< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bpm; art. 10, leden 1 en 2, en art. 10b Wet BPM; afschrijving handelsinkoopwaarde gebruikte personenauto; ‘interne compensatie’ niet in strijd met Unierecht; is coronapandemie reden voor verlenging redelijke termijn?; differentiatie per 1 juli 2021 van de waarde per punt in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in strijd met het discriminatieverbod.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/02977

Datum 27 mei 2022

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2021, nrs. 19/00633 tot en met 19/00638, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 18/1973 tot en met AWB 18/1976, AWB 18/1978 en AWB 18/1979) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Voor zover van belang voor de hierna in onderdeel 3 volgende behandeling van de cassatiemiddelen VIII en X, kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

In 2017 heeft belanghebbende vanuit Duitsland een gebruikte personenauto met meer dan normale gebruiksschade (hierna: de auto) overgebracht naar Nederland met het oog op registratie in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft op 28 september 2017 een bedrag van € 4.594 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. De auto is vervolgens op 22 december 2017 op naam van belanghebbende gesteld.

2.1.2

De auto is in Duitsland op 6 februari 2014 voor het eerst toegelaten tot het verkeer op de openbare weg.

2.1.3

Bij de berekening van de voor de auto verschuldigde bpm heeft belanghebbende op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm) een vermindering (afschrijving) in aanmerking genomen. Omdat de auto meer dan normale gebruiksschade vertoonde, heeft belanghebbende de afschrijving bepaald met behulp van de in artikel 10, lid 8, letter a, van de Wet bpm bedoelde taxatiemethode.In het bij de aangifte overgelegde taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in een onbeschadigde staat geschat met gebruikmaking van de handelsinkoopwaarde van enkele referentievoertuigen. Op die handelsinkoopwaarde zijn alle geraamde kosten van herstel van de schade van € 8.977 als waardevermindering in aanmerking genomen bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto.

2.1.4

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan bpm. Na afwijzing van dat bezwaar heeft belanghebbende bij de Rechtbank voor het eerst het standpunt ingenomen dat zij bij het doen van de aangifte is uitgegaan van registratie van de auto op de datum waarop zij het aangiftebiljet heeft ingediend (25 september 2017), terwijl die registratie, het belastbare feit voor de bpm, zich pas heeft voorgedaan op 22 december 2017. De afschrijving van de bpm moet, aldus belanghebbende, worden verhoogd in verband met het feit dat de auto bij de registratie op 22 december 2017 drie maanden ouder was dan waarvan zij bij het voldoen op aangifte is uitgegaan. Dit betekent dat zij € 128 minder aan bpm was verschuldigd dan zij op aangifte heeft voldaan (hierna: leeftijdskorting).De Rechtbank heeft dit standpunt van belanghebbende gevolgd. Zij heeft het beroep gegrond verklaard en het voor de auto verschuldigde bedrag aan bpm verminderd tot € 4.466.

2.1.5

Belanghebbende heeft op 14 mei 2019 tegen deze uitspraak van de Rechtbank en nog twee andere, gelijktijdig gedane uitspraken van de Rechtbank, hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft deze hoger beroepen gezamenlijk behandeld. Het onderzoek ter zitting in die zaken heeft via beeldbellen op 18 mei 2021 plaatsgevonden. Het Hof heeft vervolgens op 22 juni 2021 uitspraak gedaan.

2.2.1

Voor het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de registratie van de auto op de voet van artikel 16a van de Wet bpm het in 2013 geldende, lagere bpm-tarief moet worden toegepast, aangezien de auto vóór 1 maart 2014 - dat wil zeggen binnen twee maanden na de verhoging van het bpm-tarief per 1 januari 2014 - in Duitsland is geregistreerd. Die toepassing leidt, aldus belanghebbende, tot een verdere vermindering van de verschuldigde belasting tot € 4.310. De Inspecteur heeft bij verweerschrift de juistheid van dit standpunt betwist. Vervolgens heeft hij in de pleitnota voor de zitting zich ook op het standpunt gesteld dat - zelfs als rekening moet worden gehouden met het in 2013 van toepassing zijnde tarief - ter zake van de registratie van de auto niet minder bpm is verschuldigd dan belanghebbende volgens de beslissing van de Rechtbank had moeten voldoen. Volgens de Inspecteur had belanghebbende namelijk niet zonder meer honderd procent van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking mogen nemen vanwege het bepaalde in paragraaf 3.5 van bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Bij gebrek aan een door de taxateur bij het taxatierapport gevoegde, deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal had belanghebbende volgens de Inspecteur niet meer dan 72 procent van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking mogen nemen bij de bepaling van de afschrijving van de auto. Omdat belanghebbende die herstelkosten volledig in aanmerking heeft genomen, is de afschrijving op een te hoog percentage gesteld en dat brengt, aldus de Inspecteur, mee dat belanghebbende een hoger bedrag aan bpm op aangifte had moeten voldoen. Dit bedrag moet volgens de Inspecteur bij wijze van interne compensatie worden verrekend met het bedrag aan bpm dat te veel is betaald doordat het tarief van 2013 niet is toegepast. Daardoor heeft belanghebbende, aldus de Inspecteur, eerder te weinig dan te veel bpm betaald.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de vermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto als gevolg van de schade meer dan 72 procent van het schadebedrag bedraagt, omdat een nadere toelichting van de taxateur daarop ontbreekt. Daaraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat belanghebbende voor de auto een te hoog bedrag aan schade in aanmerking heeft genomen. Dit te hoge bedrag is toereikend om te compenseren met het bedrag aan bpm dat belanghebbende terugbetaald wil hebben, omdat na de vermindering van bpm wegens de leeftijdskorting en bij toepassing van het tarief van 2013 zij meer bpm blijft verschuldigd dan het door de Rechtbank vastgestelde bedrag. Het Hof heeft in dit verband de stelling van belanghebbende verworpen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2014, Ilie Nicolae Nicula, C-331/13, ECLI:EU:C:2014:2285 (hierna: het arrest Nicula), voortvloeit dat de interne compensatie zoals de Inspecteur voor ogen staat, in strijd is met het Unierecht.

2.2.3

Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in hoger beroep afgewezen. Volgens het Hof is de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die de verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is, aldus het Hof, rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en met een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Aangezien het hoger beroep op 14 mei 2019 is ingesteld en het Hof op 22 juni 2021 uitspraak doet, is de redelijke termijn niet overschreden en komt belanghebbende niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, aldus het Hof.

3 Beoordeling van de middelen

Verhouding interne compensatie tot het Unierecht

3.1

Middel X is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Betoogd wordt onder meer dat het Unierecht in de weg staat aan toepassing van zogenoemde interne compensatie. Met een dergelijke compensatie wordt, aldus middel X, het fundamentele recht op terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting geschonden. Het middel baseert dit betoog op hetgeen in het arrest Nicula is overwogen.

3.2.1

Middel X faalt, voor zover het betoogt dat uit het recht van de Unie, in het bijzonder het arrest Nicula, volgt dat indien de heffing van belasting binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, zoals in dit geval de bpm, interne compensatie niet is toegestaan. Het bedrag aan bpm dat ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto op aangifte moet worden voldaan, is de resultante van diverse op het tijdstip van heffing in aanmerking te nemen elementen, waaronder het geldende tarief en de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bpm bedoelde vermindering aan bpm. Het betreft in deze zaak een geval waarin de belastingplichtige bij de berekening van een door hem op aangifte te betalen bedrag aan bpm verschillende fouten heeft gemaakt, zowel in zijn voordeel als in zijn nadeel, en vervolgens bezwaar maakt tegen die voldoening op aangifte. Wanneer de inspecteur in een dergelijk geval bij wijze van interne compensatie aanvoert dat de belastingplichtige bij de berekening ook een fout in diens voordeel heeft gemaakt, kan die belastingplichtige met het door hem gemaakte bezwaar alleen een teruggave krijgen voor zover de combinatie van door hem gemaakte fouten ertoe heeft geleid dat hij te veel belasting heeft betaald. In een dergelijk geval kan dus alleen het te veel betaalde worden teruggegeven. Hebben de fouten tezamen genomen niet ertoe geleid dat te veel belasting is betaald, dan wordt daarom geen teruggaaf verleend. Dat geldt ook indien een fout die de belastingplichtige in zijn nadeel heeft gemaakt, en die hij door het maken van bezwaar wil herstellen, het gevolg is van miskenning van het recht van de Unie. Indien aldus met inachtneming van de nationale wetgeving en het recht van de Unie wordt vastgesteld dat de belastingplichtige per saldo op aangifte niet te veel belasting heeft betaald en hem om die reden geen teruggave hoeft te worden verleend, kan die belastingplichtige dus niet met succes betogen dat hij in strijd met het recht van de Unie belasting heeft betaald.

3.2.2

Het arrest Nicula leidt niet tot een andere slotsom. In dat arrest oordeelde het Hof van Justitie dat de Roemeense regeling van terugbetaling van in strijd met het recht van de Unie geheven belasting op motorvoertuigen niet verenigbaar is met dat recht voor zover het recht op terugbetaling van die belasting werd beperkt door het invoeren van een nieuwe belasting op motorvoertuigen op een zodanige wijze dat Roemenië zijn verplichting tot terugbetaling van eerder ter zake van hetzelfde motorvoertuig in strijd met het recht van de Unie geheven belasting, vermeerderd met rente, beperkte of zelfs geheel kon ontlopen. Een dergelijke of een daarmee op één lijn te stellen situatie doet zich in dit geval niet voor. Belanghebbende wordt niet geconfronteerd met verrekening van belasting vanwege opeenvolgende wettelijke regelingen, maar met de vaststelling van het bedrag aan bpm zoals dat voor de auto op grond van de Wet bpm en met inachtneming van het recht van de Unie ten minste is verschuldigd.

Redelijke termijn van berechting

3.3

Middel VIII is gericht tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof.

3.4.1

Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat in hoger beroep als redelijke termijn voor berechting van de zaak als uitgangspunt een termijn van twee jaar geldt. Deze termijn vangt aan op de dag dat het hoger beroep is ingesteld en mag behoudens bijzondere omstandigheden niet worden verlengd.

3.4.2

De uitbraak van het coronavirus in 2020 mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn van berechting van - in dit geval - twee jaar die in de regel als redelijk is aan te merken. Dit wordt niet anders doordat in verband met die uitbraak gerechtsgebouwen een aantal maanden waren gesloten en verdaagde zittingen opnieuw moesten worden gepland. De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld in 3.4.1 indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland.

3.4.3

Uit de stukken van het geding blijkt niet dat partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de hiervoor in 3.4.2 bedoelde periode van sluiting van de gerechtsgebouwen. Het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. Middel VIII slaagt.

3.5

De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.Voor een verlenging van de voor de behandeling van het hoger beroep redelijk te achten termijn van twee jaar bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft op 14 mei 2019 hoger beroep ingesteld en het Hof heeft op 22 juni 2021 uitspraak gedaan. Daarmee is de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Aan belanghebbende moet daarom een vergoeding van immateriële schade worden toegekend ten bedrage van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

5 Proceskosten

5.1

De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en in de kosten van het geding voor het Hof. In dit verband overweegt de Hoge Raad als volgt.

5.2

Voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep voorziet onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) in een te vergoeden waarde per punt. Gelet op de verwijzing in artikel 29 AWR naar het bepaalde in artikel 8:75 Awb, moet worden aangenomen dat hetgeen in dit onderdeel B1 is bepaald ook geldt voor de procedure in cassatie.

5.3

Tot 1 juli 2021 was de waarde per punt in beroep en in hoger beroep volgens het Besluit voor alle zaken hetzelfde. De gevallen van de belanghebbenden die in aanmerking komen voor een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand werden in dit verband door de besluitgever dus in het kader van de vaststelling van de waarde per punt ter berekening van die vergoeding als gelijke gevallen beschouwd, ongeacht de aard van het besluit waarover door die belanghebbenden in beroep of hoger beroep werd geprocedeerd.

5.4

Met ingang van 1 juli 2021 wordt in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit voor de waarde per punt echter onderscheid gemaakt tussen (i) enerzijds procedures die betrekking hebben op een besluit genomen op grond van hoofdstuk III of IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) of hoofdstuk III van de Wet bpm, en (ii) anderzijds procedures die betrekking hebben op een besluit genomen op grond van een andere wettelijke bepaling. De waarde per punt in beroep en in hoger beroep is bij de laatstbedoelde categorie besluiten per 1 juli 2021 verhoogd met 40 procent en bedraagt thans € 759 per punt (punt 2 van dit onderdeel B1). Voor de eerstbedoelde categorieën besluiten op het gebied van de Wet WOZ en van de bpm is de waarde per punt in beroep en in hoger beroep per 1 juli 2021 niet verhoogd; zij bedraagt thans volgens onderdeel B1, punt 1, van de bijlage bij het Besluit € 541 per punt.

5.5

De Hoge Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of de gevallen die tot 1 juli 2021 als gelijke gevallen werden beschouwd (zie hiervoor in 5.3) sindsdien nog steeds als gelijke gevallen zijn te beschouwen, en zo ja, of er dan een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het hiervoor in 5.4 bedoelde onderscheid dat sinds 1 juli 2021 tussen die gevallen wordt gemaakt. Indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt, komt een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen namelijk neer op een door artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie.Aangezien het hier gaat om een algemeen verbindend voorschrift dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin, is de rechter bevoegd het gemaakte onderscheid aan deze bepaling in de Grondwet te toetsen. Het komt erop aan of de verschillend behandelde gevallen voor de toepassing van deze bepaling in de Grondwet als gelijk moeten worden beschouwd. Aan de opsteller van het algemeen verbindende voorschrift - in dit geval de besluitgever - komt een zekere beoordelingsruimte toe. Het gaat erom of hij in redelijkheid mocht aannemen dat de gevallen die hij verschillend heeft behandeld, met het oog op de toepassing van de desbetreffende regeling niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. Alleen als de besluitgever daarvan in redelijkheid niet mocht uitgaan, en de gevallen voor de toepassing van artikel 1 van de Grondwet daarom als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling vereist. Het vereiste van een objectieve en redelijke rechtvaardiging houdt niet in dat de juistheid van een veronderstelling waarop het gemaakte onderscheid is gebaseerd, empirisch moet zijn vastgesteld of later feitelijk moet komen vast te staan. Wel zal een dergelijke veronderstelling, wil zij een objectieve en redelijke rechtvaardiging kunnen vormen, zo realistisch moeten zijn dat de besluitgever deze in redelijkheid aan de regeling ten grondslag heeft mogen leggen.Indien dat het geval is, is voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bovendien vereist dat in die veronderstelling steun kan worden gevonden voor het gemaakte onderscheid.

5.6

Het hiervoor in 5.4 bedoelde verschil in waarde per punt is ingevoerd bij Besluit van 8 december 2020, Stb. 2020, 524. In de Nota van toelichting bij dat besluit is opgemerkt dat er een onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) loopt naar de inzet van zogenoemde no-cure-no-pay-bureaus bij beroepsprocedures op het gebied van de Wet WOZ en de bpm. Dit onderzoek is, aldus deze toelichting, onder meer ingegeven door een vaak gehoorde klacht, met name van gemeenten, dat de proceskostenvergoeding voor deze bureaus in dit type zaken een te eenvoudig verdienmodel oplevert. Uit de reacties op het ontwerp voor het Besluit van 8 december 2020 kwam, aldus de toelichting, vooral naar voren dat gemeenten vrezen dat een hogere proceskostenvergoeding leidt tot een nog groter beroep op de bestuursrechter door no-cure-no-pay-bureaus, met name in zaken op het gebied van de Wet WOZ. De voorgestelde verhoging van de puntwaarde, in combinatie met no-cure-no-pay-constructies, leidt, aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, tot een verdere juridisering van het proces.Naar aanleiding van deze reacties is besloten de voorgestelde algemene verhoging van de waarde per punt met 40 procent niet te laten gelden voor zaken betreffende de hiervoor bedoelde besluiten op het gebied van de Wet WOZ en de bpm, en in elk geval de uitkomst van het hiervoor genoemde WODC-onderzoek te betrekken in verdere besluitvorming over de proceskostenvergoeding voor dit soort zaken in de toekomst.

5.7

Deze toelichting, die het gemaakte onderscheid in puntwaarden baseert op klachten en vrees, in het bijzonder van de kant van gemeenten, bevat geen aanwijzingen aan de hand waarvan het realiteitsgehalte van die klachten en vrees kan worden beoordeeld, voor zover het om de kosten in beroep en in hoger beroep gaat. Daarbij komt dat de in de toelichting genoemde vrees voor een groter beroep op de bestuursrechter en een verdere juridisering van het proces geen steun biedt aan de keuze van de besluitgever om de verhoging van de waarde per punt met 40 procent uit te sluiten voor alle procedures die betrekking hebben op besluiten als hiervoor in 5.4 bedoeld op het gebied van hoofdstuk III of IV van de Wet WOZ of van hoofdstuk III van de Wet bpm, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom dit weer niet geldt voor besluiten op grond van andere hoofdstukken van de Wet bpm. Het streven om het aantal bestuursrechtelijke procedures te beperken en onnodige juridisering te vermijden, is volgens de Nota van toelichting juist de reden geweest om de proceskostenvergoedingen in andere categorieën bestuursrechtelijke procedures te verhogen. Die verhoging is namelijk volgens onderdeel 1 van die Nota bedoeld om bestuursorganen te prikkelen om besluiten nog beter voor te bereiden wat, volgens deze toelichting, als het goed is leidt tot minder procedures bij de bestuursrechter. Verder wordt deze verhoging in dat onderdeel van de Nota van toelichting geplaatst in het kader van het Programma stelselvernieuwing rechtsbijstand, waarbij wordt opgemerkt dat een belangrijke pijler van dat programma is het inzetten op en realiseren van minder onnodige juridisering tussen burger en overheid door betere dienstverlening. Dit verbetertraject richt zich volgens die toelichting op de volledige keten van het bestuursrecht, dus van primaire besluitvorming, bezwaar, beroep en hoger beroep. Niet valt in te zien waarom deze redengeving niet zou opgaan voor procedures op het gebied van de Wet WOZ en de bpm.

5.8

Het voorgaande brengt mee dat de besluitgever niet in redelijkheid mocht aannemen dat het hiervoor in 5.4 bedoelde onderscheid betrekking heeft op ongelijke gevallen, en dat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte verschil in behandeling. Daardoor komt de bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit in strijd met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet. Punt 1 moet daarom buiten toepassing blijven, zodat de algemene regel van punt 2 van dat onderdeel B1 van toepassing is.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan het hoger beroep toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 541,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 1.557,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 759 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022.

ECLI:NL:GHARL:2021:6004.

Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.3.

Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.5.1.

Vgl. CBb 16 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:158, rechtsoverweging, ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369, rechtsoverweging 74.2, en CRvB 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1116, rechtsoverweging 6.1.

Vgl. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495, rechtsoverweging 2.4.1.

Vgl. HR 7 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6124, rechtsoverweging 5.5, en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, rechtsoverweging 4.3.

Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, rechtsoverweging 4.3.

Zie voor deze reactie onderdeel 3.1 van de Nota van toelichting bij het Besluit van 8 december 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature