< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Invoer cocaïne

Uitspraak



Parketnummer: 500.00277/19

Uitspraak: 1 april 2020 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],

wonende in Venezuela,

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2020 en is gesloten op 13 maart 2020. De verdachte is op 28 februari 2020 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.E. Martis, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie, mr. R.A. Koert, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Zijn vordering behelst voorts verbeurdverklaring van de twee boten en de twee GPS apparaten.

De raadsman heeft een bewijsverweer gevoerd en subsidiair - mocht het tot een veroordeling komen – een strafmaatverweer.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 juli 2019, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand juli 2019, in Curaçao, althans de territoriale zee van Curaçao, althans zeewaarts van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder begrepen “invoer” in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 ) althans vervoerd, althans in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 803290 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en /of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no.13); artikel 3 jo 11-1 Opiumlandsverordening 1960.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 31 juli 2019, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand juli 2019, in Curaçao, althans de territoriale zee van Curaçao, althans zeewaarts van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder begrepen “invoer” in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 ) althans vervoerd, althans in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 803290 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no.13).

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt het Gerecht de volgende feitelijke gang van zaken af.

Op 31 juli 2019 omstreeks 10:45 uur ziet de Kustwacht van Curaçao op ongeveer 6 zeemijl ten zuiden vanaf de Annabaai een op een fruitbark gelijkende boot die later bleek genaamd “[naam boot]”, die een kleinere boot gelijkend op een “yola” achter zich aansleept. Als de Kustwacht de boten nadert, wordt de yola losgelaten en geeft de bark gas en probeert in zuidelijke richting weg te varen. Na meerdere vorderingen stopt de kapitein het vaartuig. Vervolgens wordt de kapitein meermalen gevorderd om koers te zetten richting Curaçao. Na 4 minuten stopt de [naam boot] met varen en zien verbalisanten dat een persoon met een donkere huidskleur en in grijs gekleed vanuit de machinekamer klimt en naar het voordek loopt waar de overige bemanning nog steeds staat. Nadat de kapitein te kennen had gegeven dat de motor afgeslagen was en dat de boot vol water liep constateert de kustwacht die aan boord komt dat de machinekamer vol water staat. De 10 bemanningsleden worden door de kustwacht aan boord genomen en om 14:20 uur aan de politie overgedragen. Twee kustwachters varen met de losgelaten yola naar de kust; de yola blijkt op eigen kracht te kunnen varen zonder technisch mankement. De kapitein van de [naam boot] is de Venezolaan J[verdachte]. De overige 9 personen blijken te zijn een Dominicaan [medeverdachte 1] en acht Venezolanen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] [medeverdachte 7], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9]. De half gezonken [naam boot] wordt veilig gesteld en op 1 augustus 2019 onderzocht. De koelwaterslang van de motor blijkt te zijn doorgesneden. In het stuurhuis worden achter een verse bewerking van glasvezels deels in een compartiment 35 balen aangetroffen, met daarin een materiaal bevattende cocaïne en met een totaal brutogewicht van 803290 gram verdeeld over 700 pakketten. Tevens wordt in een vulkoker aan bakboordzijde een paspoort aangetroffen ten name van voornoemde [medeverdachte 1].

Een van de twee op de [naam boot] gevonden GPS apparaten, beslagnummer 2019.4464, heeft de volgende route afgelegd:

track 1 op 28 juli 2019 rond 8:00 uur in de ochtend in een perceel in de stad [naam plaats 1] in Venezuela;

track 2 op 29 juli 2019 van 16:24 uur tot 22:56 uur vanaf een locatie voor de kust van de golf van Venezuela, 18 km van het genoemde perceel, in noordelijke richting naar een locatie midden in de golf van Venezuela;

track 3 op 29 juli 2019 om 22:56 uur tot en met 30 juli 2019 om 8:28 uur vanaf laatstgenoemde locatie naar de plaats [naam plaats 2] in Colombia;

track 4 op 30 juli 2019 om 8:28 uur tot en met 31 juli 2019 om 14:39 uur vanuit [naam plaats 2] in oostelijke richting boven [naam plaats 3] langs richting Curaçao.

In het andere GPS apparaat, beslagnummer 2019.4465, worden 4 tracks gevonden waarvan 2 een identieke koers hebben gehad omstreeks dezelfde tijdstippen als het genoemde GPS-apparaat 2019.4464, te weten track 3 op 30 juli 2019 van 18:00 uur tot 20:00 uur in de Caribische zee tussen [naam plaats 4] (Colombia) en [naam plaats 3] (Venezuela) en track 4 op 31 juli 2019 tussen 8:00 uur en 11:00 uur 8,5 zeemijl ten zuiden van [naam plaats 5] , Curaçao, en oostwaarts eindigend 6,7 zeemijl ten zuiden van Anna Baai, Curaçao. Track 2 van het GPS apparaat 2019.4465 op 28 juli 2019 om 15:00 uur tot en met 29 juli 2019 03:00 uur begint bij de monding tussen de Baja de Tablazo en de Golf van Venezuela en leidt naar een locatie vlak bij de woning uit track 1 van het andere GPS apparaat 2019.4464 (in [naam plaats 1]).

Op een videobestand gedateerd 28 juli 2019 om 17:26 uur, aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 5], herkent de politie [medeverdachte 5], zittend op de achterkant van een boot die sterke gelijkenis vertoont met de [naam boot]. Omdat de datum van de opname van het videobestand door [medeverdachte 5]wordt betwist, is nader onderzoek verricht waaruit blijkt dat het gezien de instellingen van de telefoon op ‘automatische datum en tijd’ zeer aannemelijk is dat de telefoon ten tijde van het maken van het videobestand op de juiste datum en tijd heeft gestaan.

[medeverdachte 5 bevestigt dat hij degene op de video is, zittend op de [naam boot]. Ook wordt hij herkend door [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9].

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] herkennen de andere persoon op de screenshots als [verdachte]. [medeverdachte 4] verklaart dat de man op de achtergrond lijkt op [verdachte]. [verdachte] herkent zichzelf niet op de foto.

[verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] herkennen de boot op de screenshots als de [naam boot]. [medeverdachte 3] verklaart dat de boot lijkt op de [naam boot].

In de telefoon van [medeverdachte 4] worden SMS-berichten aangetroffen, over en weer verzonden tussen [medeverdachte 4] en ene [naam zwager], die zwager wordt genoemd, inhoudende onder meer:

op 27 juli 2019 om 17:15 uur [medeverdachte 4]: ‘Zwager, we komen nu terug en vertrekken morgenmiddag’;

op 27 juli 2019 om 17:55 [naam zwager: ‘Rot op. [naam 1] wordt helemaal gek. Alles heeft zijn tijd en het schip is in orde’;

op 27 juli 2019 om 18:00 uur [medeverdachte 4]: ‘Ja en de naam van het schip heet [naam boot]’;

op 28 juli 2019 om 12:48 [naam zwager]: ‘Goed zwager welnu, ik denk dat ik je zie als ik terugkom, pas goed op jezelf daar’.

Alle tien verdachten hebben verklaard dat zij op 30 juli 2019 uit [naam plaats 3] (Venezuela) in een kleine boot, een yola of een lancha, zijn vertrokken op weg naar Curaçao om daar werk te zoeken. Over het tijdstip van vertrek verklaren zij sterk wisselend, evenals (in latere verhoren) over het aantal personen waarmee zij in de yola zaten. Allen, met uitzondering van [medeverdachte 2], hebben verschillende bedragen in dollars betaald voor de overtocht. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een klus kreeg als monteur om op de [naam boot] de motor te repareren. Alle verdachten, met uitzondering van [verdachte] en [medeverdachte 2], verklaren dat de kleine boot op zee pech kreeg en dat zij daarom zijn overgestapt op een grote boot die zij op zee tegen kwamen. [verdachte] trad op als kapitein van de kleine boot, volgens eigen zeggen afwisselend met [medeverdachte 9]. In zoverre komen de verklaringen in grote lijnen overeen.

Tijdens latere verhoren beginnen de verklaringen op onderdelen uiteen te lopen, en splitsen de verdachten zich op in twee groepen die elkaar incrimineren. Ieder voor zich houdt wel vast aan het vertrek in een kleine boot vanaf [naam plaats 3] op 30 juli 2019.

Zeven van de tien verdachten, [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 9], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] verklaren vanaf hun derde verhoor dat [medeverdachte 1] (“[bijnaam medeverdachte 1]”), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (“[bijnaam medeverdachte 3]”) niet met hen in de kleine boot zaten maar al op de grote boot aanwezig waren. Nagenoeg alle zeven verklaren dat [medeverdachte 1] de kapitein of de leider was op de grote boot. Ook zou er sprake zijn van bedreigingen, geuit door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. [verdachte] verklaart dat hij onder dwang van “[bijnaam medeverdachte 1]” een uur de grote boot moest besturen.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ontkennen de aantijgingen van de voornoemde zeven verdachten. Zij blijven erbij dat zij op 30 juli 2019 uit [naam plaats 3] in een yola zijn vertrokken en op zee op de grote boot zijn overgestapt en zij wijzen [verdachte] aan als kapitein van de grote boot. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] verklaren dat [verdachte] en de machinist ([medeverdachte 2]) al aan boord van de grote boot waren toen zij opstapten.

[verdachte] verklaart voorts nog dat hij handelde in opdracht van ene [naam 2] om mensen vanaf [naam plaats 3] naar Curaçao te varen. Aanvankelijk verklaart hij dat hij zes anderen in een kleine boot moest meenemen, op zee met de zes op een grotere boot moest overstappen, waarna ze bij het bereiken van Curaçao weer op de kleine boot verder zouden varen naar de kust. In een later verhoor, geconfronteerd met de gegevens uit de telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], wijzigt hij op onderdelen zijn verklaring en zegt hij dat hij met zes personen op de kleine boot was vertrokken, dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] over zouden stappen op een grotere boot, waarna hij met de overige vier passagiers in de kleine boot zou doorvaren naar Curaçao. Feitelijk is het anders gelopen en zijn alle zeven opvarenden van de kleine boot op de grote boot overgestapt en is de kleine boot op sleeptouw genomen tot het bereiken van Curaçao, alwaar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] dan aan boord van de grote boot zouden blijven en [verdachte] met de overige vier passagiers weer op de kleine boot zou stappen om naar de kust van Curaçao te varen. Overigens verklaart [verdachte] dat hij de naam van de grote boot pas wist op het moment van aanhouding door de kustwacht; ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de naam op 30 juli 2019 al wist.

[medeverdachte 4] bevestigt de verklaring van [verdachte] in zoverre dat [verdachte] al dagen voor vertrek tegen hem had gezegd dat ze een boot op zee zouden ontmoeten, maar voegt toe dat [verdachte] daarbij de naam van de boot “[naam boot]” direct had genoemd. Dat laatste verklaart ook dat hij in een van de sms-berichten van 27 juli 2019 de naam van de boot kon doorgeven aan zijn zwager; overigens verklaart hij met betrekking tot de sms-berichten dat de vertrekdatum aanvankelijk 27 juli 2019 was maar dat het vertrek wegens een defect aan de lancha was uitgesteld tot 30 juli 2019. [medeverdachte 4] ontkent voor het overige hetgeen [verdachte] heeft verklaard.

[medeverdachte 5] ontkent dat hij vooraf wetenschap had van de ontmoeting met de grote boot en dat de bedoeling was dat hij en [medeverdachte 4] op de grote boot zouden blijven.

Een en ander geschetst hebbende, ziet het Gerecht zich nu voor de vraag gesteld of de verdachte als (mede)dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor de invoer van de cocaïne.

Aan de verklaringen van de verdachten kan weinig houvast worden ontleend. Deze zijn wisselend, tegenstrijdig, zowel intern als ten opzichte van elkaar en beschuldigend naar elkaar. Bovendien zijn deze, mede gelet op de technische bevindingen, op punten onmiskenbaar als leugenachtig te bestempelen. Wel kan uit de bewijsmiddelen het volgende worden vastgesteld.

Gelet op de route die GPS apparaten aanduiden, ervan uitgaand dat de GPS apparaten zich vanaf 28 juli 2019 aan boord van de [naam boot] hebben bevonden, kan met redelijke zekerheid worden aangenomen dat de Gaviota op 28 juli 2019 vanuit Venezuela is vertrokken, op 30 juli 2019 in Colombia is aangekomen alwaar de cocaïne zal zijn ingeladen, en vervolgens is doorgevaren richting Curaçao. Buiten gerede twijfel staat vast dat de verdachte op het moment dat de [naam boot] werd ontdekt en aangehouden door de kustwacht als kapitein optrad. Als kapitein had de verdachte toegang tot de stuurhut alwaar de cocaïne was verborgen. De verdachte gaf bij het zien van de kustwacht direct gas en probeerde op de vlucht te slaan met de boot. Als de verdachte na meerdere vorderingen van de kustwacht gehoorzaamt en achter de kustwacht aan vaart, onderneemt hij een poging om de [naam boot] te doen zinken door de koelwaterslang door te (laten) snijden. Dit bevestigt dat de verdachte zich bewust was van smokkelwaar aan boord. Dat verdachte de [naam boot] alleen tijdelijk zou hebben bestuurd, hiertoe (steeds) geïnstrueerd door medeverdachte [medeverdachte 1], zoals hij in zijn derde verhoor verklaart, acht het Gerecht, mede gelet op zijn steeds wisselende verklaringen over de gehele gang van zaken en de plek waar volgens de kustwacht (proces-verbaal van 4 augustus 2019) de overige negen bemanningsleden stonden (het voordek), niet aannemelijk. Het Gerecht acht verdachte daarmee als kapitein van de [naam boot] verantwoordelijk voor de drugs op de boot.

Het Gerecht betrekt hierbij ook de omstandigheid dat de verdachte door meerdere verdachten wordt herkend als de tweede persoon aan boord van een boot op het videobestand in de telefoon van [medeverdachte 5] dat is opgenomen op 28 juli 2019. De verdachte en anderen herkennen de boot op de video als de [naam boot]. Hieruit leidt het Gerecht af dat de verdachte zich reeds op 28 juli 2019 aan boord van de [naam boot] bevond en dus over het vertrek uit [naam plaats 3] op 30 juli 2019 op een yola waarna hij (om redenen die onduidelijk blijven en niet logisch overkomen) op de grote boot zou zijn overgestapt, leugenachtig heeft verklaard.

Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat vanuit Venezuela en omliggende Zuid-Amerikaanse landen geregeld cocaïne naar de nabije eilanden zoals Curaçao wordt verscheept, zodat ook de verdachte wordt geacht daarmee bekend te zijn.

Uit het voorgaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte zich met zijn handelen op zijn minst willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat zich cocaïne zou bevinden in de grote boot en deze aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin was gericht op de invoer van de cocaïne.

Aangezien het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat een ander of anderen dan verdachte wisten, al dan niet in voorwaardelijke zin, dat er cocaïne was verstopt aan boord van de grote boot, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte het feit alleen heeft gepleegd.

Tot slot zij opgemerkt dat sprake is van een voltooide invoer van de op de boot aanwezige cocaïne, nu de boot is aangetroffen in de territoriale wateren van Curaçao.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.

Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor invoer van een hoeveelheid cocaïne met een brutogewicht tussen de 10 en 25 kilogram als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaren gegeven.

De verdachte heeft ruim 800 kilo cocaïne binnen Curaçao gebracht. De ingevoerde hoeveelheid was van zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De verspreiding en het gebruik van cocaïne gaan vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit en overlast, variërend van door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof tot zwaardere delicten, zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die de integriteit van het financiële en economische verkeer schaden. De verdachte heeft niet stil gestaan bij de ernstige gevolgen van zijn handelen en zich kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De ernst van het feit biedt evenmin ruimte voor matiging van de straf op grond van de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezondheidstoestand.

Met de officier van justitie acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De twee boten en de twee GPS apparaten zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Met behulp van de voorwerpen is het bewezenverklaarde begaan. Het Hof zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de twee boten en de twee GPS-apparaten.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos, bijgestaan door mr. C. Bernsen, zittingsgriffier, en op 1 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

Proces-verbaal bevinding bark [naam boot] van de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied, steunpunt Curaçao d.d. 4 augustus 2019

Aanvullend proces-verbaal op proces-verbaal bevinding bark [naam boot] van de Kustwacht voornoemd d.d. 11 september 2019

Proces-verbaal bevinding bark [naam boot] d.d. 4 augustus 2019 voornoemd en proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 10 september 2019

Rapport ADC d.d. 9 september 2019

Proces-verbaal van weging, testen en opsturen van monsters naar het Laboratorium d.d. 2 augustus 2019

Proces-verbaal analyse GPS apparaten d.d. 21 augustus 2019

Proces-verbaal van bevinding mobiele telefoon [medeverdachte 5] d.d. 3 januari 2020

Proces-verbaal van bevindingen datum- en tijdsinstelling op GSM d.d. 27 februari 2020

Proces-verbaal van bevinding mobiele telefoon [medeverdachte 4] d.d. 6 januari 2020


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature