< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De uitspraak op bezwaar is door een verzuim van de belastingadministratie met vertraging ontvangen. De beroepstermijn van twee maanden gaat dienovereenkomstig ook later in. De werkgever heeft geen loonbelasting ingehouden. Belanghebbende was te dien aanzien niet te goeder trouw. De Inspecteur heeft, wanneer hij ontdekt dat looninkomsten ten onrechte onbelast zijn gebleven, in beginsel de keuze tussen het naheffen van loonbelasting bij de werkgever of het opleggen van een (navorderings)aanslag inkomstenbelasting aan de werknemer.

Uitspraak



Uitspraak van 29 juli 2016

BBZ nrs. 71312 t/m 71314 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X , wonende te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 10 januari 2014 aanslagen in de inkomstenbelasting, premies AOV/AWW en AVBZ voor het jaar 2011 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is tijdig op 26 februari 2014 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 26 september 2014 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 2 december 2014 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 17 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en belanghebbende samen met zijn gemachtigde B.

1.6

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om de mondelinge behandeling van de zaak achterwege te laten.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende heeft gedurende het jaar 2011 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst als metselaar en bouwvakker in dienstbetrekking gewerkt bij de eenmanszaak Y. De eigenaar van Y is de heer C (hierna de werkgever). Aan belanghebbende werd voor zijn werkzaamheden maandelijks Naf. 3000 betaald. Aan belanghebbende zijn geen loonstrookjes verstrekt.

2.3

De werkgever van belanghebbende is niet bekend bij de Belastingdienst. Voor belanghebbende is geen loonbelastingkaart bij de Belastingdienst ingediend en ook hebben geen afdrachten van loonheffingen plaatsgevonden.

2.4

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende ingebrachte werkgeversverklaring . Deze verklaring is opgesteld voor de verblijfsvergunning van belanghebbende. De werkgeversverklaring heeft als datum 7 september 2010 en is getekend door de werkgever. Op dit document staat – voor zover van belang- het volgende vermeld:

(…)

Gegevens dienstverband:

Functie werknemer: metselaar

Datum dienst: 2006

(…)

Uren per week (feitelijk): uur 40

Brutosalaris exclusief vakantiegeld per maand: Naf. 3000,-

(…)

Netto salaris exclusief vakantiegeld per maand: Naf. 2419,67”

2.5

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 in zijn aangiftebiljet een belastbaar inkomen aangegeven van Naf. 36.200. Bij de aangifte is geen bewijs van ingehouden of afgedragen loonheffingen gevoegd. De Inspecteur heeft naar aanleiding hiervan aanslagen inkomstenbelasting, AOV/AWW en AVBZ opgelegd voor respectievelijk Naf. 3.542, Naf. 3.801 en Naf. 724.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of (i) de beroepschriften tijdig zijn ingediend. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is de vervolgvraag of de aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2

Belanghebbende voert ten aanzien van de eerste vraag aan dat de beroepschriften tijdig zijn ingediend aangezien de uitspraken op bezwaar door de Belastingdienst zijn verzonden op 3 oktober 2014, derhalve een datum gelegen na de dagtekening van de uitspraken op bezwaar. Ten aanzien van de tweede vraag voert hij aan dat zijn werkgever de loonheffingen wel heeft ingehouden maar niet heeft afgedragen. De Inspecteur heeft daarom ten onrechte geen rekening gehouden met de reeds ingehouden loonbelasting. Voorts voert hij aan dat hij ondanks zijn verzoek in de bezwaarfase niet is gehoord door de Inspecteur. Belanghebbende concludeert dat de aanslagen moeten worden vernietigd.

3.3

De Inspecteur voert aan dat de beroepschriften niet tijdig zijn ingediend en dat de beroepen derhalve niet-ontvankelijk zijn. Ten aanzien van het tweede geschilpunt voert zij aan dat niet is gebleken dat de werkgever loonheffingen heeft ingehouden.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid

4.1

Ingevolge artikel 31, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) kan de belanghebbende binnen twee maanden na dagtekening van de uitspraak op bezwaar in beroep komen bij het Gerecht. Belanghebbende heeft deze termijn overschreden. Niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de uitspraken op bezwaar met dagtekening van 26 september 2014 pas op 3 oktober 2014 naar hem zijn verzonden. Hij heeft ter staving van zijn stelling een afschrift van de voorkant van de vensterenveloppen van de Inspectie der Belastingen Curaçao overgelegd waarin aldus belanghebbende de uitspraken op bezwaar hebben gezeten. Het op desbetreffende afschriften voorkomende poststempel vermeld de datum 3 oktober. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een originele enveloppe laten zien en daarbij heeft zij betoogd dat het haar vaste werkwijze is om bij post afkomstig van de Belastingdienst telkens de enveloppe gehecht aan de daarbij behorende brief voor eventuele bewijskwesties te bewaren. De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover de geloofwaardige verklaring van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraken eerder zijn verzonden dan 3 oktober 2014. Het Gerecht gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van belanghebbende. In een geval als het onderhavige waarin de uitspraak op bezwaar door een verzuim van de belastingadministratie (bijvoorbeeld verzending na de dagtekening of onjuiste adressering) met vertraging wordt ontvangen gaat de beroepstermijn van twee maanden dienovereenkomstig ook later in. In een zodanig geval geldt niet de eis dat het beroep zo spoedig mogelijk, derhalve binnen een maand moet worden ingesteld. Dit brengt met zich mee dat de beroepstermijn van twee maanden aanvangt op het moment dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Belanghebbende heeft op 2 december 2014 beroep aangetekend. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de uitspraak op bezwaar op de dag van de verzending zelf is ontvangen (3 oktober 2014), is belanghebbende tijdig met zijn beroep.

4.3

Ten aanzien van het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de premieheffingen heeft het volgende te gelden. Ingevolge artikel 39, tweede lid van de Algemene Ouderdomsverzekering, artikel 40, tweede lid van de Landsverordening Algemene Weduwen en Wezenverzekering en artikel 39, tweede lid van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten doet de Inspecteur indien de feiten en omstandigheden die in geding zijn tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, op een bezwaarschrift betreffende de premieheffing eerst uitspraak nadat de aanslag in de inkomstenbelasting onherroepelijk is komen vast te staan. De Inspecteur heeft vroegtijdig uitspraken gedaan omdat toen zij de uitspraken deed de aanslag in de inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vast stond. Het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de premieheffingen is derhalve gegrond.

4.4

Uit het hiervoor overwogene onder 4.2 volgt dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep inzake de aanslag in de inkomstenbelasting. Het Gerecht zal hierna inhoudelijk ingaan op deze zaak.

Inhoudelijk

4.5

De loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting en de ingehouden belasting kan met de verschuldigde inkomstenbelasting worden verrekend. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij een nettoloon van Naf. 3000 met zijn werkgever is overeengekomen. Volgens belanghebbende heeft de werkgever loonbelasting ingehouden en niet afgedragen aan de Ontvanger. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat hij maandelijks een bedrag van Naf. 3000 contant van zijn werkgever heeft ontvangen. Tot de gedingstukken behoort een werkgeversverklaring (zie 2.4) dat het brutosalaris van belanghebbende Naf. 3000 per maand bedraagt en het nettosalaris Naf. 2.419,67. Deze verklaring dateert van 7 september 2010. Het Gerecht heeft geen reden om te twijfelen dat deze verklaring ook voor het jaar 2011 gold. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende niet een netto-loon heeft verdiend maar een brutoloon van Naf. 3000. Bovendien is ook niet aannemelijk dat de werkgever wel loonbelasting en premieheffingen heeft ingehouden. In zoverre is verrekening dus niet aan de orde.

4.6

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder andere ECLI:NL:HR:1981:AW9784) geldt dat het geval dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonbelasting en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is in zoverre moet worden gelijkgesteld met de gevallen waarin werkelijk loonbelasting is ingehouden. De in feite niet ingehouden loonbelasting mag alsdan worden verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting. De ter zitting ingebrachte stelling van belanghebbende dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het uitblijven van inhoudingen van loonbelasting wordt door het Gerecht verworpen. Belanghebbende had immers de beschikking over het hiervoor vermelde document waaruit blijkt dat zijn nettoloon Naf. 2.419,67 bedroeg en het brutoloon Naf. 3000. Nu maandelijks het brutobedrag aan hem werd uitbetaald moet het voor hem duidelijk zijn geweest dat geen inhoudingen hebben plaatsgevonden. Dat hij zoals de gemachtigde heeft gesteld een analfabeet is maakt dit niet anders. Voor het lezen van dit document had hij hulp kunnen inschakelen. Voor het invullen van het aangiftebiljet inkomstenbelasting heeft hij immers ook de hulp van een kennis ingeschakeld.

4.7

Uit het voorgaande volgt dat geen verrekening van loonbelasting kan plaatsvinden met de verschuldigde inkomstenbelasting.

4.8

De Inspecteur heeft, wanneer hij ontdekt dat looninkomsten ten onrechte onbelast zijn gebleven, volgens de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) in beginsel de keuze tussen het naheffen van loonbelasting bij de werkgever of het opleggen van een (navorderings)aanslag inkomstenbelasting aan de werknemer. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur de looninkomsten in de heffing van de inkomstenbelasting bij belanghebbende (de werknemer) betrokken. Volgens jurisprudentie is geen rechtsregel die de inspecteur verplicht een naheffingsaanslag aan de werkgever op te leggen in plaats van een (navorderings)aanslag aan de werknemer, behoudens de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook in dit geval, waarin de werkgever geen loonbelasting heeft ingehouden, is de Inspecteur niet gehouden om een naheffing op te leggen aan de werkgever. Door niet een naheffingsaanslag op te leggen aan de werkgever handelt de Inspecteur niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Het Gerecht merkt ten overvloede nog op dat indien een werkgever geen salarisstrookjes verstrekt aan de werknemer of geen loonbelastingkaarten indient bij de Belastingdienst dit niet met zich meebrengt dat bij de werkgever moet worden nageheven.

4.9

Belanghebbende heeft onbetwist gesteld dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. Het Gerecht stelt voorop dat schending van de hoorplicht niet kan leiden tot vernietiging van de aanslag. Wel kan dit verzuim ertoe leiden dat de zaak wordt teruggewezen naar de Inspecteur. Het Gerecht zal de zaak zelf afdoen nu belanghebbende daarmee (zie 1.6) heeft ingestemd.

4.10

Nu over de berekende inkomstenbelasting zelf geen geschil bestaat is de conclusie dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

4.11

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

verklaart het beroep inzake de aanslag in de inkomstenbelasting ongegrond;

verklaart het beroep inzake de aanslagen in de premies AOV/AWW en AVBZ gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op aanslagen in de premies AOV/AWW en AVBZ.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.C.E. Winfield en mr. W.J. Noordhuizen, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature