< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Arbeidsongeval. Geen sprake van verjaring. Zorgplicht. Geen sprake van grove schuld.

Uitspraak



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201804078

Vonnis d.d. 20 januari 2020 (bij vervroeging)

inzake

[eiser],

wonende in Curacao,

eiser,

gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie,

tegen

[gedaagde],

gevestigd in Curacao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.W. Braam

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

het inleidend verzoekschrift met producties, op 3 december 2018 ter griffie ingediend;

de conclusie van antwoord van 15 april 2019;

de conclusie van repliek van 1 juli 2019;

de conclusie van dupliek van 30 september 2019.

1.2.

Vonnis is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

eiser] is op basis van een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] werkzaam geweest in de functie van magazijnmedewerker. In die functie was [eiser] onder meer belast met het laden en lossen van goederen uit een container en het plaatsen van die goederen in opslagrekken waarbij gebruik werd gemaakt van een vorkheftruck.

2.2.

Op 21 maart 2013 heeft [eiser] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeluk gekregen, waarbij hij gewond is geraakt aan (de vingers van) zijn rechterhand.

2.3. [

eiser] werd kort voor het ongeval met behulp van een vorkheftruck, welke werd bestuurd door een collega, op een pallet op een hoogte van 3,5 meter gebracht om aldaar kisten met goederen in opslagrekken te plaatsen. Op enig moment, toen de bestuurder de pallet weer naar beneden wilde brengen, ging [eiser] aan de linkerkant van de pallet zitten en hield daarbij de zuigstang van de hydraulische cilinder van het hefmechanisme met zijn rechterhand vast. Toen de bestuurder van de vorkheftruck de pallet naar links bewoog alvorens naar beneden te zakken, is het mechanisme in werking gekomen en zijn de vingers van de rechterhand van [eiser] bekneld geraakt tussen de bovenkant van de bewegende cilinder en het bevestiging flens van de zuigerstang.

2.4.

Ten tijde van dit ongeval droeg [eiser] geen veiligheidshandschoenen.

2.5.

Uit het onderzoeksrapport van de Inspectie Arbeid en Veiligheid d.d. 7 augustus 2015 (hierna: het onderzoeksrapport) volgt, zover van belang, het navolgende:

Conclusies

Op grond van de op het moment van onderzoek beschikbare informatie, kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

· Oorzaak: (waardoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen):

1. Door het tillen van de werknemer met een vorkheftruck met een pallet (werkplateau) op de lepels gezet, zonder de passende maatregelen te treffen; met vasthouden aan de zuigerstang om niet te vallen vanwege gebrek aan stalen draadmand als gevolg dat vier vingers van de rechter arm van het slachtoffer bekneld raakten tussen de bovenkant van de zuiger en het bevestigingspunt van de cilinderstang;

2. Door de [gedaagde] werden relevante wet- en regelgeving voor het werken met hef- en hijswerktuigen niet volledig nageleefd;

3. Verder was er sprake van tegenstrijdige belangen en dubieuze management beslissingen. Doordat men ruimte nodig had voor een nieuwe zending, had men verkozen om een werknemer op een pallet gezet op de lepels van een vorkheftruck te tillen zonder de passende maatregelen te treffen.

· Toedracht: (waardoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen)

Bij acties om hefvork van vorkheftruck naar links te bewegen voordat het naar beneden zou worden gebracht werd de hydraulische gedeelde van het hefmechanisme geactiveerd waardoor de vingers van de rechterhand van de magazijnmedewerker bekneld raakten tussen de bovenkant van de cilinder en het bevestigingspunt van de cilinderstang.

Discussie

Gezien de periode van 2 jaar na het incident waarin de inspectie ter plekke heeft plaatsgevonden is het Moeilijk om positieve aspecten van de arbeidsomstandigheden te benoemen.

Voor wat betreft arbeidsomstandigheden waaronder het incident plaats vond, zijn de volgende aandachtspunten te benoemen:

- niet toepassen van door de wet voorgeschreven veiligheidmaatregelen zoals handschoenen en stalenmand. Met als gevolg overtreding van arbeidsbepalingen m.b.t. de veiligheid van het slachtoffer.

- overtreding van veiligheidsaspecten conform art. 96 t/m 104, van de Veiligheidsbesluit 1,

P.B. 1955, no. 102). Waardoor wegens het niet naleven van het wetsartikel geen maatregelen getroffen konden worden.

Dit betekent dat risico op het incident verkleind hadden kunnen worden door gepaste inzet van handschoenen en stalenmand. Omdat deze bedoeld zijn om de veiligheid van de werknemer te waarborgen. Had men tevens procedurele controles gehouden conform de veiligheidsbepalingen, bij aanvang van de werkzaamheden is het ook mogelijk geweest om de risico's te verkleinen.

2.6.

Na het ongeval zijn drie vingers van de rechterhand van [eiser] geamputeerd.

2.7.

SVB heeft in haar rapportage arbeids(on)geschikheidsbepaling d.d. 1 maart 2016 geconcludeerd dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk.

2.8.

Optima heeft de blijvende beperkingen en de mate van functieverlies van [eiser] beoordeeld. In haar rapport van 9 september 2019 concludeert de bedrijfsarts drs. M.P.C. van der Huls, dat het percentage blijvende invaliditeit 52% van de gehele persoon is. Voorts acht de bedrijfsarts [eiser] volledig arbeidsongeschikt voor de functie van magazijnmedewerker.

2.9.

Sinds het ongeval ontvangt [eiser] van de SVB een ongevallenuitkering van 80% van zijn bruto maandloon.

2.10.

Met toestemming van SOAW heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd.

2.11.

Bij brief van 19 oktober 2015 heeft [eiser] [gedaagde] ex artikel 7A:1614X lid 2 BW aansprakelijk gesteld en aangesproken op vergoeding van alle schade van [eiser] voortvloeiend uit het bedrijfsongeval. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht onderzoek te verrichten ter vaststelling van de omvang van de schade, zodat op korte termijn tot uitkering daarvan kon worden overgegaan. [gedaagde] heeft daaraan geen gehoor gegeven. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens in rechte betrokken.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat het volgende:

toestemming om kosteloos te procederen;

verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is;

voordeling van [gedaagde] tot betaling van NAf 76.852,41 aan verschenen schade inclusief wettelijke rente vanaf tot de dag der algehele voldoening;

voordeling van [gedaagde] tot betaling van NAf 75.210,96 aan toekomstige schade;

veroordeling in de proceskosten.

3.2. [

gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard, omdat er meer dan vijf jaar is verstreken tussen het ongeval en de datum waarop het verzoekschrift is ingediend en de aansprakelijkstelling van 19 oktober 2015 geen stuitende werking heeft. Het Gerecht verwerpt het beroep op verjaring. Stuiting van de verjaring kan plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De strekking van een stuitingshandeling is dat de schuldenaar er voldoende duidelijk voor wordt gewaarschuwd dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Tegen deze achtergrond komt het het gerecht voor dat, anders dan [gedaagde] stelt, de brief van 19 oktober 2015 geacht kan worden de verjaring te hebben gestuit. De in de brief vervatte aansprakelijkstelling is er blijkens de inhoud daarvan op gericht [gedaagde] aan te spreken tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit het bedrijfsongeval, hetgeen niet anders kan worden begrepen dan als het zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehouden. Dat per abuis een verkeerde ongevalsdatum in de brief is genoemd doet daar niet aan af. Uit de inhoud van de brief blijkt genoegzaam om wie en om welk ongeval het gaat. Voorts verwijst de brief naar de inhoud van het onderzoeksrapport, zodat het niet anders kan dan dat de brief dateert van na 7 augustus 2015.

4.2.

Gelet op het hiervoor overwogene is van rechtsverwerking door stilzitten evenmin sprake, zodat het gerecht daaraan voorbij gaat.

4.3.

Ten tijde van het ongeval was [eiser] voor [gedaagde] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Vaststaat dat [eiser] schade heeft geleden in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [gedaagde]. Op grond van artikel 7A:1614x BW was [gedaagde] verplicht om zorg te dragen voor een veilige werkomgeving. Wat op dit punt van [gedaagde] kon worden verwacht hangt af van de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de kans op verwezenlijking daarvan en de ernst van de gevolgen en de kosten die aan het treffen van maatregelen verbonden zijn.

4.4.

De werkzaamheden waarmee [eiser] was belast zijn naar hun aard risicovol. Hij moest goederen die op een pallet stonden die op de vork van een vorkheftruck rustte, op een hoogte van 3,5 meter in opslagrekken plaatsen, waarbij hij zelf op de pallet stond. Het spreekt vanzelf dat de kans op ongelukken met ernstige gevolgen bij dergelijke werkzaamheden niet onaanzienlijk is. Van [gedaagde] mocht dan ook worden verwacht hiermee rekening te houden en maatregelen te nemen gericht op het verkleinen van die kans op ongelukken en de gevolgen van eventuele ongelukken.

4.5.

Uit het onderzoeksrapport volgt ondubbelzinnig dat [gedaagde] geen veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Vaststaat dat een stalen draadmand als hulpmiddel op de vorkheftruck en veiligheidshandschoenen als persoonlijk beschermingsmiddel ontbraken, terwijl dat de kans op ongelukken had kunnen verkleinen. Voorts volgt uit het onderzoeksrapport dat [gedaagde] er voor heeft gekozen de werkzaamheden zonder passende veiligheidsmaatregelen te laten uitvoeren, omdat zij ruimte nodig had voor een nieuwe zending. [gedaagde] heeft dat niet gemotiveerd betwist.

4.6.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde] haar zorgplicht als werkgever heeft geschonden. Zij is dus in beginsel schadeplichtig.

4.7.

Aansprakelijkheid is alleen niet aan de orde als [gedaagde] aantoont dat de schade in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld van [eiser]. Daarvan is pas sprake als [eiser] zich van het roekeloze van zijn handelen onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval daadwerkelijk bewust is geweest. [gedaagde] meent dat deze situatie zich voordoet, maar naar het oordeel van het gerecht kan dit uit de gestelde feiten niet worden afgeleid. Uit het onderzoeksrapport is gebleken dat [eiser], toen de bestuurder de pallet weer naar beneden wilde brengen, aan de linkerkant van de pallet is gaan zitten en daarbij de zuigstang van de hydraulische cilinder van het hefmechanisme met zijn rechterhand vast hield. Toen de bestuurder van de vorkheftruck de pallet naar links bewoog alvorens naar beneden te zakken, is het mechanisme in werking getreden en zijn de vingers van de rechterhand van [eiser] bekneld geraakt tussen de bovenkant van de bewegende cilinder en de bevestigingsflens van de zuigerstang. Deze in het onderzoeksrapport geschetste gang van zaken wijst er juist op dat [eiser], onder onveilige omstandigheden, heeft getracht zijn veiligheid te waarborgen door te gaan zitten en zich vast te houden. Dat [eiser] zich daarbij aan de verkeerde stang heeft vastgehouden, maakt nog niet dat hij bewust roekeloos heeft gehandeld.

4.8. [

gedaagde] is dus verplicht de schade van [eiser] als gevolg van het ongeval te vergoeden.

4.9.

Zowel uit het rapport van de SVB als uit het rapport van Optima volgt dat dat [eiser] door het verlies van drie vingers aan de (dominante) rechterhand en de daarmee verband houdende klachten en beperkingen, volledig arbeidsongeschikt is voor de functie van magazijnmedewerker. Vaststaat dat de vingers van de rechterhand van [eiser] tijdens het ongeval bekneld zijn geraakt tussen de bovenkant van de bewegende cilinder en de bevestigingsflens van de zuigerstang en dat drie vingers nadien zijn geamputeerd. Het Gerecht passeert de stelling van [gedaagde] dat de schade als gevolg van het verlies van de middelvinger buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze vinger te redden was geweest middels een operatieve ingreep. [gedaagde] heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Voorts valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat het conditio sine qua non verband wordt doorbroken door een eventuele vingerbesparende operatie, nu het oorspronkelijk letsel als gevolg van het bedrijfsongeval de beknelling van de vingers van de rechterhand betrof, die tot amputatie heeft geleid.

4.10. [

gedaagde] heeft zich voorts beroepen op eigen schuld c.q. medeschuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [eiser], nu hij geen enkele reden of aanleiding had om de zuigerslang van de hydraulische cilinder van het hefmechanisme van de heftruck vast te houden. Het gerecht acht dit beroep niet terecht. Daartoe wordt het volgende overwogen. Zoals blijkt uit het hiervoor in rov. 4.4. en 4.5. overwogene was er sprake van risicovolle werkzaamheden en ontbraken alle veiligheidsmaatregelen. Gelet op de kennis en ervaring van [eiser] met de aard van de werkzaamheden kan hij worden geacht bekend te zijn geweest met de gevaren. Dat [eiser] zich daarvan bewust was blijkt uit het gegeven dat hij op de pallet is gaan zitten en zich heeft vastgehouden toen de bestuurder de pallet naar beneden wilde bewegen. Het gevaar dat zich vervolgens heeft gerealiseerd is gelegen in het feit dat de bestuurder van de vorkheftruck de pallet eerst naar links heeft bewogen, alvorens deze te laten zakken. Daardoor is het mechanisme in werking getreden en zijn de vingers van [eiser] bekneld geraakt. Het gerecht komt tot het oordeel dat de schade onder deze omstandigheden niet mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend. Dat [eiser] zich ook ergens anders aan vast had kunnen houden, zoals [gedaagde] stelt, maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] wist dat of had moeten begrijpen dat de bestuurder de pallet eerst naar links zou bewegen, waardoor het mechanisme in werking zou treden. Aan bewijslevering door [gedaagde] komt het gerecht niet toe, nu de feiten tussen partijen niet ter discussie staat. De juridische kwalificatie van die feiten lenen zich niet voor bewijslevering.

4.11.

Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 6:101 lid 1 BW dient de vergoedingsplicht volledig voor rekening van [gedaagde] te blijven.

4.12.

Het gerecht stelt voorop dat in zijn algemeenheid beoordeling van de omvang van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen geschiedt door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo'n vergelijking komt het aan op een schatting naar redelijkheid door de rechter van de goede en kwade kansen.

4.13.

Een deel van de vordering bestaat uit vergoeding voor gederfde inkomsten, te weten het verschil tussen zijn vroegere inkomen en de uitkering door de SVB. Anders dan [gedaagde] stelt kan de SVB uitkering niet als een voordeel worden aangemerkt die in mindering strekt op de schade. Immers, de SVB uitkering komt in de plaats van het loon dat hij voor het ongeval verdiende. Nu de SVB uitkering lager is dan zijn loon, levert het verschil schade wegens gederfde inkomsten op. Zoals [gedaagde] terecht stelt, resulteert dat in een maandschade van NAf 401,98 in plaats van NAf 424,67. Voor het verleden ziet dat op de periode 1 januari 2016 tot en met november 2018 (datum indiening verzoekschrift; 23 maanden), hetgeen resulteert in een bedrag van NAf 9.245,54. Voor de toekomst ziet dat op een periode van 88 maanden, te weten tot 65-jarige leeftijd van [eiser]. De betwisting van [gedaagde] dat [eiser] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd had kunnen werken en een inkomen had kunnen genieten, is onvoldoende gemotiveerd, zodat het gerecht daaraan voorbij gaat. Immers, [eiser] was ten tijde van het ongeval 53 jaar, hij werkte – met een korte onderbreking op eigen initiatief – sedert 1997 voor [gedaagde] en heeft – voor zover bekend uit de onderzoeksrapporten – geen medische voorgeschiedenis. Voor de toekomst resulteert het verlies arbeidsvermogen in een bedrag van NAf 35.374,24.

4.14.

Naar het oordeel van het gerecht heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd dat er structureel sprake was van een overtime vergoeding. [gedaagde] heeft dat ook gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing heeft [eiser] enkel verwezen naar drie loonstroken uit 2012, maar heeft niet nader toegelicht waarop de overtime werkzaamheden zagen, welke werkzaamheden moesten worden uitgevoerd, wie daartoe besloot en wat er werd betaald. Aldus kan uit de stellingen van [eiser], ook na betwisting door [gedaagde], niet worden afgeleid dat sprake was van een structurele overtime vergoeding. Dit deel van de schade wordt daarom afgewezen.

4.15. [

eiser] vordert nog enkele kleinere schadeposten, namelijk vergoeding van de liggeldkosten in het ziekenhuis (NAf 650 en NAf 175), transportkosten in verband met ziekenhuis- en artsenbezoek (NAf 1.000), telefoonkosten (NAf 500) en medicijnen en diversen (NAf 500). Ondanks het ontbreken van bonnen zijn deze schadeposten toewijsbaar. Het zijn gebruikelijke kosten in geval van letselschade en de bedragen sluiten aan bij de aard en omvang van het letsel.

4.16.

De vordering huishoudelijke hulp wordt deels toegewezen. Weliswaar is het vaste rechtspraak dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (vgl. HR 5 december 2008, LJN BE9998; HR 6 juni 2003, LJN AF5891 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564). Echter in het onderhavige geval werden deze huishoudelijke taken in het verleden, in de situatie zonder ongeval, door de toenmalige echtgenote van [eiser] verricht. Nadat de echtgenote naar St. Domingo is vertrokken heeft [eiser] gedurende enige tijd hulp in de huishouding gehad. Inmiddels zou [eiser] een nieuwe levenspartner hebben die deze taken heeft overgenomen. Aldus is thans geen sprake van een situatie zoals hierboven aangegeven en is er in feite slechts over een beperkte periode schade wegens huishoudelijke taken na het ongeval. Het gerecht zal deze schade begroten op een bedrag van NAf 10.000.

4.17 .

Voor zover de hulp ziet op de persoonlijke verzorging van [eiser] geldt dat hij zijn schade niet heeft onderbouwd waar dat wel van hem mocht worden verwacht. Onvoldoende is gebleken dat [eiser] niet in staat is de algemeen dagelijkse verzorging op zich te nemen, nu uit het rapport van Optima volgt dat [eiser] zichzelf wel kan verzorgen.

4.18. [

eiser] vordert voorts immateriële schadevergoeding. Naar het oordeel van het gerecht bestaat grond voor toekenning van een dergelijke schadevergoeding. Het gerecht zal bij het bepalen van het bedrag rekening houden met het feit dat [eiser] drie vingers moet missen, dat hij als gevolg daarvan gedurende langere tijd pijnklachten heeft ondervonden, dat hij zijn werkzaamheden niet meer kan uitoefenen en beperkt is in fysieke werkzaamheden. Het gerecht zal de schade begroten op een bedrag van NAf 15.000.

4.19.

Het onvermogen van [eiser] om proceskosten te dragen is uit de overgelegde stukken genoegzaam gebleken. Aan [eiser] zal toelating worden verleend om kosteloos te procederen.

4.20. [

gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

explootkosten NAf 198,50

griffierecht NAf 1.500

salaris gemachtigde NAf 4.000 +

totaal: NAf 5.698,50.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

staat [eiser] toe kosteloos te procederen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van NAf 72.444,78, vermeerderd met de wettelijke rente over NAf 37.070,54 vanaf 1 januari 2016 en de wettelijke rente over NAf 35.374,24 vanaf 1 december 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op NAf 5.698,50;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 20 januari 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature