< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Artikel 95 Landsverordening ambtenarenrechtspraak – Voornemen disciplinair ontslag

Uitspraak



Uitspraak van 21 september 2020

Gaza nr. AUA201903720

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigden: de advocaat mr. D.G. Illes en mr. E. Duijneveld,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mrs. V.M. Emerencia en Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij brief van 25 september 2019 no. DRH/108 Geh (hierna: de kennisgeving) heeft verweerder met toepassing van artikel 95 van de La klager in kennis gesteld van zijn voornemen tot het aan klager opleggen van disciplinair ontslag.

Tegen de kennisgeving heeft klager op 25 oktober 2019 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 16 maart 2020 een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2020. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigden en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigden voornoemd.

Klager heeft op 10 juni 2020 bij akte een stuk ingediend.

Verweerder heeft op 1 juli 2020 een reactie ingediend.

De uitspraak is hierna bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid 1.1

Ingevolge artikel 95, tweede lid, van de La, kan de betrokkene gedurende veertien dagen na ontvangst der kennisgeving een bezwaarschrift inzenden bij het gerecht in ambtenarenzaken.

1.2

Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 95, tweede lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd de kennisgeving pas op 11 oktober 2019 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar wel is ingediend binnen de in artikel 95, tweede lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar.

De feiten

2.1

Klager is sedert 2003 ambtenaar. Van 30 oktober 2013 tot 17 november 2017 heeft klager de functie van Minister van Sociale Zaken, Jeugdbeleid en Arbeid bekleed.

2.2

Bij landsbesluit van 13 maart 2018 heeft verweerder besloten klager te schorsen op grond van artikel 87 sub c van de Lma in verband met een strafrechtelijk onderzoek jegens klager.

2.3

Bij vonnis van 22 februari 2019 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba (P-2017/08240) is klager veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en is hem het recht ontzegd om ambten te bekleden voor de duur van negen jaren. Klager is veroordeeld ter zake van:

- het medeplegen van het vragen en aannemen van streekpenningen;

- het misbruik maken van zijn functie;

- het medeplegen van verduistering;

- het medeplegen van gewoontewitwassen;

- het medeplegen van illegale tewerkstelling en

- het deelnemen aan een criminele organisatie.

Klager heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.4

Bij brief van 2 mei 2019 heeft verweerder klager in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden ten aanzien van het verweten plichtsverzuim. Verweerder heeft klager verweten dat hij:

1. samen met zijn echtgenote een vrouw in dienst heeft genomen die niet in bezit was van een vergunning tot verblijf met arbeid;

2. verschillende malen zijn functie als minister heeft misbruikt door personen wederrechtelijk het land te laten betreden;

3. met behulp van anderen, zichzelf heeft begunstigd door geleden en goederen te ontvangen voor het verlenen van ontheffingen van de arbeidsmarkttoets, getracht heeft de oorsprong van deze gelden te maskeren en deze heeft gebruikt voor persoonlijke doelen;

4. verschillende malen zijn functie van minister heeft misbruikt door het verhinderen van controlewerkzaamheden.

2.5

Bij brief van 21 mei 2019 heeft klager zich verantwoord ten aanzien van het verweten plichtsverzuim.

2.6

Bij advies van 16 juli 2019 heeft het Departamento di Recurso Humano (DRH) verweerder geadviseerd klager de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, hem in zijn ambt te schorsen en het inkomen in te houden.

2.7

Bij bestreden kennisgeving van 25 september 2019 heeft verweerder met toepassing van artikel 95 van de La klager in kennis gesteld van zijn voornemen tot het aan klager opleggen van disciplinair ontslag.

Het wettelijk kader

3.1

Ingevolge Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) worden voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften, tenzij in deze landsverordening anders is bepaald, niet als ambtenaren beschouwd de Ministers.

3.2

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder sub a, van de Landsverordening voorziening politieke ambtsdragers (Lvpa) worden onder een politieke ambtsdrager verstaan degene die een van de navolgende ambten bekleedt: minister.

3.3

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lvpa, is de ambtenaar die benoemd is als politieke ambtsdrager, ingaande de dag van zijn benoeming, van rechtswege als zodanig op non-actief gesteld tijdens de vervulling van dat ambt, tenzij aan hem gedurende die periode ontslag als ambtenaar is verleend.

3.4

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van Lma is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

3.5

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Ingevolgde het tweede lid van voornoemd artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3.6

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder sub i, van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

3.7

Ingevolge artikel 95 van de La kan het bevoegd gezag dat tot strafoplegging wenst over te gaan van zijn voornemen aan betrokkene kennis geven. De kennisgeving vermeldt de disciplinaire straf die het bevoegd gezag voornemens is op te leggen, benevens de gronden die het daarvoor meent te hebben. Ingevolge het derde lid van dit artikel neemt het gerecht in de plaats van het bevoegd gezag de beslissing die naar zijn oordeel genomen behoort te worden.

De standpunten van partijen

4.1

Klager is het niet eens met de voorgenomen strafoplegging. Klager ontkent de verweten feiten te hebben gepleegd. Klager heeft nimmer gelden of gunsten ontvangen voor een handeling als minister. De kennisgeving is geheel gebaseerd op beweerdelijke gedragingen uit het strafdossier terwijl de veroordeling niet in rechte vast staat. Klager wijst er verder op dat de verweten gedragingen plaats vonden in de periode dat hij vanwege zijn ambt als minister geen ambtenaar was. Voorts stelt klager zich op het standpunt dat klager niet onbekwaam is voor het vervullen van zijn functie.

4.2

Aan het voornemen tot disciplinaire strafoplegging heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd en dat naar aanleiding van zijn handelen ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van zijn integriteit en betrouwbaarheid. Als voormalige minister bekleedde klager een voorbeeldfunctie. Met zijn gedrag heeft klager afbreuk gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer minister en integere overheid waar het publiek, en met name de overheidswerknemers, op mag of mogen rekenen. Tevens heeft klager het vertrouwen dat het Land in hem moest kunnen stellen ernstig beschaamd. Er dient een krachtig signaal te worden gegeven dat het plegen van vergelijkbare feiten tot zware bestraffing zal leiden.

De beoordeling

5.1

Uit artikel 95 van de La volgt dat door het maken van bezwaar tegen het aan een ambtenaar kenbaar gemaakt voornemen tot disciplinaire strafoplegging, de rechter bevoegd wordt in plaats van het bevoegd gezag de beslissing over strafoplegging te nemen. Ter beoordeling ligt nu dus voor de vraag of klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en zo ja, welke disciplinaire straf dan opgelegd kan worden.

5.2

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

Het gerecht stelt hierbij voorop dat volgens vaste rechtspraak in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, volgens deze vaste rechtspraak noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

6.1

Klager ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de verweten gedragingen. Het gerecht zal derhalve allereerst moeten beoordelen of op grond van de beschikbare en deugdelijk vastgestelde gegevens kan worden geconcludeerd dat klager de hem verweten gedragingen heeft begaan.

6.2

Ten aanzien van het verwijt onder 1 stelt klager dat er geen sprake is van illegale tewerkstelling. Klager erkent dat mevrouw [X], van Venezolaanse nationaliteit (hierna [X]) voor zijn gezin als inwonend dienstbode werkzaamheden heeft verricht en daarvoor betaald kreeg. [X] was volgens klager echter rechtmatig in Aruba omdat haar verblijfstermijn als toerist nog niet was verlopen en zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning als inwonend dienstbode in Aruba mocht afwachten. Voorts was er nog geen sprake van een dienstverband maar van een proefperiode.

6.3

Het betoog van klager faalt. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat [X] bij klager als kinderoppas heeft gewerkt van 4 tot en met 10 december 2016 en van 20 december 2016 tot eind maart 2017. Het gerecht verwijst daartoe naar de door [X] afgelegde verklaring op 28 maart 2017 in het strafrechtelijk onderzoek. Zij heeft verklaard dat zij van 4 tot en met 10 december 2016 als kinderoppas bij klager werkte en daarvoor 200 dollar en Awg 100,- heeft ontvangen. Op 20 december 2016 is zij Aruba wederom ingereisd als toerist met de bedoeling als kinderoppas bij de familie van klager te gaan werken. Zij werd door de chauffeur van klager opgehaald van het vliegveld en naar het huis van klager gebracht. Aan haar werd Awg 1.000,- per maand betaald door klager voor haar oppaswerkzaamheden.

Het gerecht heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen nu dit wordt ondersteund door de gegevens uit het NAVAS systeem en klager de verklaring van [X] grotendeels heeft bevestigd.

6.4

Uit het dossier blijkt dat voor [X] geen aanvraag voor een verblijfsvergunning voor inwonend dienstbode is ingediend bij Departamento di Integracion Maneho Y Admision di Stranhero (DIMAS). Reeds nu [X] geen aanvraag voor een verblijfsvergunning als inwonend dienstbode heeft ingediend, faalt de stelling van klager dat zij in afwachting van haar aanvraag te werk mocht worden gesteld.

6.5

Klager heeft ter zitting gesteld dat hij beschikt over een beslissing van de minister dat [X] op Aruba mocht werken en er een afspraak was om de verblijfsvergunning aan te vragen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft klager bij akte van uitlating overgelegd een brief ondertekend door mevrouw [A], echtgenote van klager, gedateerd op 15 maart 2017 gericht aan de minister [xxx], inhoudende een verzoek om voor [X] een uitzondering op het beleid te maken dat een vergunning in het land van herkomst moet worden afgewacht. Op deze brief is geschreven: “Dir Dimas, gezien de situatie dezerzijds akkoord, Gaarne uw medewerking” waaronder een handtekening is geplaatst en de datum van 28 maart 2017. Verweerder heeft in zijn reactie gesteld dat deze brief nimmer door DIMAS is ontvangen en erop gewezen dat de brief niet is voorzien van een stempel van het bureau van de Minister.

6.6

Anders dan klager stelt kan uit het door hem overgelegde document geenszins geconcludeerd worden dat mevrouw [X] gerechtigd was arbeid te verrichten in Aruba. Allereerst stelt het gerecht vast dat [X] reeds voor dit verzoek werkzaam was voor klager. Daarbij komt dat de aantekening is geplaatst op dezelfde dag dat [X] is verhoord door de politie over haar illegale tewerkstelling. Tot slot levert de aantekening, gelet op de bewoordingen, geen gerechtvaardigd vertrouwen op dat [X] in strijd met het beleid toch legaal bij klager werkzaamheden kon gaan verrichten.

6.7

Op grond van het bovenstaande stelt het gerecht met verweerder vast dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan illegale tewerkstelling van [X]. Of [X] haar werkzaamheden op grond van een dienstverband heeft verricht of nog in een proeftijd liep, doet niet ter zake. Het was klager in het geheel niet toegestaan [X] te werk te stellen.

7.1

Met betrekking tot het verwijt onder 3 concludeert het gerecht dat voldoende is vast komen te staan dat klager geld en goederen heeft aangenomen voor het verlenen van positieve DPL-verklaringen. Daartoe verwijst het gerecht naar de verklaring van medeverdachte en supermarkteigenaar waarin hij heeft verklaard dat klager hem vroeg om kratten bier, whisky, wodka en champagne en geld in ruil voor een positieve DPL-verklaringen voor zijn werknemers. Het gerecht gaat uit van de juistheid van deze verklaring nu deze onder meer steun vindt in de andere verklaringen en tapgesprekken van klager en zijn voormalig projectcoördinator.

Uit het strafdossier blijkt voorts dat meerdere medeverdachten hebben verklaard dat tegen betaling aan klager een positieve DPL-verklaring kon worden verkregen. Een medeverdachte heeft op 2 oktober 2017 verklaard dat hij 10 tot 12 keer geld heeft gebracht naar klager. De medeverdachten verklaren dat, al dan niet via tussenpersonen, aan klager bedragen van Awg 1500,- tot Awg 5000,- werd betaald voor het verkrijgen van positieve DPL-verklaringen. Het gerecht acht deze verklaringen betrouwbaar nu zij elkaar ondersteunen en versterken. Voorts worden de verklaringen ondersteund door de inhoud van diverse chatberichten, de door klager afgegeven DPL-verklaringen en bij de huiszoeking van een medeverdachte aangetroffen enveloppen inhoudende DPL/DIMAS aanvragen waarop de naam van verdachte is genoteerd met vermelding van bedragen van 1000, 2000, 2500, 3000 en 3500. Op 1 van deze enveloppen staat vermeld: “ Betaald aan dhr [klager] Af 2.000,- April 2015 voor positief DPL” .

7.2

Klager heeft de verweten feiten ontkend en erop gewezen dat het strafrechtelijk vonnis nog niet onherroepelijk is. Het gegeven dat het strafrechtelijk vonnis niet in rechte vaststaat, maakt echter niet dat verweerder het opleggen van een disciplinaire maatregel niet mag baseren op gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. Nu klager de belastende verklaringen op geen enkele wijze heeft weerlegd en slechts heeft volstaan met een enkele ontkenning, heeft verweerder zich op de belastende verklaringen kunnen baseren.

8. Klager heeft betoogd dat hij de hem verweten feiten zich hebben voorgedaan ten tijde dat hij was aangesteld als minister en dat in die periode de Lma niet op hem van toepassing was. De verweten gedragingen hebben derhalve plaatsgevonden in de periode dat klager non-actief was als ambtenaar. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Lvpa is klager van wege zijn benoeming als minister als ambtenaar van rechtswege op non-actief gesteld. Deze bepaling staat er echter niet aan in de weg om klager gedragingen die zich hebben voorgedaan in de periode dat klager op non-actief was gesteld en die ernstig plichtsverzuim opleveren tegen te werpen. Ook gedragingen van ambtenaren in de periode dat zij op non-actief zijn gesteld, kunnen leiden tot plichtsverzuim. Immers ook het gedrag buiten werktijden en buiten de plaats waar de functie wordt uitgeoefend hebben een uitstraling op de overheidsorganisatie. Daarbij overweegt het gerecht dat het verwijt onder 1, het illegaal tewerkstellen van een kinderoppas, volledig in de privésfeer is te plaatsen en in het geheel niet in verband staat met het uitoefenen van het ambt als minister. Het verwijt onder 3, te weten het zichzelf begunstigen door geld en goederen aan te nemen voor de afgifte van een positieve arbeidsmarktverklaring behoort evenmin tot het normale takenpakket van een minister.

9. Verweerder heeft de verweten gedragingen, te weten het illegaal tewerkstellen van een vreemdeling en het zich begunstigen door het aannemen van gelden voor het verlenen van ontheffingen van de arbeidsmarktoets, terecht als plichtsverzuim gekwalificeerd. Er is geen grond voor het oordeel dat de verweten gedragingen niet aan klager kunnen worden toegerekend. Van klager, die in die periode het ambt van Minister van Sociale Zaken, Jeugdbeleid en Arbeid, bekleedde kan verondersteld worden dat hij op de hoogte is van de geldende immigratieregels. Voorts ziet het gerecht geen grond om de verweten omkoping niet aan klager toe te rekenen. De stelling van klager dat hij niet anders heeft gehandeld dan andere ambtsdragers, wat daar ook van zij, is daartoe volstrekt onvoldoende. Nu het plichtsverzuim aan klager kan worden toegerekend, is verweerder bevoegd klager daarvoor een disciplinaire straf op te leggen.

10. Het gerecht is van oordeel dat de verweten gedragingen onder 1 en 3, zowel zelfstandig als in onderlinge samenhang, ernstig plichtsverzuim opleveren en dat deze gedragingen reeds de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigen. In hetgeen klager heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze maatregel onevenredig is aan de ernst van het hiervoor geconstateerde plichtsverzuim. Het gerecht zal de overige verwijten derhalve niet bespreken.

11. Het voorgaande leidt dan ook tot de beslissing dat het klaagschrift ongegrond is.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- stelt vast dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend;

- bepaalt dat aan klager, met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder sub i, van de Lma, de disciplinaire straf van ontslag wordt opgelegd;

- bepaalt dat deze straf met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gelegd.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature