< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

dood door schuld verkeer

Uitspraak



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J. Tromp.

De officier van justitie, mr. P. Borst, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van vierentwintig maanden en de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

De raadsman heeft verweer gevoerd.

Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

Feit 1:

Dood door schuld tov [slachtoffer 1]

dat hij op of omstreeks 25 april 2015, althans in de nacht van 24 op 25 april 2015 te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Hyundai , model Elantra gekentekend [autokenteken]) daarmede rijdende over de (linker) rijstrook van de [weg 1] (in de richting van de [weg 2]), althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door toen aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig, althans grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig te rijden,

immers is hij verdachte:

 gaan rijden met genoemd motorrijtuig terwijl hij wist dat de remmen van dat motorrijtuig niet deugdelijk waren,

en/of heeft hij, verdachte (vervolgens)

terwijl op die weg de duisternis was ingetreden,

bij de verkeerslichten op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] (in de richting van de [weg 2]),

dat motorrijtuig niet tot stilstand gebracht, althans niet tot stilstand gehouden, toen het verkeerssignaal bestemd ter regeling van het verkeer dat zich op de door hem, verdachte, bereden rijstrook bevond, op rood was geschakeld en/of,

gekomen bij de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] door het rode licht signaal genoemde kruising opgereden,

En/of zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en twee, althans een of meerdere op de rijbaan van het voor die motorfietser(s) bestemde weggedeelte rijdende motorfietser(s) genaamd [slachtoffer 1] en/of [persoon 1],

door welke botsing of aanrijding de motorfietser genaamd [slachtoffer 1], zodanig letsel (te weten een intracerebraal letsel) heeft bekomen, dat die [slachtoffer 1] aan de gevolgen daarvan is overleden;

(artikel 2: 284 Wetboek van Strafrecht )

Subsidiair

Gevaarlijk rijgedrag

dat hij op of omstreeks 25 april 2015, althans in de nacht van 24 op 25 april 2015 te Curacao als bestuurder van een (personenauto van het merk Hyundai, model Elantra gekentekend [autokenteken]), daarmee op de weg, te weten de [weg 1], althans over een weg heeft gereden,

op zodanige wijze dat door verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd,

immers is/heeft hij verdachte

terwijl hij wist dat de remmen van dat motorrijtuig niet deugdelijk waren en/of,

terwijl op die weg de duisternis was ingetreden,

bij de verkeerslichten op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] (in de richting van de [weg 2])

dat motorrijtuig niet tot stilstand gebracht, althans niet tot stilstand gehouden, toen het verkeerssignaal bestemd ter regeling van het verkeer dat zich op de door hem, verdachte, bereden rijstrook bevond, op rood was geschakeld en/of,

gekomen bij de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] door het rode licht signaal genoemde kruising opgereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd;

(artikel 21 van de Wegenverkeersverordening Cura çao 2000)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij op of omstreeks 25 april 2015, althans in de nacht van 24 op 25 april 2015 te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Hyundai, model Elantra gekentekend [autokenteken]) daarmede rijdende over de (linker) rijstrook van de [weg 1] (in de richting van de [weg 2]), althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig, althans grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig te rijden,

immers is hij verdachte:

 gaan rijden met genoemd motorrijtuig terwijl hij wist dat de remmen van dat motorrijtuig niet deugdelijk waren,

en/of heeft hij, verdachte (vervolgens)

terwijl op die weg de duisternis was ingetreden,

bij de verkeerslichten op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] (in de richting van de [weg 2]),

dat motorrijtuig niet tot stilstand gebracht, althans niet tot stilstand gehouden, toen het verkeerssignaal bestemd ter regeling van het verkeer dat zich op de door hem, verdachte, bereden rijstrook bevond, op rood was geschakeld en/of,

gekomen bij de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] door het rode licht signaal genoemde kruising opgereden,

en/of zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en twee, althans een of meerdere op de rijbaan van het voor die motorfietser(s) bestemde weggedeelte rijdende motorfietser(s) genaamd [slachtoffer 1] en/of [persoon 1],

door welke botsing of aanrijding de motorfietser genaamd [slachtoffer 1], zodanig letsel (te weten een intracerebraal letsel) heeft bekomen, dat die [slachtoffer 1] aan de gevolgen daarvan is overleden;.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

1. Proces-verbaal inzake verkeersongeval, mutatienummer 2015014516, opgemaakt en op 15 april 2016 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 25 april 2015 omstreeks 01:06 uur vond een aanrijding plaats op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] tussen de door de verdachte bestuurde personenauto van het merk Hyundai model Elantra met kentekennummer [autokenteken] en twee motorfietsen bestuurd door respectievelijk [slachtoffer 1] en [persoon 1]. De verdachte was in het bezit van een rijbewijs met datum afgifte 4 juli 2014. Op grond van onderzoek is de volgende toedracht van het ongeval vastgesteld.

De plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden is op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1]. De [weg 3] verloopt vanaf de [weg 2] en eindigt bij de kruising te [locatie 1] en bestaat uit twee gescheiden rijbanen. De rijbanen worden gescheiden door een verhoogde onverharde berm. Elke rijbaan bestaat uit een linker- en een rechterrijstrook. Op de splitsing van wegen gevormd door de [weg 3] en de [weg 1] staan verkeersinstallaties die in combinatie automatisch het verkeer regelen. De overgang van het groene op het rode verkeerslicht wordt onderbroken door een behoorlijke op de rijsnelheid ter plaatse afgestelde gele lichtfase. Genoemd kruispunt is zeer goed verlicht door lantaarnpalen.

De bestuurder van de personenauto reed over de linkerrijstrook van de [weg 1] door het rode licht de kruising met de [weg 3] op richting [weg 2], op het moment dat op de linkerrijstrook van de [weg 3] de bestuurder van de eerste motorfiets kwam aanrijden met enkele meters daarachter de bestuurde van de tweede motorfiets. De eerste motorfiets botste tegen de personenauto op en de bestuurder van de motorfiets werd door de kracht van de botsing van zijn motorfiets gelanceerd en belandde op het wegdek, waar hij nog verder rolde. De bestuurder van de tweede motorfiets botste ook tegen de personenauto op. De bestuurders van beide motorfietsen zijn met een ambulance naar het Sint Elisabeth Hospitaal gebracht. Op 1 mei 2015 omstreeks 17:35 uur is door de arts dr. Pecca van het Sint Elisabeth Hospitaal de dood van de bestuurder van de eerste motorfiets geconstateerd. Het stoffelijk overschot is door zijn zoon en dochter herkend als dat van wijlen [slachtoffer 1].

2. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 mei 2015 van dr. Pecca, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 1] heeft intracerebraal letsel opgelopen aan de hersenen. Hij is gestorven ten gevolge van intracerebrale overdruk.

3. Proces-verbaal betreft deskundige onderzoek aan motorvoertuig [autokenteken], opgemaakt en op 15 april 2016 gesloten en ondertekend door [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 25 april 2015 is onderzoek gedaan naar de inrichting, verlichting en belading van de personenauto van het merk Hyundai met kentekennummer [autokenteken]. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bedrijfsrem met bekrachtiging ondeugdelijk is. Het membraam van de rembekrachtigingscilinder is defect. Tijdens het rijden moet dan met veel kracht de rempedaal worden ingedrukt. Bij hoge snelheid kan het motorvoertuig dan moeilijk tot stilstand worden gebracht. Tevens zijn de rechter en de linker achterste remschoenen versleten, waardoor de achterste wielen van het motorvoertuig niet beremd kunnen worden.

4. Proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt en op 24 juni 2015 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], voor zover inhoudende als de op 25 april 2015 afgelegde verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik reed rechts op de [weg 1] richting [weg 2]. De verdachte reed een eind achter mij. Het verkeerslicht op de kruising [weg 1] en [weg 3] werd rood. Terwijl ik stond te wachten voor het rode licht reed de verdachte mij voorbij. De remlichten van zijn auto waren aan, maar de auto reed toch door. Twee motorfietsen botsten tegen zijn auto aan.

5. Proces-verbaal van eerste verhoor verdachte, opgemaakt en op 23 juni 2015 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], voor zover inhoudende als de op 25 april 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 25 april 2015 reed ik op de [weg 1]. De stoplichten bij de kruising veranderden van oranje naar rood. Ik remde, maar de remmen functioneerden niet goed en zodoende reed ik de kruising op. Er kwamen twee lichten op mij af. Een van de motorfietsen botste tegen de achterzijde van mijn auto. Mijn auto draaide. Hierna botste de andere motorfiets tegen mijn auto. Ik wist dat de remmen van de auto niet optimaal functioneerden. Soms ging het remmen goed, maar op andere momenten tijdens het remmen voelde ik een terugstoot van het rempedaal en op dat moment werkte de rem niet goed.

6. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 november 2016 afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Een week voor het ongeluk ben ik erachter gekomen dat de remmen van de auto niet goed waren.

4C. Bewijsoverwegingen

Feitelijke toedracht

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte reed op de linker weghelft van de [weg 1] richting de kruising van de [weg 1] met de [weg 3]. De stoplichten op de kruising met de [weg 3] stonden voor de verdachte op rood. De verdachte heeft zijn auto afgeremd, maar doordat de remmen van de auto niet goed functioneerden, is de verdachte door het rode licht de kruising opgereden op het moment dat er twee motorfietsen van links kwamen. Beide motorfietsen zijn tegen zijn auto aan gereden. Een van de bestuurders is als gevolg van de aanrijding overleden.

Schuld

Ter beantwoording staat de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval en zo ja, in welke mate. Daarbij komt het, volgens vaste rechtspraak, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld. Het Gerecht overweegt in dit verband als volgt.

De verdachte wist dat de remmen van de auto waarin hij reed niet goed werkten. Soms ging het remmen goed, maar andere keren was er een terugstoot van het rempedaal en werkten de remmen niet goed. Met die wetenschap is de verdachte met de auto de weg opgegaan. Daarbij komt dat de verdachte beginnend bestuurder is. De onervarenheid van beginnende bestuurders vraagt van hen extra oplettendheid en zorgvuldigheid op het moment dat zij zich in het verkeer begeven. Desondanks is de verdachte toen hij zag dat het stoplicht op rood stond pas op het laatste moment (bij de streep) gaan remmen. Daarbij had hij kunnen voorzien dat hij niet in staat zou zijn de auto tijdig tot stilstand te brengen met als reële mogelijke gevolg dat er een aanrijding zou plaatsvinden.

De verdachte heeft naar het oordeel van het Gerecht dan ook grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig gehandeld. De aanrijding met als gevolg de dood van één van de motorrijders zijn derhalve aan de schuld van de verdachte te wijten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat het Gerecht voorbij aan de verweren van de raadsman dat het in alle redelijkheid en billijkheid niet aan de verdachte te verwijten valt dat de remmen geheel onverwacht ineens weigerden te functioneren. Ook het verweer dat het rijden met gebrekkige remmen op zichzelf niet buiten de norm is wordt gepasseerd, nu artikel 88 van de Wegenverkeersverordening Cura çao 2000 ten aanzien van motorvoertuigen voorschrijft dat die voorzien moeten zijn van twee deugdelijke remmen.

Gedragingen slachtoffers

De raadsman heeft betoogd dat de bestuurders van de motorfietsen die avond zelf risico verhogend gedrag hebben vertoond. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zij die avond alcohol hebben gedronken, mogelijk te hard hebben gereden, afgeleid waren en mogelijk geen helm op hadden. Deze gedragingen dienen volgens de raadsman ook te worden meegewogen bij de beoordeling van de zaak. Naar het Gerecht begrijpt bedoelt de raadsman hiermee een beroep te doen op de eigen schuld of medeschuld van de bestuurders van de motorfietsen.

Het Gerecht overweegt dat eigen schuld of medeschuld in beginsel niet relevant is voor het bewijs van de schuld van de verdachte. Dit is slechts anders indien de onvoorzichtigheid van de ander zo groot is geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 2:284 Sr op te leveren.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet, althans onvoldoende gebleken dat er sprake zou zijn van schuld of medeschuld. Het verweer wordt daarom verworpen.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het Gerecht rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op uiterst verwijtbare wijze heeft veronachtzaamd met fatale gevolgen. Voorts benadrukt het Gerecht dat het leed dat door de ernstige verkeersfout van de verdachte is aangericht, voor de nabestaanden onherstelbaar is. Het Gerecht is zich er voorts van bewust dat geen enkele straf of maatregel dit leed zal kunnen wegnemen. Voorts is aannemelijk dat het ongeval een grote impact heeft gehad op degenen die daarvan getuige zijn geweest en op vrienden en bekenden van het slachtoffer. Daarnaast brengt een dergelijk delict, naar ervaringsregels, in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Tegelijkertijd is aannemelijk geworden dat het ongeval ook op de verdachte grote impact heeft gehad. De verdachte zal moeten leven met de omstandigheid dat hij, met zijn rijgedrag, een mede mens het leven heeft benomen.

Bij de bepaling van een passende strafmaat heeft het Gerecht voor de straftoemeting gekeken naar de Nederlandse oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Nederlandse Wegenverkeerswet 1994 welke overtreding voor zover thans ter zake doende overeenkomt met het in Curaçao van toepassing zijnde artikel 2:284 van het Wetboek van Strafrecht. Deze ori ëntatiepunten hebben als doel vanuit het oogpunt van rechtseenheid een strafmaat te geven waarop de rechter zich kan oriënteren bij de oplegging van de straf. Tevens heeft het Gerecht acht geslagen op de rechtspraak ter zake van overtreding van voornoemde wetgeving, zowel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie als van de Nederlandse gerechten, in (min of meer) vergelijkbare gevallen waarin sprake was van een vergelijkbare grove verkeersfout met dodelijke afloop. Naast de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid in vrijwel alle door het Gerecht bestudeerde uitspraken, lopen de opgelegde straffen uiteen van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf tot een taakstraf dan wel een combinatie hiervan. Het Gerecht noemt hier meer in het bijzonder o.a. de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 23 september 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3709), alsmede de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 10 november 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3812), de Rechtbank Limburg d.d. 21 april 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:3352), de Rechtbank Amsterdam d.d. 5 maart 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:998) , het Gerechtshof ‘s-Gravenhage d.d. 15 februari 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BV4044),het Gerechtshof Den Haag 7 oktober 2015 (ECLI:GHDHA:2015:2746) het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 oktober 2016 (ECLI:GHSHE:2016:4447), het Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 10 mei 2016 (H-193/14, pnr 500.00809/13) en van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 24 november 2016 (H-142/16, pnr. 500.00123/15).

Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop ten gevolge van een grove verkeersfout, waarvan hier sprake is, gold volgens de LOVS ten tijde van het gepleegde delict een oriëntatiepunt van zes maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. Het Gerecht ziet zich voor de vraag gesteld of er in dit geval concrete omstandigheden zijn die maken om hiervan naar boven of naar beneden af te wijken dan wel te kiezen voor een andere hoofdstraf.

Enerzijds neemt het Gerecht de verdachte zeer kwalijk dat hij in de wetenschap dat de remmen van de auto waarin hij reed slecht functioneerden daarmee geen rekening heeft gehouden bij het naderen van de voor hem op rood staande verkeerslichten met voorbijgaan aan de gevaren daarvan voor zijn medeweggebruikers, waaronder het slachtoffer. Daarbij komt dat met name van een beginnend bestuurder van een auto gezien zijn gebrek aan ervaring verwacht mag worden dat hij de nodige voorzichtigheid in het verkeer betracht. Anderzijds heeft het Gerecht acht geslagen op de persoon van de verdachte.

Aannemelijk is geworden dat de verdachte erg veel spijt heeft van zijn verkeersgedrag, dat hij de gevolgen van zijn handelen nog dagelijks met zich meedraagt en dat hij daaronder heeft geleden en nog steeds lijdt.

Verder heeft het Gerecht acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij nog zijn schoolopleiding dient te voltooien.

Tenslotte heeft het Gerecht geconstateerd dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.

Het Gerecht laat deze feiten en omstandigheden in strafmatigende zin meewegen.

Voorts heeft het Gerecht onderzocht of er contra-indicaties zijn voor het opleggen van een taakstraf zoals bijvoorbeeld, recidive, een eerdere taakstraf, een ontkennende verdachte of ernstige gedragsproblemen. Dit is naar het oordeel van het Gerecht niet het geval.

Alles overwegende is het Gerecht van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en de maximum op te leggen taakstraf onder de gegeven omstandigheden passend en geboden is.

Het Gerecht zal bovendien een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen van na te noemen duur.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij, mw. [benadeelde] zijnde de weduwe van het slachtoffer, is een vordering tot schadevergoeding van NAf 21.774,00 ingediend tegen de verdachte wegens schade die zij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. Het gevorderde bedrag bestaat uit gederfd levensonderhoud vanaf 1 mei 2015 tot en met 1 december 2016.

Schade als gevolg van gederfd levensonderhoud komt op grond van artikel 6:108 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking. Het Gerecht is – anders dan de raadsman – van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van dien aard is dat zij zich leent voor een beslissing in een strafzaak. Gelet op de inhoud van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat deze schade in zoverre rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Door en namens de verdachte is voorts onvoldoende gemotiveerd betwist dat wijlen de heer [slachtoffer 1] kostwinner was en dat de benadeelde partij met betrekking tot levensonderhoud maandelijks een bedrag van NAf 1.800,00 van het slachtoffer ontving. Vergoeding van het gevorderde bedrag van NAf 21.774,00 komt het Gerecht ook alleszins billijk voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Het Gerecht ziet voorts aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] de schadevergoedingsmaatregel van artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 2: 284 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 3 van de Verordening van de 20ste april 1932, houdende enige regelingen van burgerrechtelijke aard bij botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen en houdende regeling van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (P.B. 1957, no. 48).

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf , bestaande uit een werkstraf van tweehonderdveertig uren. Bij het niet of naar behoren verrichten van deze taakstraf zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van honderdtwintig (120) dagen;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van NAf 21.774,00 en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 21.774,00, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door honderdeenenveertig (141) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van twee (2) jaren.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. T.E. van der Spoel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 21 december 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature