< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

EJ. Vernietiging erkenning. Omgangsregeling.

Uitspraak



Beschikking van 21 mei 2019

Behorend bij EJ nr. AUA201802639

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van:

[Verzoeker],

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza,

tegen

[Verweerster],

wonende in Aruba, [adres],

VERWEERSTER, hierna te noemen: de moeder,

procederend in persoon.

Belanghebbenden:

[minderjarige sub 1],

[minderjarige sub 2],

de minderjarigen,

DE VOOGDIJRAAD, de bijzondere curator.

1 DE PROCEDURE

De eerdere procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 13 november 2018, waarbij de bijzondere curator in de gelegenheid is gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het rapport van de Voogdijraad van 26 februari 2019;

- de griffiersaantekeningen van de behandeling ter zitting van 9 april 2019, waaruit blijkt dat zijn verschenen de man bijgestaan door zijn gemachtigde, de moeder in persoon en namens de Voogdijraad mevrouw [vertegenwoordiger].

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

Vernietiging erkenning 2.1

Ingevolge artikel 1:205 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij het gerecht worden ingediend door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling of bedrog daartoe is bewogen.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek in geval van bedrog of dwaling, door de erkenner niet later ingediend dan binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of dwaling heeft ontdekt.

2.2

De man heeft aangevoerd dat hij pas na ontvangst van de resultaten van het DNA-onderzoek d.d. 18 juli 2018 er achter is gekomen dat hij niet de biologische vader is van de minderjarigen. De moeder heeft deze stelling niet, althans niet gemotiveerd betwist. Het verzoek is, gelet op vorenstaande, binnen de wettelijke termijn ingediend, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.

2.3

Naar het oordeel van het gerecht is voldoende komen vast te staan dat in casu sprake is geweest van dwaling als bedoeld in voornoemd artikel. Vaststaat dat de man niet de biologische vader is van de minderjarigen. De man heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de erkenning gedwaald heeft en in de veronderstelling was dat hij de biologische vader was van de minderjarigen. De moeder heeft deze stelling van de man niet, althans niet gemotiveerd betwist. De moeder heeft ter terzitting erkend dat zij nooit aan de man heeft verteld dat hij niet de biologische vader is van de minderjarigen.

2.4

De enige in de wet genoemde rechtsgrond voor vernietiging van een erkenning is het feit dat de verzoeker niet de biologische vader is van het kind. Nu de man niet de biologische vader is van de minderjarigen, is aan dit vereiste voldaan.

2.5

De bijzondere curator heeft verzocht om het verzoek af te wijzen, nu toewijzing thans niet in het belang is van de minderjarigen.

2.6

Het maken van een belangenafweging, zoals op grond van artikel 1:204 lid 3 BW in het kader van de vervan gende toestemming tot erkenning dient te worden gemaakt, is in de onderhavige zaak naar het oordeel van het gerecht niet aan de orde, ook niet naar analogie. Reeds daarom zal het gerecht voorbijgaan aan het verweer van de bijzondere curator (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2017:3655). Het gerecht merkt - tegen die achtergrond ten overvloede - op dat, zelfs als er plaats zou zijn voor een dergelijke belangenafweging, het niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht om een situatie in stand te houden waarbij de biologische werkelijkheid niet in overeestemming wordt gebracht met de feitelijke werkelijkheid.

2.7

Het verzoek tot vernietiging van de erkenning is, gelet op het vorenstaande, toewijsbaar.

Omgang

2.8

Ingevolge artikel 1:377f BW kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, tenzij het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

2.9

Vaststaat dat in casu sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarigen. De minderjarigen en de man hebben recht op omgang met elkaar. Een goede omgang tussen hen is in het belang van de minderjarigen. Het Gerecht acht de zijdens de man voorgestelde omgangsregeling thans in het belang van de minderjarigen en verwacht dat partijen zich zullen inzetten zodat de omgangsregeling soepel zal verlopen. Het gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.

2.10

Het staat partijen vrij onderling afwijkende afspraken te maken over de omgangsregeling en behoren dat in sommige gevallen zelfs te doen.

2.11

Gelet op de aard van de procedure, zullen de kosten worden gecompenseerd.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

vernietigt de erkenning door [verzoeker] van de minderjarigen [minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum] 2007 in Aruba en [minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] 2011 in Aruba, uit [verweerster],

bepaalt de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen als volgt:

elke woensdag vanaf 14:00 uur tot 17:00 uur,

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven op dinsdag 21 mei 2019 door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature