E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2024:378
Hoge Raad, 22/00795

Inhoudsindicatie:

Schorsing van vervolging t.z.v. vernieling van urnen op begraafplaats (art. 350.1 Sr) en handelen in strijd met gedragsaanwijzing (art. 184a Sr), art. 16.1 Sv. Had hof het OM n-o moeten verklaren in vervolging van verdachte, omdat verdachte lijdt aan zodanige psychogeriatrische aandoening waarvan in redelijkheid geen herstel valt te verwachten? Opvatting dat in geval dat bij verdachte een psychogeriatrische aandoening wordt vastgesteld waardoor hij niet in staat is strekking van tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en herstel van cognitief functioneren van verdachte in redelijkheid niet valt te verwachten, rechter niet o.g.v. art. 16.1 Sv mag overgaan tot schorsing van vervolging maar OM n-o moet verklaren in vervolging, vindt geen steun in het recht. Ook het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces staat niet in de weg aan toepassing van art. 16.1 Sv in hiervoor omschreven geval. Aan art. 6 EVRM kan recht worden ontleend om effectief te kunnen deelnemen aan strafprocedure (vgl. EHRM nr. 16757/90 (Stanford tegen Verenigd Koninkrijk)). Uit dit recht vloeit voort dat strafprocedure niet kan worden voortgezet als verdachte vanwege (bijvoorbeeld) psychogeriatrische aandoening niet in staat is tot effectieve deelname aan die procedure. Schorsing van vervolging o.g.v. art. 16.1 Sv leidt ertoe dat strafprocedure niet wordt voortgezet, terwijl die schorsing o.g.v. art. 16.2 Sv alleen dan kan worden opgeheven als van herstel van verdachte is gebleken. Daarmee vormt regeling van art. 16 Sv in licht van art. 6 EVRM een passende waarborg. HR merk op dat als bij onherroepelijke einduitspraak vervolging van verdachte met toepassing van art. 16.1 Sv is geschorst, mogelijkheid openstaat van verzoek aan het in art. 29f Sv bedoelde gerecht om te verklaren dat zaak geëindigd is. Aanleiding daarvoor kan erin zijn gelegen dat, ook na verloop van tijd, geen uitzicht is op herstel van verdachte en daarmee dat het geenszins waarschijnlijk is dat schorsing van vervolging op enig moment in toekomst met toepassing van art. 16.2 Sv zal worden opgeheven. Verklaring dat zaak geëindigd is, kan dan eraan bijdragen dat aan procesdeelnemers duidelijkheid wordt verschaft over afloop van zaak.

Volgt verwerping.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie