Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02436
Datum 14 april 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 mei 2022, nr. 21/00238, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/3465) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Het Hof heeft, voor zover in deze zaak van belang, geoordeeld dat er geen redenen zijn voor een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van de kosten van het geding bij het Hof, omdat belanghebbende daarom niet zou hebben verzocht.
3 Beoordeling van de klachten
3.1De klachten houden onder meer in dat het Hof de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding.
3.2In zoverre slagen de klachten. Zoals belanghebbende terecht aanvoert – en de Staatssecretaris in zijn verweerschrift in cassatie onderschrijft – heeft hij bij het Hof verzocht om vergoeding van proceskosten. Omdat het hoger beroep gegrond was, had het Hof hem daarom een vergoeding moeten toekennen. Aangezien het Hof de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd, had het Hof de Inspecteur voorts moeten veroordelen tot vergoeding van het voor behandeling door de Rechtbank betaalde griffierecht.
3.3De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.4De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Van de kosten die belanghebbende heeft opgesomd in zijn bij het Hof ingediende beroepschrift, komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen de reis- en verletkosten in verband met het bijwonen van de zittingen voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kunnen kosten van parkeren niet tot de reiskosten worden gerekend (artikel 2, lid 1, letter d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met artikel 11, lid 1, letter c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 ). De reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende geraamd op € 39, en voor het bijwonen van de zitting van het Hof op € 22. Aangezien deze berekening niet is bestreden, zal de Hoge Raad daarvan uitgaan. Als verletkosten kan, met toepassing van het zojuist genoemde Besluit, voor de zittingen van Rechtbank en Hof tezamen € 64 worden toegekend.
4 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het verzoek om vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep is afgewezen en een beslissing omtrent vergoeding van het door belanghebbende bij de Rechtbank betaalde griffierecht ontbreekt,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van dit arrest,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 47, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van dit arrest, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep en het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 61 voor reiskosten en € 64 verletkosten, derhalve in totaal € 125.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2023.