< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

legaat-termijn-geslaagd beroep op rechtsverwerking

Uitspraak



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202004632

Vonnis van 10 mei 2021

inzake

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. drs. L.L.A. Davelaar-Franklin,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1. [

Eiseres] heeft op 27 november 2020 een inleidend verzoekschrift met producties ter griffie ingediend. [Gedaagde] heeft op 11 januari 2021 een conclusie van antwoord genomen en op 1 maart 2021, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, pleitnotities en nadere producties toegestuurd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2021 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: [eiseres], bijgestaan door haar gemachtigde en een adviseur, [naam 1], en [gedaagde], bijgestaan door haar dochter. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten nader uiteengezet, de gemachtigde van [eiseres] mede aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen.

1.3.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.

2.2. [

[naam erflater] (hierna: de erflater) was de oom van [naam 2] (hierna: [naam 2]), de vader van [gedaagde] en de oudoom van [eiseres]. [naam 2] was de vader van [eiseres]. De erflater was sinds 22 februari 1954 de eigenaar van een perceel grond, waaronder een perceel van 1.250 m2 groot, gelegen te Pos di Wanga, plaatselijk bekend als Pos di Wanga [perceel nr] (perceel A), alsmede een daaraan grenzend perceel in zuidelijke richting metende ongeveer tien meter en in westelijke richting ongeveer twintig meter, met een oppervlakte van 1.248 m2 (perceel B).

2.3. [

[naam 2] heeft een woning gebouwd op perceel A. Per schenkingsakte van 7 mei 2003 heeft erflater perceel A aan [naam 2] geschonken.

2.4.

De erflater is op 22 september 2004 overleden in Curaçao. Hij heeft bij testament van 23 oktober 2002 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

II. “Ik legateer, niet vrij van rechten, af te geven bij notariële akte binnen zes maanden na mijn overlijden, aan mijn neef [NAAM 2] (…) het perceel <A>, alsmede <perceel B>, zodat de totale oppervlakte van de gelegateerde percelen ongeveer <2.500m2> bedraagt.

III. Onder de last van voormeld legaat benoem ik tot mijn enige erfgename

<[gedaagde]> (…)”

2.5. [

[naam 2] is 21 februari 2017 overleden. [eiseres] is zijn enige erfgename.

2.6. [

[eiseres] heeft op 1 juli 2020 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de percelen A en B.

3 Het geschil

3.1. [

[eiseres] vordert om bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

A. “Gedaagde te gelasten mee te werken aan afgifte van het legaat/aan de levering

van bedoeld perceel aan verzoeker en indien zij daaraan niet haar medewerking verleent te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke door haar te verrichten rechtshandelingen.

B. Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de

nakosten P.M., een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”

3.2. [

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag. Een legaat is een schuld van de nalatenschap waaraan [gedaagde] als erfgenaam dient te voldoen. De aan het legaat verbonden tijdsbepaling is geen vervaltermijn wat betekent dat de erfgenaam ook na afloop van de termijn van zes maanden nog steeds moet meewerken aan de afgifte van het legaat en dat de legataris nog steeds afgifte kan eisen. Dat [naam 2] het legaat zou hebben verworpen wordt betwist en blijkt nergens uit. Hij heeft op grond van het testament recht op het resterende perceel. [eiseres] treedt middels plaatsvervulling in zijn plaats.

3.3. [

[gedaagde] heeft – samengevat – het volgende tot verweer gevoerd. [naam 2] heeft het legaat in de dertien jaar die hij na het overlijden van de erflater nog heeft geleefd nooit geaccepteerd en heeft het meermaals mondeling afgewezen. Hij heeft nooit gebruik gemaakt van perceel B en hij heeft geweigerd het in ontvangst te nemen, onder meer door te weigeren om (mee) naar de notaris te gaan. Aldus heeft hij zijn vorderingsrecht verspeeld. [eiseres] kan dan ook niet na zestien jaar alsnog het legaat/perceel B opeisen, terwijl in het testament staat dat [naam 2] het binnen een termijn van zes maanden had moeten aanvaarden. De vordering is verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In essentie is aan de orde de vraag of [eiseres] als erfgenaam van [naam 2] aanspraak kan maken op perceel B, vanwege het legaat dat daarop door de erflater jegens [naam 2] is gevestigd.

termijn van aanvaarding

4.2.

Het verweer dat [naam 2] het legaat niet binnen de in het testament gestelde termijn van zes maanden heeft aanvaard en dat daarmee geen aanspraak meer kan worden gemaakt op het legaat, wordt verworpen. Dat het testament bepaalt dat het legaat binnen een bepaalde termijn moet worden afgegeven, is een veelvuldig voorkomende bepaling. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat dergelijke bepalingen moeten worden beschouwd als een nadere omlijning (een aansporingstermijn) van de ingevolge het legaat bestaande verplichting het gelegateerde aan de legataris af te geven en dat het niet tot doel heeft de legataris en de erfgenaam ten aanzien van het genot in een andere positie te brengen. De in het testament genoemde termijn van zes maanden voor de afgifte van perceel B kan dan ook niet worden beschouwd als een vervaltermijn. Aanknopingspunten voor een ander oordeel zijn in het testament niet te vinden. Het verstrijken van de termijn van zes maanden staat er dus op zich niet aan in de weg dat alsnog aanspraak wordt gemaakt op het gelegateerde perceel B.

rechtsverwerking

4.3.

Het verweer van [gedaagde] dat [naam 2] zijn vorderingsrecht had verspeeld door het legaat niet te accepteren en perceel B nooit in gebruik te nemen, wordt gekwalificeerd als een beroep op rechtsverwerking. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [gedaagde] het volgende aangevoerd. [naam 2] raakte met erflater gebrouilleerd. Hij heeft meerdere malen, ook direct na de begrafenis van erflater, gezegd ‘dat hij niets meer met het stuk grond te maken wilde hebben’. Hij heeft ook nooit gebruik gemaakt van perceel B, dat onbebouwd is. In plaats van perceel B, gebruikte hij het perceel van [gedaagde] om bij zijn woning op perceel A te komen. Tevens heeft [naam 2] alleen om perceel A een hek geplaatst en zo zijn perceel van de rest van het familieterrein afgescheiden. Ruim twaalf jaar heeft [naam 2] geen aanspraak gemaakt op zijn legaat. Bovendien heeft hij al die tijd geen grondbelasting voor perceel B betaald; dit heeft [gedaagde] voor haar rekening genomen.

4.4.

Het gerecht stelt voorop dat het enkele tijdsverloop, het al die tijd stilzitten, onvoldoende is om te kunnen aannemen dat [naam 2] zijn vorderingsrecht op het legaat heeft verwerkt. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij (in casu [gedaagde]) het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [naam 2] zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in haar positie onredelijk zou worden benadeeld in geval [eiseres], als erfgenaam van [naam 2], de aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.5.

Naar het oordeel van het gerecht is in het onderhavige geval gebleken van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [naam 2] zijn recht op perceel B niet meer geldend zou maken. Dat [naam 2] – al dan niet meermaals – uitdrukkelijk zou hebben gezegd dat hij niets met perceel B te maken wilde hebben, kan weliswaar, gelet op de betwisting daarvan door [eiseres], (zonder bewijslevering) niet worden vastgesteld. Dat [naam 2] op de hoogte was van het legaat en dat hij in de ruim twaalf jaar die hij na het overlijden van de erflater nog heeft geleefd nooit iets heeft gedaan om afgifte van het legaat te verkrijgen is echter niet in geschil. Dat [naam 2] enkel om perceel A een hek heeft gebouwd en dat hij nooit grondbelasting voor perceel B heeft afgedragen heeft [eiseres] niet weersproken. In het licht daarvan heeft [eiseres] evenmin (voldoende gemotiveerd) weersproken dat [naam 2] nooit gebruik heeft gemaakt van perceel B. Dat het door haar in dit kader genoemde houten huisje met elektriciteitskabels (naar de woning op perceel A) niet op perceel B staat heeft [eiseres] immers niet nader gemotiveerd betwist. Onder deze omstandigheden mocht [gedaagde] er op vertrouwen dat [naam 2] zijn aanspraak op perceel B niet meer geldend zou maken. Op haar rustte dan ook, anders dan [eiseres] heeft aangevoerd, niet de verplichting om na het overlijden van [naam 2] alsnog diens erfgenaam [eiseres] van het legaat kennis te geven.

4.6.

Aangezien het beroep op rechtsverwerking slaagt kan de vraag of [naam 2] het legaat conform artikel 4:201 lid 3 BW op ondubbelzinnige wijze heeft verworpen in het midden blijven. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen. Ook het – gelet op artikel 3:306 BW op voorhand niet erg kansrijke – beroep op verjaring kan onbesproken blijven.

4.7.

Het voorgaande dient tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] te leiden.

4.8. [

[eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

5 De beslissing

Het gerecht:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, rechter, en op 10 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature