overeenkomen.

 De verplichting voor belastingplichtigen om aangifte te doen wordt hiermee niet opgeschort

 De aangiften tot en met het tijdvak februari 2020 dienen te zijn ingediend en voldaan.

(…)

§ 2.5 Verzuimboetes

Op basis van artikel 19 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen kan de Inspecteur beslissen om een boete van ten hoogste NAf 10.000 op te leggen, aan een belastingplichtige of inhoudingsplichtige, indien die de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald.

Steunmaatregel

Artikel 19 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen vindt over de tijdvakken april, mei en juni 2020 geen toepassing.

De Inspectie der Belastingen zal derhalve over deze tijdvakken het opleggen van een verzuimboete achterwege laten voor het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belasting.

(…)

§ 2.7 Afdracht van omzetbelasting

Op basis van artikelen 6 en 11 van de Landsverordening Omzetbelasting 1999 is de ondernemer die een levering of een dienst verricht verplicht om omzetbelasting af te dragen.

Steunmaatregel

Accommodatiegelegenheden, congrescentra, evenementen, horeca, recreatie en

uitgangsgelegenheden, schoonheidssalons, reisbranche, autoverhuurders, carwash, tourbussen, taxi’s, bus transport (bus “chiki” en bussen van Autobusbedrijf Curaçao N.V.) en transport voor kinderen die naar schoolgaan worden voor de tijdvakken april 2020 tot en met juni 2020 ontheven van de verplichting om omzetbelasting af te dragen.

De omzetbelasting dient wel te worden ingehouden, het dient op gebruikelijke wijze door middel van een aangifte te worden gerapporteerd, maar hoeft niet afgedragen te worden door de belastingplichtige.

Indien noodzakelijk kunnen deze maatregelen telkens met 3 maanden worden verlengd.”

4.5.5

Uit het vermelde in de Landscourant van Curaçao van 3 april 2020 concludeert de Inspecteur dat de aangifte over het tijdvak maart 2020 niet onder de reikwijdte van de steunmaatregelen valt, omdat de steunmaatregelen zich (in eerste instantie) beperken tot de tijdvakken april, mei en juni 2020.

4.5.6

Naar het oordeel van het Gerecht hebben de uitlatingen, zoals gedaan in de aankondiging op 24 maart 2020 en door middel van het formulier van 27 maart 2020, in het licht van de toenmalige omstandigheden, bij belanghebbende redelijkerwijs niet het vertrouwen kunnen wekken dat een verzuimboete vanwege een te late betaling van de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak maart 2020 achterwege zou blijven. De uitlating van 24 maart 2020 betreft enkel een aankondiging van te nemen maatregelen en het formulier van 27 maart 2020 is slechts een summier overzicht van de te nemen fiscale maatregelen. Belanghebbende heeft kunnen en moeten begrijpen, mede gelet op de omvang en impact van het solidariteitspakket, dat het op het formulier van 27 maart 2020 gegeven overzicht nog een nadere uitwerking zou behoeven. Die uitwerking is er snel gekomen, te weten een week later, namelijk op 3 april 2020, middels een aanschrijving in de Landscourant van Curaçao, zijnde het geëigende medium om een beleidsbesluit met een impact als het onderhavige in te publiceren. Daarbij merkt het Gerecht verder nog op dat de publicatie van 3 april 2020 in de Landscourant van Curaçao ruimschoots is gelegen voor de uiterste datum van 15 april 2020 waarop belanghebbende de door haar verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak maart 2020 diende te betalen.

4.5.7

Dat een eerder verzoek om uitstel zou zijn afgewezen, omdat er op dat moment nog geen aanslag was opgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit doet er immers niet aan af dat de verschuldigde omzetbelasting niet tijdig betaald is.

4.6

Op grond van artikel 19 ALL kan de Inspecteur ter zake van het niet tijdig betalen van een belasting die op aangifte moet worden voldaan, zoals de omzetbelasting, een verzuimboete opleggen van ten hoogste NAf 10.000.

4.7

In de Ministeriële regeling formeel belastingrecht is onder meer het boetebeleid van de Inspecteur neergelegd. Op grond van artikel 4.6, lid 2 van de ze Ministeri ële regeling legt de Inspecteur bij een eerste verzuim een boete op van 5% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 250 en een maximum van NAf 2.500.

4.8

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur terecht een boete van Afl. 2.500 opgelegd vanwege het niet tijdig betalen. Het Gerecht overweegt dat de boete in overeenstemming met de zwaarte van het verzuim is opgelegd en oordeelt dat de boete passend en geboden is.

4.9

Wel ziet het Gerecht in de overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve aanleiding de verzuimboete te verminderen. De vermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden (vgl. GHvJ 25 juli 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:130). De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

4.10

Van de oplegging van de verzuimboete (27 januari 2021) tot de onderhavige uitspraak van het Gerecht (5 oktober 2023) zijn meer dan twee jaar verstreken, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn meebrengt van naar boven afgerond negen maanden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boete met 10% matigen overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.

4.11

Het vorenstaande brengt mee dat de opgelegde boete zal worden verminderd tot NAf 2.250.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

De ambtshalve matiging van de verzuimboete wegens termijnoverschrijding is geen aanleiding voor een gegrondverklaring van het beroep. Het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart het beroep ongegrond;

vermindert de verzuimboete tot NAf 2.250.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 15 september 2023, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: NAf 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature